# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 19

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Den 4den, des morgens, ontdekte ik twee fraaije Powesas, op de takken van eenen hoogen boom, die naby de legerplaats stond. Aan den Colonel verlof gevraagd hebbende, om 'er een te schieten, weigerde hy my zulks op eene ruwe wyze, onder voorwendzel, dat de vyand de schoot van myn snaphaan zoude kunnen hooren; als of dezelve niet wist waar wy waaren. Kort daar na echter, wanneer zig op den top van eenen anderen boom een groote slang vertoonde, gaf de Bevelhebber, het zy uit vreeze, het zy uit weerzin, last om op hem te schieten. Het dier, den schoot ontfangen hebbende, viel op den grond, schoon nog volkomen levendig zynde, en kroop dadelyk naar eene dikke doornhage by het magazyn. Ik had hier gelegenheid, om de ongemeene onverschrokkenheid van eenen soldaat op te merken, die de voetstappen van deezen slang zoetjens agter na volgde, en hem van onder de struiken weg trok, beweerende, door een zoort van bygeloovigheid, dat de beet hem geen kwaad konde veroorzaaken: wat daar ook van zy, de slang, die meer dan zes voeten lang was, verhief verscheiden malen den kop en het halve lyf, om hem aan te pakken, maar de soldaat deed hem door vuistslagen nederbukken, en eindelyk kloofde hy hem met zyn sabel in tweën; het welk een einde aan het gevecht maakte.

Vreezende dat ik beschuldigd mogt worden, zoo aanstonds een nieuw woord gebruikt te hebben, het geen voor myne lezers waarschynlyk onverstaanbaar is, zal ik hun zeggen, dat de Powesas is de Fesant van Guiana: het is een zeer fraaije vogel, byna de grootte hebbende van een gewoone jonge kalkoen, waar mede hy door zyne pluimaadje, en door den smaak van zyn vleesch veel gelykheid heeft. Zyne vederen zyn van een schitterende zwarte kleur, uitgenomen onder den buik; zyne pooten zyn geel, zyn bek insgelyks, uitgenomen aan de punt, alwaar dezelve blaauw en boogsgewyze gekromd is. Hy heeft levendige en schitterende oogen, en draagt een kuif van gekrulde vederen van een glinsterend zwarte kleur, het geen hem eene onëindige fraaiheid geeft. Deeze vogel kan niet ver vliegen; men maakt hem gemakkelyk tam; men maakt 'er zelfs een huisdier van, en te Paramaribo verkoopt men ze dikwils voor meer dan een guinie het stuk. Ik zal deeze gelegenheid waarnemen tot het beschryven van eenen anderen vogel, die aan Guiana byzonder eigen is, en Agamie door de Franschen, en Camy-camy in Surinamen genoemd word. Hy is, even als de Fesant, ten naasten by van de grootte van een jonge kalkoen, maar hy verschilt van dezelve in gestalte en in pluimaadje. Zyn lyf, dat geen staart heeft, heeft de gedaante van een ey; zyne vederen zyn zwart, uitgenomen op den rug, alwaar hy grysächtig is, en onder de borst, alwaar zyne vederen, van eene blaauwe kleur, lang zyn en nederhangen, als van den Reiger; zyne oogen zyn schitterend, zyn bek is puntig, en van een zee-groene kleur, zoo als ook zyne pooten, die hoog zyn, en eindigen met een klauw, waar aan vier nagels zyn, drie van vooren, en één van agteren. Deeze vogel draagt in dit Land gewoonlyk den naam van de Trompetter, uit hoofde van een gezang, het welk hy dikwils doet hooren, en aan het geluid van dit speeltuig gelykvormig is. Ik kan met geene zekerheid bepaalen, van waar dit geluid koomt, maar zommige Schryvers beweeren, dat het van de vorming van zyn bek voortkoomt. Onder al het pluimgedierte, is de Trompetter het dier, het welk men gemakkelykst kan tam maken: hy is de vriend der menschen, volgt hen, liefkoost hen, en schynt hun dezelfde getrouwheid te bewyzen, als de hond: ik heb op verscheidene Plantagiën 'er veelen gezien, welken men, even als de Powesas, tot huisselyke diensten gebruikte, en met de kalkoenen en ander gevogelte te zamen liet eeten. [23]

Den 6den, ontfing ik van Paramaribo zes kruiken rhum, waar van ik 'er vier aan den Colonel gaf.

