# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 18

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Den 14den, des morgens ten vyf uuren, wierd ik wakker gemaakt door een geroep van staat op! staat op! De regen hield bestendig aan, en de meesten van onze Officieren en soldaaten waaren ziek. Ik stond uit myne hangmat op, zoo nat, als of ik uit een badkuip kwam. Op raad der Neger-Jagers, de plaat van myn snaphaan met een stuk van den bast van een Palmboom bedekt hebbende, at ik een weinig scheeps-beschuit voor myn ontbyt, en wy trokken voort. Ik kan niet voorby alhier op te merken, dat de Negers, die den geheelen nacht op den grond en in het water hadden doorgebracht, veel welvarender waaren, dan de Europeaanen. Indien de vyand toen op ons was aangevallen, waaren wy onvermydelyk verlooren geweest. De loop van onze snaphaanen, en onze kardoesen waaren geheel en al doorwatert. Men had dit ongemak kunnen voorkomen, door onze wapentuigen met wasch te besmeeren, en die in kokers te sluiten, gelyk de Vrybuiters in America deeden: maar dit waaren beuzelingen, waar op men de moeite niet genomen had te denken. Het was echter geen beuzeling, en het ontrustte ons zeer, dat onze mond-behoeften byna op waaren, en dat de geene, die wy aan de Kreek vermeenden aan te treffen, niet aankwamen. Men had verzuimt dezelve af te zenden, en uit hoofde van dit toeval waaren wy toen genoodzaakt, Officiers zoo wel als soldaaten, zonder onderscheid, ten einde niet van honger te sterven, vier-en-twintig uuren lang ons middel van bestaan in beschuit en water te zoeken. In het midden deezer elenden, bood een Neger-Jager ons een groote vogel aan, alhier genaamd Coussycalcou, en zynde een zoort van kalkoensche haan. 'Er wierd besloten, om van deezen gelukkigen vondeling soup voor 's avonds te maken. Op het oogenblik, dat de ketel begon te koken, wierp elk 'er een stuk beschuit in; en het water, dat onophoudelyk in de ketel liep, vermeerderde geduurig onze portie. Geduurende deeze verschrikkelyke regenbui waaren wy zonder hutten, even als den voorgaanden nacht. Zorge gedragen hebbende, om eenige kleederen om myne schouders te hangen, bragt ik deezen nacht by het vuur door. Ik had aldaar minder te lyden, dan myne ongelukkige medgezellen, die in hunne hangmatten lagen, en zonder ophouden hoestten. Maar om tot den gemelden vogel weder te keeren, alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat hy weinig verschilde van de gewoone kalkoensche haanen, die hier meer dan twintig ponden weegen.

De grootste vogel van Guiana word in Surinamen door den een Toijew, en door den ander Emou genaamt. Hy behoord tot een zoort van vogelen tusschen den Struisvogel en de Casoar, ten minsten zoo men my gezegd heeft, want ik heb nooit een enkele in dit Land gezien. Men zegt, dat deeze vogel zes voeten hoog is, gerekend van de pooten tot den kop. Hy heeft een kleinen kop, en platte bek; de hals en pooten zyn langwerpig; het lyf is rond, zonder staart en van een licht graauwe kleur. De bouten zyn zeer dik en sterk; en elke poot heeft drie nagels, verschillende daar in van den Struisvogel, die 'er slechts twee heeft. Men geeft voor, dat deeze vogel niet kan vliegen, maar zeer schielyk loopt; en dat hy, even als de eerstgemelde, met zyne vlerken, zyn tred verhaast; men vind hem voornamelyk by het opvaaren van de Maroni en de Saraméca.--Dewyl ik van vogels spreek, moet ik zeggen, dat schoon men 'er geene in Guiana ontmoet, die eenen zachten zang hebben, een gebrek, het welk de fraaiheid van hunne pluimaadje naar den smaak van veelen vergoed, ik 'er op deezen tocht in 't byzonder twee hoorde, wier gekweel my zoo veel genoegen deed, dat ik het oogenblikkelyk opteekende.

Dit gezang was zoo regelmatig en zoo zacht, dat ik op alle andere plaatsen gedacht zoude hebben, dat het een bekwaam zanger was, die op de fluit speelde. Dewyl ik beide deeze vogels nimmer dan onvolkomen en van verre gezien heb, bestaat alles wat ik van hun weet, hier in, dat men hen dikwils in de nabyheid der moerassen hoort.

