# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Het scheepsvolk zag zig met blydschap te midden in het aangenaame groen. De Rivier was als bedekt met een groot getal Schepen, die af- en aanzeilden om ons te bezigtigen, terwyl een hoop jonge lieden van beide kunne, gelykende naar Tritons en Sirénen, onder elkander speelden, en in 't water duikelden. Deeze vertooning was voor elk onzer nieuw. Men hoorde, boven in de mast en op het dek, niet dan gezang, het geluid van speeltuig, en uitgelaten vreugde; zoo veel heils beloofde zig het volk van dit betooverend land; maar wy zullen wel dra zien, hoe zeer het zelve in zyne verwagting wierd te leur gesteld; en zelfs in dit oogenblik wierd de hitte ondragelyk op het dek.

Ik moet egter erkennen, dat niets aan de aangenaame gewaarwordingen konde evenaaren, welke de welriekende geur van de Limoen-, Citroen-, en Orange-Boomen, en van alle de bloemen, waar mede de Plantagiën aan de oevers der Rivieren van deze betooverende bezitting gelegen, als bedekt zyn, in ons verwekte. De heer DE PONCHERA, Colonel van het krygsvolk in deze Volkplanting, zond ons in overvloed vruchten van deeze uitmuntende boomen aan boord. Deeze Officier, die Bevelhebber op het Fort Amsterdam was, deed ook de Schepen met een salvo van negen kanon-schooten begroeten, het welk wy hem ten gelyken getaale beantwoordden. Een van onze Capitains wierd vervolgens in een sloep naar Paramaribo afgezonden, om aan den Gouverneur de aankomst van het krygsvolk in de Volkplanting bekend te maaken.

Verscheiden Compagniën, terwyl wy op de reede lagen, gingen dikwils aan land, en ik vergezelde hen op hunne tochten; maar het genoegen, dat ik my had voorgesteld, met een zoo aangenaam land te doorkruissen, en vooral na zoo lang op een Schip als gevangen gezeten te hebben, wierd zeer gestoord door een voorwerp, dat zig, na myne ontscheeping, het eerst aan myn gezicht vertoonde. Het was eene jonge Negerin, wier geheele kleeding bestond in een lap linnen, om de lenden vast gemaakt, en welke, even als de huid van haar lichaam, op verscheide plaatsen was van één gescheurd. De misdaad van dit ongelukkig slagtöffer der dwingelandye bestond daar in, dat zy haare taak, waarschynlyk voor haar te zwaar, niet had afgewerkt. Zy werd gevolgelyk verweezen om tweehonderd geessel-slagen te ontfangen, en eenige maanden lang een gewicht van ten minsten tweehonderd ponden voort te trekken, het welk aan een keten van verscheide voeten lang gehecht was, en waar van het ander einde aan een ring om de voet by den enkel was vast gemaakt. Over zulk een wreed schouwspel ten sterksten aangedaan, teekende ik dit ongelukkig schepsel af, en behield eene smartelyke nagedagtenis over de onmenschelykheid der planters, omtrent de ongelukkigen, die aan hunne magt onderworpen zyn.

Het gras was, in dit gedeelte van het Land, zeer hard en lang; het diende tot een schuilplaats voor de onaangenaamste insecten van tweeërley zoort, die door de inwoonders der Volkplanting pattat en scrapat luizen genaamt worden. Niemand onzer bleef 'er vry van. De eersten zyn zoo klein, dat men ze naauwelyks zien kan, de anderen zyn een weinig grooter, en hebben de gedaante van een krabbe: beiden hegten zy zig vast aan de huid, en veroorzaaken eene ondraaglyke jeukte. Het krielt van deeze insecten voornamelyk in het regenachtig jaargetyde. Wy konden ons van dit onäangenaam gezelschap niet ontlasten, dan na onze te rugkomst op het Schip, alwaar wy Citroen- of Limoen-sap op de gestookene plaatsen uitdrukten, het geen dezelve uittermaten verzagtte.

