# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 20

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Na de Rivier in een vaartuig afgezakt te zyn, en in het zelve vaartuig den nacht te hebben doorgebragt, stapten wy des anderen daags morgens aan land, en trokken noordwest-waarts voort; maar geen kompas hebbende, verdwaalden wy wel dra van onzen weg. Eene groote Savane doorgetrokken zynde, hingen wy onze hangmatten aan den kant van een dik en eenzaam bosch op. Den 31sten, vervolgden wy den zelfden weg, in de hoop van aan de boomen de kenbaare teekens van den doortocht van eenigen van ons krygsvolk te zullen ontdekken. In een moeras gegaan zynde, waadden wy daar in tot op den middag, hebbende zomtyds het water tot aan de kin, en zynde in gevaar van te verdrinken: eindelyk geheel doorweekt, en onze kleederen aan flarden zynde, waren wy genoodzaakt langs onzen ouden weg te rug te keeren. Na een gedwongen marsch, hielden wy op nieuw halte aan de oevers van de Cormoetibo-Kreek. 'Er viel zulk een zwaare regen, dat ik my niet herïnnere immer een zwaarer gezien te hebben: dezelve duurde den geheelen nacht, en veröorzaakte zoo veel verwarring en wanörde door de overyling, waar mede zig elk van eene schuilplaats voorzag, dat ik eene kneuzing aan het hoofd kreeg. Ik ging niettemin voort, met my spoedig eene verblyfplaats te bezorgen, en ik was de eerste in myne hangmat, waar boven ik een overdek van bladeren maakte; omtrent onder dezelve, leide ik een goed vuur aan, en viel in diepen slaap te midden van den rook, die my voor het steeken der muggen bewaarde.

Van insecten sprekende, moet ik niet vergeten, dat deezen avond een Neger, die droog hout was gaan zoeken, my tot myne groote verwondering, een Kever aanbood, die niet minder dan drie of vier duimen lang, en meer dan twee duimen breed was. Men noemt hem in Surinamen den Rinoceros, uit hoofde van zyn Olyfants snuit, die omgebogen en gespleeten is, en de dikte heeft van een groote ganzen veder. Dit dier heeft op den kop verscheide harde en gladde verhevenheden; hy heeft zes ledematen; zyne vleugels zyn breed, en zyn geheele lyf is volmaakt zwart: hy is de grootste van alle de Amerikaansche Kevers.

'Er is ook in Guiana een ander insect van dit zoort, genaamd het vliegend Hart, uit hoofde van zyne hoorns, die naar de hoornen van een hart gelyken: beiden vliegen met een ongemeen gebrom, en zyn zoo sterk, dat weinige vogelen hen durven aanpakken. Een der grootste ongemakken, die wy in het bosch ondervonden, wierd veroorzaakt door een vlieg, zoo groot als een bye, en wier steek byna even geducht is. Ik kan dezelve niet beter vergelyken, dan by het diertjen, dat wy in Engeland de Vlieg-Spinnekop noemen.

Na zes of zeven uuren lang, in weerwil van den regen, de rook, de muggen, en myne bekomene kneusing, vast geslapen te hebben, ontwaakte ik zeer verfrischt ten vyf uuren des morgens, en ten zes uuren traden wy het jaar 1774 in, vaarende langs den oever der Cormoetibo-Kreek tot op den middag, wanneer wy in de algemeene legerplaats aankwamen, aan den mond van de Wana-Kreek, na een zeer nutteloozen tocht, als naar gewoonte.

Den 3den, zagen wy, tot ons groot genoegen, den Capitain FREDERIK wederom, met zyne krygsbende, die eenen Neger, CUPIDO genaamd, gevangen met zig bragt. De Capitain verhaalde ons, dat een arme soldaat van 's Compagnies krygsvolk, ter dood veroordeeld zynde, vergiffenis van hem ontfing, op het oogenblik, dat hy op de kniën lag om doodgeschoten te worden, en dat de ontsteltenis, die hem zulks veroorzaakte, hem het verstand deed verliezen.

De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende deezen veldtocht te eindigen, zond eene krygsbende van zestig mannen vooraf, om naar de Patamaca-Kreek op kondschap uit te gaan.

Ik waschte nu myn hembd in de Wana-Kreek: dit was het laatste dat ik had, en ik was verpligt my te baden, tot dat het droog was. Ik had naar Paramaribo om ander linnen geschreven; maar myn brief kwam niet te recht, en alles, wat ik had medegebragt, was aan flarden.

