# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 30

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Terwyl wy op Maagdenberg waren, bood een Neger my eene fraaie Kapel aan, welke ik met alle mogelyke naauwkeurigheid afteekende. In de verzameling van Mejuffrouw DE MERIAN heb ik dezelfde gezien, alwaar die zeer slecht gekleurd is. De myne was van een zeer dof blaauwe kleur, hellende naar het groen, en geheel bedekt met moesjes, even als een paauwen-veder; op elke vlerk had dezelve een vlak van eene bleek geele, en van onderen eene purper karmozyn kleur. De rups van deeze kapel is geel en bruin, met agt hoornen op den kop en twee op de staart.--Byna te gelyker tyd kwam de Capitain FREDERIK van eenen tocht in de bosschen te rug. Een van zyne Corporaals was by het oversteeken van een Kreek verdronken. Het is niet zeldzaam, dat in dusdanig geval iemand in het water valt, maar doorgaans haalt men hem, wien zulk een ongeluk wedervaart, in tyds 'er uit. Dit was het lot niet van deezen ongelukkigen, die met al zyn reistuig oogenblikkelyk naar den grond zonk.

Een ander Neger bragt my ook een kookzel van groegroe, zoo als men het in Surinamen noemt, en zynde van Palmboom-wormen toebereid. Het zyn groote zwarte koorn-wormen, die hunne eieren in het merg van afgekapte of afgebrokene Palmboomen nederleggende, dezelven alzoo doen geboren worden. Deeze wormen hebben de gedaante en grootte van een menschenduim. Welk walgelyk voorkomen zy ook hebben mogen, eeten 'er verscheiden lieden met smaak van, en men verkoopt ze ten allen tyde te Paramaribo: men bakt ze in de pan met boter en een weinig zout; of men braad ze, en rygt ze aan kleine houte pinnen. Zy hebben een smaak, uit dien van alle Indiaansche speceryen, als de muscaat-nooten, kruid-nagelen, kaneel, enz. zaamgesteld. De Palmboomen, die beginnen te verrotten, leveren dit zoort van wormen op; maar allen hebben zy dezelfde grootte niet. De eene en andere hebben eene bleeke geele kleur, meteen zwarte kop; de Indianen en Negers noemen dezelven toecoema.

Den 16den, deed men een hoop krygsvolk naar la Rochelle, aan de Patamaca, vertrekken. Des anderen daags zond men een Capitain met eenige soldaaten naar den post van de Hoop aan de Commewyne, om aldaar alle de Plantagiën, aan de oevers deezer Rivier gelegen, te beschermen.

Den zelfden dag zag men den ongelukkigen Neger, die den 5den Maart zig in den strot gestoken had, en die tans van zyne wonden genezen was, het bosch ingaan. Hy hield een mes in de hand, en deeze keer mislukte hem zyn slag niet. Men liep hem na, maar vond hem dood. Zyn meester berigtte ons, dat hy zedert eenigen tyd van maand tot maand pogingen deed, om zig van kant te helpen.

Den 17den, kwamen de manschappen, die naar den post van la Rochelle afgezonden waren, van daar te rug; al het krygsvolk der Sociëteit was daar ziek.

De Colonel FOURGEOUD behandelde my in dit oogenblik met de grootste beleefdheid. Op zyn verzoek zond ik hem, den 20sten verscheide afteekeningen, die hem zelven en zyn krygsvolk verbeeldden, worstelende tegen alle de moeielykheden, die zig elk oogenblik in onzen dienst opdeeden; hy zeide my, dat zyn oogmerk was dezelve aan den Prins van Oranje en aan de Staaten Generaal aan te bieden, om hun te doen zien, wat zyn volk al in de bosschen van Guiana geleden had.

Hy gaf my toen een verlof van veertien dagen, om naar de Stad te gaan, en den heer KENNEDY goede reize te wenschen. Zynen goeden luim niet willende laten verkoelen, verliet ik Maagdenberg binnen 't uur, en maakte zoo veel haast, dat ik den 22sten te Paramaribo aankwam. Ik vond myne kleine familie aldaar zeer welvarende. Op 't oogenblik van myne aankomst, zond men my dezelve by den heer DELAMARRE; maar geduurende myne afwezigheid, had dezelve het huis van den heer LOLKENS niet verlaten, en was aldaar steeds met veel oplettenheid en achting behandeld.

