Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 23

Chapter 23 3,825 words Public domain Markdown

Den 16den, wierd het grootste gedeelte der schapen, tot deeze Plantagie behoorende, ongelukkiglyk vergeven, door van eene plant te eeten, welke de Negers duncane noemen; maar de myne ontsnapten dit ongeluk. Het spyt my zeer, dat ik deeze plant niet met meerder aandacht onderzogt heb. Zie hier alles wat ik 'er van weet. Het is een struik met breede groene bladen, byna van de grootte van het Engelsch klissekruid. Het groeit van zelf op laage en moerassige plaatsen, en veröorzaakt aan elk dier, het welk 'er van eet, oogenblikkelyk den dood. De slaven zyn dienvolgende verpligt in de Savane en velden, alwaar men beesten weidt, dit onkruid uit te trekken; want men beweert, dat de ossen en schapen 'er heet op zyn, hoe schadelyk het ook voor hun is, en schoon anders de ingeschapen neiging der dieren hen, zoo men zegt, de nuttige van de schadelyke planten doet onderscheiden. Een Neger had door onöplettenheid deeze plant in zyn tuin laten groeien, alwaar de ongelukkige schapen, na het om ver werpen der heiningen, binnen kwamen.

Er waaren ook, in deezen zelfden tuin, verscheide andere wortels en planten, die der aandacht waardig zyn. Ik vond aldaar de igname, een wortel, in de West-Indiën zeer bekend, en die in een vetten grond welig groeit. Die van Surinamen weegt zomtyds drie of vier ponden, en één akker kan wel tien of twintig duizend ponden opbrengen: dezelve is zeer aangenaam van smaak, het zy gekookt, het zy gebraden, en bovendien zeer gezond, en gemakkelyk te verteeren. Van binnen is zy wit, en van buiten heeft ze eene hooge purper kleur, naar het zwart hellende. Haare gedaante is zeer onregelmatig. De ignames komen voort van spruiten, welke men op eenen korten afstand van elkander plant; en na verloop van zes maanden geraken zy tot haare volkomene rypheid. De bladen beginnen dan bleek te worden. Tot dien tyd toe hebben zy eene zeer donkere groene kleur. Deeze wortels kruipen langs den grond, even als het eiloof. Zy maaken het voornaamste voedzel der slaven in de West-Indiën uit, en dienen hun zelfs tot brood. Men kan ze geduurende een jaar, of daaromtrent bewaaren; zy zyn dienstig op lange reizen, en men voert ze dikwils naar Engeland over. Ik zag ook nog eene andere zeer kleine wortel, waar aan men in Surinamen den naam van naapjes geeft. Men eet ze op dezelfde wyze, als de igname, maar zy is veel beter. Beiden vervullen hier de plaats van aardäppelen, wortelen en raapen, die ons in Engeland van zulk eene groote nuttigheid zyn.

Dezelve tuin bevatte ook Turksch graan, of maïs, gelykende naar dat van Europa. Men teelt dit zeer veel in Surinamen: men geeft het niet alleen aan het gevogelte, en allerleije zoort van vee te eeten; maar men maakt 'er ook meel van, en de Creölen bakken 'er ook lekkere koeken van, die daarënboven zeer voedzaam zyn. Men eet ze zomtyds met wortels van althea. Deeze is een zeer kleine stronk, met langwerpige bladeren; dezelve wortels, wel gekookt, geeven een zeer goede saus, wanneer men ze met peper van Caijenne aanzet; maar derzelver slymige aart maakt ze niet zeer smakelyk.

Den avond van den dag, die voor de schapen zoo doodelyk was, met myn snaphaan op den schouder wandelende, schoot ik een vogel, alhier Soubacou genaamd. Het was een zoort van grauwe ryger. Zyn bek en pooten waaren zeer lang, en van een zeer donker groene kleur. De laatstgemelde scheenen met breede schubben bedekt te zyn, van eene harde en hoornachtige zelfstandigheid; en de nagels van elken klaauw in het midden der poot waaren getand. Deeze vogel, schoon van de grootte van een gewoon hoen, was zoo ligt als een duif. Toen hy gereed gemaakt was, vonden wy in hem een visch-smaak.