Den 4den January, des morgens ten tien uuren, waaren wy gereed om op te breken. De zieken in vaartuigen naar Devil's Harwar gezonden hebbende, staken wy eindelyk de Cormoetibo-Kreek over, en wy trokken regelrecht zuidwaarts aan, om de Patamaca te bereiken. Op onzen tocht trokken wy voor by steile bergen, met steenen bedekt, en met myn stoffelyke zelfstandigheden bezwangerd. De ligging deezer bergen, die niet meer dan twintig mylen van den Oceaan gelegen zyn, wederspreekt de waarneemingen van Dr. BANCROFT, die beweert, dat men dezelve in dit Land niet ziet, dan op den afstand van meer dan vyftig mylen van de Zee. Des avonds sloegen wy ons neder aan den voet van eenen anderen zeer hoogen berg, alwaar wy een kleine beek van goed water en Latanus boomen vonden, het geen voor ons twee gewichtige punten uitmaakte. Het was in de daad merkwaardig, en zelfs zeer fraay, een soort van stad van boomloof te zien, die zig in een uur verhief op een grond, alwaar te vooren niets was. Een oogenblik daar na waaren de vuuren aangestoken: de een kookte 'er zyn eeten op, de ander droogde 'er zyne kleederen by.

Deezen nacht echter wierd het geheele leger aangetast door een loop, veroorzaakt door het water, het welk wy hier dronken. Dit water, schoon zeer helder, bevatte zoo veele myn-stoffelyke zelfstandigheden, dat het den smaak van Bath- of Spa-water had. Deeze omstandigheid alleen is genoeg ter aanwyzing, dat men in deeze bergen metaalen vinden zoude, indien de Hollanders de noodige kosten doen wilden, om 'er in te delven.

Den 5den, vervolgden wy onzen tocht steeds over de bergen, waar van zommigen zoo steil waren, dat verscheide Slaven met hunne pakken niet kunnende opklauteren, dezelve tegen den grond wierpen en wegliepen, niet naar den vyand, maar naar hunne meesters, die hun dit ligtelyk vergaven: anderen rolden met pak en zak van boven neder.

Des avonds van dien zelfden dag, vonden wy onze huisvesting gereed, en wy besloegen de hutten, die men had laten staan, na BONNY en zyn volk op de vlucht gedreven te hebben. In de myne vond ik nog een zoort van kaars, die vry aartig gemaakt was van wasch van wilde byën, en het gedroogd merg van biezen.

De wooning van BONNY had zeer veel gemak; zy was met paalwerk omringd, en bestond uit vier zeer nette vertrekken. De Colonel nam aldaar zyn intrek.

Den 6den, scheen al het volk uittermaten vermoeit te zyn. De Colonel gelastte dienvolgende een dag halte te houden; alleenlyk zond hy den Capitain FREDERIK, wien het Land 't best bekend was, met zes mannen af, om de oevers van de Claas-Kreek op te zoeken, zynde een zoort van vlietend water, het geen zynen oorsprong neemt op de plaats, alwaar wy ons bevonden, en in de Cottica uitloopt. Naauwlyks waren zy vertrokken, of de oogen van den Colonel by toeval op my gevallen zynde, gelastte hy my om hen alleen te volgen, en hem bericht te komen brengen, van het geen ik aan de overzyde van den oever ontdekken mogt. Ik haalde weldra de afgezondene manschappen in, en na eenige oogenblikken te zyn voortgetrokken, slonden wy tot onder de armen toe in 't water. FREDERIK gaf toen bevel om te rug te trekken, maar ik verzogt hem, om naar my te wagten; waarna ik, mijne kleederen uitgetrokken, en myn sabel tusschen de tanden genomen hebbende, de Kreek al zwemmende overstak; aan de overzijde gekomen zynde, ging ik daar een wyl langs; niets vindende, kwam ik te rug op dezelfde manier, en wy kwamen wederom op de legerplaats.

Op den middag, deed ik bericht aan den Colonel, die my voorkwam over deeze hoopelooze daad, welke hy niet verwagt had, verwonderd te zyn. En ik was het niet minder, wanneer hy my by de hand vatte, en aan zynen kamerdienaar gelastte, om my een fles wyn en een stuk ham te brengen. Men zal het misschien naauwlyks kunnen gelooven; maar het een was zuur, en het ander bedorven: het geschenk egter van gelyken aart, het welk ik hem gegeven had, was gezond en gaaf. Zulk eene laagheid veröntwaardigde my dermaten, dat ik boos opstond, en hem verliet, hem, zyn knecht, zyn wyn, zyn vleesch, en stinkende wormen. Ik stilde mynen honger met een stuk bischuit en drooge visch, die ik van een Neger kogt.

