Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet
Part 33
Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De Palmboom-kool, en de Mauricy.--Heete koorts. --Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos. --Verscheiden soorten van Peper.--Citroen- en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in Surinamen. --Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid.
Het regen-saisoen op nieuws naderende, trok de Colonel FOURGEOUD, na uit zyne soldaten die geenen te hebben uitgekozen, die de gezondsten waren, en in 't geheel niet meer dan een getal van één honderd en tachtig bedroegen, in aantocht, op den 3den July 1779, naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica, eene plaats, welke hy tot eene algemeene verzamelplaats, alvoorens de muitelingen aan te tasten, bepaald had. Ik had de eer onder het getal der geenen, die vertrekken moesten, te behooren; maar den Heelmeester verklaard hebbende, dat ik gevaar liep myn voet kwyt te raaken, indien ik door de bosschen ging, ontfing ik bevel, om op Maagdenberg te blyven, met vermogen echter, om, indien ik binnen kort hersteld was, my by den Colonel te vervoegen, en, zoo goed ik konde, my naar Barbacoeba te begeven. Myn been was op dit oogenblik zoo ontstoken, en zoo zwart, uit hoofde van het dood vleesch, dat de Heelmeester van den Colonel KNOLLAERT, beducht was tot de afzetting te zullen moeten besluiten, en dat ik zonder zeer zwaare pyn niet recht op staan konde.--Ik zal 'er het lidteeken van dragen, zoo lang ik leeve.
Geduurende dit myn agterblyven, ontfing ik dagelyks van PHILANDER en andere Negers, welken ik altyd met zachtheid behandeld had, geschenken, waar onder een kookzel van kool van Berg-Palmboom gevonden werd. Onder alle zoorten van Palmboomen-kool is deeze de meest geachte. De boom, die dezelve voortbrengt, verheft zig zomtyds tot de hoogte van vyftig voeten. Zyn harde houtachtige stam, in zeer dicht op elkander volgende gelederen verdeeld, en van binnen vol merg, even als de vlierboom, heeft eene helder bruine kleur: deeze stam, die in evenredigheid van zyne hoogte dik is, loopt zeer recht, en eindigt puntsgewyze, even als de mast van een schip. In de hoogte word hy van eene donker groene kleur, veröorzaakt door de bekleedzelen, waar uit zig de takken vormen, die horizontaal uitloopen, even als de kroon van een ananas of van een pynappel. Deeze takken zyn van wederzyden bedekt met zwaare blaaden van drie voeten lang, van eene donker groene kleur, zeer puntig, maar gevouwen, verwardelyk geplaatst, en niet bevallig nederhangende, zoo als die van den Latanus- of Kokos-boom. Het zaad is besloten in eene zoort van bruine kelk of scheede, die uit het middenpunt der takken voortspruit, naar den grond nederhangt, en in kleine ronde nooten bestaat, die by elkander zittende, het voorkomen hebben van trossen rozynen, maar naar maate van haaren omvang zoo lang niet. Indien men de kool begeert, moet men den boom afhouwen. Dit geschied zynde, berooft men hem van zyne takken, en van het groen bekleedzel, het welk dezelve voortbrengt. Vervolgens neemt men het hart of de kool, die wit is, en twee of drie voeten lang, dik als de arm van een mensch, en rond als een cylinder van gepolyst yvoor. Zy bestaat uit ligte, langwerpige en witte bladeren, naar zyde linten gelykende, en gereed om het daar op volgend bekleedzel op te leveren, maar zoodanig in malkander gesloten, dat zy een vast en breekbaar lichaam vormen. Deeze vrucht, wanneer men ze raauw eet, heeft den smaak van een amandel, schoon nog teederer en lekkerder: wanneer zy gekookt is, heeft zy den smaak van bloemkool. Men plukt ook deeze lange en dunne bladen één voor één af, en maakt 'er eene uitmuntende salade van. Maar de kool der Palmboomen, het zy raauw, het zy gekookt, verwekt buikloop, wanneer men 'er te veel van eet. In derzelver holligheid, na dat alle de bladeren zyn weg genomen, legt een zwarte koren-worm zyne eieren, waar uit de palmboom-wormen voortkomen. De zachte zelfstandigheid, die nog in het hart van de kool overig is, dient, wanneer zy begint te verrotten, aan deezen worm tot voedzel. De kool van den Latanus-boom en andere zoorten van Palmboomen, word zoo groot niet, is minder zoet, en van eene verschillende gedaante van die, waar van ik zoo even sprak.