Ik heb zedert eenigen tyd geen trek van wreedheid aangehaald, en ik heb my deswegens zeer gelukkig geacht. Het is derhalven niet dan met weerzin, dat ik my gedwongen zie 'er eenige te verhaalen, welke ik zeker ben, dat de verontwaardiging en het mededogen van den lezer verwekken zullen. De eerste daad van onmenschelykheid, die myn mededogen gaande maakte, was eene strafoeffening, welke ik op eene nabuurige Plantagie aanschouwde. Een fraay Samboes meisje, omtrent agtien jaaren oud, en geheel en al naakt, was met de armen aan een boom vast gemaakt. In deezen staat wierd zy door zweepslagen, die twee Negers haar toebragten, zoo verschrikkelyk van één gereeten, dat het bloed uit haar lichaam van het hoofd tot de voeten gonsde. Dit ongelukkig schepzel had reeds twee honderd slagen ontfangen, toen ik haar vernam, hebbende het hoofd op haaren boezem hangende, en het akeligst schouwspel opleverende. Ik liep naar den Opzichter, en bad hem, dat hy haar oogenblikkelyk zoude doen losmaken, vermits zy haare straf geheel had ondergaan. Maar hy antwoordde my zeer eenvoudig, dat hy, om de vreemdelingen te beletten van zig met zyn bestuur te bemoeijen, zig tot eenen onveranderlyken regel had voorgeschreven, om de straf te verdubbelen, ingevalle iemand hunner voor den schuldigen spreeken wilde; en de wreedäart liet de straföeffening oogenblikkelyk op nieuw beginnen. Ik wilde hem, maar vrugteloos, tegen houden; hy verklaarde my, dat het minste uitstel, wel verre om hem van besluit te doen veranderen, zyne wraak slechts onverzoenbaarer en verschrikkelyker maakte. My stond niets anders te doen, dan dit afschuwelyk wangedrocht te ontwyken, en zig, even als een wild beest, met bloed te laten verzadigen. Van dien dag af, besloot ik alle gemeenschap met de Opzichters af te breken, en ik konde my niet wederhouden, om hen allen te vervloeken. Naar de reden van deeze onmenschelyke daad onderzoek gedaan hebbende, vernam ik met zekerheid, dat de eenige misdaad van dit ongelukkig meisjen daar in bestond, dat zy de omhelzingen van haaren vervloekten beul standvastig geweigerd had. De schelm, door jaloersheid en wraakzucht aangedreven, deed, onder voorwendzel van ongehoorzaamheid, haar zoo levendig van één ryten. Ik heb dit arm meisjen in den staat, waar in ik haar vond, afgeteekend, en ik ben overtuigd, dat dit gezicht het medelyden van elk gevoelig mensch verwekken zal.

Tot hier toe geene gelegenheid gehad hebbende, om van de Samboes te spreken, zal ik tans zeggen, dat het een zoort is tusschen mulatten en negers in. Zy zyn van eene donkere koper-kleur; zy hebben zwarte en ligt gekrulde hairen. Deeze slaven, zoo mans als vrouwen, zyn over 't algemeen zeer fraay, en de Planters gebruiken ze voornamelyk tot den dienst binnen hunne huizen.

By myne te rug komst op de Hoop, sprak de Opzigter der Plantagie, EBBER, my aan, en zeide my met traanen in de oogen, dat hy veroordeeld was in eene boete van twaalf honderd guldens, ter zaake dat hy dezelfde straf aan een mans slaaf had doen uitvoeren, maar met dit onderscheid, dat het ongelukkig slachtöffer staande de straföeffening stierf. Wel verre van hem te troosten, antwoordde ik hem, dat zyn hartzeer my een onuitspreekelyk genoegen deed.