Den 7den January, trokken wy weder voort. Den zelfden dag vong ik één van die fraaije kapellen, waar van ik, by het verhaal van mynen tocht naar de Cottica, gesproken heb. Ik zal tans voortgaan met hem te beschryven, schoon ik zyn naam niet weet. Van het eene einde zyner vlerken tot aan het andere, was hy by de zeven duimen breed; alle waaren zy van eene zoo levendige en schitterende blaauwe kleur, dat dezelve gelyk stond met het hemelsblaauw op eenen schoonen dag; deeze vlerken pronkten met een rand van eene bruine kleur met witte vlakken. Ik kan niet nalaaten hier te herhaalen, dat deeze kapel, op het groene loof der boomen huppelende, door zijne schitterende kleur en grootte eene treffende uitwerking deed. Zoo ik my niet bedrieg, behoort hy tot het zoort der Danaï van LINNAEUS. Ik heb zyn popjen niet gezien; maar zyne rups, die van eene geelachtig gryze kleur is, is zoo dik als de vinger van een mensch, en meer dan vier duimen lang. Het is onbegrypelyk, van hoe veele verschillende zoorten van kapellen de bosschen van Guiana overvloeijen. Zommige lieden, die 'er een kostwinning van maken, met dezelve te vangen, winnen 'er veel geld mede. Na ze in kleine papiere doosjes met spelden te hebben vast gemaakt, zend men ze naar verscheidene kabinetten van Europa. Doctor BANCROFT zegt, dat om ze gaaf te houden, men ze met terpentyn moet aanraken; maar het is genoeg, dat men in de doos, waar in deeze insecten leggen, een stuk campher vast maakt.

Deezen avond lagen wy op eenen kleinen afstand van de Patamaca-Kreek gelegerd. Wy vonden aldaar eene arme Negerin, die bitterlyk schreide, en als eene offerhande, aan den voet van eenen boom, waar onder het lyk van haaren man begraven was, eenige eetwaaren nederleide, en water plengde. Deeze man had in eenen slag tegen de Europeanen het leven verloren.

De Capitain FREDERIK en ik, in eene zandwoestyn, in den omtrek der legerplaats, wandelende, ontdekten hier de pas gezette voetstappen van eene groote tygerin, met haar jong, in welk oogenblik dit dier zeer verslindend is. Wy begrepen dus, dat het voorzichtig was te rug te keeren. Ik nam de maat van den voet der moeder: dezelve was byna zoo groot als een gewoone tinne schotel.

Na een tocht van eenige uuren, kwamen wy des anderen daags morgens eindelyk op den post van la Rochelle, aan de Patamaca. Wy waren mager, uitgehongerd, zwart geworden, verbrand, ongekleed, de meesten zonder schoenen en hoeden, en in een staat, zoo als men nimmer iets dergelyks gezien heeft. Ik had zelf niet meer dan de helft van myn lange broek, en myn eenigste hembd hing gescheurd aan malkander. Wy vonden op deezen post eene kleine bende van elendelingen, gereed om het bosch, het welk wy verlieten, in te gaan, en die bestemd waren, om, even als wy, alle de elenden, die menschelyke schepfels verduuren kunnen, door te staan. Ik heb reeds van verscheidene ziekten gesproken, als van verschillende zoorten van rooden uitslag, van, rotkoortsen, van galkoortsen, van verharde gezwellen, van rooden loop, waar aan men in deeze luchtstreek is bloot gesteld. Ik heb gezegd, hoe zeer men aldaar geplaagd word door muggen, pattat en scrapat-luizen, mieren, wilde byen, heestergewassen en doornen in de bosschen; hoe zeer men aldaar te vreezen had voor de kaymans en de pery in de Rivieren; hoedanig het gesuiffel der slangen, het gebrul der tygers was; welke zandwoestynen, welke diepe moerassen wy doortrokken; welke heete dagen, welke vochtige en koude nachten, welke vreesselyke slagregens wy doorstonden; welk slecht en slap voedzel men ons gaf; en de lezer staat buiten twyffel verstomd, dat iemand zulke wreede beproevingen heeft kunnen, overleven. Hoe lang die lyst ook zy, verklaar ik egter, dat ik, uit vreeze van langwylig te worden, een gebrek, waar aan ik misschien reeds schuldig ben, veele andere onheilen, die ons drukten, heb overgeslagen. Ik zoude nog hebben kunnen spreken van een onëindig getal kleine slangen, hagedissen, scorpioenen, sprinkhaanen, spinnekoppen, wormen, duizendpooten, en zelfs vliegende luizen, waar van de reiziger gevaar loopt om elk oogenblik van één gereten of gestoken te worden; maar ik bewaar die beschryving tot eene andere gelegenheid.