De Mauricy [31]is zekerlyk de grootste van alle Palmboomen, ja van alle andere boomen, die in de bosschen van Guiana groeien. Ik kan verzekeren, dat ik eenige boomen van dien naam gezien heb, wier toppen meer dan honderd voeten boven den grond scheenen verheven te zyn. Derzelver omvang was van tien of twaalf voeten aan het dikste van den stam, dat is, op een vierde van den boom van den wortel af gerekend; want van daar af vermindert hy, zoo wel naar beneden als naar om hoog, eene byzonderheid, die misschien aan alle andere Reizigers of Schryvers ontsnapt is. Hy heeft ook eene helder bruine of gryze kleur, en is tot de plaats, alwaar de takken beginnen, in gelederen verdeeld. Deeze takken neemen hunnen aanvang by den top des booms, en zyn lang, groen en boogswyze gekromd, bloot tot aan derzelver einde, waar uit lange en breede bladeren voortspruiten, zynde gevingerd, en van eene bleek groene kleur, zeer regelmatig op eene bolronde manier geschaard, en maakende een zoort van straalen, zoo als een ronde waijer van zig afgeeft. Naar maate dat de jonge takken zig uit het middenpunt naar den top verheffen, verwelken de oude, hangen naar den grond, en worden de speelbal der winden. Uit het midden der groene bladeren, trekken de Indianen lange vezelen of witte draaden, zoo als zy van de zyde-plant doen. Deeze vezelen zeer sterk zynde, maaken zy daar van netten om te visschen, koorden om hunne bogen te spannen, of zy laten ze zoodanig als zy zyn, om 'er zig tot andere gebruiken van te bedienen. Uit het middenpunt der takken koomt het zaad voort, het welk ook in de gedaante van lange risten uyen nedervalt. Ik heb verscheide afbeeldingen van deeze Palmboomen gezien; ik durf verzekeren, dat ze niet getrouw zyn, en volgens verbeelding of valsche beschryvingen uitgevoerd; maar ik staa 'er by het publiek voor in, dat de tans aan hun aangebodene afteekening naar de natuur en op de plaats zelve gemaakt is. Dezelve bevat den Berg-Palmboom, en den Mauricy, boomen, die door hunne takken en bladeren van elkander verschillen. Op de plaat, die ik den lezer aanbiede, beteekent de letter A den stam van den Berg-Palmboom; de letter B deszelfs takken, van den boom afgescheiden; en de letter C het zaad, of de kelk, die het zelve in zig bevat; de D geeft den stam van den Mauricy te kennen; de E één van deszelfs nederhangende takken; de F beteekent den Korenworm, die den Palmboom-worm voortbrengt; de G dien worm zelven, die zoo lekker, nog zoo vet niet is, dan die van de kool van den Berg-Palmboom. Geene andere gelegenheid hebbende om te vertoonen, op welke wyze de Indianen en de Negers op de boomen klimmen, heb ik op deeze Plaat, onder de letter H, één der laatstgemelden vertoond, die op een jongen Mauricy klautert. Geen van beiden doen dit door den stam van den boom met de armen en beenen te omvatten, maar door denzelven met de hand vast te houden, en 'er beurtelings den voet op te zetten. Zy gaan alzoo voort op eene wonderbaarlyke manier; en door dit middel scheurt hen de schors niet op; maar 'er is zeker veel behendigheid, oeffening en kragt noodig, om daar in wel te slagen.
Ik heb, zoo ik meen, breedvoerig genoeg gehandeld over deeze onderscheidene zoorten van Palmboomen, en ik gaa tans over, om het dagverhaal van onze krygs-verrigtingen te vervolgen.
Ik heb gezegd, dat alle de Officiers, en de meeste soldaten, die den post van de Hoop bezet hadden, gestorven of gevaarlyk ziek waren, en dat ik aan de besmetting ontsnapt was. Maar, helaas! het was tans myn beurt! ik had slechts een uitstel, en niets meer, want den 9den wierd ik door die zelfde heete koorts aangetast, die alle de anderen had in het graf gesleept, en waar aan myn Neger QUACO op dit oogenblik zeer ziek lag.
