# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 27

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

De eenige kleeding, welke de Indianen hebben, bestaat in een zwart of blauw windzel van catoene lywaat, het welk de mans om hun midden dragen, en vry veel gelykheid heeft met het geen de Negers hun camisa noemen. Zy binden het om hunne lenden, en laaten het tusschen hunne beenen doorgaan; en dewyl het zeer lang is, hangen zy het einde over hunne schouders, of laten het agteloos over den grond sleepen. De vrouwen, hebben, in plaats van dit windzel, een zoort van voorschoot van catoene lywaat, met koraalen verciert, en by hun queiou genaamd. Dit voorschoot heeft maar een voet breedte tegen agt duimen hoogte; het is met franjen omboord, en met koorden van catoene draaden vast geknoopt. Schoon het zwaar is, maakt deeze kleinte het zelve niet zeer geschikt tot het oogmerk, waar toe het dienen moet. Verscheide vrouwen dragen ook een gordel van hair, waar aan zy van vooren en van agteren, een groote vierkante lap zwart catoene lywaat hegten, maar veel ligter en zonder sleep, zoo als de mannen aan hunne camisa hebben. Beiden dragen zy dit zoort van kleeding zeer laag; het geen hun het voorkomen van eene uittermaten lange gestalte geeft.

In de binnen landen gaan verscheiden Indianen van beiderleije kunne geheel naakt. De opschik der vrouwen bestaat, om in kleine gaten, welke zy zig in de onderlip maken, spelden te steken, en zelfs alle de spelden, welke zy zig kunnen aanschaffen, en waar van de punten haar, als een zoort van baard, op de kin hangen. Door dat zelfde middel hangen zy ook brokjes kurk-, of ander ligt hout aan hunne ooren. Zommige van haar steeken ook gaten in de huid van hunne wangen of neus, om 'er vederen in te plaatsen; maar dit is zeer zeldzaam. Het ongeschiktst cieraad in myn smaak is dat der jonge dogters van tien of twaalf jaaren oud, en bestaande in een zoort van catoene koussebanden, die om de enklauwen en beneden de kniën naauw zyn toegebonden, en altyd zoo blyvende, de kuit van het been ongemeen dik maaken, wanneer zy in haar groeijen zyn, en haar een lomp voorkomen geeven. Alle dragen zy ook gordels, windzels, armringen van koraalen van verschillende kleuren, of van schelpen, en van tanden van visschen: zy dragen die om den hals, de schouders en de armen; maar de laatstgemelde meestal boven den elleboog. De Indiaansche vrouwen hebben in 't geheel zeer weinig bevalligheid in haare gestalte; zy zetten de voeten binnewaarts, en haare opschik heeft slechts eene middelmatige aantrekkelykheid. Ik moet egter hier van uitzonderen de vrouwen van zekeren byzonderen stam, waar van ik in 'tvervolg spreken zal.

De cieraden der mannen bestaan in kroonen van vederen van verschillende kleuren, of in een zoort van draagband, gemaakt van tanden van tygers of wilde zwynen, welken zy als een teeken van hunne dapperheid en werkzaamheid dragen. De hoofden des huisgezins bedekken zig zomtyds met de huid van de eerstgemelde deezer dieren, met een zilvere plaat in de gedaante van een kruis vastgemaakt, het welk ze caracoly noemen. Zy steeken ook dikwils kleine brokken van dit zelfde metaal door het kraakbeen in het midden van den neus, of zomtyds een steen van eene groene of geele kleur. Alle deeze volken leven in de bosschen, by de Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne huizen of hutten, welke zy carbets noemen, zyn gebouwd, zoo als ik van die der Negers reeds heb opgegeven; maar in plaats van met bladen van Latanus-boomen bedekt te zyn, zyn zy bedekt met biezen, welke men hier tas noemt, en die by bossen op moerassige plaatsen groeien. Meer algemeen gebruiken zy hier toe troulies, een zoort van blaaden, aan den wortel der plant wassende, niet minder dan twintig of vier-en-twintig voeten lang, en twee of drie voeten breed zynde, welke geheele jaaren eene kragtdadige beschutting tegen het guur weder verschaffen.