ZEVENTIENDE HOOFTSTUK.

Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige. --Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten. --Geiten van Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond.

Myn eerste bezoek leide ik by den heer KENNEDY af, en betaalde hem de vyf honderd gulden, voor den koopprys van QUACO, die toen mynen vryen eigendom was. By myn verblyf op Paramaribo wierd ik door eene koorts aangetast, die echter slechts weinige dagen duurde. Den eersten Mey, aan den oever der Rivier wandelende, vernam ik, dat 'er eene groote meenigte volks voor het huis van Mevrouw S.... vergaderd was, alwaar ik eene verschrikkelyke vertooning zag. Een ongelukkig Mulatten meisje was 'er het voorwerp van. Zy baadde in haar bloed. Men had haar op eene wreedaartige wyze in den strot gestoken, en negen of tien steeken in de borst op verschillende plaatsen gegeven. Men beweerde, dat dit het gevolg was van de jaloersheid van dit helsche beest, Mevrouw S...., die haaren man verdacht hield, dat hy op dit ongelukkig meisjen verliefd was. Dit wangedrocht van een wyf heb ik reeds bevoorens aangehaald, toen zy een onnoozel kind, welks geschrei haar hinderde, verdronken had. Men beschuldigde haar zelfs van eene nog grootere wreedheid, indien 'er grooter zyn konde! Op zekeren dag op haare Plantagie komende, om aldaar eenige slaven, die in 't kort gekocht waren, te bezigtigen, viel haar oog op eene Negerin van omtrent vyftien jaaren, die de taal niet verstond. Bemerkende, dat deeze jonge dogter zeer schoon was, dreef haare verfoeijelyke jaloersheid haar op 't oogenblik, om dit meisjen met een gloeiend yzer, aan de wangen, den mond, en het voorhoofd te mismaken; zy sneed haar ook de pees van Achilles aan één haarer beenen af, en maakte haar alzoo tot een gedrocht van leelykheid.

Eenige Negers deeden haar, by deeze gelegenheid, vertogen omtrent de wreede straffen, welke zy dagelyks uitoeffende, en verzogten haar, om haare slaven met meerder menschelykheid te behandelen. Men verhaalt, dat Mevrouw S...., woedend kwaadaartig wordende, dadelyk aan een ongelukkig slaven kind, zig aldaar bevindende, de herssens insloeg, en vervolgens aan twee jonge Negers, die dit kind in den bloede bestonden, en deeze schenddaad hadden willen beletten, het hoofd deed afslaan. Toen zy de Plantagie verlaten had, wierden de beide hoofden in een zyden doek gewonden, en door derzelver vrienden naar Paramaribo gebragt, alwaar zy ze voor de voeten van den Gouverneur nederleiden, en hem de volgende aanspraak deeden.

"Zie hier, uwe Excellentie, het hoofd van mynen zoon, en zie hier dat van zynen broeder, (op zynen makker wyzende,) welke onze meesteresse heeft doen afhouwen, om dat zy één der moorden, die zy dagelyks begaat, hadden willen voorkomen. Wy weten wel, dat, vermits wy slaven zyn, men ons getuigenis niet aanneemt; maar indien deeze bloedende hoofden voor een genoegzaam bewys verstrekken van het geen wy zeggen, smeeken wy, dat de vernieuwing van dergelyke wreedheden moge belet worden: wy zullen daar voor eeuwig dankbaar zyn, en met genoegen ons bloed plengen voor het behoud van onzen meester, onze meesteresse, en van de geheele Volkplanting."

Men gaf deeze ongelukkigen ten antwoord, dat zy leugenaars waren, en dat men hen veroordeelde, om op alle de straaten van Paramaribo gegeesseld te worden. Dit onrechtvaardig vonnis wierd met de grootste wreedheid ter uitvoer gebragt.

De wetten deezer Volkplanting brengen mede, dat men aldaar nooit het getuigenis van eenen Neger aanneemt. Indien by den moord, door my verhaald, een blanke was tegenwoordig geweest, zoude zyn getuigenis bestaanbaar geweest zyn; maar dan zou deeze afschuwelyke boosdoenster vry geweest zyn met de betaaling eener boete van vyftig ponden sterling voor elken doodslag.--Maar laat ons eindigen.--Myne ziel heeft een weerzin, om nopens zulke onderwerpen breeder uit te wyden.