Zie hier de byzonderheden van deezen moord. Terwyl de Capitain TULLING op de Hoop het bevel voerde, en kort voor myne aankomst op deeze Plantagie, was een Neger op eene nabuurige Plantagie overgeloopen, van waar men hem te rug bragt, door twee gewapende slaven geleid wordende. De Neger, terwyl de Opzichter den brief van zynen medebroeder van de nabuurige Plantagie, hem over deeze zaak geschreven, las, vond middel om te ontsnappen, en verschool zig in het bosch. EBBER, woedend zynde, wreekte zig op de twee slaven, die den gevangen hadden laten ontkomen, en deed hen op de werkplaats van den timmerman vast binden. Op zyn bevel geesselde men hen zoo onbarmhartig, dat de Capitain TULLING geraden vond genade voor hun te verzoeken; maar hy ondervond het zelfde lot als ik, zyne tusschenkomst bragt eene geheel tegenstrydige uitwerking voort naar 't geen hy verwagtte. Het geruisch der slagen, en het grievend geschreeuw deezer ongelukkigen, lieten zig meer dan anderhalf uur hooren, en deeze wreede strafoeffening eindigde niet, dan met den dood van één van beiden. Men dagvaardde EBBER dadelyk wegens begaane moord. Hy wierd overtuigt, en alleenlyk in de zoo even gemelde boete verwezen. De bloedprys word altoos tusschen den Fiscaal en den eigenaar van den vermoorden slaaf verdeeld. 'Er is een wet in Surinamen, dat elke Planter, mits eene somme van vyfhonderd guldens betaalende, één van zyne Negers mag ter dood brengen; zoo hy 'er een van iemand zyner gebuuren doodt, moet hy hem schadeloos stellen, na van de misdaad overtuigd te zyn, een zaak, die in dit Land zeer moeielyk is, alwaar men geen getuigenis van een slaaf toelaat. Dusdanig is de wetgeving in Hollandsch Guiana, met opzigt tot de Negers. Gemelde EBBER was een verschrikkelyke wreedaart: een geheel jaar lang folterde hy een jongman van veertien jaaren, genaamd CADETTI; men geesselde hem alle dagen, geduurende de eerste maand; men liet hem op den grond en op den rug met yzers aan de voeten slapen, geduurende de geheele tweede maand; men deed hem een driehoek [24] om den hals, geduurende de derde maand, om hem te beletten van in de bosschen te loopen; geduurende de vierde maand ketende men hem nacht en dag in een honden-hok, aan den waterkant, met last om te roepen, zoo dikwils 'er een vaartuig of kano voor by voer; de Opzichter veranderde eindelyk de straf van maand tot maand, en altyd op eene nieuwe manier; het gevolg daar van was, dat deeze jongeling geheel krom wierd; hy scheen geheel van gevoel beroofd te zyn, en had geen ander voorkomen, dan van een beest. De schelm van een Opzigter was echter grootsch op de schoonheid der slaven, en zomtyds zelfs, uit vreeze van hunne huid te bederven, strafte hy verscheiden van hun, die door hunne rooveryen en misdaden de galeijen verdiend hadden, alleenlyk met een twintig-tal geesselslagen. Zie daar, welke de openbaare en huisselyke rechtsöeffening in de Volkplanting van Surinamen is. Deeze EBBER geraakte echter om deeze reden van de Plantagie de Hoop af, en zyn opvolger, (ten blyke dat hy meer menschelykheid bezat!) begon zyn bestuur, met alle de Negers der Plantagie, mans en vrouwen, te laten geesselen, om dat ze des morgens een quartier te lang geslapen hadden.

De lezer verbeeld zig ongetwyffeld, dat dit de wreedheid in den hoogsten top is! hy bedriegt zig. Het geval, dat ik nog zal bybrengen, is in dit opzigt veel sterker, dan allen, die ik verhaald heb; en het was een vrouw, die 'er zig aan schuldig maakte.

Mevrouw S.... in een open vaartuig, naar haare Plantagie gaande, wierd vergezeld van eene Negerin, die haar kind zoog. Deeze vrouw zat voor aan in het vaartuig, het kind schreeuwde, en zy kon het niet tot bedaaren krygen. Mevrouw S...., wien het geschrei van dit onnoozel wicht verveelde, gelastte aan haare slavin, om het by haar te brengen. Zy nam het kind toen by een arm, hield het onder water, tot dat het verdronken was, en vervolgens wierp zy het in den stroom weg. De moeder sprong uit wanhoop oogenblikkelyk in de Rivier, in het vast besluit, om aldaar haar leven te eindigen; maar dit lukte haar niet: een gedeelte der roeijers zwommen haar na, en bragten haar weder aan boord. Haare meesteresse deed, by haare komst op de Plantagie, haar drie of vier roede-slagen geven, om haar te straffen wegens de schade, welke zy, door zig van kant te helpen, aan haar had willen toebrengen.

