Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 13

Chapter 13 4,068 words Public domain Markdown

De wyfjes der aapen, zoo men my gezegd heeft, zoogen dikwils twee jongen, even gelyk de vrouwen. By het ondergaan der zon, heb ik deeze dieren den top der palmboomen zien beklimmen, waar van zommigen niet minder dan honderd voeten hoog waaren. Zy sliepen aldaar gerust, onder de breede bladeren van deezen boom. De Kisi-Kisi is zoo fraai, en van zulk een beminnelyken aart, dat verscheiden lieden hem met zig voeren, aan een zilvere ketting vast gemaakt zynde. Hy maakt duizend kromme sprongen en wendingen, babbelt zonder ophouden, en roept zonder tusschenpoozen pitico-pitico. Men maakt hem gemakkelyk tam, en vangt hem door middel van een lym, het welk de Indianen maken, en vry wel met ons vogellym overëenkoomt.

De aapen van dat zoort, wier verschrikkelyken dood ik verhaald heb, wierden door myne Negers Monki-Monki genaamd. Alles wat ik 'er van zeggen kan, bestaat hier in, dat zy onder de geenen, welken ik beschryf, van eene middelmatige grootte zyn, en dat zy den rug geheel zwart hebben. Eene zeer merkwaardige omstandigheid, en die ik niet vergeeten moet, is, dat ik uit myn vaartuig een aap van dit zoort naar den waterkant zag naderen, met zyn poot daar uit scheppen, zyn mond spoelen, en den vinger daar in steken, als of hy zig de tanden wilde schoon maken. Dit wierd door één der Negers opgemerkt, die my groot vermaak deed met my zulks aan te wyzen.

Ik zal, om dit stuk voor het tegenwoordige te eindigen, 'er byvoegen, dat deeze beesten gezellig en zeer levendig zyn, zoo als ik heb doen zien. Het is byna overtollig op te merken, dat het gewoon onderscheid tusschen de aapen en de meerkatten daar in bestaat, dat de eersten geen staart hebben en de andere wel: maar dewyl ik 'er geene van het eerste zoort in Guiana ontdekt heb, geloof ik, dat zy meerder Asia en Africa, dan dit gedeelte der nieuwe weereld, het welk onder den naam van Zuid-America bekend is, bewoonen. De aapen doen dikwils veel schade op de Plantagiën, alwaar zy het suikerriet, enz. om ver haalen; ik heb dit egter maar eenmaal gezien.

Dewyl ik van de dieren spreek, welke ik in dit gedeelte van Guiana gevonden heb, zal ik niet vergeeten melding te maken van de Otters, welke men hier Tavons noemt, en die in de Cormoetibo-Kreek ons dikwils met hun onaangenaam geschreeuw vermoeiden. Deeze halfslachtige dieren leeven voornamelyk van visschen. Zy zyn ten naasten by drie voeten lang, asch-graauw, en over 't geheel wit gevlakt; zy hebben korte, platte pooten, met vyf genagelde vingeren, die vliezen hebben. De kop is rond, de bek plat, en van weerskanten van knevels voorzien, even als de katten; de oogen zyn klein, en boven de ooren geplaatst. De staart is zeer kort. Deeze dieren loopen kwalyk, maar zy zwemmen met een groote kragt. Men zegt, dat 'er nog een ander zoort van Otters in Guiana is, veel breeder zynde; ik heb 'er nooit een gezien. [19]