Men zal zig een denkbeeld kunnen vormen van, den honger, die ons by onze komst alhier verslond, wanneer ik verhaald zal hebben, dat ik eene Negerin gezien hebbende, die van zekere groove spys haare maaltyd hield, haar een halve kroon toewierp, de schotel uit haar hand rukte, en het geen 'er op was met meer smaak opslokte, dan ik immer de lekkerste spys bereiding genuttigd heb. Ik deed tans den Colonel FOURGEOUD opmerken, hoe aangenaam het zyn zoude, wanneer hy zyne overig zynde soldaten op groenten, versch ossen- en schapen-vleesch onthaalde, zoo wel als dat hy hun van koussen, schoenen en hoeden voorzag; maar hy antwoordde my, dat de lekkernyen van Capua het leger van HANNIBAL bedorven hadden; hy scheen my toe in het begrip te staan, dat zy, die als hoopeloozen vechten, menschen zyn, die 't leven moede zyn.

Den 11den, kwam het krygsvolk aan, het welk de Wana-Kreek een dag voor ons verlaten had; en, als naar gewoonte, hadden zy niemand gevangen genomen, noch zelfs gezien.

Den 12den, kwam één der muitelingen met zyn wyf, aan den post van la Rochelle, en zy gaven zig aan den Bevelhebber vrywillig over. Den zelfden dag kreeg ik verlof, om, wanneer ik het verkoos, naar Paramaribo te gaan, om my te herstellen. Ik was over dit verlof verblyd, en maakte my met eenige andere Officiers gereed om te vertrekken. Wy lieten den Colonel agter ons aan het hoofd van eene krygsbende, waar van de beste uit den hoop een Pagters kar in Engeland ontcierd zoude hebben. Eindelyk kwam het verlangde uur, en ik was de vyfde, die in een overdekt vaartuig trad, het welk door zes roeiers wierd voortgeroeit, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven. Ik was steeds welvarende, wel gemoed en vol vreugde.

Ik vond op Devil's Harwar eene kleine bezending van thee, koffy, beschuit, boter, suiker, limoenen, rhum, en twintig flessen goeden wyn, die myne vrienden van Paramaribo my naar den post van la Rochelle toezonden. Ik zond dezelve niet te rug, en in weerwil der onwaardige behandelingen van den Colonel, maakte ik 'er hem een geschenk van, uitgenomen echter twaalf flessen, die wy, op de gezondheid onzer vrouwen of minnaressen, in het vaartuig uitdronken. Ik konde my niet wederhouden den Bevelhebber te beklagen, wiens ouderdom (hy was een man van by de zestig jaaren,) en werkzaamheid, in allen gevalle zeer veel achting verdienden. Schoon hy op deezen, tocht zeer weinige muitelingen had gevangen genomen, had hy echter het bosch van de Commewyne tot den mond der Wana-Kreek gezuiverd; hy had de vyanden uit één gedreven, hunne wooningen vernield, hunne velden verwoest, en alle hereeniging van de verschillende partyen der muitelingen belet.

Wy kwamen den 13den des avonds op de Plantagie myn Genoegen, alwaar wy de avond maaltyd hielden. Van daar zetteden wy onze reize dag en nacht voort, onzen tyd met zingen en lachen doorbrengende, tot den 15den op den middag, wanneer wy, onder begunstiging van het vallend water, aan het Fort Amsterdam aankwamen. Vervolgens de Rivier oversteekende, stapten wy aan land voor het huis van den heer DELAMARE, te Paramaribo. Ik bleef in 't eerst aan den oever staan, alwaar een groot getal myner vrienden my omärmden, en my met myne te rug komst in de stad geluk wenschten.