Den 14den, was ik genoodzaakt het bevel aan een ander Officier af te staan, en Maagdenberg te verlaten, om my naar Paramaribo te begeven, maar ik kon niet verder komen, dan Goet-Accord, alwaar men den 15den niets anders dan het oogenblik van mynen dood verwagtte. Tot dit uiterste gekomen zynde, vond eene oude Negerin middel, om my een weinig gekarnde melk, met garst en syroop van suiker gekookt, te doen gebruiken; dit was het eerste voedzel, het welk ik, na dat ik ziek geworden was, genuttigd had. Het deed my zekerlyk een zeer grooten dienst; en des anderen daags was ik in staat om vervoerd te kunnen worden. Myn kleine QUACO was ook veel beter.
Des avonds van den 16den, kwam ik te Fauconberg aan, alwaar ik een pakje met zeven of agt brieven van myne vrienden vond, gepaard met een geschenk van gezouten ossen-vleesch, en gedroogde tongen, Madéra-wyn, Engelsch bier, rhum, en twee kruiken heerlyk citroen-sap met suiker gemengd,en daarënboven een beste ham, en een fraaije jagthond, die beide my gezonden waren door CHARLES MACDONALD, den zelfden Engelschen matroos, met wien ik op de Hoop in vriendschap geraakt was; beide zyne geschenken kwamen uit Virginie. Dit blyk van erkentenis en edelmoedigheid van deezen braven jongen, beantwoordt volkomen aan het waar caracter van den Engelschen zeeman, en deed my groot vermaak. Onder het getal van myne brieven waren 'er twee, voor my van het grootst gewicht, de één was van den heer LUDEN van Amsterdam, en de ander van den heer DE GRAAF, zynen Bestuurder op Paramaribo. Zy verwittigden my, dat myne beminnelyke JOANNA en myn zoon ter myner beschikking waren, voor de somme van twee duizend gulden, die, met de bykomende onkosten, byna twee honderd ponden sterling zouden uitmaken, dog welke ik buiten staat was op dit oogenblik te kunnen betaalen. Ik was reeds eene andere somme van vyftig ponden sterling schuldig, welke ik geleend had, om den koopprys van mynen Neger QUACO te voldoen; myne JOANNA, wel is waar, was my van eene oneindig grootere waarde; en schoon men haar had gewaardeerd op het twintigste gedeelte van de geheele Plantagie, die voor niet meer dan veertig duizend guldens verkogt was, konde ik eene jeugdige vrouw, met zoo veele volmaaktheden begaafd, niet te duur koopen; maar men moest met dit al in staat zyn, om het te kunnen betaalen.
SALOMON heeft met reden gezegd, dat goede tydingen, uit ver afgelegene landen komende, voor de ziel dat geen zyn, het welk frisch water voor een zeer dorstig mensch is. De berichten, die ik in dit tydstip ontfing, deeden my in 't eerst herleven; maar eene nadere overweging overtuigde my wel dra, dat het my onmogelyk was, om my eene zoo groote somme aan te schaffen, en ik was ruim zoo ongelukkig als te vooren. Intusschen deelde ik alle de ontfangene geschenken onder de nabestaanden van JOANNA uit, uitgenomen echter den hond en de ham. Deeze goede lieden baden my aan; en geduurende alle de betuigingen van hunne liefde, riep ik uit: "Dat ik niet ryk genoeg ben, om hen allen vry te koopen!" Ik bevond my toen uittermaten zwak, niettemin oordeelde ik my in staat, om des anderen daags de Rivier af te zakken, tot aan de Plantagie Bergshoven, waar van de Bestuurder, de heer GOURLAY, de beleefdheid had, om my, in een gemakkelyk vaartuig met zes roei-riemen, naar Paramaribo te laten brengen; maar ik stortte wederom in, en ik kwam, des avonds van den 19den, in deeze Stad aan, zynde naauwlyks meer in leven. Ik had den voorigen nacht op eene Plantagie, Jalosy genaamd, doorgebragt, alwaar ik byna den geest gaf.
Ik kan de Rivier Commewyne niet verlaten, zonder den lezer eene afbeelding aan te bieden van een gezicht van Maagdenberg aan de Tempaty Kreek, en nog een van den post van Calais, by de Hoop, aan den mond van de Consavina-Kreek.