In weerwil van den gunstigen oogenschyn van des avonds te vooren, bevond ik my den 24sten zeer ziek. Ik had moeite om over eind te blyven zitten in myne hangmat, waar onder myn kleine Neger QUACO over den staat van zynen meester ontroostbaar was; en des anderen daags wierd de arme jongen zelf ziek. Ik was ter zelfder tyd genoodzaakt, om drie mannen, die door de koorts waaren aangetast, naar Devil's Harwar te zenden. De ongelukken komen zelden alleen; ik ontfing, in dit elendig tydstip, de tyding, dat de Officier OWEN by zyne aankomst op de Plantagie Alida gestorven en aldaar begraven was. Myn Vaandrig, COTTEMBERG, had ook daags te vooren zyne levensdagen geëindigt. Wat my zelven betrof, my stond tans een gelyk lot te wagten. Ik zag my tans door eene heete koorts aangetast, zonder Officiers, zonder soldaaten, hebbende geene andere hulp, dan die my de ongelukkige Neger-slaaven bezorgen konden, en welke zig bepaalde tot het koken van water voor de thee. Men kan oordeelen, hoe troostelyk het voor ons was, toen ik denzelfden avond, op welken zulk eene opëenstapeling van onheilen onzen ondergang scheen te bedreigen, van den Colonel bevel ontfing, om my met de vaartuigen naar Devil's Harwar te begeeven, alwaar ik ook mynen wachtpost aan den oever neemen zoude, en aldaar den heer ORZINGA, Capitain in dienst der Compagnie, af lossen, als welke zig met zyne manschappen naar la Rochelle, aan de Patamaca-Kreek, begeeven moest, om het krygsvolk, zig aldaar reeds bevindende, te versterken. Deeze tyding, hoe ziek ik ook was, bragt zulk eene uitwerking op my te weeg, dat ik oogenblikkelyk bevel zond naar de Cerberus, om tot aan den mond der Cormoetibo-Kreek te rug te komen, alwaar hy my den zelfden avond aantrof.

Den 26sten namen wy ons afscheid van deezen vernielenden post: wy ligtten het anker, om ons naar Barbacoeba te begeeven; en onze reize was merkwaardig door eene omstandigheid, die waarschynlyk den leezer meer vermaaken zal, dan alle die meenigvuldige verhaalen van ziekten en sterfte.

Ik lag in myne hangmat uitgestrekt, geduurende eene tusschenpoozing van myne koorts, en de Charon bevond zig ter halver weg, tusschen de Cormoetibo- en Barbacoeba-Kreeken, wanneer de schildwagt my riep om my te zeggen, dat hy iets zwarts zag, het welk zig in de doornstruiken aan den oever bewoog, en niet antwoordde, maar dat men, volgens deszelfs uiterlyke gedaante, moest besluiten, dat het een mensch was. In de gedachten komende, dat het voorwerp, door den schildwagt gezien, een spion konde zyn, of een voor uit gezonden muiteling, ging ik aan land, om 'er zeker van te zyn: toen verklaarde één der slaven, genaamt DAVID, dat het geen Neger was, maar een groote halfslachtige Slang, die ongetwyffeld niet verre van den oever af was, en dat, zoo ik wilde, ik hem gemakkelyk zoude kunnen dooden. Ik was daar toe in 't geheel niet gesteldt. De buitengewoone grootte van het dier, myn zwakkelyke staat, de moeielykheid om dwars door de struiken, die aan den waterkant van eene ongemeene dikte waaren, door te dringen, hielden my te rug, en ik gaf bevel om weder naar boord te keeren. DAVID verzogt my toen verlof om zig dieper in te mogen begeven, ten einde alleen den slang te dooden, die op geenen verren afstand wezen konde, en hy verzekerde my, dat 'er geen gevaar by was. Zyn besluit wakkerde myn hoogmoed en nayver zoodanig op, dat ik besloot zyn eersten raad te volgen, en den slang zelf te dooden. Ik vorderde echter van den Neger, dat hy my het dier zoude aanwyzen, en aan myne zyde blyven; hem tevens verklaarende, dat, zoo hy een voet dorst verzetten, ik hem de harssens zoude inschieten.