Den 3den Maart, ontfingen wy een bezoek van verscheiden Officiers der Societeit, of van het krygsvolk der West-Indische Maatschappye, gevolgd door een groot getal andere lieden, die allen ons kwamen geluk wenschen met onze aankomst in de Volkplanting. Deeze heeren vergenoegden zig niet, met ons enkele gelukwenschingen te doen; zy onthaalden ons bovendien op uitsteekende vrugten, en verscheidene andere ververschingen. Zy kwamen in zeer prachtige vaartuigen, met zonnedekken, en met vlaggen verciert. Zes troepen Musikanten vergezelden hen. Elk vaartuig wierd voort geroeit door zeven of agt Negers, die geheel naakt waaren, of die ten minsten niets anders aan hadden dan een kleine linnen band, welke tusschen de beenen doorging, en van agter en van vooren met een zeer dun catoen lint vast gemaakt en om de lenden geknoopt was. Dewyl de Colonisten doorgaans de schoonsten hunner slaven tot dit werk, als mede tot het bedienen van de tafel enz. verkiezen, verschafte de naaktheid van deeze jonge, sterke, gezonde en geschikte roeijers ons eene gemakkelyke gelegenheid, om hunne huid te onderzoeken, welke byna zoo zwart was als ebbenhout, en zeer blinkend. Dit aangenaam schouwspel wierd ongelukkiglyk door een ander gevolgd, dat juist eene tegenstrydige vertooning opleverde. Twee Cano's, vol elendigen, mageren en uitgehongerden, naderden de Schepen. Deeze ongelukkige slaaven vroegen, met een groot geschreeuw, om levensmiddelen aan de soldaaten, en stonden gereed om met elkander om een been te vechten.

Onze Opper-Bevelhebber ontfing den volgenden dag een bezoek van den heer RYNSDORPH, die hem twee soldaaten aanbood, zynde vrygemaakte Negers, en dienende onder eene krygsbende van driehonderd mannen, in 't kort opgericht, en welke ter verdediging van de Volkplanting, zoo wel in dapperheid als goede vorderingen uitmunte.

Terwyl wy voor het Fort Amsterdam, ten anker lagen, ontfing ik van een Planter, den heer LOLKENS, aan wien ik aanbeveeling gehad hadde, eene zeer vriendelyke uitnoodiging, om by onze komst op Paramaribo, de hoofdstad der Volkplanting, een kamer en de tafel by hem te nemen.

Den 8sten, na de gewoone plichtplegingen van wederzyden, verlieten wy het Fort Amsterdam. Men roerde den trom, de vlaggen waayden, en een detachement van zee-soldaaten stond op het dek geschaart. Wy zeilden vervolgens de Rivier van Surinamen op. Te Paramaribo aangekomen zynde, ankerden wy een pistoolschoot van de wal af. Wy wierden aldaar met een salvo van elf stukken geschut door het Fort Zelandia begroet, eene eer, die door alle de Schepen van onze kleine vloot beantwoord wierd.

Na geduurende den tyd van drieënzestig dagen in een klein Schip te zyn opgeslooten geweest, en zulks op een element, waar toe weinigen van onze soldaaten geschikt waaren, is het niet gemakkelyk de vreugde te schetsen, die elk van ons gevoelde, met zig wederom op het vaste Land te bevinden, en door duizend bekoorlyke voorwerpen omringd te worden.

De Stad kwam ons uittermaten aangenaam en zindelyk voor. De bygeleegene bosschen waren met het schoonste groen verciert. Eene welriekende geur verspreidde zig door de lucht, en de zon blonk met allen haaren luister in het midden van eenen hemel, zonder duistere wolken. Echter verlieten wy den eersten dag onze houte wooning niet; maar des anderen daags ontscheepten wy met eene algemeene en levendige vreugde. Alle de Scheepen op de reede waren met schanskleeden overdekt, en het geschut maakte een aanhoudend vuur, tot dat al het volk aan den wal gestapt was.

