Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet
Part 15
'Er zyn verschillende zoorten van Macaws, maar ik zal 'er alleenlyk twee van beschryven. Ik wil niets verhaalen, dan op voldoende gezag, en geenzints verscheiden schryvers naarvolgen, onder welken men egter menschen van verstand vind, en die zeer wel onderricht zyn. Zommigen van hun hebben, zoo ik meen, door onkunde misgetast, of zyn door valsche berichten bedrogen, maar ik vreeze zeer, dat 'er verscheiden gevonden worden, die het algemeen, dat veel te lichtgeloovig is, misleid hebben, alleenlyk om aan hunne verwaandheid te voldoen.
De geele en blaauwe Macaw is zoo groot als een Kapoen; hy heeft korte pooten, een donkere kleur, met vier zwarte klaauwen, twee van vooren en twee van agteren. Zyn bek is krom als die van een gewoone Papegaay, dezelve is insgelyks zwart, en het bovenste kakenbeen is alleen beweegbaar. Zyne staart bestaat in eenige lange rechte en puntig toeloopende vederen. De kruin van den kop van deezen vogel is zee-groen, en het overige van het bovenste gedeelte van het lyf, te weten zyn rug, en zyne geheele staart zyn van de schoonste hemelsblauwe kleur; en het onderste gedeelte, of de buik is bleek orange. Zyne oogen zyn rondom van een fraaije witte kleur, met zwarte ringen daar tusschen, uit zeer kleine vederen bestaande.
De andere word in Surinamen genoemd de Amazoonsche Macaw. Hy is minder groot dan de eerste. Zyne staart, zyne pooten en zyn bek, van een vuile witte kleur, hebben dezelfde gedaante; de hals en keel van deezen vogel zyn van de schitterendste scharlaken kleur; de kop insgelyks, uitgenomen den omtrek der oogen, welke wit is, met zwarte ringen. Men kan zeggen, dat de vlerken in vier gekleurde streepen verdeeld zyn, eerst scharlaken van boven, dan groen, vervolgens geel, en eindelyk blaauw. Zy schitteren in de zon op zulk eene treffende wyze, dat geene konst in staat is zulks na te bootsen. De Macaws vliegen koppels-gewyze; zy maaken een scherp, onaangenaam geschreeuw, en byten vinnig. Hun bek, die zeer hard en scherpsnydend, maar stomp is, is hun van een groot nut om te klauteren. Men kan hen gemakkelyk temmen, en men leert hen praaten, even als alle andere Papegaaijen. De Indianen brengen ze dikwils op Paramaribo, en voor een fles rhum, of eenige vishaaken doen zy dezelve weder over.
Des avonds van denzelfden 3den October, kwam de Colonel TEXIER, Bevelhebber van het krygsvolk der Compagnie, ziek zynde, uit het Quartier-Generaal, het welk op de Plantagie Crawassibo, aan den oever van de Commewyne, geplaatst was. Deeze Officier was voorneemens geweest, om, gezamentlyk met den Colonel FOURGEOUD, tot het vervolgen der muitelingen door de bosschen heen te trekken; maar zyn zwak gestel liet hem niet toe, om de levensmanier van onzen Opper-Bevelhebber te kunnen verdragen, en alleen van gezouten kost te leven. Wel dra ondervond hy daar van de gevolgen, en wierd in eenen elendigen staat naar Paramaribo gezonden.
Den 6den October had de koorts my verlaaten, en dat zoort van roodvonk, of schurftachtige uitslag, waar van ik gesproken heb, begon te genezen; maar de elende en vermoeienis, die ik had doorgestaan, waaren nog op myn gestel van invloed: zeer groote bloedzweeren vertoonden zig op myn linker heup, en beletteden my volstrektelyk om te kunnen gaan. Myn Geneesheer raadde my echter, om alle dagen lucht te scheppen; en myn vriend, de heer KENNEDY, my zyn rytuig geleend hebbende, ging ik zyne Excellentie, den Gouverneur der Colonie, een bezoek geven. Naar huis te rug keerende, deed ik het rytuig aan de waterkant stil houden, om een hoop menschelyke wezens, die myne aandacht zeer tot zig hadden getrokken, te beschouwen. Ik zal trachten ze te beschryven: dezelve bestond uit Negers, mans- en vrouws-persoonen, en eenige kinderen, die kortlings van de Kust van Guinée waaren aangebragt, om als slaaven verkocht te worden, en op dit zelfde oogenblik uit het Schip gingen. Zy waaren niets meer dan houten beelden, vertoonende beenderen met een huid overdekt. Zy bragten my het laatste oordeel in de gedachten. Men zoude gezegd hebben, dat zy uit het graf kwamen, of onder het mes van eenen Heelmeester geweest waaren: kortom zy waaren wandelende geraamten.