Hy stemde in alles gewillig toe: ik laadde toen myn snaphaan met schroot, en 'wy gingen voort. DAVID baande den weg door de struiken af te snyden, en wy wierden dooreen zee-soldaat gevolgt, welke drie gelaaden geweeren droeg, om in geval van nood van dienst te zyn. Naauwlyks waaren wy vyftig treden door slyk en water voortgestapt, of de Neger, die alles met veel behendigheid en de naauwkeurigste opmerkzaamheid waarnam, hield agter my stil, en zeide my: Ik zie den slang reeds. In de daad het was dit dier, liggende onder de bladeren, en zoo wel overdekt, dat ik eenigen tyd werk had, eer ik zyn kop, die meer dan zestien voeten van my af was, onderscheidentlyk zien kon: zyn gespleeten tong bewoog zig in zyn bek; en zyne oogen, op eene buitengewoone wyze schitterende, scheenen vuurvonken uit te werpen. Ik plaatste toen myn wapentuig op den tak van een boom, om des te zekerder te mikken, en ik schoot af; maar den kop niet geraakt hebbende, kreeg hy den kogel in het lyf. Het dier, voelende gewond te zyn, stelde zig in eene woedende beweging, met zulk eene verbaazende kragt, dat hy de doornstruiken, waar door hy omringd was, weg sneed, even gemakkelyk als iemand het gras afmaait. Hy stak zyn staart met geweld in 't water, en bedekte ons daar door met een stroom van slyk, die tot op een grooten afstand heen vloog. Echter deed hy op ons de uitwerking niet van den krampvisch, en wy bleeven geene onbeweeglyke getuigen van dit schouwspel: wy naamen de vlucht zoo schielyk wy maar loopen konden, en wy gingen in aller yl in de kano. Toen wy weder tot bedaaren gekomen waaren, verzogt my de Neger om den aanval te hervatten: hy verzekerde my, dat in eenige oogenblikken de slang in rust zoude zyn; en dat hy nog de kragt, nog het voornemen had om ons te agtervolgen. DAVID, om zyn gezegde te bekrachtigen, ging voor my uit, tot dat ik gereed was om te schieten. Ik vernieuwde dus de proef, vooral na de verzekering van den slaaf, dat hy zelf in 't begin ter zyde gegaan was, alleenlyk om plaats voor my te maken. Deeze tweede keer vond ik den slang een weinig uit zyne eerste ligging verplaatst, maar zeer rustig, en de kop, zoo als bevoorens, onder bladeren, verrotte schors van boomen, en oude boom-mos verborgen. Op 't oogenblik gaf ik vuur, dog met even weinig goeden uitslag als te vooren. Het dier, niet meer dan ligt geraakt zynde, veroorzaakte ons een wolk van stof met modder gemengd, hoedanige ik nimmer dan in een orkaan gezien heb; en wy keerden zeer schielyk naar de kano te rug. In zulk eene onderneeming een weerzin hebbende, gaf ik bevel om weder aan boord van ons vaartuig te gaan: maar DAVID my zyn verzoek hernieuwende, om hem toe te staan, dat hy alleen het dier mogt dooden, liet ik my overhaalen, om met hem een derde proef te nemen. De verblyfplaats van den slang ontdekt hebbende, schooten wy onze drie snaphaanen te gelyk af, en één van ons had het geluk het monster in den kop te treffen. DAVID, over deezen goeden uitslag van blydschap opgetogen, liep zonder tyd-verzuim naar het vaartuig, en bragt wel dra het touw van de sloep met zig, om onzen buit naar de kano te trekken: maar dit was geene gemakkelyke onderneeming; want de slang, schoon doodelyk gewond, bleef zig steeds buigen, en weder in één krommen, zoo dat het ten uitersten gevaarlyk was hem te naderen. De Neger echter, een lisknoop gemaakt hebbende, kwam, na eenige vrugtelooze pogingen, zoo verre, dat hy dicht by hem was, en hem met veel knaphandigheid het touw om den hals wierp. Wy trokken hem toen allen tot aan den oever, en wy maakten hem agter aan de kano vast, om hem alzoo voort te slepen. Hy leefde steeds, en zwom als een aal. Ik had waarlyk geen lust om een dergelyk passagier aan boord van zulk een ligte boot, als de onze, te hebben, daar zyne lengte (schoon de Negers my, tot myne uiterste verwondering, verklaarden, dat het niet meer dan een jonge slang was, die slechts de helft van zyne volwassene grootte had,) volgens eene naauwkeurige meeting, twee-en-twintig voeten en eenige duimen bedroeg: zyne dikte was als die van mynen kleinen Neger QUACO, oud omtrent twaalf jaaren, wiens kamisool ik op de huid van dit dier pastte.