De inwoonders van Paramaribo waaren aldaar verzamelt, om dit treffelyk schouwspel te bezigtigen, en zy werden in hunne verwagting niet bedrogen. Onze krygsbende bestond uit ongeveer vyfhonderd jonge lieden; want wy hadden het geluk gehad, om geduurende de reize 'er slechts één te verliezen. De oudste van allen bereikte naauwelyks meer dan dertig jaaren. De geheele krygsbende was volmaakt in nieuwe monteeringen gekleed, en elke soldaat droeg een hoed, met oranje-takken verciert. Wij hielden de parade op een groot plein, met groene zooden bedekt, en gelegen tusschen de Stad en het Slot, tegen over het Paleis van den Gouverneur. Geduurende alle onze krygsverrigtingen, deed de onmatige hette verscheiden soldaaten in flaauwte vallen. Het volk trok vervolgens naar de onderscheidene wyken, die ter hunner ontfangst gereed gemaakt waaren, en de Gouverneur gaf aan de Officiers het middagmaal. Men behoeft juist in geene tegenstrydigheid te vallen, met zig van de kostbaarheid van deezen maaltyd een verheven denkbeeld te vormen; maar het deed ons, die zoo langen tyd alleen van gezouten voorraad geleeft hadden, een groot genoegen. De lekkerste spyzen van Europa en Asia wierden ons in platte schotels toegedient. De fynste wynen werden rykelyk ingeschonken. Het nagerecht bestond uit de uitgelezenste vruchten. Een eindeloos getal van Mulatte en Negerinne meisjes, alle, naar 's lands manier, met het bovenlyf tot het midden naakt, maar verder over het geheele lichaam kleederen van het fynst Indiaansch linnen dragende, en met goude kettingen, medailles, kraalen, halscieraaden, armringen en welriekende bloemen verciert, bedienden alle de gasten geduurende deeze treffelyke maaltyd.

Men bleef tot zeven uuren des avonds aan tafel zitten. Toen begaf ik my op weg, om het huis van den heer LOLKENS op te zoeken, dien gastvryën man, die my zoo vriendelyk verzogt had het zelve als het myne te beschouwen. Ik vond het wel dra; maar het onthaal, dat men my aldaar deed, was zoo aangenaam, dat ik niet voorby kan de byzonderheeden daar van te schetsen. Aan de deur geklopt hebbende, wierd my door eene jonge Negerin, met eene mannelyke houding, open gedaan. Dezelve had, tot haare geheele kleeding, eene eenvoudige overrok; zy hield een aangestoken tabaks-pyp in de eene hand, en in de andere een licht, dat zy my onder den neus duwde, om my te kennen. Ik vroeg haar, of haar meester t'huis was; maar zy antwoordde in eene taal, waar van ik niets verstaan kon. Op het hooren van den naam van den heer LOLKENS, schaterde zy van lachen, toonende een paar ryën allerschoonste tanden; waar na zy, my by de knoopen van myn rok vattende, een teeken gaf om haar te volgen. Ik wist niet te wel, of ik dit doen moest, maar eindelyk ging ik met haar mede. Dit meisje bragt my in een zeer zindelyk vertrek, alwaar zy my uitgelezene vruchten, en een fles Madéra wyn, dien zy op de tafel nederzette, aanbood. Toen gaf zy my, zoo goed zy konde, te kennen, dat haar meester (Masera) met zyn verder gezin, eenige dagen op zyne Plantagie was gaan doorbrengen, en dat men haar in de Stad gelaten had, om aldaar een Engelschen Capitain te ontfangen, dien zy vooronderstelde, dat ik was. Ik deed haar begrypen, dat zy zig niet bedroog, en schonk haar een glas wyn in, het welk ik veel moeite had, om haar te doen aanneemen; want zoo groot is het vernederend oog, waar mede men deeze ongelukkige schepzels aanziet, dat men het als een sterk bewys van inbeelding van hunnen kant beschouwd, om in de tegenwoordigheid van een Europeaan te eeten of te drinken. Eenigen tyd lang deed ik moeite, om met deeze vrouw in een gesprek te komen; maar wel dra wierd ik genoodzaakt daar van af te zien, en tot myne fles toevlucht te nemen.

Door de oeffeningen en vermaken van deezen dag vermoeit zynde, gaf ik myne Negerin een teeken, dat ik trek tot slaapen had; zy begreep dit op eene wonderlyke manier; want my dadelyk om den hals gevat hebbende, drukte zy my op de lippen den vuurigsten kus. Over deeze niet zeer aangenaame en onverwagte wellevenheid verwondert, vooral van den kant van eene vrouw van deze kleur, onttrok ik my aan haare omhelzingen, en vlood naar de kamer, alwaar ik slaapen moest, maar ik wierd aldaar op nieuw door dit meisjen agtervolgd, die, in weerwil van al wat ik zeggen mogt, aanhield, om my de schoenen en koussen uit te trekken, en in een ogenblik my van dit gedeelte myner kleeding ontlastte: ik was daar mede uittermaten verlegen, schoon de slaaven in Surinamen gewoon zyn aan lieden van allerley rang en kunne, zonder onderscheid, dien dienst te bewyzen. Men moet zig niet verbeelden, dat dit gedrag, het welk zeer buitengewoon zoude kunnen schynen, het gevolg was van eenige byzondere geaartheid in deeze Negerin: het is de gewoonte der slavinnen in de West-Indische Volkplantingen.

