Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 31

Chapter 31 3,896 words Public domain Markdown

Een van myne Negers bragt my, den 24sten van deeze maand, twee zeer merkwaardige insecten, die ik tans beschryven zal. Een van de twee, die naar een sprinkhaan scheen te gelyken, was die geene, welke men doorgaans alhier Spaansche Juffer noemt; nimmer heb ik iets meer buitengewoons in deeze Volkplanting gezien. Het lichaam van dit wonderbaarlyk insect, schoon het niet veel dikker was, dan de schacht van een gewoone veder, was zeven en een halve duim lang, de staart daar by gerekend, welke, even als die van veele andere insecten, uit verschillende gewrichten bestaat.--Hy liep, even als een spinnekop, op zes pooten van by de zes duimen lang, en hy had geene vlerken. Vier hoorens, waar van twee de lengte hadden van vyf duimen, en de andere veel korter waren, staken hem uit den kop. Deeze kop was klein, maar met groote zwarte en uitpuilende oogen. Het lichaam van dit insect had eene bruinachtig groene kleur, en over 't geheel had hy het voorkomen van een gedrocht in zyn zoort. Men vindt hem op moerassige plaatsen, alwaar zyne lange pooten hem ongetwyffeld dienen om te gaan, en niet om te zwemmen, als daar toe ongeschikt zynde, want zy eindigen met twee kleine nagels, als die der kevers. Het andere insect is door Mejuffrouw DE MERIAN afgeteekend, die het de waaker genoemd heeft; maar de Hollanders geven hem een naam, die betrekkelyk is tot het geraas, het welk hy tegen den avond doet hooren, en vry veel gelykt naar het geluid van een cymbaal, of naar dat van het slypen van een scheermes. Dit merkwaardig insect, welks gebrom altyd met het ondergaan der zon, of des avonds ten zes uuren begint, word ook lantaarn-drager genoemd, uit hoofde van het licht, het welk hy des nachts verspreidt, een licht, veel sterker, dan dat van een vuur-mug, van welk zoort hy ook zyn moge, en met behulp van 't welk men alles doen kan. De lantaarn-drager is meer dan drie voeten lang. Hy heeft een dik en groenkleurig lichaam, met vier doorschynende vlerken, die, onaangezien deeze hoedanigheid, eene groote verscheidenheid van kleuren laten schitteren, vooral van onderen, alwaar men twee ronde moesjes opmerkt, veel gelykheid hebbende met die van een paauwen-staart. Onder den kop van dit insect ziet men een lynregte snuit, als eene naald, waar mede men zegt, dat hy het sap uit de bloemen zuigt. Met dit werktuig vooronderstelt men ook, dat hy het zoo even gemelde onaangenaam en sterk geraas maakt. Ik voor my zoude het veel eer aan de beweging zyner doorschynende vlerken toeschryven, zoo als men dit van zommige muggen in Engeland beweert. Eene sterke snuit, met roode en geele streepen, en hebbende de gedaante van het eerste gewricht van een's menschen vinger, steekt hem uit het voorste gedeelte van den kop, en maakt een derde der lengte van het geheele dier. Deeze uitwas word gemeenlyk de lantaarn van dit insect genoemd, en doet het licht voortkomen, waar van hy zynen naam draagt. Ik zal zyne beschryving eindigen met te zeggen, dat hy zeer langzaam loopt, maar met eene verbaazende gezwindheid vliegt.

Den 26sten, kwam myn kleine QUACO van Paramaribo te rug, met zig brengende al het geen ik hem gelast had: men had de geit niet vergeten, en men zond 'er my een met haar jong, waar voor ik twintig guldens, of by de twee ponden sterling betaalde.

De geiten zyn echter in geheel Guiana zeer gemeen; zy zyn aldaar niet groot, maar fraay; haare hoornen zyn zeer klein; haar hair is kort, zacht, en van eene donker bruine kleur; haare gezwindheid is niet te vergelyken, dan by die der harten. Men kweekt ze op de Plantagiën aan, alwaar zy vermeenigvuldigen, en veel melk geven. Wanneer men ze jong doodt, is haar vleesch goed om te eeten.