By de Charon gekomen zynde, waaren wy bedacht, hoe dit monster ergens te plaatsen, maar 'er geene geschikte gelegenheid toe vindende, naamen wy eindelyk het besluit om hem naar Barbacoeba te brengen, ten einde hem aldaar aan den oever de huid af te stroopen, en zyn vet of olie enz. met ons te nemen. Ter uitvoering van dit ontwerp klauterde de Neger DAVID, het einde van het touw in de hand houdende, op een boom plaatste het zelve tusschen twee takken, en de andere Negers heisten den slang naar de hoogte op, alwaar hy hangen bleef. Dit gedaan zynde, verliet DAVID den boom, en een sterk en puntig mes tusschen de tanden neemende, omvatte hy het monster, het welk geduurig heen en weder slingerde. Hy begon zyn werk met hem de huid by den hals te openen; vervolgens stroopte hy hem dezelve af, daar mede voortgaande, tot dat hy in de laagte kwam. Schoon ik wel zag, dat het verschrikkelyk dier buiten staat was, om eenig kwaad te doen, moet ik egter erkennen, dat ik niet zonder ontroering een mensch, geheel naakt, en met bloed bemorst, met armen en beenen de glibberige huid van een nog levend monster konde zien omvatten. De zaak was niet ten eenemaal nutteloos; want, behalven deeze huid, bezorgde DAVID my daar door meer dan vier kruiken [20] helder vet, of liever olie, schoon 'er eene nog grootere hoeveelheid van verlooren ging. Ik gaf deeze olie aan de Heelmeesters te Devil's Harwar voor de gekwetsten, waar voor zy my hunnen dank betuigden, want het is een uitmuntend geneesmiddel, voor al voor kneuzingen. Wanneer ik myne verwondering betoonde, van het dier, schoon van zyne ingewanden en huid beroofd, nog steeds te zien blyven leven, zeide my de oude CARAMACA, het zy hy dit by ondervinding, het zy by overlevering wist, dat het eerst na den ondergang der zon zoude sterven. De Negers hieuwen hem in stukken, ten einde hem klaar te maken, en zig op te vergasten. Zy verklaarden allen, dat hy lekker en zeer gezond was; maar tot hun groot hartzeer, weigerde ik om 'er van te proeven; en, na het eindigen van hunne maaltyd, zakten wy naar Devil's Harwar af.

Men bewaart verscheide huiden van dit zoort in het Britsch Museum, en in dat van den heer PARKINSON. De heer WESTLEY noemt deeze slang Liboija, en de Engelsche Encyclopedie noemt dezelve Boa. In Surinamen noemt men hem Aboma. Zyne lengte, wanneer hy zynen vollen wasdom heeft, is zomtyds, zoo men zegt, veertig voeten, en zyn omtrek meer dan vier. Hy heeft den rug van een donker groene kleur; en dezelve is met onregelmatige, witte, en met een zwarte streep omringde vlakken bedekt; de zyden zyn van een fraaije donker geele kleur, met de zelfde vlakken; en de buik heeft een witte vuile kleur. Zyn kop is breed, plat, maar klein in evenredigheid van het lyf; zyn bek is zeer groot, en bevat eene dubbele reije tanden; zyne beide oogen zyn zwart en uitpuilende. Deeze slang is geheel met schubben bedekt, waar van zommigen de gedaante van een Engelsche schelling hebben. Om hem in 't aangrypen van zynen buit behulpzaam te zyn, is hy onder den buik met sterke klaauwen, als haanespooren, gewapend. Dit dier leeft zoo wel in 't water als op 't land, en tiert 't best op laage en moerassige landen, alwaar hy zig verschuilt, door zig onder stukken verrot hout, onder boommos en bladeren, als een touw in één te rollen. Hy verbergt zig alzoo, om zynen vyand by verrassing te vangen, terwyl zyne ongemeene grootte hem niet toelaat denzelven te vervolgen, Wanneer hy uitgehongerd is, verscheurd hy al het gedierte, dat onder zyn bereik koomt; het verschilt hem weinig, of het één luiaard, een wild zwyn, een hart of een tyger is. Door middel van zyne klaauwen slingert hy zig rondom zynen buit, zoo dat dezelve hem niet ontsnappen kan. Hy vermorselt met eene onweerstaanbaare kracht de beenderen van het lyf van het dier, het welk hem tot voedzel strekt. Om elken brok beter te doen glyden, bevochtigt hy dien met een speekzel of slym, het welk hy uit zyn bek haalt, en zoo gaat eindelyk alles naar binnen, en verdwynt geheel en al. De Aboma kan dan niet van plaats veranderen. De roof, die hy heeft ingeslokt, verwekt eene al te sterke opspanning in dat gedeelte van het lyf, alwaar het ter verteering blyft, het welk dit dier beletten zoude over den grond heen te glyden. Geduurende al dien tyd heeft hy geen ander onderhoud noodig. Men heeft my verhaald, dat 'er Negers door hem zyn verslonden geworden, en ik ben zeer genegen om 'er geloof aan te slaan; want indien, wanneer hem de honger knelt, een mensch zig onder zyn bereik bevond, zoude hy hem zoo wel aanpakken, als alle andere gedierten. Ik vreesde, dat zyn vleesch, het welk zeer wit is, en naar dat van een visch gelykt, voor de maag schadelyk mogt zyn. Ik had 'er niet tegen, dat de Negers 'er van aaten, maar ik bemerkte een zoort van misnoegen onder de zee-soldaaten, die my nog overig waaren, dat ik de groote kook-ketel had laaten gebruiken om hem te kooken. Men zegt, dat de beet van deezen slang niet vergiftig is; ik geloof zelfs, dat hy niet byt, dan wanneer hy honger heeft.