Deeze ongelukkigen, die een getal van zestig haalen konden, wierden door een matroos voorafgegaan en gevolgt; de een diende tot hunnen geleider, en de ander, met een bambous-riet gewapend, belette hen om af te dwalen, of hunnen tocht te vertragen. De billykheid echter noodzaakt my te verklaaren, dat in plaats van dat verdrietig gelaat, dat voorkomen van smart en wanhoop, het welk men in boekjes en nieuws-papieren, aan de Negers by deeze gelegenheid toekent, ik niet een enkele onder hen zag, wiens aanschyn de minste neerslagtigheid vertoonde. Ik moet 'er ook byvoegen, dat de matroos, die agter aan ging, niet dan met veel gematigdheid zig van zyn stok bediende.
Na met verbaazing deezen droevigen hoop van menschelyke schepzels gezien te hebben, keerde ik naar myne woonplaats te rug, over zulk een schouwspel verontwaardigt en ontsteldt. Ik onderrigtte my vervolgens op het naauwkeurigst, zoo by blanken als zwarten, omtrent het lot van deeze ongelukkigen, van het oogenblik dat zy in Africa hunne vryheid verliezen, tot op het tydstip van hunne slavernyë in America. Ik zal het zelve aan myne lezers mededeelen, maar vooraf zal ik hun eenige aanmerkingen, betrekkelyk de behandeling der Negers voorstellen, eene zaak, waar op de aandacht van het algemeen zedert eenigen tyd gevestigd is; ik zal daar by alle onpartydigheid in acht nemen, die ieder eerlyk man verlangen kan.
Men heeft gezegt: wel hoe! wilt gy voor het genoegen om rhum te drinken, en suiker by uwe koffy te gebruiken, zulk eenen wreeden en schandelyken handel laaten voortduuren? En het antwoord was: Geef wel acht, dat gy, door den geestdrift van menschlievenheid verleid, de aanzienlyke voordeelen, die gy van uwe slaaven trekt, niet verliest ten voordeele van uwe nabuuren, en zonder het minste nut voor hun, die wy met u als onze natuurgenooten beschouwen?
Na zoo veele boekdeelen, die men zedert eenige jaaren, over dit onderwerp geschreven heeft, zal men my misschien van waanwysheid beschuldigen, dat ik hier myn gevoelen opgeeve: maar ik heb my tot een regel voorgeschreven, om my uit te laaten over het geen ik met eigen oogen gezien heb, en het geen weinigen myner landgenooten, zoo ik meen, gelegenheid gehad hebben waar te nemen, of met zoo veel zorgvuldigheid waargenomen hebben. Ik heb de ysselykste folteringen zien aandoen aan ongelukkige Negerinnen, die of zig onttrokken, of voldaan hadden aan de lusten van eenen ongebonden meester of echtgenoot, en nog veel meer aan dezulke, die de liefkozingen van eenen schelmschen Opzichter hadden afgewezen. De onschuldigste zyn dikwils de slachtöffers van de ongegronde jaloersheid eener gehuwde meesteresse. Ik heb ook Neger-slaven door hunne meesters in Engeland als de geliefdste dienstboden zien behandelen. Ik heb ook aan den anderen kant matroozen, soldaaten, leerlingen, op de wreedäartigste wyze zien behandelen, wanneer zy onder het gezag stonden van menschen van een heerschzugtigen inborst; en dienvolgende verklaare ik ronduit, dat hunne staat door de Negers niet behoeft benyd te worden. Indien derhalven het lot der laatstgemelden zoo merkelyk afhangt van den inborst van hun, die een voortduurend of tydelyk gezag over hun uitoeffenen, moet men alles wel wikken en wegen, uit vreeze van door onbedachtzaamheid geene verkeerde uitspraak te doen.