Den 22sten Mey, volkomen hersteld zynde, verliet ik JOANNA, en mynen zoon JOHNNY, aan wien ik dien naam by verkorting van den mynen gaf, schoon echter de plechtigheid van den doop nog niet verrigt was. Zy bleven beiden by mynen vriend, den heer DELAMARRE, en ik vertrok naar Maagdenberg, in een overdekt vaartuig met zes roey-riemen.

Den 3den, kwam ik op de Plantagie Egmondt, by den heer DE CACHELIEU; en des anderen daags hield ik stil op de Plantagie Ornamibo, alwaar ik mynen ouden vyand, den Capitain MEYLAND, met wien ik aan de Wana-Kreek gevochten had, goedhartig onthaalde. Hy verklaarde my, dat hy tegenwoordig van niemand in de geheele Volkplanting meer hield, dan van my: hy kwam juist van eenen tocht van twaalf dagen uit de bosschen te rug.

Ik vond onder zyne soldaten zekeren CORDUS, den zoon van een ordentelyk man te Hamburg, in welke betrekking ik hem voor deezen gekend had, en die tot den dienst van de West-Indische Compagnie was opgeligt. Ik heb reeds gezegd, dat dit zoort van krygsvolk bestaat uit menschen van allerleije natiën, en godsdiensten, Christenen, Heidenen, en zelfs Joden.

Op deeze plaats, die wel eer bebouwd was geweest, maar die toen met distelen en doornen bedekt was, zag ik eenige kruiden, welke ik niet met stilzwygen kan voorbygaan, schoon ik dezelve niet kenne, dan met den naam, dien 'er de slaven aan geven, uitgenomen egter één, zynde de siliqua hirsuta, of stekende peul, door de Negers genoemd crussy-wiry-wiry. Ik kan dezelve niet beschryven, dan als een zoort van erwt, of liever een kleine platte boon, van eene purper kleur, en zig in een bast of schel vormende, die aan een losse kruipende plant groeit. Deeze schellen zyn met een zoort van elastieke punten bedekt, die, wanneer men ze aanraakt, eene ondraaglyke jeukte veroorzaaken, en die 'er afgenomen, en in een theelepel met geley gemengd zynde, als een uitmuntend worm-afdryvend middel worden aangeprezen. De slaven toonden my ook op deeze zelfde plaats, een zoort van hout, het welk zy crassy-wood noemden. Het stak insgelyks, maar verdere hoedanigheden weet ik 'er niet van. Ik vond bovendien heestergewassen, consaca-wiry-wiry genoemd. Zy hebben breede groene bladen, waar van de Negers zig bedienen om het ongemak aan de voeten, al mede consaca genoemd, waar van ik gesproken heb, te geneezen, maar dit is alleen by gebrek van citroenen of limoenen. Deeze plant levert ook eene uitstekende salade op. De dea-wiry-wiry is een zeer fraay en zeer gezond kruid, het welk om deeze reden zeer geacht is; maar de coutty-wiry-wiry is eene der grootste pesten van deeze Volkplanting. Het is een sterk en puntig kruid, het welk op zommige plaatsen in overvloed groeit. Wanneer iemand al gaande met zyn been 'er dicht by koomt, snydt hy 'er zig aan, als aan een scheermes. Alle de kruiden in dit Land worden door de Negers aangeduid onder den naam van wiry-wiry.