Ik ontfing toen de onaangenaame tyding, dat het Schip, waar mede myne brieven naar Europa vertrokken waren, in de nabyheid van Texel vergaan was. Ik vernam te gelyker tyd met aandoening, dat myn vriend, de heer KENNEDY, zyne vrouw en huisgenooten, aan de Volkplanting hadden vaarwel gezegd, en naar Holland waren ingescheept. De gemelde heer KENNEDY, de heer GORDON, en de heer GOURLUY, waren Schotten; de heer BUCKLAND, de heer TOWNSEND, en de heer HALFHIDE, waren Engelschen de heer MACNEYL was uit Ierland: 'er waren geene anderen van hunne natie, die deeze Volkplanting bewoonden.

Den 28sten, kwam de Colonel FOURGEOUD van zynen tocht naar de Patamaca te rug. Zyn krygsvolk was van vermoeienis afgemat, en hy zelf had veel geleden. Hy had een groot getal zyner soldaten in het Hospitaal van la Rochelle agtergelaten; maar hy vernam zelfs de muitelingen niet, schoon hy bestendig zynen weg veranderd had. Het scheen derhalven, dat zy in wanorde waren, zoo zy al in 't kort eenig vast verblyf gehad hadden; maar waar konde men hen in dit eindeloos bosch ontdekken? Daar kwam het op aan. De Colonel wanhoopte echter niet, dit te zullen doen. In de daad, hy stelde den zelfden yver te werk om hen te vervolgen, als voorheen, om de schuilhoeken van het wildt te ontdekken.

Den 29sten, bood de heer MATHIEU, één van onze Officiers, die ter jagt gegaan was, my den Taïbo aan, een dier, alhier onder den naam van Boschrot bekend. Hy had de grootte van een jonge haas, maar was aan het einde van zyn lyf uittermaten dun; hy had eene huid van eene rosachtig bruine kleur, lange pooten, een ronde kop, en zyne staart geleek naar die van een speenvarken; zyne klauwen hadden juist de gedaante van die van een gewoone rot, maar in evenredigheid veel grooter; zoo als ook de kop, de bek, de knevels, en de tanden; hy had korte en kaale ooren; de oogbal zyner zwarte en uitpuilende oogen was wit. Men beweert, dat deeze boschrot zeer schielyk loopt. Wy lieten hem gereed maken: men had ons gezegd, dat hy goed om te eeten was, en wy vonden dit ook bewaarheid; hy had een uitmuntenden smaak, en was malsch en vet, hoe zeer hy mager scheen. Dit dier herinnert my, uit hoofde van deszelfs gedaante, een ander, in dit Land bekend onder den naam van crabbo-dago, of den koppigen hond, welken men hem geeft van wegens zyne voorbeeldelooze woestheid; want alle viervoetige, vliegende of kruipende gedierten, welken hy ontmoet, doodt en verslindt hy; hy schynt nooit van bloed verzadigd te zyn. Zonder door den honger gedreven te worden, doodt hy alle dieren, welken hy overwonnen heeft; zyn moed, zyne kragten, zyne werkzaamheid hebben weinig huns gelyken, schoon hy niet veel grooter, dan een gewoone kat is. Volgens het geen ik hier opgeeve, verdenke ik sterk, dat hy naar den Ichneumon gelykt; maar nog meer naar het dier, in de Natuurlyke Historie van BUFFON gemeld, die, volgens de verzekering van den heer ALLEMAND, het zelve den Grifon noemt: die geen, waar van ik spreek, is echter een weinig grooter. Deeze Schryver zegt, dat schoon het oorsprongelyk een dier uit Surinamen is, niemand van hun, die van daar komen, 'er bericht van kunnen geven. Indien hy het zelfde dier is, en ik twyffel 'er niet aan, strekt het my tot genoegen, om 'er aan den lezer de beschryving van op te geven. Ik zal dus de plaats uit het werk van den Graaf DE BUFFON, die zulks van den heer ALLEMAND zelf ontleend heeft, letterlyk aanhaalen. Indien ik deeze opgaave by het leven van deezen beroemden Natuur-kenner gelezen had, zoude ik de vryheid gebruikt hebben, om hem de waarneemingen te schryven, welke ik aan het Publiek onderwerpe.

