# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 37

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten, die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.

Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.

Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst, om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den grond lagen.

Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen te maken.

Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water verschafte.

Nº. 8, het naby gelegen bosch.

Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk, het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan, en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch, het welk zy maar bekomen konden, opslokten.

Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom, en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel met eenige visch.

Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in, als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan; maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar zulk wildbraad.

Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn, daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd, één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL, geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de Wana-Kreek gedaan had.

In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.

De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers, was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde, dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats, die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen, waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;--maar 'er kwam niemand.

Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch, de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken, was in dit oogenblik zeer gering.

Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest, en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve stierven.

Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken, om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende, waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.

Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten; en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak, die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid, dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.

Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen, en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.

Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek, bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum, een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid, want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.

Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen, nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.

De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver, die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.

Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven; en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.

Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen, dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.

Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [40] draagt, uit hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen; vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende, liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen: maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart, en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana, hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.

"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende, zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".

In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn staart een zeer harden slag kan geven.

Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier, het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen Cabiai [41] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten, maar ik heb het niet geproeft.

Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG; het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen, het koste wat het wilde, te zullen wreeken.--Maar men zal, in het volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met die van BONNY gelyk stondt.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel. --Alarm aan de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis veröorzaakt.--De Opposfum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.

Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon, begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan, zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was, geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.

Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs, dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden: maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren, dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.

Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.--Wanneer ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my: "Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband, of obia, geen vertrouwen stellen".--Deeze trek van bekwaamheid van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye, behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger niet zeer gemeen is.

Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed: zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde, de dikte van vogellym heeft.

Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt, is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik, dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond, en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen: binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat, en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim, en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze een lekkeren en gezonden drank van.

De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [42] zig van den kant van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over, op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt 'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende, die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt, en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis, en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet het overige aan mynen medgezel.

Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit; en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende, wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel, om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd, en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.

By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking, van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen, zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks in hinderlagen.