De huisraad en gereedschappen der Indianen zyn zeer eenvoudig, maar tot hun gebruik voldoende: het zyn eenige potten van zwarte aarde, die zy zelve maaken; eenige calebassen of kauwoerden; eenige korven, welke zy pagala noemen; een steen om te malen, matta genaamd, en een anderen om hun cassaven-brood te bakken; een zoort van waijer, om het vuur aan te blazen; een houte stoel, mouly genaamd; een zeeft, mounary genaamd; een pers, matoppy genaamd, dienende om het vocht van de cassave uit te perssen; en eindelyk een catoene hangmat, waar in zy slapen.

Door hunne betrekkingen met de Europeanen, hebben zy bylen of messen, welken deeze aan hun bezorgen; en zy dragen de eerstgemelden altyd om hun midden even als dolken. Elk huisgezin der Indianen is ook van een groot vaartuig of kano voorzien, om alles, wat hy bezit, over te voeren, wanneer zy te water reizen, het geen zeer dikwils voorvalt.

De eenige plantgewassen, door deeze volken aangekweekt wordende, zyn de ignames, de plantain-boomen, welken ik reeds beschreven heb, en in 't byzonder de Maniok, waar van zy de cassave maken. De laatstgemelde plant is een zacht en grysachtig heestergewas, het welk omtrent drie voeten hoog opgroeit. Deszelfs bladeren zyn gevingerd, breed, en hangende aan steelen van eene kaneel-kleur. Deeze heesters zyn van tweërley zoort, door de benaaming van zoete en bittere onderscheiden. De wortels alleen zyn goed; zy zyn van een meelachtigen aart, en van een zeer zoeten smaak; en ten aanzien van kleur, grootte en gedaante, gelyken zy veel naar Europeesche witte wortelen. De zoete maniok, even als de groene plantains, onder heeten asch gebraden, en met boter gegeten, is een aangenaam en gezond voedzel, en heeft den smaak van kastanjes. Maar de bittere maniok, wanneer hy raauw is, is het doodelykst vergift, zoo voor menschen als beesten; en ondertusschen hoe vreemd dit ook schynen moge, wanneer hy door het vuur is gaar geworden, word hy een zeer heilzaam voedzel, en dient aan de Indianen van dit Land, zoo wel als aan de Europeanen en Negers, tot brood. Zie hier de manier, waar op de eerstgemelden de cassave gereed maken: eerst malen of raspen zy de wortels op de matta, of ruwe steen. Dit geraspte zetten zy vervolgens in een pers, om het sap van de meelachtige zelfstandigheid af te scheiden. Deeze pers is een zoort van zeer lange buis, van warimsbo, of gevlochten biezen, gemaakt; na dezelve met geraspte cassave gevult te hebben, hangt men die aan een boom, en maakt 'er van onderen een, stuk hout aan vast, welks zwaarte deeze buis uitrekt; terwyl de langzaam voortgaande drukking het vocht door derzelver openingen doet uitloopen. Deeze bewerking geëindigd zynde, geeft men aan het meelachtig gedeelte de ronde gedaante van een koek, welke men op een heeten steen laat bakken, tot dat dezelve bruin en geroost is; als dan is het een zeer gezond voedzel, het welk zes maanden lang bewaard kan worden. Men moet egter toestemmen, dat door deeze behandeling de smaak van dit zoort van brood zoetachtig en smakeloos word. Indien de slaven op de Plantagiën geene zorge droegen, om het aldus uitgeperst vocht van deezen wortel weg te werpen, zoude het vee en gevogelte 'er van drinken, het geen hen oogenblikkelyk zoude doen opzwellen, en in doodelyke stuiptrekkingen vervallen; en echter dient dit zelfde vocht, met geslacht vleesch en peper gekookt, om 'er soep van te maken. Men moet geen maniok-wortel tot voedzel nemen, zonder denzelven wel te kennen: verscheiden lieden zyn, zoo als ik zeker weet, vergeven geworden, door het een voor het ander te nemen. Het onderscheid tusschen de twee zoorten bestaat daar in, dat een houtachtig en ruw vezel, of een zoort van koord, dwars door den wortel van den zoeten of eetbaaren maniok loopt, terwyl de bittere of vergiftige maniok zulks niet heeft. De Indianen eeten ook acajou-nooten, en zy brengen ze dikwils te Paramaribo, alwaar men ze inginotto noemt. De pitten van deeze nooten, die, ten aanzien van de kleur en gedaante, naar lams-nieren gelyken, zyn uittermaten lekker. De acajou-nooten groeien aan boomen, welke men niet dan zeer diep binnen in 't land vindt, maar dewyl ik 'er geene gezien heb, kan ik 'er geene beschryving van geven.