Des anderen daags morgens vervolgden wy onzen tocht door zulk een zwaaren regen, dat wy in de bosschen tot de kniën toe door 't water gingen, en dat wy een brug moesten maaken, om een kleine Kreek, die op onzen weg was, over te komen.

Ik stelde de Neger-Jagers en eenige slaven te werk om die te maken, en dezelve wierd in den tyd van een uur afgemaakt: zy hakten een zeer recht staande boom om, en wierpen die op de kreek of beek, na aldaar een hoop aarde of zoort van borstweering gelegt te hebben. De Majoor RUGHCOP, onze Bevelhebber, die een ongemakkelyk man was, en wiens lichaams gestel door zoo veele vermoeienissen begon te verzwakken, was over deezen arbeid t'onvreden; hy betaalde de Jagers met vloeken en verwytingen, maar zy beantwoordden hem met een verachtende glimlach: zy lieten hem praaten, en gingen over de kreek, de een over de brug, de ander zwemmende, en een derde klauterde over de boomen, welker takken tot aan de andere zyde overhelden, en aldaar op den grond nederhingen. Ik volgde het voorbeeld der laatstgemelden, en wy wachten eenigen tyd naar den armen Majoor, die met twee derde van zyne krygsbende, zoo zwak en ziek als hy, langzaam aankwam.

Ik was steeds welvaarend, maar de insecten en doornen reetten my van één. Onder de laatstgemelde merkte ik een zeker zoort op, welks zwarte, harde en lange punten, verscheide duimen lang zynde, zeer vinnig in de huid indringen, en die op een zoort van lage Palmboom, Cocarita genaamd, groeien, waar van de breede takken zig wyd verspreiden. Een ander ongemak, waar aan men op alle de moerassige plaatsen der bosschen is bloot gesteld, word veroorzaakt door een zoort van heestergewas, genaamd Mataki, het welk twee of drie voeten uit den grond groeit. De heestergewassen van dit zoort loopen op die wyze tot eenen merkelyken afstand voort, en hunne draaden zyn zoo verward onder elkander, dat een hond moeite heeft 'er door te komen: het is zeer moeielyk om 'er over heen te gaan, de voeten blyven 'er in hangen, en men loopt gevaar om alle oogenblik te vallen, zoo men niet zorgt om ze van elkander te verwyderen, het geen voor kleine menschen volstrekt onmogelyk is. Wy ontmoetten dezelve op onzen geheelen tocht, maar wy zagen nog rivieren, nog plantgewassen, nog eetbaare vruchten, uitgenomen eenige Maripas: dit zyn nooten, die aan een grooten Palmboom groeien, en vry veel overëenkomst hebben met die van de Aouarra, welke ik reeds beschreven heb; zy zyn echter veel grooter, en van een minder hoog roode kleur: de pit en de noot zyn volmaakt gelykvormig.