Te dier tyd eene goede huisvesting by den heer DELAMARE hebbende, en door de teederlievende JOANNA opgepast wordende, had ik ten minsten rust; en den 25sten, bevond ik my in staat, om voor de eerste keer uit te gaan, en by Mevrouw GODEFROY het middagmaal te gaan nemen. De tafel was by deeze vrouw van de gezondste spyzen, en de verfrissendste vruchten overvloediglyk voorzien. Onder de laatstgemelde, en de planten, die tot herstelling der gezondheid geschikt zyn, en welke dit Land voortbrengt, moet men verschillende zoorten van pepers en de limoenen rekenen. De eerste zyn de cica-peper, de lattaca, en de dago-pipy, zoo als de Negers dezelve noemen; want zy geven aan elke zaak eene benaming naar de overëenkomst, die tusschen dezelve en eenige andere zaak gevonden word. Deeze verschillende zoorten van peper zyn in Europa bekend onder den naam van peper van Caijenne, van piment, en van capsicum, of peper van Guinée. De naam van cica, of chiga, welken men in Surinamen aan de eerste geeft, koomt daar van daan, dat derzelver korrel gelykt naar het insect, chiga of chigoe genaamd, het welk ik beschreven heb. De andere heeft de gedaante van rotten-stronten. Deeze drie zoorten, gelyk ook alle andere, groeien aan heesters, die groen zyn, en niet zeer hoog opschieten. De peper, welke zy allen voortbrengen, is van de allerheetste, en trekt den mond by één; wanneer zy ryp is, heeft zy een scharlaken, of liever bloedkleur. De Europeanen eeten byna geene spyzen, welken zy niet met peper aanzetten: de Negers, en vooral de Indianen slokken ze met geheele greepen in, niet alleen om dat zy 'er ongemeen veel van houden, maar ook om dat zy dezelve als een uitmuntend geneesmiddel tegen een groot aantal kwalen beschouwen.
De limoenen groeijen aan een zeer schoonen boom, genaamd Limoen-boom, waar van de bladen en vruchten veel kleiner zyn, dan die van den citroen-boom, en de laatstgemelden van een veel schitterender geele kleur, dan de citroenen. Zy hebben ook een veel fyner schil, en zyn vol van een zuur sap, het lekkerste, dat ik ken, en waar van de geur alleraangenaamst is. Deeze vruchten zyn zeer nuttig voor de soldaten en matroozen, die ze in dit Land voor het opraapen kunnen krygen, zoo dat men hen niet zeldzaam hunnen ledigen tyd ziet doorbrengen, met dezelve in groote meenigte te verzamelen, om ze met manden vol naar het schip te voeren. Men ontmoet, door de geheele Volkplanting van Surinamen, heggen van Limoen-boomen; en by de Stad Paramaribo groeijen zy aan den weg. Het is zeer te bejammeren, dat men deeze limoenen niet naar Europa kan overvoeren; maar men voert vaatjes, met derzelver sap gevuld, derwaarts. De inwooners deezer Volkplanting leggen ze in suiker, en bewaaren ze in groote aarde kruiken.
Op het na-gerecht van deeze zelfde maaltyd, merkte ik, onder verscheide uitmuntende vruchten, een zoort van appel op, welken men alhier mammy noemt. Deeze groeit aan een boom van de gedaante van een oranje-boom, waar van de schors grys is, het hout witachtig en ruw, en het blad zeer dik, glad, driehoekig en zonder vezelen. Deeze vrucht, die byna rond is, en eenen omtrek van vyf of zes duimen maakt, is met eene harde en roest-kleurige schil bedekt; derzelver vleesch heeft de kleur van wortelen, en ook dezelfde vastheid. Het bevat twee groote nooten, waar van de amandelen bitter zyn; maar de vrucht heeft een uitmuntenden smaak: het is een mengzel van zuur en geurigheid, het welk alle andere in deeze Volkplanting overtreft. Men vindt in Surinamen ook tweederlei zoort van amandelen, gewoonlyk door de Negers pistaches en pinda genoemd. De eerste gelyken naar kleine kastanjes, en groeien als trossen aan den boom; de tweede worden voortgebracht door een heestergewas, en vormen zig onder den grond. [32] Beide zoorten van deeze amandelen zyn olyachtig en zoet; de laatstgemelde bevat 'er twee in eene schel; alle zyn zy aangenaam om raauw te eeten, maar nog beter, wanneer zy onder heeten asch gebraden worden.