De Indianen voeden zig ook met land- en zeeschildpadden en met krabben, welke zy syryca noemen, en welke men by laag water in meenigte langs de kusten van Guiana in het slyk vindt. Zy zyn 'er zeer heet op, gelyk ook op rivier-kreeften, welke zy sarosara noemen, en die in dit Land zeer overvloedig zyn; maar geen zoort van voedzel behaagt hun meer, dan de iguana, of de hagedis waijamaca, waar van ik reeds gesproken heb. Al wat zy eeten, is zoodanig met peper van Caijenne aangezet, dat een Europeaan het proevende den mond branden zoude. Zy gebruiken weinig of geen zout, en laaten hun wildt in den rook droogen, het geen het voor 't bederf bewaart. Indien een Indiaan verzuimt heeft, om door jagen of visschen levens-middelen te vergaderen, stilt hy zyn honger met het een of ander voortbrengzel der bosschen.

Deeze volken hebben verscheiden zoorten van drank, en onder anderen het sap van zekere vrucht, by hen coumou genaamd. De boom, die deeze vrucht voortbrengt, is een palmboom van het kleinste zoort. Deszelfs zaad is besloten in bessen van een blauw gevlakte kleur, die naar trossen gelyken, en wier vleesch aan een harde en ronde pit, als een pistool-kogel, lugtig aanhangt. Men laat deeze bessen in kokend water weeken en ontbinden: de inwooners van goeden smaak doen vervolgens suiker en kaneel in dit vocht, het welk hun dan tot drank dient, en zeer sterk de smaak van chocolaad heeft. Een andere drank, waar aan de Indianen den naam van Pivorry geven, is een mengzel van cassavebrood, door de vrouwen gekauwd, en in water uitgegist; het heeft de smaak van zoet bier (aile), en kan iemand dronken maken. Men vindt het dadelyk vreemd, dat menschen, van welken landäart ook, een drank kunnen drinken, welken een ander in den mond gehad heeft: maar zy, die de reizen van Capitain COOCK geleezen hebben, zullen zig herinneren, dat deeze gewoonte op de door hem ontdekte Eilanden mede plaats heeft, en dat, zoo hy zig daar niet naar geschikt had, hy derzelver inwooners zeer te onvreden zoude gemaakt hebben. Zyne Officiers echter vonden niet goed, om zig naar dit gebruik te voegen, en weigerden, om van deezen walgelyken drank mede te drinken. Het brood, van Turksch graan gemaakt, dient ook aan de inboorlingen van Guiana, om 'er een ander zoort van drank van te maken; zy kruimelen het, en laten het in water weeken, tot dat dit mengzel, even als het voorgaande, is uitgegist, en zy noemen het zelve chiacoar. Deeze volken hebben bovendien nog een vierde zoort, cassiry genaamd, waar van zy veel gebruik maken. Het is zaamgesteld uit ignames, cassave, zuure orange-appelen, en suiker of teriaak, in water wel geweekt en uitgegist zynde. Ik moet 'er byvoegen, dat alle deeze dranken, als men 'er te veel van gebruikt, dronken maken, het geen aan de Indianen, mans en vrouwen, dikwils gebeurd. Dan alleenlyk begaan zy ongeregeldheden, en ontstaan 'er twisten onder hen.

De taal der Indianen in 't algemeen gelykt veel, ten aanzien van de uitspraak, naar de Italiaansche. Hunne woorden zyn welluidend, en eindigen met een klinkletter, zoo als men uit de door my bygebragte zien kan. Tot hun Almanach hebben zy niets anders, dan een koord met knoopen. Hun speeltuig bestaat voor eerst in een zoort van fluit, toutou genaamd, van een zeer dik bies gemaakt, waar op zy geluiden doen hooren, die niet veel aangenaamer zyn dan het gebulk van een os, en zonder welluidenheid of maat. Eene andere fluit, door deeze volken quarta genoemd, (veel overëenkomst hebbende met het geen OVIDIUS noemt Syrinx, en eenige dichters het rietfluitje van PAN:) is gemaakt van eene verzameling van rieten, aan het eene einde van ongelyke grootte, en als de pypen van een orgel te zamen gevoegd. Om op deeze fluit te spelen, neemt men ze met beide handen, en brengt ze aan de lippen, alwaar men ze heen en weder draaiende, 'er een zoort van mateloos en helder geluid mede maakt, het welk voor niemand aangenaam is, dan voor deeze Indianen. Wanneer ik zoodanig één moedernaakt, in het midden van een boschjen, op zyn rieten fluitje hoor speelen, verbeeld ik my den God PAN te zien. Ik bezit tans ook nog eene fluit, welke zy van een been van hunne vyanden maken. Hunne dans, indien men 'er dien naam aan geven kan, bepaalt zig tot sprongen, tot slingeren op één been, en tot rond draaien in verschillende houdingen, tot dat hun hoofd duizelig word.