Het weder wierd eindelyk een weinig beter, en wy kwamen voor den middag te Jerusalem, by den mond van de Cormoetibo-Kreek, alwaar ik geduurende mynen eersten tocht had stil gehouden. De Colonel FOURGEOUD bevond zig aldaar zedert eenige oogenblikken, met zyne afgematte soldaaten. Geene beschryving is in staat, om een naauwkeurig denkbeeld te geven van de akelige gesteldheid, waar in wy waaren: het zal genoeg zyn te zeggen, dat dit geheele legertje, uitgenomen eenige manschappen, door vermoeienis en honger was uitgeput; verscheiden Soldaaten konden niet meer gaan, en de Negers moesten hen dragen in hunne hangmatten, aan stokken hangende. Zoo veele onheilen werkten niets, hoe genaamt, uit, want wy hadden niets ontdekt. De Colonel intusschen, schoon een man van jaaren, wederstond alles, als of hy van yzer was; het geen ons voor een gedeelte het recht van klagen benam. Wat my betrof, ik dompelde my, als naar gewoonte, in de Rivier, om my te wasschen, en my van de modder en het bloed, waar mede ik bedekt was, te zuiveren: ik zwom 'er ook eenigen tyd in, en uit 't water gekomen zynde, zogt ik myne Negers, om my een hut op te richten; maar de Majoor gebruikte hen, om voor hem een keuken te bouwen, schoon 'er niets viel klaar te maken. Ik sloeg geen acht op deeze onwellevenheid. De Jagers maakten my een eenvoudig bed van bladeren van een Latanusboom, want 'er waaren aldaar geene boomen, om myne hangmat aan op te hangen; zy leiden een goed vuur aan dicht by dit bed, waar op ik ging leggen, en zeer gerust sliep, in weêrwil dat de maan my in de oogen scheen, het geen minder onäangenaam was, dan de regen. Ik ontwaakte egter twee uuren eer de dag aankwam; het vuur brandde niet meer, de maan was verdwenen, en ik was byna dood van koude. De vochtigheid, die uit den grond opsloeg, en de dauw, waar aan ik was bloot gesteld geweest, hadden my zoodanig verstyft, dat ik moeite had, om op handen en voeten voort te kruipen, ten einde één van myne Negers te doen ontwaken. Ik liet hem het vuur aan brand maken, het geen my in staat stelde, om ten zes uuren op te staan; maar dit geschiedde met zulk een pynlyke steek in de zyde, dat ik my niet wederhouden konde overluid te schreeuwen. Van den Colonel en zyne vrienden niet gehoord willende worden, nam ik de wyk naar den kant van het bosch. De pyn intusschen steeds verdubbelende, was het my wel dra niet meer mogelyk, om zonder de grootste moeite adem te halen, en eindelyk viel ik aan den voet van eenen boom neder. Een der Neger-slaven, die hout ging hakken, my in die gesteldheid ziende, dagt, dat ik dood was, en bragt dezen alarm-kreet naar de legerplaats over. Men nam my dus op, en droeg my naar myne hangmat, op last van den Capitain MEDLER, die my onder eene goede hut deed plaatsen, en my dadelyk één van 's Compagnies Heelmeesters zond, om voor my te zorgen. Ik was oogenblikkelyk door toekykers omringd, en myne pyn in de zyde wierd zoo nypend, dat ik myn hembd met myne tanden van één scheurde, en in alles beet wat my naderde: door eene aanhoudende wryving met de hand, en een zoort van smeering, verdween echter de pyn schielyk, en ik gevoelde my volmaakt hersteld.

Om eene instorting voor te komen, ging ik, zoo dra myne kragten het toelieten, een stok snyden, waar mede ik zwoer den schelm, die het opzicht over de Neger-slaven had, te zullen vernielen, zoo hy my niet oogenblikkelyk een hut liet maken, al had hy zelfs tegenstrydige beveelen; want myn leven was tog de eerste zaak, waar op ik acht moest geven. Ik kwam by hem, met myn stok op den schouder, en hem myn oogmerk hebbende te kennen gegeven, volgde ik hem zoo kort agter op, dat ik in den tyd van twee uuren het genoegen had van my wel gehuisvest te zien. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat, toen myne ziekte op het ergst was, de Colonel FOURGEOUD my had aangeboden, om my naar Devil's Harwar te doen overvoeren; maar ik stemde daar in niet toe.

Den 18den, vernamen wy, dat de arme CAMPBELL des avonds te vooren was overleden. De Majoor RUGHCOP zelve ging mede vertrekken, uitermaten ziek zynde: hy was de elfde Officier, die onder de vermoeienissen van deezen korten veldtocht bezweek. Een byna volkomen gebrek aan levensmiddelen hebbende, vervulden wy dit gebrek gelukkiglyk door eene groote meenigte visschen, waar onder de Jacky was, die ik reeds beschreven heb, en zig in een kikvorsch verandert. 'Er was ook een visch, genaamd Warappa, die dezelfde gedaante heeft, en mede goed is; beiden hebben veel vleesch, en zyn zeer vet. Deeze visschen wierden zoo overvloedig in de moerassen gevonden, alwaar het afloopend water dezelve agterlaat, dat de Negers hen met de hand vongen; maar nog meer, wanneer zy by toeval met hunne snoeimessen of sabels in den modder hakten; zy verzamelden vervolgens de stukken by elkander, en wy namen die mede: zy vongen in de Kreek ook nog een andere visch, genaamd Coemma-coemma, zynde van één tot drie voeten lang: hy is van een zeer zoeten smaak, maar zoo lekker niet, als die ik bevoorens genoemd heb. De Negers laaten denzelven droogen, door hem op stokken voor het vuur te plaatsen. Dan is hy veel beter, en men eet hem zonder andere toebereiding. Deeze visch alzoo gerookt zynde, kan verscheiden weken bewaard worden.