Den 5den kwam ik te Maagdenberg aan. Hier scheenen de Colonel SEYBOURG, en die geenen, welken hy zyne Officiers noemde, eene krygsbende te willen uitmaken, afgescheiden van die van den Colonel FOURGEOUD. Zy waren uittermaten onbeschaafd, en behandelden elkander met een zoort van ruwheid. Hun Colonel was by onzen Bevelhebber zeer in den haat; en deeze staat van zaken bragt veel toe, om onze gesteldheid steeds onaangenaamer te maken. Ik had voor my zelf toen geene reden om my te beklagen, want ik was zeer wel gezien by den Colonel, doch raakte om een beuzeling byna uit zyne gunst. Hy had van eenige Indianen een paar fraaije Kakatoes gekocht, welke hy in een kooy hield opgesloten, en in 't kort naar Europa stond te verzenden, om aan haare Koninglyke Hoogheid, de Princes van Oranje, ten geschenke te worden aangeboden. Ik verzogt LAURENS my toe te staan, om 'er één van in de hand te nemen, ten einde hem met meerder aandacht te beschouwen: maar de deur van de kooy was zoo dra niet geopend, of de vogel ging aan 't schreeuwen, en verdween in een oogenblik, met een snelle vlucht boven de Tempaty-Kreek heen vliegende. De arme kamerdienaar stond verstomd, en konde niets meer uitbrengen, dan deeze enkele woorden: Ziet gy wel? Ik nam de vlucht, om het aannaderend onweder te ontwyken; maar ik verbergde my in de struiken, door welke ik de bewegingen van den Colonel bespeuren konde. Zoo dra hy deeze verschrikkelyke gebeurtenis vernomen had, begon hy te vloeken, te brullen, en zig in alle bogten te wringen, als een mensch die van zinnen beroofd is. In de hevigheid van zyne woede, gaf hy een trap aan een arme eendvogel, die aan één van onze Officiers toebehoorde, en trapte hem in ééns dood. Eindelyk nam hy zyne paruik van 't hoofd, en smeet die tegen den grond. Ik stond te beven, en de overige toekykers schaterden het uit van lagchen. Na verloop echter van een halfuur, begon de gramschap van den Colonel te bedaaren, en hy gebruikte toen een list, waar door de weggevlogen vogel weder in zyne macht kwam. Na een kort eind touw boven aan de kooy gebonden te hebben, haalde hy 'er het andere dier uit, en bond het met de poot aan het tegenëinde van het zelfde touw vast. Hy plaatste deeze kooy in de open lucht, leide eene rype banane binnen in, en liet de deur open, zoo dat alle vogels, uitgenomen de geen, die vastgebonden was, 'er konden inkomen. Deeze, aan wien men niets te eeten gaf, door den honger gedrongen, maakte zulk een schel geschreeuw, dat hy door zyn makker gehoord wierd, die te rug kwam, en ziende de banane in de kooy, daar binnen ging, en op nieuw van zyne vryheid beroofd wierd. De zaak aldus afgeloopen zynde, kwam ik weder te voorschyn, en geraakte met eene vriendelyke bestraffing vry; maar, zoo als men wel denken kan, LAURENS kreeg een goede les.

De Kakatoes zyn minder groot, dan de Papegaijen. Derzelver pluimaadje is groen, uitgenomen aan den kop, en eenige vederen van de staart, die een bleeke roode kleur hebben. Deeze vogelen zyn gekroond met een bos van vederen, die gewoonlyk agter over leggen, maar welke zy in de hoogte steken, wanneer zy door het een of ander vertoornd of verschrikt worden.