"Ik heb uit Surinamen het diertjen ontfangen, het welk op Plaat VIII. verbeeld is, en op de lyst van het geen in de kist, waar in hy ingepakt was, gevonden wierd, den naam droeg van de gryze wezel, waar van ik den naam van Grifon gemaakt heb, om dat ik den naam niet weet, dien men hem in zyn land geeft, en om dat zyne kleur denzelven genoegzaam aanwyst. Het geheele bovenste gedeelte van zyn lichaam is met hairen van eene donker bruine kleur bedekt, met witte punten, het geen eene gryze kleur maakt, waar in het bruin doorsteekt; maar boven op den kop en hals heeft hy eene helderer gryze kleur, om dat de hairen aldaar zeer kort zyn, en om dat het witte gedeelte in lengte met het bruine gelyk staat. De snoet, het geheele onderlyf, en de pooten, zyn van eene zwarte kleur, die eene zonderlinge tegenstrydigheid maakt met de gryze kleur, waar van de zelve aan den kop is afgescheiden door eene witte streep, beginnende aan den eenen schouder, en doorgaande onder de ooren, boven de oogen en den neus, en zig tot den anderen schouder uitstrekkende.

De kop van dit dier is zeer groot in evenredigheid van zyn lichaam; zyne ooren, die byna een halve cirkel maken, zyn meer breed dan hoog; zyne oogen zyn groot: zyn bek is gewapend met maaltanden, en sterke en puntige honds-tanden. 'Er zyn zes sny-tanden in elk kakebeen; maar die van de beide reijen zyn alleen zichtbaar; de vier tusschen beiden staande komen naauwlyks uit derzelver holligheden. De pooten, zoo wel die van vooren, als van agteren, zyn verdeeld in vyf klauwen, die met sterke geelachtige nagels gewapend zyn. Zyn staart, die vry lang is, eindigt puntsgewyze.

De wezel is onder alle dieren van ons vaste Land die geene, waar mede deeze Grifon de meeste overëenkomst heeft; dus ben ik niet verwonderd, dat hy my onder dien naam uit Surinamen is gezonden geworden. Nogtans is het geen wezel; schoon hy wegens het getal en de gedaante zyner tanden 'er veel overëenkomst mede heeft, is zyn lyf zoo langwerpig niet, en zyne pooten zyn veel hooger. Ik ken geen schryver nog reiziger, die 'er van gesproken heeft, en de geen, die my gezonden is, is de eenige, welken ik immer gezien heb. Ik heb hem aan verscheiden lieden getoond, die langen tyd hun verblyf in Surinamen gehouden hadden; maar hy was hun onbekend; derhalven moet hy op de plaatsen, van waar hy herkomstig is, zeldzaam zyn, of oorden bewoonen, die weinig bezogt worden. De zender van dit dier had geene byzonderheid opgemerkt, geschikt om deszelfs natuurlyke geschiedenis op te helderen; dienvolgende heb ik niets anders kunnen doen, dan eene afteekening van hem te maken". (Hist. Nat. de BUFFON; Edit. de Hollande, Tom. XIV. pag. 65.)

Het is waar, dat dit dier in Surinamen zeer zeldzaam is; maar dat hy door de natuur-kenners niet beter beschreven is, moet men ongetwyffeld toeschryven aan zyne ongemeene woestheid, die byna altyd belet, om hem levend te vangen.

De Bevelhebber en ik waren toen boezemvrienden, en dagelyks noodigde hy my aan zyne tafel. Hy verzogt my, om hem zyn pourtrait levensgrootte te maken, en hem in zyne veld-kleeding te vertoonen. Zyn oogmerk was, om dit naar Europa mede te neemen: hy hoopte, dat de Stad van Amsterdam het zelve op haare kosten zoude doen in 't koper brengen; hy oordeelde zig iemand te zyn van zoo veel gewicht voor Holland, als de Hertog van Cumberland, na den slag van Culloden, voor Engeland was.

My van een blad groot papier, en Chineesche inkt voorzien hebbende, ging ik aan 't werk. Terwyl ik bezig was, om de trekken van myn oorsprongelyk stuk naauwkeurig naar te gaan, wierd de berg door eenen vervaarlyken donderslag ylings geschokt, zoo dat alle de eieren van een hen, die in een hoek van onze hut te broeien zat, aan stukken braken. De straal van den blixem ontstelde de trekken van den Colonel voor een oogenblik; maar hy herstelde zig schielyk, en ik ging voort. Het werk was korten tyd daar na tot zyn groot genoegen afgemaakt.