Men zegt hier tegen wel, dat men dikwils groote wreedheden in onze Volkplantingen pleegt; maar dewyl zy aldaar niet zoo zeer, als in andere Landen, tegen de natuur schynen aan te druisschen, wat zouden wy, in plaats van eene overylde vrylaating, anders doen, dan de slaaven, die ons ten deel vallen, aan wreeder meesters overleveren? Daarenboven zyn de Negers, in Africa geboren, alleen in staat om den arbeid te verduuren, welken de landbouw, en het maaken van suiker, in zulk eene brandende landstreek vorderen.
Ik heb het volks-caracter der Negers waargenomen op die plaatsen, alwaar zy uit eigen beweging, en zoo vry als in Africa, kunnen te werk gaan, en ik heb bevonden, dat het volmaakt wild is! De twintig duizend Oucas- en Saraméca-Negers, hebben zedert lang in eene volmaakte onafhangelykheid van de Europeaanen geleeft, en echter heb ik by hen de minste blyk van beschaafdheid, het minste teeken van orde en regeering niet bemerkt: integendeel heb ik aldaar meenigvuldige voorbeelden gezien van eenen ontembaaren geest, van gevoelloosheid en ongebonden zeden.
Ik houde veel van de Negers, en ik heb by verscheidene gelegenheden getoond, hoe veel mededogen ik met hun lot had. Welke verkeerde uitlegging men ook geven moge aan het geen ik in dit opzigt gezegd heb; ik wensche uit den, grond myns harten, dat de achtenswaardige Vergadering van het Engelsch Parlement, een gevoelen, het welk op de ondervinding gebouwd is, in aanschouw neeme, en zig dienvolgende wel wagte, om den Slaavenhandel voor het jaar 1800, of in het begin der volgende eeuw, af te schaffen. Indien men zulk een maatregel onbedagtzaam te werk stelde, blyf ik borg, dat een verschrikkelyk getal zwarten en blanken 'er de slagtöffers van zouden zyn, en dat het berouw wel dra het kwaad, het geen echter onmogelyk te herstellen zoude zyn, zoude agtervolgen.
Volgens alle myne onderzoekingen en bekomene berigten is het byna zeker, dat een groot getal Negers, op de kusten van Africa ter verkoop aangebragt, in gevechten krygsgevangen gemaakt zyn. Men heeft 'er zommigen van schandelyk weggevoert: anderen zyn om misdaden gebannen. Ik zal by vervolg eenige voorbeelden van deeze onderscheidene gevallen opgeven.
De Negers, die tot den invoer bestemd zyn, trekken uit de binnenste gedeelten der landen, en by troepen, naar de comptoiren, die verscheidene Europeesche volken op de kust van Africa hebben opgericht. Aldaar worden zy verkogt of liever verruilt, even gelyk de andere koopwaaren van hun Land, als goud, olyphantstanden, enz. tegen staven van yzer, schietgeweeren, timmermans gereedschappen, koffers, linnens, hoeden, messen, glaswerk, tabak, geestryke dranken, enz. Vervolgens worden zy ingescheept; en geduurende hunnen overtocht, kunnen zy vryelyk bot vieren aan al de smart, welke bittere nagedachten, of hunne tegenwoordige elende, in hun verwekken moeten. Aan hun vaderland, en aan hunne geliefdste nabestaanden ontrukt zynde, smyt men hen by honderden op malkanderen in een donker en stinkend ruim van 't schip, echter zorge dragende, dit de mans van de vrouwen afgescheiden blyven; en worden de eerstgemelden geketend, om allen opstand van hunnent wegen voor te komen. Zy worden op die manier over onstuimige Zeeën gevoerd; en tot levens-onderhoud, geeft men hun niets, dan groote boonen, met een weinig oly 'er over. Zomtyds geven Kooplieden, die minder onmenschelyk zyn, hun een beter voedzel: als dan, wel verre dat 'er verscheiden, of zelfs een enkele, op reize van sterven zoude, komen zy allen in goede gezondheid in de West-Indiën aan. Men heeft my verzekerd, dat de Capitain, de Stuurman, en de meeste matroozen van een schip, op de reize omgekomen zynde, terwyl zy, die overig waaren, tot het scheepswerk zig niet in staat bevonden, de Negers, die wel behandeld waaren, zig daar toe met yver lieten gebruiken, en het schip in behouden haven hielpen brengen: zy redden dus het leven van verscheiden lieden, en lieten zig vervolgens, wel te vreden en genoeglyk, verkoopen aan de geenen, die hen koopen wilden.