Om zes uuren des morgens, gaven twee van onze slaven, die Lacanus-boomen waaren gaan hakken, ons bericht, dat een hoop muitelingen op den afstand van omtrent een myl van de legerplaats was voorby getrokken; dat zy onder het bevel stonden van één hunner Capitains, genaamd ARICO, met wien onze beide Negers aan den oever van de Cermoetibo-Kreek gesproken hadden, maar dat zy niet konden zeggen, welken kant de vyand genomen had, zoodanig waren zy verschrikt. Na het bekomen van dit bericht kreegen wy bevel, om hen by het aanbreken van den dag te vervolgen. Des anderen daags was mitsdien al het volk ten vyf uuren gereed, en na een gedeelte van het zelve te hebben agtergelaten, om de krygs- en mond behoeften te bewaaren, rigtten wy onzen tocht naar de plaats, alwaar de muitelingen zig vertoond hadden. Wy zagen hier een grooten palmboom, die op het water dreef, en aan den anderen oever met koorden van heestergewassen was vast gemaakt; het geen duidelyk te kennen gaf, dat ARICO en zyn volk de Kreek waren overgekomen. Zie hier, hoe de Negers in zoodanig geval eene Rivier overgaan: zy plaatsen zig, de één agter den ander, op den dryvenden stam van den boom; zomtyds zelfs zetten zy hunne kinderen en vrouwen daar op; en de beste zwemmers vergezellen hun, en zyn hunne leidslieden.

Schoon de bewyzen van den overtocht der muitelingen duidelyk waaren, trok de Colonel dezelve echter in twyffel, of liever hy beweerde, dat het van hunnen kant slechts eene krygslist was: zy hadden eenige manschappen, zeide hy, afgezonden, om den boom aan den oever vast te maken, en ons te bedriegen.

Niemand was van dit gevoelen, maar alle redeneeringen der weereld werkten daar tegen niets uit. Wy namen dus een weg, die recht het tegengestelde was van den weg der muitelingen; namelyk wy trokken oostwaarts, daar men hen naar den westkant had moeten vervolgen, het geen de Jagers zekerlyk gedaan zouden hebben. In deeze eerste richting gingen wy voort tot de aannadering van den nacht, schoon men het brood vergeten had, en dat wy den geheelen dag geen enkelen drop water hadden kunnen hebben, want wy trokken door zwaar zand of Savanen. Na dat wy den weg een weinig rechts af genomen hadden, riep een Neger uit, dat wy aan de Wana-Kreek naderden. Ik hoorde dit met genoegen; en hem een kalabas en myn fles rhum gegeven hebbende, verzogt ik hem derwaarts te gaan, om de kalabas met een mengzel van rhum en water te vullen; maar hy maakte het te sterk, zig buiten twyffel verbeeldende, dat het daarom beter zyn zoude. Ik had zulk een zwaaren dorst, dat ik den drank in eens doorzwolg, zonder dien te proeven; dit werkte zeer gezwind, want op het zelfde oogenblik was ik naauwlyks in staat my overëind te houden.

Den 9den, na eenen vrugteloozen tocht, kwamen wy weder in onze oude legerplaats te rug. De Neger SEPTEMBER, die ons volgde, gelyk een herders hond de kudde volgt, wierd aldaar door den Colonel in vryheid gesteld. In de daad hy was onvermoeid. Hy zelf doorwaadde de Kreek, om 'er den westelyken oever van te bespieden. Des anderen daags morgens, liet hy ons wederom onzen knapzak vullen, en geleidde ons langs den zelfden weg, beweerende, dat hy den vyand eindelyk agterhalen zoude. Vervolgens tot des avonds voortgetrokken zynde, bragten wy den nacht in eene oude legerplaats der muitelingen door, na den geheelen dag gebrek aan water gehad te hebben.

Den volgenden dag, trokken wy steeds voorwaarts, maar wy vonden nog vyanden, nog water. De Officiers en soldaaten begonden te verzwakken, en men droeg 'er reeds eenigen in hunne hangmatten. Het was in de daad ondraaglyk heet; want wy waaren in het saisoen der droogte. In dit uiterste deeden wy een gat graven van zes voeten diep, op welks grond men een snaphaan afschoot; oogenblikkelyk kwam 'er een weinig water te voorschyn; maar zoo modderig, dat het tot geen gebruik dienen konde.