De Neger SEPTEMBER, die in 't jaar 1774. gevangen genomen was, stierf, byna op deezen tyd, aan de waterzucht. De Colonel had hem gedwongen hem te volgen op alle zyne tochten, even als een geketende hond. Hy verbeeldde zig, dat deeze Neger, vroeg of laat, hem in de onderscheidene bezittingen der muitelingen brengen zoude, maar hy bedroog zig, De andere slaven, hem verdacht houdende van reeds eenigen raad aan den Bevelhebber gegeven te hebben, schreven zynen dood aan de Goddelyke rechtvaardigheid toe, die hem strafte wegens het verraden van de trouw, welke hy buiten twyffel aan zyne landgenooten gezworen had. De lezer herinnert zig waarschynlyk, het geen ik in het derde hooftstuk gezegd heb, dat de Africaansche Negers gelooven, dat hy, die zynen eed schendt, elendig moet omkomen, en eene eeuwige straffe in de andere weereld ondergaan.

De post van de Hoop aan de Commewyne was, wegens gebrek aan zindelykheid, tans zeer ongezond geworden: het krygsvolk, het welk aldaar na myn vertrek de wacht gehouden had, was uittermaten onachtzaam, om deezen post in goeden staat te houden. De dood had reeds verscheiden soldaaten weggerukt, en de ziekte belette den bevelhebbenden Officier en een gedeelte van zyn volk, om dienst te doen. De Colonel FOURGEOUD zond den Capitain BRANT en eenige soldaaten derwaarts, met last, om alle de zieken, welken men op deezen post vinden zoude, niet naar de Stad Paramaribo, maar naar Maagdenberg te doen vertrekken. De Colonel, deezen Capitain met dien tocht belastende, behandelde hem met eene groote hardheid, en vergunde hem zelfs den tyd niet, om zyne goederen mede te neemen. Van een anderen kant, ontnam de Colonel SEYBOURG hem den eenigen slaaf, dien hy tot zynen dienst had, en hield dien voor zig zelven. Deeze behandeling deed den armen BRANT zoo geweldig aan, dat hy begon te schreijen, en verklaarde, dat hy wenschte zulke mishandelingen niet te overleven. Hy vertrok vervolgens naar den post van de Hoop; met een hart van droefheid overstelpt.

By zyne aankomst vernam hy, dat de Capitain BROUGH, de laatste Bevelhebber op deezen post, zoo even overleden was. Deeze Officier, zeer zwaarlyvig zynde, had groote vermoeïngen in de bosschen ondergaan. De hette was voor hem ook doodelyk: hy had eene versmelting van vochten, die op een rotkoorts uitliep, en hem uit 't leven wegnam. De Colonel SEYBOURG volgde den Capitain BRANT wel dra naar de Hoop, om aldaar de zieken te bezoeken. Geduurende al dien tyd had ik niets te doen. Ik zal my dus bezig houden met twee visschen te beschryven, die eenen byzonderen aandacht verdienen.

De eerste heeft de gedaante van een groote bokking; ik had ze van dit zoort nog niet gezien, en zekerlyk, behalven den zee-braassem, kende ik 'er geene, die fraaijer gekleurd was. Zyn rug en zyden hebben streepen van eene fraaije geele en van eene ryke en donkere blaauwe kleur, zyn buik heeft eene witte zilver-kleur. Hy heeft zwarte en goudkleurige oogen, doorschynende vinnen van eene zeer levendig roode kleur. Zyne gedaante gelykt vry veel naar die van eene forelle, en hy is met kleine schubben bedekt; hy heeft eene vinne op den rug, en het teeken van eene andere by den staart, die gespleten is; onder den buik ziet men aan hem vyf andere vinnen, waar van twee tot de borst behooren, en de laatste achter den navel. Zyn benedenste kakebeen steekt meer voorwaarts dan het bovenste, en zyn bek schynt eene omgekeerde gedaante te hebben: eindelyk heeft hy zeer kleine kieuwen of ooren. Ik deed onderzoek naar deezen visch; maar alles wat een oude Neger 'er my van berigten kon, was, dat men hem dago-faisy noemde.