De Indianen zyn zeer gemeenzaam onder elkander, en komen dikwils in eene groote hut of carbet, die daar toe in ieder gehucht is opgericht, by elkander. Zy danssen, zy speelen daar, of vermaken zig met het hooren of doen van vertellingen van spooken, toovenaars, of het verhaalen van hunne droomen, terwyl zy tusschen beiden dikwils in een onmatig gelach uitbarsten. Zy scheppen groot vermaak in zig te baden, het geen zy twee of drie maalen daags doen, mans, vrouwen, jongens, meisjens, allen onder malkander; en by deeze partyen maken zy zig zelfs niet aan de geringste onvoeglykheid schuldig, het zy met woorden, het zy met daden. Zy zyn, allen zonder onderscheid, uitmuntende zwemmers.

De bezigheden der mannen zyn, zoo als ik reeds gezegd heb, weinig in getal: men kan ze in twee woorden uitdrukken, jagen en visschen; en zekerlyk zyn de Indianen op deeze beide oeffeningen meerder afgericht, dan eenig ander mensch, tot welk volk hy ook behoore. Tot de jagt bedienen zy zig van boogen en pylen, welken zy zelve maken; en van de laatstgemelde hebben zy verschillende zoorten, naar den verschillenden aart van het wildt, waar op zy ter jagt willen gaan. Hunne bogen zyn van het stevigste en hardste hout gemaakt; zy geven aan dezelve zes voeten, en polysten ze op het fraaist door middel van een steen: deeze bogen zyn gespannen met koorden van zyde-planten, en de greep is met catoen omwonden. Hunne pylen hebben doorgaans by de vier voeten lengte. Zy zyn van een zoort van zeer sterk en recht riet gemaakt, aan welks einde eene ligte roede van een voet lengte is vast gemaakt, om ze in evenwigt te houden, en zy zyn met een staale punt, of een vischgraat gewapend, welke altyd een weerhaak heeft. Zommige van de pylen deezer volken hebben een punt als die van een lans; andere zyn met dubbele en driedubbele weerhaken, en zoodanig in één gewerkt, dat zy in de wond blyven hangen, wanneer zelfs het hout weggenomen is; deeze zyn de pylen, waar van men zig voornamelyk voor het jagen en visschen bedient; want, schoon zy niet doodelyk zyn, zyn zy voor het wildt ongemeen hinderlyk, en door middel van een boey, welke men 'er aan vast maakt, dienen zy om de visch naar de oppervlakte van het water te trekken, en mitsdien om zoo wel de een als de ander te vangen. Deeze pylen zyn alle van vederen van zes of zeven duimen lang voorzien. Verscheide hebben in plaats van punten rond gemaakte knoppen, van de grootte van een kastanje; de Indianen bedienen 'er zig van om de papegaijen en kleine apen te bedwelmen en te doen nedervallen, waar na zy ze met de hand grypen; deeze dieren komen weder spoedig by, en men zend ze levendig naar Paramaribo. Zommige van deeze pylen, geschikt om de visschen te dooden, hebben de gedaante van een drietand, hebbende tot drie en zelfs tot vyf punten. De Indianen doopen 'er ook eenige, maar in een klein getal, in het vergift, wourara [27] genaamd, het welk eene verschrikkelyke en schielyke werking doet; maar wanneer zy vreezen, dat hun schot zoude mogen missen, bedienen zy zig van een ander zoort van pylen, die niet meer dan tien of twaalf duimen lang, uitermaten dun, en van de schors van zeer hard palmhout gemaakt zyn. In plaats van vederen, is dezelve met catoen omwonden, zoo veel als voldoende is tot het vullen van een holle buis, van een riet gemaakt, en by de zes voeten lang, waar in deeze Indianen met hun adem blaazen. Zy werpen deeze doodelyke werktuigen, op den afstand van veertig schreden, en op zulk eene zekere manier, dat het dier, het welk zy mikken, hun niet ontsnappen kan. De punt van deeze laatstgemelde pylen word ook in het vergift wourara gedoopt, het welk zulk een krachtig vermogen heeft, dat by den laatsten opstand, in de Volkplanting de Berbices voorgevallen, eene vrouw, die door eene deezer vergiftigde pylen ligt gewond was, niet alleen byna oogenblikkelyk stierf, maar dat zelfs een kind, het welk zy aan de borst had, schoon het door dit wreed wapentuig niet geraakt was, insgelyks overleed, vermits het slechts een oogenblik aan de borst zyner moeder, na dat deeze was gekwetst geworden, gezogen had.