Wy vervolgden onzen tocht, en sloegen ons neder op eene plaats, alwaar de muitelingen voor deezen eenige Plantagiën bebouwd hadden. Het viel hard, om geduurende den nacht de ongelukkige soldaaten over dorst te hooren klagen. De Colonel echter bleef, tot den derden dag, 'er by, om verder voort te trekken, in de hoop van eenige kreek of beek te ontmoeten, en den algemeenen dorst te lesschen. Maar hy wierd in zyne verwagting bedrogen; want den 12den, tot op den middag door de brandende zand-woestynen heen getrokken hebbende, bezweek hy zelf met veele anderen, die door een aanhoudenden en verteerenden dorst waaren ter neder geslagen. Het was nog een geluk voor ons, dat de muitelingen ons in deeze gesteldheid niet aantastten. Het was ons ondoenlyk geweest den minsten tegenstand te bieden: de grond was bezaait met elendigen, die door eene brandende koorts gefolterd wierden. De Colonel zelf was hopeloos; zyne tong verdroogde in zyn mond, en zyne lippen waaren geheel zwart; zulk een bitter lyden verduurde hy. In deezen staat konde ik, hoe weinig hy het ook verdienen mogt, myn mededogen niet weigeren.

Intusschen aten eenige soldaaten by aanhoudenheid van hun gezouten varkens-vleesch; anderen trokken elkander vier aan vier voort, en zogten eenige droppelen daauw, op bladeren van boomen verspreid. Wat my betreft, ik ondervond tans, voor welken yver een Neger, die door zynen meester wel behandeld word, vatbaar is. In deeze algemeene behoefte, bood de myne my een kalebas vol water aan, zoo goed als ik het in myn leven gedronken heb. Het was niet dan met de grootste moeite, dat het hem gelukte dit water van de bladen van eenige wilde pynboomen te haalen: zie hier, hoe deeze bewerking geschied.

Men houdt de plant in de eene hand, en in de andere een sabel of mes, waar mede men de plant beneden de bladen afsnydt. Vervolgens plaatst men onder de opening een kalebas of een glas, en het water loopt 'er zuiver, fris, en zomtyds in eene groote hoeveelheid in. De bladen van de plant, dit water in het regen-saisoen opvangende, brengen het door derzelver canaalen als in een vergaarbak. Zommige Negers vonden ook gelegenheid om door middel van water-willigen hunnen dorst te lesschen; maar dit was voor eene door dorst versmagte krygsbende niet voldoende. De water-willige is een zeer sterk heester-gewas, zynde een zoort van wynstok, en alleenlyk in zandige landstreeken groeiende: men snyd dezelve met den sabel in langwerpige stukken, en dadelyk neemt men 'er een in den mond. Deeze plant verschaft op die manier een frisschen, aangenaamen en gezonden drank, die in de brandende bosschen van Guiana van groote nuttigheid is.

De Voorzienigheid my dit hulpmiddel gelukkiglyk hebbende toegezonden, konde ik myne eerste gemoeds-beweging niet wederstaan, en ik deelde 'er den Colonel van meede, wiens ouderdom en zwakheden ten zynen voordeele spraken. Hy wierd 'er door verkwikt, en vervolgens besloot hy, om langs zynen ouden weg te rug te keeren, zonder eenige hoop om den vyand te agterhaalen: het volk was zoo afgemat, dat men verscheiden soldaaten dragen moest. Als een laatste hulpmiddel, zond de Bevelhebber toen eenen Neger uit de Volkplanting de Berbices, genaamd GAUSARIE, af, om geduurende onzen te rug tocht moeite tot eenige ontdekking te doen. Den zelfden weg hernomen hebbende, kwamen wy op eenen korten afstand van de put, welke wy des avonds te vooren gegraven hadden. In de gedachten zynde, dat dezelve tans helder water in zig bevatten moest, zond ik mynen Neger QUACO derwaarts, om eene van myne flesschen te vullen, eer dit water troebel gemaakt wierd; en dit deed hy. Maar, toen hy daar mede naar my te rug kwam, ontmoette hy den Colonel, die met zyn snaphaan de fles in stukken sloeg, en aan twee mannen bevel gaf, om zig als schildwachten by de put te plaatsen, willende het water voor zig zelven, en voor zyne vrienden bewaren. Dewyl echter in zulk eene omstandigheden de onderwerping ophield, bukten de beide schildwachten in de put, met het hoofd naar beneden. Hun voorbeeld wierd oogenblikkelyk door verscheidene andere soldaaten gevolgd, en dit water veranderde wel dra in eene modderpoel, die tot niets meer dienstig was. Na dat wy onze hangmatten aan boomen hadden opgehangen, verdeelde men onder ons allen, zonder onderscheid, een weinig van zekeren sterken drank, genaamd kill-devel; maar ik dronk nimmer daar van, en liet myn aandeel voor mynen getrouwen QUACO. De Colonel dit vernomen hebbende, liet hem het glas uit de handen rukken, om het geen er in was, weder in de kruik te gieten, my toevoegende: "dat vermits ik van dien drank niet dronk, ik 'er niet van hebben moest." Ik was verontwaardigd over zyne ondankbaarheid; en den zelfden avond een volle fles van dit zoort van drank gevonden hebbende, gaf ik die aan mynen Neger.