Dewyl ik van vruchten spreek, is het hier, zoo ik meen, de plaats, om eene misslag van Mejuffrouw DE MERIAN aan te roeren, die verklaart, dat de druiven in Guiana gemeen zyn. Deeze misslag is des te sterker, dewyl men weet, dat de vruchten, die alleen in eene kleine dunne schel besloten zyn, als de druiven, [33] de kerssen, de aalbessen, de aardbeziën, de pruimen, de abrikosen, de persiken, en zelfs de appelen en peeren, de brandende hette van den zonne-keerkring niet verdragen kunnen.
My tans op nieuw te Paramaribo bevindende, is het, zoo ik meen, voegzaam, om het dieren- en planten-ryk voor eenigen tyd te verlaten, en den aandacht van den lezer op het regerings-bestuur van deeze schoone Bezitting te vestigen; een onderwerp, het welk hy misschien zedert lang verwagtte.
Ik heb reeds gezegd, dat twee derde der Surinaamsche Volkplanting tegenwoordig aan de Stad Amsterdam behooren, en dat de West-Indische Maatschappye eigenaar is van het laatste een derde gedeelte. Ik heb ook te kennen gegeven, dat de rechterlyke macht door onderscheidene Raaden van rechts-oeffening word uitgeoeffend. Ik zal dezelve dus tans in hunne orde aanwyzen, zoo als my dit door den Gouverneur, den heer NEPVEU, is mede gedeeld. De eerste is de Raad van Crimineele Justitie, en van Politie. Dezelve bestaat in het geheel uit dertien leden, wier ampten voor hun leven zyn. De Gouverneur, die 'er de Voorzitter van is, verkiest dezelven uit eene dubbele lyst, die hem door de inwooners word aangeboden. De Commandant, of de afgezonden Gouverneur, is eerste Raad. De bedienende Leden van dit Hof zyn derhalven;
De Gouverneur, De Commandant, Een Procureur-Fiscaal, Een Secretaris, Negen Raden.
De kennis van alle lyfstraffelyke zaaken behoort aan deezen Raad; maar de Gouverneur heeft het recht van schorssing der vonnissen, en zelfs om genade te bewyzen.
De Raad van Civiele Justitie bestaat ook uit dertien Leden, die door den eerstgemelden Raad verkooren, en alle vier jaaren vernieuwd worden. De Gouverneur is aldaar ook Voorzitter, en de bedienende Leden zyn:
De Gouverneur, Een Procureur-Fiscaal, Een Secretaris, Tien Raden.
Deeze Raad neemt kennis van alle burgerlyke rechts-zaken, en zelfs van geringe beledigingen.
Na deezen koomt het Subalterne Collegie, of Kamer van kleine zaken, bestaande uit elf Leden, die al mede door den Gouverneur en het eerstgemelde Hof verkozen worden, en behalven den Secretaris, wiens ampt voor zyn leven is, insgelyks alle vier jaaren vernieuwd, en uit de laatst afgegaane Justitie-Raden genomen worden. De bedienende Leden van dit Collegie zyn derhalven:
Een Vice-President, Een Secretaris, Negen Raden.
Het zelve heeft het opper-toezicht over de openbaare gebouwen, over de straaten, over de laanen van oranje-boomen, over de grachten, enz. Het beoordeelt ook de twistgedingen beneden de twee honderd en vyftig guldens; alle geschillen over grootere sommen moeten voor het Hof van Civiele Justitie gebragt worden.
'Er is ook nog een ander Collegie, namelyk de Wees- en onbeheerde Boedel-kamer. Het bestaat uit
Verscheiden Commissarissen, Een Secretaris, Een Boekhouder, Een Thesaurier, En eenen anderen gezworen Secretaris. De bedienden der Finantie zyn: De Ontfanger der in- en uitgaande rechten, De Ontfanger der groote en kleine imposten, De Ontfanger van het hoofd-geld. De Ontfanger der renten.