Een schip, van de Kust van Guinée te rug komende, is zoo dra niet aangeland, of de Negers worden op het dek gebragt: men doet hun een zuiverder lucht inademen; men wascht hen; men verfrischt hen met plantgewassen, bananen, orange-appelen, enz. Zy teekenen elkander verscheiden beeldtenissen op het hoofd, als zonnen, halve maanen, zonder behulp van een scheermes, zelfs zonder zeep, en alleenlyk met een stuk glas. Na dat zulks is afgeloopen, doet men een zeker getal aan land gaan, om te koop gesteld te worden. Hunne kleeding bestaat alleenlyk in een kleine lap catoen, tot het zelfde einde, waar toe de vygebladeren aan den eersten vader van het menschdom dienden: de vrouwen dragen ringen en koraalen, hals-cieradiën, enz. Die aan boord blyven, brengen aldaar den tyd door met lachen, met springen, met schreeuwen, en in de handen te klappen.
Ik heb hunne gedaante na de ontscheeping voldoende beschreven. Laat de lezer zig dan nu verbeelden, dat hy de straaten doorwandelende ziet, dat elke Planter de geenen, die hem aanstaan, beschouwt, en met den Capitain koop maakt: de prys van een goeden Neger loopt doorgaans op vyftig of honderd ponden sterling. Indien eene Negerin zwanger is, word zy duurder verkogt. Ik heb een Hollandsch Capitain gekend, die zig bediend had van de zwangerheid van eene Negerin, door hem voor een tyd tot minnares genomen, om 'er een hooger prys voor te vragen, dus zelf met zyn eigen bloed handel dryvende. Zyne landgenooten keurden dit echter ten hoogsten af.
Alvoorens de koop te sluiten, doet men den Neger, die te koop geveilt is, altyd op een tafel of op een vat klimmen, om door een Heelmeester onderzogt te worden, die hem verscheidene houdingen doet aanneemen, en armen en beenen op verschillende wyze beweegen, om over zyne krachten en gezondheid te oordeelen. Indien de kooper voldaan is, en wegens den prys overeenkoomt, betaald hy hem dadelyk. Elke Neger, die men koopt, word, op de borst of schouder, met een heet zilver brandmerk, bevattende de eerste letters van des meesters naam, gemerkt. Dit merk, het welk de grootte van een stuk geld van zes stuivers heeft, is zoo pynlyk niet, als men wel denkt: men smeert de gebrande plaats dadelyk met versche boter; en na verloop van twee of drie dagen is zulks geneezen. Dit gedaan zynde, geeft men aan den Slaaf een nieuwen naam: men vertrouwt hem vervolgens aan eenen anderen van zyne kunne, die hem op de Plantagie brengt; men houd hem aldaar zindelyk; men onderwyst hem daar, en geeft hem goed voedzel, zonder te werken, geduurende den tyd van zes weken. Zulk eene levensregeling is zoo heilzaam, dat men, na verloop van dien tyd, in plaats van een wandelend geraamte, een vet mensch vind, wiens huid gevult is, en zagt geworden, tot dat dezelve door geesselslagen, die hem een wreede eigenaar, of liever zyn schelmsche Opzigter, laat toedienen, op eene onmenschelyke wyze word van één gereten.
Alvoorens dit onderwerp voor eenigen tyd te laaten vaaren, en myn verhaal te vervolgen, moet ik opmerken, dat de Negers in onderscheide volken of stammen bestaan, als daar zyn die van
Abo. Gango. Nago. Conia. Kouare. Papa. Blitay. Riemba. Pombo. Coromantin. Loango. Wanway. Congo. N. Zoko. enz. enz.