Omtrent middernacht ontdekten wy, by toeval water. Onuitspreeklyk verkwikkend was dit voor ons! het verdiende den voorrang boven den besten wyn: ik zal nooit vergeeten, met welk genoegen ik 'er van dronk. Ieder leschte zynen dorst naar wensch; en de Colonel liet toen een groot vuur aanleggen, om zyne avond-maaltyd gereed te maken; maar hy verbood, aan wien 't ook wezen mogt, dit insgelyks te doen. Hy stond zelfs niet toe om een stok te snyden, en men was dus genoodzaakt het gezouten ossen en varkensvleesch rauw te eeten. Myn aandeel aan een zoort van wandelstokjen geregen hebbende, kroop ik zachtkens naar het vuur van den Bevelhebber, om aldaar dit vleesch te braden; intusschen maakte de Neger, die hem tot kok diende, my zeer spoedig willende helpen, eenig gerucht, en deed hem ontwaaken; maar ik, om te beletten, dat hy my niet zag, pakte my weg, na myn stuk vleesch in zyne ketel geworpen te hebben.

Na verloop van eenige minuuten, wende hy voor, dat men in weêrwil zyner beveelen hout gesneden had. Ik vernam dit, en vreezende dat hy eenig geweld mogt aanrechten, begaf ik my zachtkens naar zyne hangmat, en verzekerde hem, dat al het volk in diepen slaap was. Hy veinsde my niet te herkennen, en my by de hairen nemende, gaf hy een verschrikkelyken gil. Het gelukte my hem te ontsnappen, en my in veiligheid te stellen; echter riep hy uit: "schiet op hem! schiet op hem!" het welk onze geheele legerbende vermaakte. Mynen Neger gevonden hebbende, liet ik hem dadelyk myn eeten haalen; hy ging in alleryl derwaarts, en bragt my een stuk ossen-vleesch weêrom, het welk tien maalen grooter was, dan het geen ik gegeven had; ik bewaarde het, en had het genoegen, om 'er de ongelukkige slaven op te onthaalen: dus eindigde deeze elendige dag.

Den 13den, kwamen wy weder aan de Wana-Kreek. Wy waren, door zoo veel nutteloos lyden, onuitspreekelyk vermoeit.

Alhier onthaalde de Colonel zyne vrienden op myn rhum, en in myne tegenwoordigheid, maar zonder my een enkelen droppel 'er van aan te bieden. Ik vond op deeze zelfde plaats een brief, gedagteekend uit Ceylon, in de Oost-Indiën: deeze was aan my gezonden, door één myner naastbestaanden, den heer ARNOLDUS DE LY, Gouverneur van Punta de Galo en Matury, die my nodigde om by hem te komen, en my verzekerde, dat myn fortuin dan gemaakt zoude zyn. Myn kwaade planeet gedoogde dit niet; ik oordeelde my zelven onëer aan te doen, met in zoodanig tyds-gewricht den dienst te verlaten.

De Neger GAUSARIE kwam den 14den te rug, en verklaarde niets gezien te hebben.

Den 15den, werd eenig krygsvolk, bestaande uit twee Capitains, twee Lieutenants, en vyftig soldaaten, naar de Rivier Maroni afgezonden, om aldaar den Capitain FREDERIK op te zoeken, die, aan het hoofd van vyftig andere manschappen, den 20sten der laatst voorgaande maand vertrokken was, en van wien men niet meer had hooren spreken, het geen groote bekommering veröorzaakte.