Ik zal van de bedieningen deezer Amptenaaren meer opzettelyk spreken, wanneer ik de algemeene inkomsten deezer Volkplanting zal behandelen. Ik bepaale my tans tot het geen derzelver Regeerings-bestuur betreft. Ik heb reeds gezegd, dat de Gouverneur aan het hoofd der burgerlyke en der krygszaaken is; de andere openbaare amptenaaren zyn voornamelyk:
De Secretaris van zyne Excellentie, den Gouverneur, Een Provoost, met het doen vervolgen der Negers belast, De Commissarissen van de Magazynen der levensmiddelen, Vier Opzichters over den uitvoer van de suiker, Een Opzichter over de vaten melasse, of syroop van suiker, Een Opzichter over alle de Noord--Americaansche schepen. Twee Omroepers, Twee Sergeanten of Boden van den Raad, Twee Landmeeters, Drie Meters van timmerhout, Een Opzichter over het vee, enz. Een Opzichter over de maaten en gewichten, Drie Hollandsche Predikanten, Een Fransch Priester,
Een Lutersch Predikant, Drie Meesters van openbaare Schoolen, enz.
De krygsmacht bestaat uit elf Compagniën. Elk van dezelve heeft tot Officiers, een Capitain, een Lieutenant, een Ouder-Lieutenant, een Vaandrig, een Secretaris, en een Kassier. De Capitains zyn doorgaans gezworen Priseerders by het verkoopen der Plantagiën, aan de verschillende Rivieren in hunne wyk gelegen.
Zie daar, welke de voornaamste amptenaaren van het bestuur in de Volkplanting van Surinamen zyn. Dit bestuur zoude niet kwaad zyn, indien het niet door eene snoode gierigheid besmet wierd, tot groot nadeel van deeze schoone Bezitting in 't algemeen, en van derzelver inwooners in 't byzonder. Deeze Volkplanting, wel bestuurd wordende, zoude een hof van Eden zyn, niet alleen voor de Europeaanen, maar zelfs voor de slaven. Het zoude niet moeielyk zyn verbeteringen op te geven, noch ook dezelve uit te voeren. Ik zal by eene andere gelegenheid de aanmerkingen mededeelen, welken ik ten deezen opzigte gemaakt heb; en ik twyfele geenzints, of een weinig oplettenheid op een enkel punt, zal de gelukkigste uitwerkingen voortbrengen. En kan ik dan al, even gelyk de Samaritaan, geen balsem op alle wonden gieten, ik zal ten minsten het geneesmiddel kunnen aanwyzen, het welk, op eene gepaste wyze gebezigd wordende, de kwaaien van een groot getal lieden geneezen zoude.
Ik heb de onaangenaame taak ondernomen, om te bewyzen, hoe deeze Volkplanting, door bloeddorstige en gewelddadige middelen, zig zoo dikwils op den oever van haaren ondergang gezien heeft. Hoe roemryker zoude het zyn voor hun, die 'er de magt toe in handen hebben, om niet alleen haar te redden, maar ook met haar, veele fraaie Volkplantingen in de West-Indiën! zy zouden dit doen door middel der beöeffening van eene uitdeelende en algemeene gerechtigheid, en door het geven van een loffelyk voorbeeld van goedwilligheid en menschelykheid.
Ik kan van de verhandeling van het staatkundig bestuur in Surinamen niet afstappen, zonder het afschryven van deszelfs zinspreuk, die met de daaden zoo weinig overëenkomstig is. Zy is deeze: "Justitia, pietas, fides." De wapens zyn in drie deden verdeeld, bevattende, zoo ik meen die van 't Huis van Sommelsdyk, van de West-Indische Maatschappye, en van de Stad Amsterdam: zy worden gedragen door twee klimmende leeuwen, en dienen om het papieren geld te zegelen, enz.--Maar laat ik myn verhaal vervolgen.
Den 30sten, ontmoette ik dien goeden matroos, CHARLES MACDONALD, en dewyl ik dertig kruiken Jamaicasche rhum gekocht had, gaf ik 'er hem eenige van, om hem het geschenk van een ham en van een hond te vergelden; ik voegde 'er een schulp van paerel d'amour by, met zilver beslagen, welke ik hem verzogt tot eene gedachtenis te bewaren. Deeze brave jongen ging des anderen daags weder naar Virginie scheep, aan boord van de Peggy, waar van Capitain was LOUIS, die my beloofde hem tot zynen Stuurman te zullen bevorderen.