De manier van visschen is by de Indianen byna dezelfde, als die, welke ik reeds ter gelegenheid van den post de Hoop beschreven heb. Zy maken een fuik van paalwerk, by den ingang van kleine kreeken en in laage gronden; zy dooden aldaar de visch met hunne drietandige pylen, of vergiftigen het water, door 'er wortels van hiary, in Surinamen den naam van tringy-youco of konamy dragende, in te werpen. Deeze wortel verdooft den visch; en in dien staat kan men hem met de hand grypen, terwyl hy op de oppervlakte van het water dryft. De Indianen dryven in deeze wortelen handel, en verzenden ze in meenigte naar de Plantagiën, en naar Paramaribo. Zie daar, welke, behalven het maken van hunne huisraad, cieradiën, en wapentuigen, by deeze volken de bezigheden der mannen zyn.

Ik moet ook niet vergeten, dat elke Indiaan ter zyner verdediging een knods draagt, welke men apoutou noemt, van het zwaarste hout uit het bosch gemaakt: dezelve is agttien duimen lang, aan de twee einden plat en vierkant; maar aan het eene einde veel zwaarer, dan aan het andere: in het midden is dezelve het dunst; hy is omwonden met zeer sterke draden catoen, dienende om hem met des te meerder vastheid aan te vatten, en door een zoort van stootplaat gedekt, om de voorhand te bewaaren. Door een slag met deezen knods, waar aan dikwils een puntige steen word vast gemaakt, slaat men iemand de herssens in. De Indianen van Guiana snyden dikwils op hun apoutou beeldspraakige vertooningen, en het getal der vyanden, welken zy gedood hebben. Om den steen aan deezen knods vast te maken, steekt men dien in den boom zelven, die het hout levert, terwyl die in zyn groei is; dezelve hecht zig daar aan als dan zoo vast, dat het niet mogelyk is 'er dien uit te trekken; vervolgens hakt men dit hout, om 'er het fatsoen aan te geven.

De vrouwen houden zig bezig, om de maniok, de bananen, de ignames, en andere wortelen te planten; zy maken de levens-middelen gereed, maken aarde potten, catoene hangmatten, armbanden, en manden of korven. De beste derzelve worden pagala genoemd; zy zyn van een dubbele rieten mat gemaakt, die den naam van warimbo draagt, en eene witte of bruine kleur heeft; en deeze dubbele mat is tusschen beiden met bladeren van tas of trouly gevuld, om ze voor de vochtigheid te beveiligen. Het dekzel is gewoonlyk veel hooger en breeder, dan de mand zelve; het gaat over de geheele mand heen, en maakt dezelve op die wyze nog sterker: de bodem rust op twee stukken hout, kruislings gelegd. De hangmatten zyn geweven; het geen veel moeite en tyd vordert; want men moet elke draad, één voor één, in de scheering steeken, byna op dezelfde manier, waar op men koussen weeft. Men legt vervolgens deeze hangmatten in eene verwe, van schorssen van boomen gemaakt, volgens de kleur, die men 'er aan geven wil.