De wachtpost van Vrydenburg, aan de Maroni, bestaat in een vierkant stuk grond, bedekt met huizen van Latanus-boomen hout gebouwd, waar van de bosschen van Guiana overvloeijen, en met goed paalwerk omringd. 'Er is een wacht aan de buiten-kant, en aan de vier hoeken vier schilderhuizen voor de schildwagten. Deeze post, door verscheide stukken geschut verdedigd, is in het midden van een ledig plein gelegen aan de oevers der Rivier, alwaar men ook een vlag ziet. Dezelve heeft gemeenschap met de Fransche wachtpost aan de overzyde, en beide leggen op een korten afstand van den mond der Maroni. Om daar van een juister denkbeeld aan den lezer te geven, heb ik dezelve afgeteekend, gelyk mede die van de Wana-Kreek, welke, schoon aangenaam voor het gezicht, nier minder doodelyk was voor een groot aantal van ons volk.

In de afteekening der Wana Kreek worden de drie legerplaatsen onderscheidentlyk vertoond. Aan beide zyden, ziet men die van den Colonel FOURGEOUD, en van wylen den Major RUGHCOP; in het midden, en lynrecht in 't gezicht van den mond deezer Kreek, is de legerplaats der Neger-Jagers.

Den gemelden 15den, liet men vaartuigen vertrekken, om de zieken weg te brengen, en krygsbehoeften aan te voeren. De geheele legerbende wierd toen door eene zwaare ziekte, een roode loop, aangetast, die een groot getal menschen in 't graf sleepte. Al wat wy doen konden, bestond daar in, dat wy, op hoop van goeden uitslag, braak- en andere geneesmiddelen aan de zieken toedienden: wy hadden geene Chirurgyns; zy waaren allen in de hospitaalen aan de Commewyne of op Paramaribo bezet.

De arme slaaven vooral verwekten deernis. Zy waaren, zoo als ik gezegd heb, op eene halve portie eeten gezet, en zedert omtrent twee maanden, leefden zy van kool van palmboomen, graanen, en wilde wortelen: hier aan moet men de besmetting toeschryven, die de legerbende verwoestte. Deeze ongelukkige Negers waren zoo uitgehongerd, dat zy koorden of banden van heestergewassen om hunne lendenen bonden, volgens de gewoonte der Indianen, die zig op deeze wyze den buik toebinden, wanneer hen de honger kwelt, en welke vermeenen of zig inbeelden, dat het lyden door de drukking minder word. Ik ontsnapte echter, met eenige anderen, aan de besmetting; maar ik was buiten staat om te gaan, uit hoofde van eene zwaare zwelling aan één myner voeten, een ongemak, het geen men hier consaca noemt, en zeer gelykvormig is aan het geen wy in Europa onder den naam van bevriezing kennen, en het welk eene groote jeukte veröorzaakt, vooral tusschen de vingers, waar uit water zypert.

De Negers zyn aan dit ongemak zeer onderworpen; zy geneezen het zelve, door een citroen- of limoen-schil, zoo heet, als zy die veelen kunnen, op de huid te leggen.

Ik heb dikwils reden gehad, om van onze mondbehoeften te spreken, welke bestonden in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in bischuit, waar van men ons alle vyf of zes dagen onze portie toedeelde. De twee eersten hadden, na hun vertrek uit Ierland, misschien reeds de weereld rond gereisd. Zy waren toen zoo groen, zoo slymerig, zoo stinkend, en zomtyds zoo vol wormen, dat ik ze op andere tyden niet in myn maag zoude hebben kunnen verdragen.

Ik gaa tans over tot ons reistuig. Deszelfs beschryving zal my niet veel tyd kosten; want het bestond, voor elken Officier, slechts in een koffer, of vierkante kist, waar in hy zyn linnen, zyn verschen voorraad, en zyn sterken drank, wanneer hy die had, wegsloot. Deeze kisten dienden ons tevens tot stoelen en tafels in het veld: op de tochten, droegen de Negers dezelve op hun hoofd. Ik moet bovendien aanmerken, dat wy na zes uuren des avonds nooit vuur hadden; wy kenden dan alleenlyk het maanlicht, het welk voor ons eene zeer treurige vertooning maakte.