Den 20sten, verliet de Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk, het welk in den deerniswaardigsten staat was, Maagdenberg; dienvolgende sloeg hy zyn leger neder op eene Plantagie, genaamd Nieuw Rozenback, gelegen tusschen mynen post van de Hoop en het Hospitaal. Ik ging dadelyk myne opwagting by mynen Colonel maken, en vernam aldaar den volgenden uitslag zyner krygsverrigtingen. Ik heb reeds gezegd, dat de Capitain FREDERIK was gewond geworden; een soldaat was verdwaald geraakt: een ander was door de muitelingen gehouwen; de gevangenen hadden met hunne ketenen de vlucht genomen; en de vyand spotte met deezen krygstocht.--Men had een zee-soldaat, die ziek was, aan zyn lot overgelaten; één der Slaven had den arm gebroken, ten gevolge van mishandelingen. Dusdanig waren de byzonderheden van deezen veldtocht. Ik moet egter niet vergeeten de edelmoedigheid van eenen armen Neger, die wegliep, om den elendigen soldaat te hulp te komen, en die, na hem den laatsten plicht bewezen te hebben, te rug kwam, om zyne straf te ontfangen; maar, tot zyne groote verwondering, genade kreeg.

Ik moet den Colonel FOURGEOUD het recht doen wedervaaren, dat verscheiden deezer toevallen het onvermydelyk gevolg waren van zoortgelyke tochten in zulk eene luchtstreek. Zoo hy al, door een allerslegtsten levensregel, zyn krygsvolk deed omkomen, zonder muitelingen gevangen te nemen, deed hy ten minsten een gewichtigen dienst aan de Volkplanting, door den vyand te ontrusten, af te matten, en te vervolgen, derzelver legerplaatsen te verwoesten, en hunne schuilplaatsen te vernielen. De Colonel FOURGEOUD deelde in alle deeze vermoeienissen en gevaaren, en dat op zyne jaaren, het geen tegen de gebreken van zyn caracter in aanmerking moet genomen worden, en dienen kan, om hem den naam van geduldig en moedig toe te kennen. Ik zoude veel meer genoegen hebben, met tot zynen lof te schryven; maar de waarheid, en het algemeen voordeel, het welk het menschdom daar uit trekken moet, vorderen, dat ik, de goede hoedanigheden van den Colonel schetsende, ook opgeeve welke zyne gebreken waren, op dat anderen zig door zyn voorbeeld kunnen verbeteren. Was het niet belachelyk, om te Paramaribo, alwaar het papier volkomen goed was, zyn krygsvolk in geld te betaalen, en hun op de tochten niets anders te geven, dan die ingebeelde munt, waar mede het onmogelyk was eene enkele igname, of de minste vrucht van een plantain-boom te betaalen, Intusschen had hy geld tot zyne beschikking; maar hy wilde tien ten honderd winnen met de soldy van het geheele Regiment, en dit gedrag bragt hem by al het volk in eene algemeene verachting.

Den 21sten kwamen verscheiden Officiers my verzoeken, om op de Hoop het middagmaal te houden, en ik deed hun veelerhande visch opdisschen, waar onder waren de Kawiry, de Lamper, en de Makrely-fisy. De Kawiry is een kleine visch zonder schubben, met een breede kop, en twee lange baarden, die uit het bovenste gedeelte van den bek uitsteeken: men vindt hem in alle deeze Rivieren in overvloed. De Lamper is een zoort van lamprey, zoo als men die in de Theems vangt: de Surinaamsche is van eene ronde gedaante, en niet zeer dik, maar slymig en zeer vet; hy heeft een zee-groene kleur, met geele vlakken, uitgenomen onder den buik, die wit is. Deeze visch word, even als de zalm, en in de zee en in de rivieren gevonden. De Makrely-fisy gelykt naar de makreel, die aan dezelve den naam geeft; de kleur is echter minder blaauwachtig, en minder schitterend.

Deeze maaltyd deedt groot genoegen aan myne gasten, en wy waren zeer vrolyk; maar, des morgens van den 22sten, wierd myne arme JOANNA, die onze keukemeid geweest was, door eene geweldige koorts aangetast: zy betuigde my haar verlangen, om naar Fauconberg te rug te keeren, alwaar zy door eene van haare nabestaanden konde worden opgepast, en ik stemde daar in toe. Den 25sten, was zy zoo ziek, dat ik besloot haar zoo, veel mogelyk in stilte te gaan zien; want de Colonel moest des anderen daags op de Hoop komen, en ik had geen lust om zyn kortswyl af te wagten. Ik wist, dat de loffelykste beweegreden niemand voor beschimping veilig stelde.