De andere was die groote en fraaie visch, die by de Engelschen den naam van rock-cod draagt, by de Indianen dien van baroketta, en by de Negers dien van new-mara. Ik heb 'er reeds verscheiden malen melding van gemaakt; maar ik heb hem nog niet beschreven. Men vindt deezen visch zeer dikwils in het bovenste gedeelte der Rivieren. Hy heeft de gedaante van eene groote kabeljauw, maar met schubben bedekt. Zyn rug heeft eene donkere olyf-kleur, zyn buik is wit, zyn kop is groot met kleine oogen, waar van de appel zwart en de oogbol grys is. Zyn breed kakebeen is van boven en onder van eene reije puntige tanden voorzien, even als die van een snoek. Hy is, gelyk dit dier, uittermaten vraatächtig. Hy heeft een stompen staart, en, zoo als ook de vinnen, van dezelfde kleur als het lichaam: deeze vinnen zyn zes in getal, één op den rug, twee aan de borst, twee onder aan het lyf, en de laatste aan den onderbuik. Zommige lieden vergelyken den smaak van deezen lekkeren visch by dien van Zalm. Hy is by de blanken in deeze Volkplanting zeer geacht; maar zeldzaam te Paramaribo, schoon hy, gelyk ik gezegd heb, boven in de Rivieren overvloedig gevonden word. Ik heb ze beiden zeer naauwkeurig afgeteekend, zoo wel de dago-faisy, als de new-mara. Men vond 'er ook in Surinamen naauwkeurige afteekeningen van.

Verscheiden Officiers, die gevogelte en varkens aankweekten, verloren dezelven tans allen in den tyd van twee dagen: zy waren waarschynlyk vergeven door het eeten van duncane, of van eenige andere vergiftige plant, die ons onbekend was. Echter heeft men in 't algemeen opgemerkt, dat de aangeboren neiging der dieren hun de heilzaame kruiden van de schadelyke doet onderscheiden.

De heer SEYBOURG kwam toen al zegevierende van de Hoop te rug: hy bragt den Lieutenant DEDERLEIN, één der Officiers van den Colonel FOURGEOUD met zig, doende denzelven door een Sergeant en zes soldaten, met de bajonnet op de snaphaan, bewaren, om dat hy, zoo hy zeide, hem de verschuldigde achting niet betoond had.

Den 7den, kwamen de zieke Officiers, en soldaten van denzelfden post, in vaartuigen aan. Verscheiden van hun, welken men inscheepte, vonden zig buiten staat om vervoerd te worden, en geraakten, zonder eenige hulp, op de reize om 't leven. Een van onze Heelmeesters stierf ook, den zelfden dag, op de legerplaats, en aanhoudend begroef men soldaaten. Deeze waren de gevolgen van eenen tocht, in een zoo vochtig jaargetyde ondernomen; maar onze Colonel oordeelde het zelve meer geschikt dan eenig ander, om eindelyk eens de muitelingen uit de bosschen van Guiana te verdryven.

AGTTIENDE HOOFTSTUK.

Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke ziekten.--Zelfsmoord.

Ik heb zoo straks gezegd, dat verscheiden Officiers gevogelte aankweekten; maar alle nachten ontnam een onbekende strooper 'er hun verscheiden van. De Capitain BOLTS, den coati-mondi of crabbo-dago van deezen diefstal verdacht houdende, zette een val, door middel van eene ledige kist, welke hy in den grond deed plaatsen, en waar van het dekzel wierd opgehouden door een hout, waar aan men een lang touw had vast gemaakt. Vervolgens sloot hy al zyn gevogelte naauwkeurig op, uitgenomen twee hoenderen, welke hy onder deeze val plaatste, doende dezelve door twee Negers op eenigen afstand bewaken. Deezen hadden naauwlyks een uur of twee op hunnen post doorgebracht, of zy hoorden de hoenderen schreeuwen; één van hun trok toen aan het touw, en de ander schoot toe, om zig van den dief te verzekeren, gaande op het dekzel zitten: het was een jonge Tyger, die 'er in besloten zat; hy deed wel dra alle pogingen, om zig in vryheid te stellen; maar men bond de kist met zwaare touwen toe, en men wierp die alzoo in de Rivier, dezelve onder water houdende, om het dier, het welk de sterkste pogingen deed om te ontsnappen, te doen verdrinken. De Capitain BOLTS nam zyne huid, en bewaarde die tot eene gedachtenis van dit zonderling voorval.

De Graaf DE BUFFON beweert, dat 'er in America geene Tygers zyn; maar dat men 'er dieren vindt, die hun gelyken, en waar aan men denzelfden naam geeft. Ik zal dezelve beschryven zoodanig als ik ze gezien heb, en de lezer zal beöordeelen, wat zy zyn.