Den 20sten, wierd een Capitain met twintig Zee-soldaaten en twintig Neger-Jagers afgezonden, om de verwoeste vesting Boucou te gaan opzoeken. Daags daar aan overleed de Majoor RUGHCOP. De Colonel, op dien dag naar den bovengemelden post zelf willende vertrekken, liet my het bevel over vier honderd mannen, blanken en zwarten, waar van de helft ziek was. Ik zond 'er dertig van naar Devil's Harwar om te sterven, en gaf aan zestig Jagers verlof om zig naar Paramaribo te begeeven. Zy verklaarden aldaar, dat de onderneemingen van den Colonel FOURGEOUD meer geschikt waaren om zyn eigen krygsvolk, dan dat van den vyand, van kant te helpen. Zoo bestaan de Negers; wanneer zy denken dat 'er niets te doen valt, willen zy niet optrekken. Het is zeer moeielyk de krygstucht onder hen te bewaaren; en wanneer zy zig voorstellen den vyand te zullen ontmoeten, kan men hen niet wederhouden om voorwaarts te rukken. Het is verwonderlyk, met welke behendigheid zy de voetstappen van anderen ontdekken. Terwyl een Europeaan den minsten voetstap van een mensch in het bosch niet kan onderscheiden, bemerkt het doordringend oog van den Neger den gebroken tak, het verdorde blad enz. Indien deeze de voetstappen van den vyand zyn, is niets in staat om hem te rug te houden. Zulk eene drift is ongetwyffeld met de hedendaagsche krygskunde niet overëen te brengen; maar zy kondigt dien geest van vryheid aan, die in oude tyden den dapperen soldaat uitmaakte. Zie daar, welk op dit oogenblik het caracter der menschen was, die slechts zedert korten tyd de slavernye kenden.

Des anderen daags, zynde den 21sten, maakte ik gebruik van het voorrecht, dat ik had met het bevel te voeren, door twee vaartuigen met krygsbehoeften geladen, het een naar den post van la Rochelle, het andere naar Devil's Harwar te zenden. De laatstgemelde bragt my een kist met Bostonsche beschuit mede, die aan my van Paramaribo was afgezonden.