Ik heb aan alle dezelve kennis; en ik zal 'er by vervolg breedvoeriger van spreeken.
My den 10den een weinig beter bevindende, ging ik naar de verkooping der Slaaven. De lezer zal zig een volmaakt denkbeeld van myne verwondering en ontsteltenis kunnen vormen, toen ik, midden onder dezelve, myne waardige JOANNA vernam. De Plantagie Fauconberg, waar toe zy behoorde, wierd ten voordeele der schuldeisschers van Mevrouw D. B. verkogt, die, zoo als ik reeds gezegt heb, de vlucht genomen had.
Ik gevoelde toen de ysselykste folteringen. Ik vervloekte duizende maalen mynen staat, welke my niet toeliet, om zelf eigenaar van dit beminnelyk meisjen te worden. Onophoudelyk dagt ik aan haaren verschrikkelyken staat voor het toekomende. Ik verbeelde haar te zien beschimpen, haar onder het gewicht haarer ketenen verscheuren gekromd te zien, met luider stemme, maar vruchteloos, my ter haarer hulpe roepende. Ik was, om zoo te zeggen, van alle myne denkvermogens beroofd, tot op het oogenblik, dat myn vriend, de heer LOLKENS, my wederom gerust stelde. Gelukkiglyk bleef hy bestuurder der Plantagie, geduurende de afwezigheid der nieuwe eigenaars, de heeren PASSALAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die dezelve, met al haar toebehooren, voor den matigen prys van vier duizend ponden sterling gekocht hadden.
Deeze onwaardeerbaare en waare vriend, had zoo dra niet het bestuur van Fauconberg aanvaard, of hy liet JOANNA in myne tegenwoordigheid komen: hy verzekerde my, dat hy niets ontzien zoude, om ons beiden dienst te doen, en dat hy tans meer dan ooit daar toe het vermogen had. Ik verzogt hem zyne belofte gedachtig te zyn, welke hy naderhand op de edelmoedigste wyze steeds is naargekomen.
Vernomen hebbende, dat de Colonel FOURGEOUD de Plantagie Crawassibo verlaten had, en in de bosschen, boven de Plantagie Klarenbeek, was ingedrongen, om zig naar de Wana-kreek te begeeven, met oogmerk om de muitelingen te ontmoeten, verzogt ik hem by een brief my toe te staan, om my by hem te vervoegen, zoo dra myne gezondheid hersteld zoude zyn. Ik liet onze Heelmeesters, die te Paramaribo gebleeven waaren, met de noodige geneesmiddelen, naar de laatstgemelde Plantagie vertrekken. Ik gelastte vervolgens, op myn eigen gezag, en ten kosten van onze krygsbende, den heer GREBER, Heelmeester van 's Compagnies krygsvolk, om de zieke Officiers en Soldaaten, die zonder geld en onderstand in de stad bleven, van het noodige te voorzien. Te gelyker tyd kogt ik voor hun twee vaten goeden wyn. Ik wilde op deeze wyze myn gezag, het welk stond te eindigen, tot nut doen strekken.
Den zelfden dag, den 10den, scheepte myn vriend, de heer DELAMARRE, zig op de Rivier Surinamen met vyf-en-twintig vrye mulatten in. Hy was Capitain van het krygsvolk, het welk eene vry betere bende uitmaakte, dan een by één geraapte hoop Europeaanen.
De herstelling myner gezondheid ging spoedig voort, en wel dra vond ik my in staat, om alle morgen te paard te ryden. 'Er gebeurde my op zekeren tyd een vry aartig voorval op den weg, die naar Wanica leidt. De heer VAN DE VELDE, die met my was, zig beroemende een best paard te hebben, stelde my voor met hem uit ryden te gaan.
Ik nam het aan, en liet hem twintig schreden voor uit ryden. Hy had van dit voordeel geen lang genot; want, daar ik op een Engelsch paard gezeten was, reed ik hem wel dra met eene verbaazende gezwindheid voorby; en zyn arme paard, in eene dikke hegge van limoenboomen verward geraakt zynde, deed den armen VAN DE VELDE, even als ABSOLOM, aan de hairen blyven hangen.