Het was in deeze onderneming moeielyk voor by den post van den Colonel te komen, zonder gezien te worden. Aan mynen vriend HENEMAN myn ontwerp hebbende mede gedeeld, stapte ik des avonds ten elf uuren in myn vaartuig; maar toen ik tegen over Nieuw-Rozenback was, hoorde ik zeer onderscheidentlyk de stem van den Bevelhebber, die met eenige Officieren door het zand wandelde; en oogenblikkelyk riep een schildwacht, om met het vaartuig aan wal te komen. Ik dacht, dat alles zoude zyn ontdekt geworden: egter dagt ik best, aan de Negers te zeggen, dat zy zouden antwoorden: Killestein Nova, het welk de naam was van eene naby gelegene Plantagie, en men liet ons voor by vaaren. Kort daar na, kwam ik gezond en behouden te Fauconberg, alwaar ik JOANNA veel beter vond.

Maar, des morgens van den 26sten, nam ik den opkomenden dageraad voor het maanlicht, en versliep my. Ik wist niet, op welke wyze ik naar de Hoop te rug zoude komen; want myn vaartuig en myne Negers konden niet meer voor by komen, zonder door den Colonel herkend te worden. Alle uitstel was nutteloos. Ik ging dus weder scheep, my volstrektelyk verlatende op de behendigheid der slaven, die my, een oogenblik voor dat wy in 't gezicht van 't hoofd-kwartier waren, aan land zetteden. Een van hun, my door de bosschen geleid hebbende, kwam ik behouden weder op de Hoop aan. Myn vaartuig kwam schielyk aldaar aan, maar voorzien van eene goede wacht; en de Colonel zond my bevel, om hen allen te doen afkloppen, om dat zy zonder verlof waren uitgegaan; want zy hadden tot hunne verschooning gezegd, dat zy voor hunnen meester waren gaan visschen.

Hunne getrouwheid jegens my, ter deezer gelegenheid, was waarlyk verwonderlyk: zy verklaarden allen, dat zy zig liever in stukken hadden laten houwen, dan de geheimen van eenen zoo goeden meester te verraden. Echter hield alle gevaar voor hun op. Ik bekragtigde het geen zy gezegd hadden, en voegde 'er by, dat de visch geschikt was, om 'er den Colonel op te onthalen. Ik deelde vervolgens twee kruiken rhum onder deeze brave lieden uit. Deeze trek kan een denkbeeld geven van de zwakheid van een Europeaan, zoo wel als van den moed en standvastigheid van een Africaan.