De eerste en grootste word Jaguar van Guiana genoemd. Dit dier, het welk verscheiden Schryvers als zwak, verachtelyk, en van de grootte van een haazen-windhond hebben afgebeeld, is integendeel zeer sterk, zeer gevaarlyk, zeer woest. Zyne lengte, van den bek tot het begin van den staart, heeft zomtyds zes voeten: men vergeete niet den verbaazenden voetstap van een tyger, welken ik aan de Patamaca in het zand zag, schoon men zoude kunnen tegenwerpen, dat deeze in 't byzonder van eene buitengewoone grootte had, en het zand los was. De Jaguar heeft eene donkere oranje kleur en een witten buik. Zyn rug heeft langwerpige en zwarte streepen. Op zyde van den buik zyn onregelmatige ringen, in den omtrek zwart, en in het midden helder. Het overige gedeelte van zyn lichaam en zyn staart hebben kleine vlakken, die volmaakt zwart zyn. Zyne gedaante gelykt in alle opzichten naar die van den Africaanschen Tyger; en dewyl hy ook onder het geslacht der katten behoort, is het niet noodig 'er eene omstandiger beschryving van te geven. Maar dewyl zyne grootte en krachten die van dit klein huisdier overtreffen, verscheurt hy een schaap of een geit even gemakkelyk, als de kat een muis of een rot doodt. De koeijen zelfs en de paarden zyn in weerwil van hunne grootte, voor zyne woede niet beveiligd, want dikwils tast hy hen op de Plantagiën aan; en schoon hy dezelve, uit hoofde van hunne zwaarte, niet naar de bosschen kan sleepen, scheurt hy hen wreedelyk aan stukken, alleenlyk om hun bloed te drinken, waar naar dit woest dier altyd dorstig is. Het is bovendien wel gebeurd, dat de Jaguar jonge Negerinnen, die op het land werkten, heeft mede gesleept, en dit zelfde ongeluk gebeurt hunne kinderen maar al te veel. Dit boosäartig dier werpt (volgens de uitdrukking van deeze zelfde Schryvers) door een enkelen slag met de poot, een wild varken om ver, en het sterkste paard, dat men in Guiana beryden kan, grypt hy by de keel. Zyn woeste aart en bloeddorstigheid zyn oorzaak, dat men hem nooit heeft kunnen tam maken. Hy zou de hand van zynen oppasser verscheuren; en dikwils zelfs verslindt hy zyne jongen. Hoe sterk echter en woedend hy ook zy, hy is niet in staat wederstand te bieden aan den slang Aboma, die, wanneer hy hem bereiken kan, hem in korte oogenblikken aan stukken slaat.

Het tweede dier van het zelfde zoort is de Couguar, de roode Tyger in Surinamen genaamd. Men zoude hem voegzamer kunnen vergelyken by een haazen-windhond, ten aanzien van deszelfs gedaante, maar niet van zyne grootte, en by gevolg ook ligter dan den Jaguar, maar grooter dan een windhond. De huid van dit dier is van eene bruin roode kleur; de borst en buik zyn van eene vuile witte kleur; hy heeft lange en ongevlakte hairen; de staart van eene aard-kleur, en aan het einde zwart. Zyn kop is klein, met twee glinsterende oogen, waar uit het vuur als uitspringt; en zyne tanden zyn zeer breed. Zyn dun lyf word gedragen door lange pooten, die met geduchte en witachtige klaauwen gewapend zyn. Hy is even verslindend als de Jaguar.

Een derde dier van dit zoort, en het welk zeer fraay is, al mede in Guiana gevonden wordende, is de Tyger-kat. Deszelfs grootte gaat die van veele katten, welke ik in Engeland gezien heb, niet te boven. Zyne huid is van eene fraaie geele kleur, en gevlakt met kleine witte moesjes met zwarte randen. Hy heeft den buik van een helderen kleur, zwarte ooren met een witte vlak, en zeer zacht hair. Men waardeert zyne huid zeer hoog; en hy heeft dezelfde gedaante als de Jaguar. De Tyger-kat is een zeer levendig dier, wiens oogen schitteren als blixem-straalen; maar hy is even woest, even verslindend, even wild als de voorgaande.