Ik heb in Surinamen ook een Papegaay gezien van eene hoog blaauwe kleur, hoe zeer verschillende van die geene, welke men van de Kust van Guinée aanbrengt, die veel eer eene gryze loodkleur hebben. Dit dier is zeer zeldzaam, en bewoont de diepste schuilhoeken der bosschen, alwaar de Indianen hem vangen, en vervolgens naar Paramaribo brengen. Hy heeft de gestalte van de gewoone Papegaay; maar schynt zeer levendig en zeer sterk. De gemeenste Papegaaijen in Guiana zyn die geene, aan welke MARKGRAAF den naam van ajuruoura geeft. Deeze vogelen zyn zoo groot niet, als die uit Africa komen. Zy zyn groen, en de borst en buik zyn van eene bleek geele kleur. Boven op den kop hebben zy een blaauwe vlak; hunne pooten zyn grys, en met vier klaauwen, twee van vooren, en twee van agteren, gelyk alle anderen van dit zoort. Op hunne vlerken ziet men eenige vederen van eene schitterend blaauwe, en andere van eene hoog karmosyne kleur. Zy zyn in Surinamen zeer talryk, maar meer schadelyk, dan aangenaam, want zy werpen zig troepsgewyze op de Plantagiën van koffy, graanen en ryst, alwaar zy groote verwoestingen aanregten; en het geen hun vooral ondraaglyk maakt, is hun schel geschreeuw. Zy vliegen altyd aan paaren, en zeer ligt. Ik heb waargenomen, dat zy, om de zon te ontmoeten, des morgens oostwaarts, en des avonds westwaarts vliegen. In 't algemeen leven zy op afgelegene plaatsen, en hunne wyfjes leggen niet meer dan twee eieren. Toen ik my op de Plantagie Sporksgift bevond, schoot ik twee van deeze Papegaaijen. Deeze dieren nog niet dood zynde, toen ik hen opraapte, haalden zy my met hunne puntige klaauwen deerlyk de huid open. Wy lieten ze koken, en zy gaven eene vry goede soep; men kan 'er ook een pasty van maken; maar op eenige andere manier toebereid zynde, zyn zy zeer slecht en taay. Men kan deeze Papegaaijen leeren spreken, lagchen, schreeuwen, baffen, maauwen, fluiten, maar veel minder, dan die in Africa geboren zyn. Men zegt, dat het zaad van catoen-schellen hen dronken maakt. Zy zyn aan ziekten onderworpen, misschien uit hoofde hunner geneigdheid tot gramschap; de Indianen egter schryven hun een lang leven toe: zy hebben een sterken en gekromden bek, en bedienen 'er zig van, om op de boomen te klauteren, om zeer harde noten te kraken, en om pynlyke beeten te geven. Hun vermaak is, om zig op de takken der boomen in evenwicht te houden, of daar aan te blyven hangen, en het zy, dat zy zig in vryheid bevinden, het zy dat zy in de slavernye leven, zy nemen hun voedzel met één van hunne klaauwen, als met de hand.

'Er zyn in Surinamen ook andere fraaije Papegaaijen, zynde een zoort van Parkieten, en mede zeer gemeen. De aangenaamste hebben de gedaante van eene zeer kleine duif. Derzelver pluimaadje is van een zeer levendig groene kleur op den rug en de staart, maar de kop is donker bruin; de hals van gelyken, met dit onderscheid, dat elk der vederen een rand van eene fraaije goud-kleur heeft. De borst is van eene lood-kleur, de buik violet, en de vlerken bestaan uit verschillende vederen van eene oranje en hemels blaauwe kleur. Zyne oogen hebben eene kleur als vuur, en de pooten byna wit. Het ander zoort van Parkieten is volmaakt groen, met een witten bek, en eene karmozyne vlak op den kop. Zy brengen een aangenaam gepraat voort; maar men maakt ze zoo gemakkelyk niet tam, als de eerstgemelden.

Den zelfden avond, (op den 5den namelyk,) bood een soldaat my een vogel aan van een geheel verschillend zoort, dien hy met de hand gevangen had. Deeze was de Anamoe, of Surinaamsche Patrys, het schoonste dier, dat ik immer gezien heb. Hy was zeer vet, en had de grootte van een eendvogel. Zyne vederen, van eene donker bruine kleur op den rug, de vlerken, en het bovenste gedeelte van den kop, hadden aan het benedenste van den kop, en het geheele overige gedeelte van het lichaam, eene fraaie witte room-kleur, doorsneden met vederen van eene orange-kleur, en zeer kleine dwarsloopende zwarte streepen. Deeze Patrys, die zonder staart is, had een lichaam van eene eironde gedaante; een langen hals, een korten bek, die zeer puntig en een weinig krom gebogen was. Zyne oogen, zoo zwart als een git, vertoonden eenen zeer schitterenden glans, Hy had korte pooten, van eene fraaie roode kleur, met drie sterke klauwtjes aan elke poot. Men zegt, dat hy met eene verwonderlyke ligtheid loopt, dat hy zig tusschen de kruiden en planten verschuilt, maar dat zyne dikte hem bezwaarlyk doet vliegen; en deeze bezwaarde vlucht gaf gelegenheid, dat gemelde soldaat deezen vogel met de hand gevangen had. Wy deeden hem braden, en ik heb nooit iets lekkerder gegeten.