Des anderen daags morgens, myn vriend den Planter niet te rug gekomen zynde, verliet ik zyn huis, en nam afscheid van zyne gedienstige slavin. Na aan onze soldaaten in hunne nieuwe verblyfplaatzen een bezoek gegeven te hebben, wierd ik door den Quartiermeester in eene zeer zindelyke wooning gebragt, die voor my geschikt was. Ik vond 'er geen huisraad hoe genaamt, schoon dezelve egter niet geheel van levende schepzels onvoorzien was; want den eersten nacht, myne aanstelling als Capitain, die op pergament geschreven was, voor een raam hebbende laaten leggen, had ik de verdrietelykheid, om dezelve des morgens door de rotten aan stukken geknaauwd te vinden.

Van myne huisvesting bezit genomen hebbende, was myn eerste verlangen, het zelve van zindelyk huisraad te voorzien; maar de edelmoedige gastvryheid der ingezetenen, maakte alle zorg van dien aart min noodzaakelyk. De vrouwen bezorgden my eene meenigte stoelen, tafels, glazen, en zelfs porcelein en zilverwerk: de mannen deeden my geschenken van Madéra wyn, porter, (een zoort van Engelsch bier,) appeldrank, rhum, zuiker, en de uitgelezenste vruchten in overvloed. Ik merkte vooral onder de laatsten op de shaddock en de awara. De eerste, die van een zeer aangenaame geur is, en van een smaak, gemengd uit zuur en zoet, groeit aan een boom, die men zegt dat van de kust van Guinée is overgeplant door een Engelsch Capitain, wiens naam daar door in de Engelsche West-Indiën is bewaard gebleven, maar waar aan men in Surinamen den naam van pompelmousen geeft. Deeze vrucht, zoo groot als het hoofd van een kind van agt of tien jaaren, schynt een zoort van Orange te zyn. De schil is zeer dik, bitter, en van een ligt of citroen geele kleur. 'Er zyn twee zoorten van. Het vleesch van de eene is wit; dat van de andere, bekoorlyk helder rood; en men kan zonder hinder, 'er eene groote hoeveelheid van eeten. De inwoonders, die op deeze vrucht zeer gezet zyn, beschouwen dezelve als zeer gezond.

De awara of de aoura, zoo ten aanzien van de uitnemenheid van deszelfs smaak, als fraayheid van kleur, minder merkwaardig, is van eene ey-ronde gedaante, ten naasten by van de grootte van een pruim van Orleans, en van een schoone zwaare orange-kleur, hellende naar het roode. Dezelve is zeer geacht by de Negers, die hunne knaphandigheid toonen, door met de pitten ringen te maken, die met cyffers, letters en zinspreuken verciert zyn; zy verkoopen die aan de Europeaanen, welke ze in 't goud zetten. De pit is groot, uittermaten hard, en zoo zwart als een git of ebbenhout, maar het vleesch, het welk 'er rondom zit, is niet zeer dik.

Deezen dag eens opneemende, hoe veel wy nog overig hadden van levende Varkens, Schaapen, Endvogels, Ganzen en ander zoort van gevogelte, bevonden wy, dat het getal ten naasten by gelyk stond met het geen wy by ons vertrek uit Holland hadden. Alles wierd naar de voorplaats van 't huis van den Colonel in 't Quartier Generaal gezonden; en wy hadden daarënboven het verdriet, om zestig groote tonnen ingelegde groenten, en even zoo veele beste Westphaalsche hammen, die volstrekt bedorven waaren, in de Rivier van Surinamen te zien werpen, om aldaar tot aas voor de visschen te verstrekken.