De Indiaansche meisjes bereiken de huwbaarheid voor den ouderdom van twaalf jaaren, en zomtyds zelfs veel eerder. Men huwd ze op die jaaren uit. De geheele plechtigheid bestaat, ten aanzien van den jongman, daar in, dat hy aan de jonge dogter eene zekere hoeveelheid wildt en visch, door hem gevangen, aanbied; en, wanneer zy dit aanneemt, doet hy haar deeze vraag: "Wilt gy myne vrouw zyn"? Indien zy dit met ja beantwoordt, is de zaak klaar; en wanneer het huis en de huisraad gereed zyn, viert men de bruiloft door een feest, waar op men zig dronken drinkt. De zwangere vrouwen kramen zonder hulp, en met zoo weinig moeite en pyn, dat men haar schier ontheven zoude oordeelen van het vonnis, tegen de eerste moeder van het menschelyk geslacht uitgesproken. Zy verrigten alle de bezigheden van het huishouden en bedienen haare mannen op den dag van haare verlossing zelven. Hoe belachelyk en ongeloofbaar deeze gewoonte ook schynen moge, is het niet minder waar, dat de man in dat geval, geduurende meer dan een maand, in zyne hangmat leggen blyft, alwaar hy steent en zucht, als of hy zelf van een kind stond te verlossen; en geduurende al dien tyd, moet zyne vrouw hem zorgvuldig oppassen, en hem het beste voedzel geven. Dit zyn de Indianen gewoon te noemen genot van zig zelven te hebben, en van hunne vermoeidheid uit te rusten. Verscheiden van deeze volken beschouwen een plat voorhoofd als eene groote schoonheid, en zoo dra hunne kinderen geboren zyn, drukken zy derzelver voorhoofd plat, zoo als eenige wilden in het Noorden van America doen.

De Indiaansche vrouwen eeten niet met hunne mannen, en zy bedienen hun als slavinnen, het geen haar belet, om alle mogelyke zorge voor haare kinderen te dragen; deezen zyn echter steeds wel gesteld en sterk. Wanneer zy reizen, dragen zy dezelve in kleine hangmatten, die op één der schouderen hangen; het kind zit in dezelve, met de beenen, het één voor, het ander agter de moeder geplaatst.

Deze Indianen neemen sap van tabak, in plaats van een braakmiddel. Wanneer één van hun op sterven ligt, het zy van ziekte, het zy van ouderdom, (en dit laatste overkoomt hun meer dan het andere) bezweert de Peji, of Priester, den Yawahou, of duivel, te middernacht, door het roeren van een calebas, gevuld met steentjes, erweten, en koraalen, geduurende welke verrigting hy eene lange redenvoering doet. Het ampt van Priester is by deeze volken erffelyk; en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy, welke dien post vervult, heeft de eerstelingen van alle zoorten van spyzen of dranken, en zelfs een gemakkelyker leven. Wanneer een Indiaan gestorven is, wascht men hem, wryvt hem met olie, en steekt hem in een zak van nieuw catoen; hy zit daar in, met de elleboogen op de kniën, het gezicht met de palm van beide handen bedekt, en al zyn krygs- of jagt-gereedschap word by hem gelegd. Geduurende deeze plechtigheid, doen zyne nabestaanden, zyne vrienden, zyne gebuuren, de lucht van een jammerlyk geschreeuw weergalmen, maar kort daar na drinken zy zig aan sterke dranken dronken, en spoelen dus hun hartzeer af, het welk niet voor het volgende jaar weder te voorschyn koomt. Deeze gewoonte heeft daar door eenige overëenkomst met die der Berg-Schotten, by het begraven hunner dooden. Op het einde van het jaar haalt men het lyk uit den grond; het vleesch is 'er dan van afgescheiden, en men verdeelt de beenderen onder de nabestaanden en vrienden; men volgt dezelfde plechtigheden, als de eerste keer; waar na de geheele buurt naar eene andere geschikte verblyfplaats zoekt. Eenige byzondere stammen van Indianen volgen nu en dan een verschillend gebruik. Na het lichaam van hunne overledene nabestaanden of vrienden in de zoo even beschrevene houding geplaatst te hebben, leggen zy het zelve in 't water, en laten het verscheiden dagen daar in. De visschen eeten 'er wel dra het vleesch af, en wanneer 'er niet meer aan is, haalt men het geraamte uit 't water, laat het in de zon droogen, en hangt het vervolgens van binnen aan het dak der hutten of carbets. Dit is het grootste bewys van teedere liefde en achting, welke men, by deeze volken, aan de dooden bewyzen kan.