Den 9den, gebeurde 'er byna een toeval, het welk my een zeer gevoelig en smartelyk hartzeer veroorzaakt zoude hebben. Myn Neger QUACO, myne hangmat in de Tempaty-Kreek uitwasschende, wierd door den schielyken stroom eensklaps naar den grond getrokken. Hoe zeer in de koorden van dit zoort van bed, het welk met hem in 't water gezonken was, verward zynde, gelukte het hem, schoon met veel moeite, om zig los te maken, en tot myn onuitspreeklyk genoegen, kwam hy weder boven water, en wel dra op 't land. Hy had toen de bedaardheid van geest, om een haak, aan een sterke visschers lyn vast gemaakt, in 't water te doen zinken, en door dit middel de hangmat wederom te krygen. Des anderen daags, wanneer de Captain HAMER zig met visschen vermaakte, bleef zyne lyn aan den grond der Kreek haken: ik was 'er by tegenwoordig, en sprong oogenblikkelyk in 't water, om dezelve los te maken; maar ik stootte den enklauw met zulk een geweld tegen een rots, dat het verscheiden maanden aanliep, eer ik volkomen hersteld was.

Alle deeze toevallen scheenen den Colonel SEYBOURG zeer te vermaken, terwyl ik van myn kant over zyn onheusch gedrag zeer verontwaardigd was. Deeze tegenstrydigheid tusschen hem en my, deed my de gunst van den Colonel FOURGEOUD verwerven, als of ik de helft van de muitelingen der Volkplanting vernield had.--Echter kruisten 'er sterke wachten tusschen de posten van Maagdenberg, van la Rochelle, en van de Savane der Joden. Den 17den, trok de Opperbevelhebber met de helft van zyn krygsvolk naar de Patamaca, en dewyl myne kwetsuur aan den enklauw my niet toeliet hem te volgen, liet hy my het bevel over de manschappen, die agterbleven.

Als toen het vooruitzigt hebbende, om eenigen tyd op Maagdenberg te blyven, zond ik QUACO naar Paramaribo, om levens-middelen van daar te halen, en my eene levende geyt mede te brengen.

Schoon de Colonel FOURGEOUD de muitelingen nog niet genoodzaakt had, om tot een geregeld gevecht te komen, oeffende hy daarom niet minder zyn krygsvolk en zig zelven. Dikwerf het bovenste gedeelte der Rivieren overstekende, en de grenspalen der Volkplanting schoon houdende, voorkwam hy het plunderen en verbranden der Plantagiën; en op die wyze deed hy eenen zeer wezentlyken dienst aan de inwooners, hoe zeer zulks veel menschen en geld kostte.

Daar ik derhalven tans Opperbevelhebber van den post was, hield ik de twee Negers, waar van ik reeds gesproken heb, bezig, met voor my te jagen en te visschen. Zy bragten my byna dagelyks één of twee wilde varkens, of pingos, en een visch, newmara genoemd, die zomtyds zoo groot is als een kabbeljauw, en welken ik by vervolg beschryven zal. Ik onthaalde alle de Officiers zonder onderscheid op deezen verschen voorraad, en ik gaf aan de zieken de plantains, de bananen, de oranje-appelen, de limoenen, welke men van de Plantagiën, aan het bovenste gedeelte van de Commewyne gelegen, aan my toezond: nooit wierd een afgezonden Bevelhebber zoo wel behandeld. Ik vergat echter de hoofdzaak niet, en zond regelmatig ronden uit in den omtrek van Maagdenberg, die zoo oplettend waren, dat'er geen aanval der muitelingen te duchten was. Deeze voorzorgen waren zeer noodzakelyk, want zy hadden verscheide posten overweldigd, om zig van de wapenen en het kruid meester te maken, het geen voor hun van een groot gewicht,en voor de Volkplanting allernadeeligst is. Niet alleen hadden zy op zommige van deeze posten die dingen geroofd, maar zelfs alle de soldaaten vermoord.

Te dier tyd geen werkend deel aan de krygsverrigtingen kunnende hebben, maakte ik van dit oogenblik van rust gebruik, om een groot getal afteekeningen te maken; en toen kwam my het eerst het denkbeeld in de gedachten, om dezelve in 't licht te geven, indien het lot over my beschoren was, om in Europa te rug te komen.