Den tweeden dag na onze ontscheeping, bevond ik by myn ontwaken het aangezicht, de borst en de handen geheel met vlekken bedekt, die myne huid eenigzints gelykvormig maakten aan die van een luipaard; zy waaren veroorzaakt door muggen, die in zulk een groot aantal vliegen, dat men ze voor wolken zoude aanzien, en die my den geheelen nacht gezelschap hielden. De vermoeijenis der reize, en de onmatige hitte der luchtstreek, hadden my in een zoo diepen slaap doen vallen, dat ik den angel van hun steeken niet gevoelde, dan op het oogenblik, dat ik 'er de gevolgen van vernam. Voornamelyk aan de oevers der Rivieren en der Kreeken krielt het van deeze insecten het meest. Niemand is daar van bevryd; maar zy tasten de vreemdelingen eerder aan dan de inboorlingen. Wanneer zy met haaren angel steeken, zonder dat men ze wegjaagt, zuigen zy het bloed zoo sterk uit, dat ze ter naauwer nood in staat zyn weg te vliegen. Elk van haare steeken word gevolgd door eene zwelling, die met eene byna ondraaglyke brandende pyn vergezelt gaat. Haare tegenwoordigheid word aangekondigd door haar gebrom, het welk aan hun, die reeds derzelver aanval ondervonden hebben, een doodelyken schrik aanjaagt, en hun zoo onaangenaam is, dat men daar aan den naam van duivels trompetten gegeven heeft. Zy zyn in de daad in alle opzigten lastig. De kaars is des avonds niet opgestoken, of zy komen 'er in meenigte op zitten. Zy hegten zig aan alle eetbaare waaren; de sterke dranken zyn 'er dikwils vol van, en zy komen tot in den mond en de oogen. Het beste geneesmiddel is de wonden uit te wasschen met limoen-sap, in water getemperd; dit is zelfs een vry goed voorbehoedmiddel tegen deeze pynlyke steeken. Onmiddelyk voor het sluiten der vengsters, brand men gewoonlyk tabak in de kamers, en de rook dwingt deeze muggen om haare schuilplaatsen te verlaaten. De Negerinnen trekken dan, zonder zig daar over te bekreunen, haar overrok uit, het eenigst kleed dat ze aan hebben, en verjaagen de muggen naar buiten, of dooden dezelve. De wellustigste en zindelykste inwoonders laaten ze door slaaven, die des nachts by hen blyven, met een waaijer van zig afhouden. Anderen hebben voor hunne bedsteden of ledikanten gaaze gordynen; maar men slaapt doorgaans in Surinamen in groote catoene hangmatten, met een dun en zeer breed laken bedekt, die met een zeer sterk koord recht boven deeze bedden zyn vastgemaakt. Dit laken of gordyn dient eenigermaten om zig tegen deeze lastige insecten te beveiligen. Het was uit hoofde dat ik van zoodanig een onvoorzien was, dat ik my zoo vreesselyk mishandeld zag.

'Er is ook nog een ander zoort van veel grooter muggen in Surinamen, genaamt mawkers, welker steeken uittermaten pynlyk zyn; maar dewyl zy minder talryk zyn dan de andere, worden de inwoonders daar door zoo sterk niet gekwelt, en gevolgelyk geeft men 'er zoo veel acht niet op.

Des morgens van den 22sten, traden twee Negerinnen, eene oude, en de andere van omtrent veertien jaaren, in myne kamer. Ik kan moeielyk beschryven, hoe ik verwonderd was, toen de eerste my de jongere, die haare dogter was, aanbood, om, zoo als zy geliefde te zeggen, 'er myne vrouw van te maaken. Ik had geene zoo sterke minnedrift, of konde dit aanbod wel afwyzen; maar teffens deed ik myne weigering gepaart gaan met een klein geschenk, waar over deeze beide vrouwen zeer te vreden scheenen; en zy verlieten my met allerlei betuiging van eerbied en dankbaarheid. De meisjes, die alhier verbintenissen van dit zoort aangaan, zyn of Mulatten of Indiaanen, maar dikwils Negerinnen. Het is voor allen het grootst geluk met een Europeaan te leven: haare teederheid en getrouwheid strekken ter stilzwygende beschaaming van die talryke schoonheden, die de trouw der plechtigste en heiligste verbintenissen schenden. De staat der slavernye, waar in de jonge vrouwlieden van dit zoort gebooren of vervallen zyn, belet haar te trouwen, of eenige andere wettige verbintenis van dien aart aan te gaan. Dusdanige gewoonte word zoo weinig afgekeurd, dat zoo lang zy aan hem, die haar verkoozen heeft, getrouw blyven, zy door haare naaste bloedverwanten en vrienden aangemoedigd en geacht worden, als welke zulk eene verbintenis voor een wettig huwelyk aanzien. De Geestlykheid zelve maakt van deeze vryheid een ongedwongen gebruik; en tot bewys der waarheid van deeze myne stelling, zoude ik my op verscheiden van derzelver leden kunnen beroepen. Een groot getal Negerinnen egter volgen vryelyk haare eigene neiging, en wyzen het goud, waar mede men haar verleiden wil, versmadelyk van de hand, terwyl andere haare gunsten bewyzen voor een glas brandewyn, voor een gebroken pyp, en zelfs voor niets.