Onäangezien alle myne toebereidzels, ontfing ik het bezoek van den Bevelhebber eerst op den 28sten; maar des morgens van den 26sten, kwam JOANNA te rug, vergezeld door eenen grooten Neger, die haar oom was, en op één der armen een zilvere plaat droeg, waar op deeze woorden stonden: Getrouw aan de Europeanen. Deeze man, genaamd COJO, die vrywillig en de eerste tegen de muitelingen gevochten had, had zig naderhand genoodzaakt gezien, om zig weder by hen te voegen, uit hoofde der mishandelingen van M. D. B. en van den Opzichter. Hy verhaalde my het volgende geval: "Gy ziet dit kind, zeide hy, my een klein meisje, TAMERA genaamd, het welk hy by de hand hield, aanbiedende: haar vader is genaamd JOLI-COEUR; hy is de eerste Capitain onder BARON, en de onverschrokkenste van allen de muitelingen van het bosch; het geen hy nog laatstelyk heeft doen zien op eene Plantagie, gelegen naby Nieuw-Rosenback, alwaar uw Colonel tegenwoordig het bevel voert. De Opzichter deezer Plantagie was een Jood, genaamd SCHOULTS, die het bevoorens op Fauconberg geweest was. De muitelingen verscheenen aldaar eensklaps, en maakten 'er zig meester van, zy bonden SCHOULTS, plonderden het huis, en begaven zig tot dansen, en het maken van goeden cier, alvoorens zy dagten om over hunnen gevangen te beschikken. In deeze akelige gesteldheid, verwagtte deeze niets anders dan het teeken tot zynen dood, wanneer zyn oog by toeval op den Capitain JOLI-COEUR viel, wien hy deeze woorden te gemoet voerde: "Myn lieve JOLI-COEUR, gedenk aan SCHOULTS, die alleenlyk de gemachtigde van uwen meester was; herinner u alle de vriendelykheden, die ik u geduurende uwe kindsheid bewezen heb; gy waart myn gunsteling; herinner u dit, en breng door uwen vermogenden invloed te weeg, dat men my het leven gunne".--Het antwoord van JOLI-COEUR is merkwaardig.--Ik herinner my dat alles volkomen; maar, geweldenaar, herinner u, dat gy myne arme moeder hebt geschaakt, en mynen vader, die haar ter hulpe kwam, door geesselslagen doen van één ryten; herinner u, dat gy haar in myne tegenwoordigheid hebt geschonden, toen ik nog maar een kind was. Herinner u deeze schenddaad, en sterf door myne hand!--Op deeze woorden hieuw hy hem met eenen byl het hoofd af". Na dit verhaal, vertrok COJO met de kleine TAMERA, en ik reikhalsde met ongeduld naar het nieuws, het geen ik dagelyks van Amsterdam te gemoet zag, en, zoo ik hoopte my zelf in staat zoude stellen, om de beminnelyke JOANNA van het juk van zulke gedrochten te verlossen.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 28sten, met één van zyne Officiers aan. Zyne houding was uittermaten ernstig; het geen my zeer leed deed. Ik liet hem dadelyk in myne hut komen; en zoo dra hy myne gezellinne gezien had, verdweenen alle de rimpels van zyn voorhoofd, als een damp voor de stralen der zon. Nooit heb ik gezien, dat hy zig met zoo veel wellevenheid gedroeg.

Ik behandelde hem zoo goed my mogelyk was, en waagde het, om hem een verhaal van myne reize naar Fauconberg te doen: hy lachte 'er hartelyk om; en ons beiden de hand gedrukt hebbende, keerde hy, in eenen goeden luim, en volkomen voldaan, naar Nieuw-Rosenback te rug.--Volgens alle de omstandigheden, in dit hooftstuk vervat, kan ik zeggen, dat het tydperk, waar over het zelve loopt, de gulde eeuw was van mynen tocht naar de West-Indiën.

VEERTIENDE HOOFTSTUK.

De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen.

De Colonel, zyn vertrek tot den 29sten April hebbende uitgesteld, begaf zig eindelyk naar Paramaribo. Hy was door eenige Officiers vergezeld, die, zoo wel als hy, allernoodigst hadden zig aldaar te ververschen. Zyn krygsvolk, tot een zeer klein getal versmolten zynde, was niet meer in staat, om eenige krygsoeffening uit te houden, en verlangde naar rust. Geduurende zyne afwezigheid, vond ik my Bevelhebber der Rivier te zyn. Korten tyd voor zyn vertrek, zond hy my zeer merkwaardige Instructiën, onder anderen inhoudende: "Om aan de Planters te vragen, of de muitelingen op hunne Plantagiën kwamen, en zoo ja, hen aan te tasten, en op de vlucht te dryven; maar hen niet te vervolgen, zonder zeker te zyn, van hen geheel en al t'onder te brengen; en ik moest voor de uitvoering van deeze beveelen verantwoordelyk zyn". Dit wilde zeer eenvoudig zeggen: "Dat, indien ik den vyand zonder goed gevolg aantastte, ik gestraft zoude worden; en dat, zoo ik hem in 't geheel niet aantastte, ik rekenschap van myne achteloosheid zoude hebben te geven". Hoe oordeelkundig andere artikelen ook waren, konde ik my niet wederhouden van dit zeer ongerymd te vinden. Ik zond het dadelyk door een Officier te rug; en, op myn verzoek, verbeterde men het zoodanig, dat het een verstaanbaaren zin had.

Hoe gelukkig was ik op dit oogenblik! My ontbrak niets, en ik had myne bevallige gezellin steeds by my. Haar beminnelyk gezelschap verrukte my; haare zoete stem streelde myn oor; haare tegenwoordigheid verbande alle hartzeer, alle akelige herdenking uit mynen geest.