Op deezen dag wierden twee slaaven, die beschuldigd waaren van varkensvleesch uit het magazyn gestolen te hebben, in gevangenis gezet, en het krygsvolk verzogt my om daar over eene voorbeeldige straffe te oeffenen. De Zee-soldaaten beschouwden de Neger-slaven met verachting; zy zagen hen dwaaslyk aan als verre beneden hen zynde, en als de oorzaak van alle hunne onheilen. Men vond, wel is waar, een stuk varkensvleesch in den zak van de beschuldigden; maar 'er waaren geene bewyzen, die den diefstal konden zeker stellen, en ik vond my zeer verlegen om naar den zin van beide partyen recht te doen. De Europeaanen mishandelden de ongelukkige slaven met woorden; en deezen beantwoordden zulks vry vinnig, en al het volk was in beweging. De eersten verweeten den beschuldigden, dat zy dit vleesch gestoolen hadden; de beschuldigden beweerden, dat zy het op hun aandeel hadden uitgespaard, om het aan hunne nabestaanden of vrouwen te geven. Als toen den toon van eenen onafhanglyken alleenheerscher aanneemende, deed ik de klagers in het rondt plaatsen, en gelastte om de gevangenen in het midden te zetten. Vervolgens gaf ik met een luide en sterke stem bevel, om een blok en byl te brengen. Deeze plechtige vertooning deed zulk eene uitwerking op de soldaaten, welke voor de uitvoering van eene ysselyke en barbaarsche daad vreesden, dat alle wraakzucht in hun hart wierd uitgedooft; en zy verzogten my zelve om genade te bewyzen. Ik leende het oor aan hunne aanzoeken, en gaf bevel aan den Negerslaaf, om den byl op te ligten; hy deed het, maar dit was alleen, om het stuk spek, dat zoo veel beweging veröorzaakt had, in driën te klooven. De beschuldigers kregen 'er één deel van, de beschuldigden het tweede, en de uitvoerder het derde, om dat hy zyn plicht zoo wel betracht had. Alles eindigde tot algemeen genoegen, en ik hoorde van geene dieveryen meer spreken.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 26sten, van Boucou te rug. Hy had aldaar drie Negers der muitelingen, zynde Jagers en ongewapend, verrast, op het oogenblik, dat zy een Chou van een Palmboom sneden tot hun levens-onderhoud. Men had 'er egter maar twee van gekregen; en één van hun door een snaphaan-schoot het dye-been gebroken hebbende, had men hem handen en voeten zamengebonden, en alzoo gehangen aan een stok, door twee slaven gedragen. Men kan over zyne akelige gesteldheid oordeelen: het geheele gewicht van zyn lichaam deed hem de ledematen uit elkander zakken. Niets hebbende, waar op zyn hoofd rustte, viel dit onöphoudelyk naar den grond. Men had geen het minste verband om zyne wonden gelegt, en zyn bloed verwde de plaatsen, waar hy was voorby gekomen. Op die wyze wierd deeze ongelukkige jongman, (want hy scheen niet meer dan twintig jaaren oud te zyn,) in de legerplaats gebragt, welke zes mylen af lag van de plaats, alwaar men hem had gevangen genomen. Men had hem immers wel in een hangmat kunnen leggen, en door dit middel zoude men hem voor verschrikkelyke folteringen bewaard hebben. Ik was verwonderd, en met misnoegen aangedaan over deeze daad van wreedheid in den Colonel, wien ik in koelen bloede nimmer wreed gezien had. Ik moet hem zelfs het recht doen van te zeggen, dat hy zig nooit moeielyk maakte, dan wanneer men zig tegen hem aankantte; het geen ik nu en dan wel eens gedaan had. Maar op dit oogenblik was hy over zyn zegepraal zoo verrukt, dat alle gevoel van menschelykheid in hem uitgedoofd scheen. De gewonde Neger op een tafel gelegt zynde, verzogt ik een Heelmeester om hem te bezichtigen en te verbinden. Hy leide hem eenige pleisters, en verklaarde, dat hy 'er niet van zoude opkomen: dit ongevoelig mensch zong, terwyl hy dit werk verrigtte.--De arme Neger! wat moest hy al lyden! De koorts verdubbelende, verzocht hy om een weinig water. Ik schepte wat met mijn hoed, en bood het hem zelf aan. De ongelukkige, over deeze oplettenheid gevoelig, zeide my: Moi, remercie vous, masera; vervolgens loosde hy een zucht, en stierf. Hy wierd door de Neger-slaven begraven, die hem blyken van mededogen beweezen, zoo als zyn ongelukkig lot ook verdiende. Volgens hunne gewoonte overdekten zy zyn graf met Palmboom-bladeren, en zy plaatsten aldaar een gedeelte van hun eeten als eene offerhande. De andere gevangen, genaamt SEPTEMBER, was gelukkiger. De Colonel, hoopende, dat hy hem met het doen van eenige ontdekking behulpzaam zyn mogte, behandelde en onthaalde hem met meerder onderscheiding, dan hy immer voor eenigen zyner Officiers betoond had. SEPTEMBER had nochtans het voorkomen van een vos, die in den strik gevangen is, en des nachts sloot men hem in een magazyn op.

Des anderen daags kwam de heer STOELEMAN, Capitain der Militie, in onze legerplaats aan, alwaar hy den dag moest doorbrengen: ik nam deeze gelegenheid waar, om aan den Bevelhebber te herïnneren, het geen hy my omtrent de gesprekken van deezen Officier gezegd had, en verzogt hem zulks in zyne tegenwoordigheid te herhaalen; maar de Colonel stelde alles op rekening van den Majoor RUGHCOP, die overleden was, en verzogt my over die zaak niet meer te spreken: ik verliet hem oogenblikkelyk. Myne vooronderstelde tegenpartye weder ontmoetende, drukte ik hem de hand, en verhaalde hem het voorgevallene. Zyne verwondering was ongemeen; vervolgens vertrok hy, in minder dan twee uuren van Jerusalem, en wierd gevolgd door alle de Neger-Jagers, die ons nog overig waaren.

Den 29sten, wierd de Capitain DE BORGNES tot Majoor aangesteld, maar 'er geschiedden geene andere bevorderingen. De Colonel verklaarde, dat hy niemand in staat kende om Officier te zyn: dit konde waar zyn met opzigt tot de Sergeants; maar wy hadden onder ons twee braave jongelingen van goeden huize, die als vrywilligers dienden, en die de vermoeienissen en gevaaren van deezen veldtocht hadden doorgestaan; men liet hen zonder eenige belooning: zoo gaat het, als men geene voorspraaken en middelen heeft.

ELFDE HOOFTSTUK.