Myne eerste zorge was, om myne geliefde JOANNA te laten haalen, die, toen ze my zag, in traanen weg smolt: dit was zoo wel uit vreugde dat ik nog leefde, (men had gezegd, dat ik dood was,) als uit aandoening over den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond. Dus eindigde myne tweede veldtocht, waar van het verhaal dit Hooftstuk besluiten zal.

TWAALFDE HOOFTSTUK.

Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow-Mouneck, of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende zoorten van Oranje-boomen. --De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde straf-oeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk. --De wachtpost van de Hoop. Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht en wildt.--Steenbakkery.--Insecten.

My thans andermaal te Paramaribo bevindende, zal ik, ter dezer gelegenheid, de beschryving deezer aangenaame Stad mededeelen. Ik heb reeds gezegd, dat zy aan de fraaije Rivier Surinamen, zestien of agtien mylen van derzelver mond, gelegen is. Zy is gebouwd op een zoort van steenachtigen zandgrond, met de landen rondsomme waterpas liggende, en maakt een langwerpig vierkant van anderhalve myl lang, en ten hoogsten een halve myl breed. Alle de straaten zyn volmaakt afgemeeten, en beplant met oranjeboomen, palmboomen, tamarinde en limoenboomen, die in alle Jaargetyden bloeien, en zig onder het gewicht van geheele trossen der geurigste en uitgelezendste vruchten krommen. Men heeft hier noch gehouwen, noch gebakken steenen voor de straaten noodig; de steenachtige zandgrond is voldoende; dezelve is niet minder, dan die der fraaiste tuinen in Europa, en men maakt denzelven nog aangenaamer, door dien met zeeschelpen te bestrooijen. De huizen, die meerendeels twee, en zomtyds vier verdiepingen hebben, zyn, eenigen uitgezonderd, van zeer fraay hout gebouwd. De grondvesten der gebouwen zyn byna allen van gebakken steen; en kleine gekloofde planken bedekken de daken in plaats van pannen. Men ziet zeer zeldzaam glaaze raamen in dit Land; het glas verwekt 'er te veel warmte, en men gebruikt in plaats van dien, raamen van gaas. Eenige huizen hebben windluiken of blinden, die men van zes uuren des morgens tot zes uuren des avonds open houdt. Wat schoorsteenen betreft, ik heb 'er geen enkele in de geheele Volkplanting gezien; men legt geen vuur aan, dan in de keuken, die altoos van het woonhuis afgelegen is; men legt het daar aan op den grond, en de rook vliegt door een gat, in het midden van het dak gemaakt. Deeze houte huizen zyn echter in Surinamen zeer duur; het huis, het welk de Gouverneur onlangs had laten bouwen, kostte hem meer dan vyftien duizend ponden sterling. In de geheele Stad Paramaribo is geen bronwater: elk huis heeft een put, in den rotsachtigen grond gegraven, die brak water geeft, alleenlyk dienende voor Negers, het vee, enz. Europeaanen hebben regenbakken, waar in zy het regenwater tot hun gebruik bewaren: het beste zygt door een steen, en valt in groote tonnen, of aarde vaten, door de Indianen gemaakt, die dezelve tegen koopwaren verruilen. De inwooners van dit Land slapen allen in hangmatten, uitgenomen de Negers, die meestal op den grond slapen. De hangmatten van lieden van aanzien, zyn van catoene lynwaat, met zeer ryke franjen omzet. De Indianen maken die ook, en verkoopen ze zomtyds tot voor dertig guinies. Men heeft geene dekens noodig: men behoeft alleenlyk gordynen, om zig tegen de muggen te beveiligen. Zommige lieden hebben bedden, met gaaze gordynen omringd, welke de lucht vryelyk laaten doorspelen, en tegen het kleinste insect veilig stellen. De huizen zyn in 't algemeen te Paramaribo luisterryk verciert met schilderyen, glaswerk, verguldzels, kristalle kroonen en porceleine potten; de muuren der kamers zyn nooit bepleisterd, noch met papieren behangzels overdekt, maar overheerlyk beschoten met kostbaar hout.