Ik had noch bord, noch schotel, noch lepel, noch vork: de kalebas van eenen Neger vervulde my de plaats van de twee eerstgemelde. Zelden had ik een vork van nooden, en nog minder een lepel. In plaats van dezelve, bediende ik my van een breed omgebogen blad, zoo als de Slaven doen. Elk droeg een mes in zyn zak. Ik trachte eindelyk my een lamp te maken van een gebroken fles; ik deed daar in een weinig varkens-vet in plaats van oly, en ik scheurde een stuk van myn hembd, om 'er een lemmet van te maken. De nood, zegt men, maakt vernuftig, en in zulk een staat als de onze valt men niet kiesch. In de daad, indien ik op dit oogenblik gehad had, het geen ik in voorige tyden wegsmeet, zoude ik God gedankt hebben.

Van vernuft sprekende, moet ik niet vergeten het fraay mandwerk, het welk de Negers in groote meenigte in het veld maakten. Ik maakte dit zelf ook, volgens hunne onderrigtingen, en ik zond 'er een aantal van ten geschenke aan myne vrienden op Paramaribo. Het word gemaakt van een zoort van houtachtig en sterk koord, het welk men in den bast van den kool-boom vindt. Die men tot het quadrille-spel maakt, zyn zeer fraay. Andere zyn geschikt om 'er vrugten en groenten in te bewaaren; men vlegt dezelve met een zoort van biezen, warimbo genaamt, welke men splyt, en 'er de merg uit haalt. Men maakt ze ook vry goed, met dunne koorden van heestergewas. De Negers maken ook fraaye netten van een zoort van zyde plant.

Het is een zoort van Aloë, die in de bosschen groeit. De bladen 'er van zyn getand, stekelachtig, en bevatten, over derzelver geheele lengte, kleine witte vezelen, welke men even als de hennip slaat, en laat rotten. Deeze vezelen dienden ons om touw te maken, veel sterker dan eenig touw in Europa. Het zoude zeer geschikt zyn voor de schepen, maar het is aan eene zeer schielyke verrotting onderhevig. Dit zoort van hennip gelykt zoo sterk naar de witte zyde, dat de invoer daar van in verscheiden Landen verboden is, uit vreeze dat men 'er by verkoop bedrog mede plegen zoude. De Indianen noemen deeze plant curetta, en in Surinamen noemt men ze doorgaans Indiaansche zeep; zy schynt dezelfde te zyn, als de zeepboom, om dat ze eene zachte zelfstandigheid voortbrengt, welke even als de gewoone zeep tot wassching dient, en door de Negers en verscheiden inwooners tot dit einde gebruikt word. Men vind ook in de bosschen een andere zoort van plant van dezelfde gedaante als deeze, welke de Negers baboun knify (apen mes) noemen, en die het vleesch tot op het been doorklieft. Ik heb 'er zelf de proef van genomen, maar zonder nadeelig gevolg.

In het tydstip, waar van ik tans spreek, hadden alle de soldaaten gebrek aan koussen, schoenen en hoeden. De Colonel, om een voorbeeld van lydzaamheid te geven, en morringen voor te komen, liep een geheelen dag blootsvoets voor het volk uit. Ik had hier in een voorrecht boven alle anderen. Myne gewoonte, om zonder koussen of schoenen te gaan, had my de huid verhard. 'Er was toen onder ons volk geen enkele, die een lid aan zyn lichaam had, dat volmaakt gezond was: het gebrek van zindelykheid was 'er voornamelyk oorzaak van; zulks verwekte zeer dikwils zweeren, welke aan hun, wien men in tyds de afzetting niet doen konde, den dood veroorzaakten. Deeze waaren de kwaalen, waar mede wy te worstelen hadden, maar hoe groot die ook waren, zy waren slechts de voorloopers van de geene, die ons nog te wagten stonden.

Ik ontfing toen een beste ham en een douzyn flessen Porto-wyn, welke de Capitain VAN COEVERDEN my zond. Ik hield 'er vier van, welke ik met de andere Officiers uitdronk, en gaf de overige aan den Colonel, die door vermoeing uitgeput was. Des anderen daags, den 29sten, had ik de eer het bevel te ontfangen over eene wacht, benevens den Capitain BORGNES, en veertig mannen, om pogingen te doen tot het vangen der Negers, welke drie weken te vooren de Kreek waren overgetrokken.