Het krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa. --Gevecht tusschen een Soldaat en een Slang.--De Fesant- vogel van Guiana.--De Agamie of Trompetter.--De muitelingen trekken de legerplaats voorby; men vervolgt hen te vergeefs. --Groot gebrek aan water.--Schranderheid der Negers.--De zyde-plant.--Kevers en insecten.--Bergwerken.--Fraaije Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de Patamaca.

Den 30sten November 1773, verliet al het krygsvolk den post van Jerusalem, en men keerde naar de Wana-Kreek te rug, maar zonder juist den weg te volgen, langs welken men gekomen was. De Colonel FOURGEOUD herriep intusschen de eerst gegevene bevelen, en stond ons toe hutten te maken, om onze hangmatten in dezelve te plaatsen. Wy hadden ons dus weinig op dit stuk te beklagen; met de levensmiddelen was het geheel anders gelegen.

Wy vervolgden onzen tocht, geduurende drie agter één volgende dagen, met vry goed weder; maar alle morgen liet de Colonel my onbarmhartiglyk wekken door eene schildwacht, die last had my niet te verlaaten, eer dat ik hem antwoord had gegeven.

Den 3den, kwamen wy op nieuw by de Wana-Kreek aan: ik vleide my, na eenen moeielyken tocht, met het doorbrengen van eenen gerusten nacht myne krachten aldaar te zullen herkrygen; maar ik wierd als naar gewoonte wakker gemaakt, en was in zulk een diepen slaap, dat men my by den arm moest schudden, om my te doen ontwaaken. De Colonel was in zijne hangmat gezeten, met een donderende stem zweerende, dat hy allen, die zyne beveelen niet gehoorzaamden, zou doen ophangen, of vierendeelen; en het bosch weêrgalmde eenigen tyd van zyn geschreeuw. Daar op volgde eene diepe stilte, die ik wel dra door een schaterenden lach afbrak: ik was de eenige niet; anderen voegden zig by my, en de Colonel begon weder te brullen, zonder de stem van iemand te kunnen onderscheiden. Hij wierd wonderbaarlyk geholpen door eene groote padde, die men hier Pipa noemt. Dit dier huisvestte in de hut van den Commandant, en kwaakte alle nachten op eene vervaarlyke manier.

De Pipa of Pipal gelykt, zoo men zegt, gedeeltelyk naar de kikvorsch, gedeeltelyk naar de padden: hy is de grootste onder allen van dit laatste zoort, die men in Zuid-America, en misschien in de weereld vindt; hy is leelyk, met eene pokächtige huid van een donker bruine kleur bedekt, en met onregelmatige en zwarte vlekken geteekend; zijne agterpooten zyn plat, van een vlies voorzien, en de klauwen zyn langer, dan die van de voorpooten; uit dien hoofde kan hy te gelyk zwemmen en springen als een kikvorsch, een voordeel, waar door hy van andere padden verschilt. Hij is een weinig grooter, dan een gewoone eendvogel, wanneer die geplukt is. Zyn gekwaak, het welk hy doorgaans niet dan des nachts laat hooren, is ongemeen sterk. Maar het merkwaardigste in dit zoort van gedrocht is de manier, waar op hy voortteelt: de jongen zyn besloten in een zoort van zak vol water, die op den rug der moeder geplaatst is; aldaar word zy door het mannetjen vruchtbaar gemaakt, en aldaar begint ook het aanzyn van de vrucht, blyvende daar in tot het oogenblik, dat dezelve genoegzaam gevormd is, om 'er te kunnen uitkomen. [21]

De padden zyn niet vergiftig, zoo als men doorgaans gelooft; men kan 'er zelfs huisdieren van maken. De heer ARSSCOTT heeft 'er jaaren lang een opgevoed; [22] de Colonel FOURGEOUD bewaarde de zyne in zyn hut, even als een huisdier, geduurende al den tyd, dat wy aan de Wana-Kreek gelegerd waaren; en ik zelf heb langen tyd een kikvorsch, als een huisdier gehouden.

Maar laaten wy tot myne hangmat, en myn dagverhaal te rug keeren. Het gekwaak van deezen Pipal, dat van eene andere padde, die van het ondergaan tot het opkomen der zon, aanhoudend riep touck, touck, touck; het gebrul der tygers, dat der aapen, de schuiffeling der slangen, en een aanhoudende regen, maakten deezen nacht zoo onaangenaam, als somber: de opkomende dageraad echter deed my denzelven wel dra vergeeten, en ik bevond my zoo wel en zoo te vreden, als men in de bosschen van Guiana met mogelykheid zyn konde.