De paarden zyn, in Surinamen, van een weinig meerder waarde, en een weinig grooter, dan ezels. Men moet hier van echter uitzonderen de paarden, die uit het Noorden van America, of uit Holland komen: de laatsten gebruikt men doorgaans tot koetspaarden. De paarden van dit Land zyn echter zeer dienstig in de Suiker-molens, alwaar men ook een groot getal muil-ezels gebruikt, die uit Barbaryen komen, en welken men zomtyds tot vyftig guinies toe verkoopt. Geen van deeze dieren is oorsprongelyk uit Guiana herkomstig. Hun ras, zoo wel als dat van veele anderen, is derwaarts overgebragt, en verduurt 'er het luchtsgestel. Om eene lastige herhaaling te vermyden, zal ik hier den naam der viervoetige dieren opgeeven, die geene oorsprongelyke gedierten van het nieuwe vaste Land zyn.
De Oliphant. De Tyger. 't Zeepaard. De Panter. De Rhinoceros. 't Paard. 't Kameel-paard. De Ezel. De Kameel. De wilde Ezel. De Dromedaris. De Os. De Leeuw. De Buffel 't Schaap. 't Konyn. 't Varken. 't Kleine Guineesche Hart. De Geit. De Fret. De Hond. De Rot. De Bunsem. De Muis. De Wezel. De vette Eekhoorn. De Spaansche Kat. De tuin Eekhoorn. De Hermelyn. De Marmot. De Hyëen. De Ichneumon of Egiptische Rot. De Avondwolf. De Civetkat. De Bergmuis. De Kat. De Maki, en verscheiden De Das. andere zoorten van Aapen De Steenbok. De wilde Geit.
Zy die hier van meerdere onderrigting begeeren, kunnen de Natuurlyke Geschiedenis van den beroemden Graaf DE BUFFON raadpleegen.
Den 8sten, kwam de Vaandrig MATTHIEU, één der Officiers van de krygsbende, die my was komen aflossen, van Devil's Harwar aan. Den zelfden dag wierd hy gevolgd door zynen Bevelhebber en vriend, den Luitenant Colonel WESTERLOO, welke by zyne ontscheeping door twee soldaaten gedragen wierd. Deeze heeren hadden met my den spot gedreven, toen ik my beklaagde, na verscheiden weken in een vaartuig opgesloten te zyn geweest, terwyl zy, schoon sleeds op 't land gebleven zynde, het op hunnen post niet hadden kunnen houden. De laatstgemelde had den Colonel FOURGEOUD naar de Wana-kreek willen vergezellen. Hy had zig op den post van la Rochelle, aan de Patamaca, met hem vereenigd; maar het was hem zelfs onmogelyk om in de bosschen te gaan. Ik was by den heer DAY ten eeten, toen ik hem zag voorby komen, het geen een droevig schouwspel vertoonde. Ik vergat, hoe weinig reden ik had, om over zyne behandeling te vreden te zyn, en stond oogenblikkelyk van tafel op, om hem een koets te bezorgen, waar in ik hem tot aan zyne woonplaats vergezelde. Om de meenigte van volk te verwyderen, deed ik een wacht voor zyne deur plaatsen, en ik liet dadelyk twee Geneesheeren haalen, de Doctoren VAN DAM en KISSAM, welke laatstgemelde een Americaan was. Ik verbood tevens, om iemand binnen te laten komen, uitgenomen zyn bediende, eene oude Negerin, en een jongen Neger. Op die wyze bragt ik, zoo ik meen, veel tot behoud van zyn leven toe.
Den 20sten, kwamen de Lieutenant Graaf VAN RANDWYK, en de Vaandrig KOENE, beiden in een zeer elendigen staat aan. Myn arme gewezen Stuurman HAMER, die vier maanden lang op Devil's Harwar had doorgebragt, eindelyk door ziekte overmandt zynde, kreeg insgelyks verlof, om zig naar Paramaribo te laaten vervoeren.