Men berekent het getal der huizen te Paramaribo op veertien honderd. Het voornaamste is het Paleis van den Gouverneur, het welk, langs een weg in den tuin, met het Fort Zelandia gemeenschap heeft. Dit Paleis, en het huis van den Bevelhebber van het Fort, waaren de eenige steene gebouwen in de geheele Volkplanting. Het Stadhuis is een cierlyk en nieuw gebouw, met pannen belegt. Aldaar houden de verschillende Hoven van Justitie hunne zitting, en daar boven zyn de gevangenissen, voor Europeesche misdadigers geschikt, uitgenomen voor krygslieden, welken men in het Fort Zelandia gevangen zet. De Protestantsche Kerk, alwaar men den dienst in het Hollandsch en Fransch doet, heeft een kleine spitse tooren met een uurwerk; de Lutherschen hebben ook hunne Kerk; en de Joden bezitten twee Synagogen, eene Portugeesche en eene Hoogduitsche. 'Er is in de Stad een groot Hospitaal voor de bezetting, en ongelukkig is het nooit ledig. In de Vesting bewaart men de oorlogs- en mondbehoeften; de soldaten van 's Compagnies krygsvolk zyn aldaar in barakken gehuisvest, en eenige Officiers hebben 'er vry goede wooningen. De Stad Paramaribo heeft eene voortreffelyke reede, alwaar dikwils, op den afstand van een pistoolschoot van den oever, meer dan honderd koopvaardyschepen geankerd liggen. Zelden zyn 'er minder dan tachtig, geladen met koffy, suiker, cacao, catoen en indigo voor Holland; verscheide andere hebben slaven van de kust van Africa aangebragt; en zommige eindelyk zyn uit het noorden van America, of van de Antillische Eilanden gekomen, om meel, ossen- en varkens-vleesch, sterke dranken, gezouten haring en makreel, spermaceti-kaarssen, paarden en grof huisraad tegen verschillende koopwaaren te verruilen, vooral tegen syroop van suiker (melasse), waar van de Americanen rhum maken.

De stad Paramaribo heeft geene vestingwerken; zy paalt ten zuid-oosten aan de Rivier Surinamen, die meer dan een myl breed is; ten westen aan eene groote zand-woestyn; ten noord-westen aan een ondoordringbaar bosch; en het Fort Zelandia verdedigt dezelve ten oosten. Het Fort is van de Stad alleenlyk afgescheiden door eene groote vlakte, alwaar het krygsvolk de parade doet. Het heeft de gedaante van eene regelmatige vyfhoek, en heeft maar ééne poort, die aan den kant van de Stad gelegen is: twee van deszelfs bolwerken dekken de Rivier. Het is zeer klein, maar sterk tot verdediging, zynde gebouwd van gehouwen of rots-steen, en omringd door eene breede gracht, die vol water is, en voor welke nog eenige vestingwerken leggen. Ten oosten, en aan de Rivier, is eene battery van twintig stukken geschut. Op één der bolwerken is een klok, waar op de wachthebbende soldaat met een hamer het uur slaat, het welk hem door een zandlooper word aangewezen: op een ander bolwerk, steekt men een vlag op, by het naderen van een oorlogschip, of by openbaare vreugdebedryven. De muuren zyn zes voeten dik, en hebben openingen voor het geschut, maar geene borstweeringen. Ik heb van den tyd, dat dit Fort gebouwd is, reeds gesproken.

Paramaribo is eene zeer volkryke stad. Men ziet op byna alle haare straaten eene meenigte van Planters, Matroosen, Soldaten, Joden, Indianen en Negers. De Rivier is aanhoudend bedekt met kano's en vaartuigen, die heen en weder vaaren, even als onze schepen op de Theems, en dikwils eene meenigte Musikanten met zig voeren. De schepen op de reede, met hunne wimpels verciert, verfraaijen het toneel, het welk nog gevoeliger word door de meenigte van jongelingen en jonge meisjes, die in het water speelen. De vrolykheid en verscheidenheid van deeze voorwerpen weegt eenigermaten tegen de ongemakken der luchtstreek op. De kleederen en rytuigen der voornaamste inwoonders zyn waarlyk prachtig: de geborduurde zyde stoffen, de Genueesche fluweelen, de goude en zilvere boordzels, de diämanten schitteren dagelyks; en zelfs de schippers der koopvaardyschepen komen met gespen en knoopen van massief goud voor den dag. De tafels zyn niet minder kostbaar; men discht op dezelve de duurste en uitgezogtste spyzen op in platte schotels, of porceleine vaten, in den eersten smaak, en allerfynst gewerkt. Maar niets duidt meer de pracht der Surinaamsche Colonisten aan, dan het getal der Slaven, welke men aldaar in dienst houd, en die, in zommige huizen, een getal van twintig of dertig bedragen. Zelden ontmoet men in deeze Volkplanting blanke dienstboden.