De herbergzaamheid, die men my bewees, bepaalde zig niet tot de eerste oogenblikken van myne aankomst. Ik had den vryen ingang in meer dan twintig huizen van aanzien, behalven dat van zyne Excellentie den Gouverneur, en van den Commandant, den Colonel TEXIER. Gevolgelyk, schoon de Officiers van ons volk eene tafel voor zig hadden opgerigt, had ik zelden de eer om my in hun gezelschap te bevinden.

Een Colonist, de heer KENNEDY, deed my in 't byzonder veel beleeftheid aan, in zoo verre, dat hy my niet alleen, zo lang ik in Surinamen verblyven zoude, het gebruik van zyne koets, zyne paarden en zyne tafel aanbood, maar zelfs my een jongen en zeer schoonen Neger bezorgde, genaamd QUACO, om myn zonnescherm (ombrella) te dragen. De andere Officiers van het Regiment ontfingen ook groote beleeftheden, en de geheele Volkplanting beyverde zig, om hun de grootste achting te betoonen, door alle middelen by de hand te nemen, om hun vermaak te bezorgen. De dans- en speelpartyen, de gezelschappen, en alle zoorten van alle mogelyke vermaaken, wierden rykelyk gegeven. Onze oorlogschepen zelfs dienden tot een plaats voor feesten. Wy gaaven aldaar aan de vrouwen avond-ontbyten, die door danspartyen op het dek en onder de zeilen agtervolgt wierden, tot zes uuren in den ogtend duurden, en in 't algemeen met het ryden in koetsen en te paard eindigden. Deeze bestendige gewoonte van uitspanningen is onder de schadelykste in een land, alwaar de hette zoo brandend is, dat men 'er zig altoos in een aanhoudenden staat van uitwaasseming bevind, en welke voor twee of drie van onze Officiers dreigde doodelyk te worden. Door hun voorbeeld gewaarschouwd, onttrok ik my aan alle deeze gezelschappen, overtuigd, dat ik door dit middel alleen myne gezondheid zoude kunnen behouden in eene luchtstreek, die zoodanige verandering in het menschelyk gestel maakt, dat een Europeaan, hoe zorgvuldig hy ook is in het vermyden van buitenspoorigheden, altoos reden heeft om voor de verschrikkelyke gevolgen daar van beducht te zyn.

De geneigtheid tot vermaaken schynt aan de inwoonders deezer landstreek eigen te zyn; en jaarlyks moet een groot aantal van hun het slagtöffer van derzelver gevaarlyken invloed worden. Derzelver doodelyke gevolgen zyn in de daad zigtbaar in de menschen, die zig aan allerleije zoort van ongebondenheid hebben overgegeven: zy hebben het voorkomen om in den hoogsten trap afgesleten en ontzenuwd te zyn. De Creoolsche vrouwen hebben over 't algemeen geen beter voorkomen: zy hebben een kwynend gelaat en bleeke kleur; en de jonge lieden zelve hebben dikwils een gerimpeld vel. Het is egter met allen zoodanig niet gelegen, want ik heb 'er eenigen gezien, welker frissche kleur haare gezondheid aanduidde, en die voor de schoonste vrouwen van Europa daar in niet behoefden te zwigten. Maar, helaas! derzelver getal is zoo gering, dat de Colonisten den voorrang geven aan de Indiaansche, aan de Mulatte en aan de Negerinne meisjes, vooral uit hoofde van haare groote zindelykheid, haar levendig voorkomen, en goede gezondheid. De buitenspoorigheden, die deeze trouwlooze egtgenooten met hunne minnaressen bedryven, doen hen wel dra ten grave nederstorten, en hunne vrouwen zien zig dus vry gesteld, om haare hand aan een ander te geven, het geen zeer dikwils gebeurd. De Surinaamsche vrouwen leven in waarheid zoo lang in vergelyking van hunne mannen, dat ik 'er verscheide gekend heb, die 'er vier begraven hebben, en dat ik in dit Land nooit een enkel man gezien heb, die twee vrouwen overleefd heeft.