Ik zal 'er byvoegen, dat ik zyne huid op den bodem van de kano vast gespykerd hebbende, om dezelve aldaar in de zon te doen droogen, en die met asch bedekkende, om ze voor 't bederf te bewaaren, aan één van myne vrienden op Paramaribo zond, die dezelve vervolgens als een stuk van groote merkwaardigheid naar Holland gestuurt heeft.

AGTSTE HOOFTSTUK.

De Muitelingen verbranden drie Plantagiën, waar van zy de bewoonders vermoorden.--Tafereel van armoede en elende. --Optocht dwars door de bosschen van Surinamen.--De Colonel FOURGEOUD en het overig krygsvolk verlaat Paramaribo.

Den 24sten Augustus, loste ik den Capitain ORZINGA af, en nam het bevel op den wachtpost van Devil's Harwar op my. Ik was zes-en-vyftig dagen aan boord van de Charon geweest, in den beklaagenswaardigsten staat; maar ik hoopte dien tans door eenige ververschingen, als melk, enz., die ik my bevoorens niet konde aanschaffen, verzacht te zien. Het krygsvolk der Sociëteit, ten getaale van meer dan honderd mannen, moest des anderen daags vertrekken, om zig in myne vaartuigen, naar den wachtpost van la Rochelle aan de Patamaca te begeeven. Ik deed de monstering van de macht, die my nog overig was. Van vyf Officiers waaren 'er maar twee in 't leven, en deezen waaren nog ziek. Het getal van myne zee-soldaaten beliep slechts vyftien, zonder daar onder een Sergeant en twee Corporaals te begrypen. Ik had echter, den 2den July bevoorens, vier-en-vyftig soldaaten in volmaakte gezondheid met my ingescheept. Eene zoo zwakke krygsbende, als de myne tans was, was voor my onvoldoende, om een hospitaal vol zieken, magazynen met krygs- en mondbehoeften, enz. te verdedigen op eenen post, die door honderd soldaaten was bezet geweest, en zulks vooral op een oogenblik, dat de vyand niet verre af was. Dit alles in aanschouw neemende, gaf de Capitain ORZINGA my eene versterking van twintig mannen van zyn volk. Op den dag van myne aankomst, gaf hy my en myne Officiers eene avondmaaltyd, en hy onthaalde ons op versch gekookt en gebraden vleesch; het geen ons een groot genoegen verschafte en uittermaaten verwonderde. Maar hoe was ik ter nedergeslagen, wanneer ik vernam, dat deeze lekkere spys aan ons was opgedischt ten kosten van de koe en het kalf, waar op ik alle myne hoop gebouwd hadde! Het scheen, dat deeze moord, want waarlyk het was niets anders, tusschen den Capitain en één van zyne schildwachten, die veinsde deeze dieren door onvoorzichtigheid gedood te hebben, was overlegt geworden. Dus beroofde ons ORZINGA, voor het genoegen van een oogenblik, van eene verkwikking, welke voor ons, by gebrek van gezond voedzel geheel uitgemergeld zynde, zoo noodzakelyk geworden was.

Des morgens van den 28sten, begaf het krygsvolk van de Compagnie zig naar de plaats van deszelfs bestemming. Na hun vertrek deed ik onderzoek naar de manschappen, welke ORZINGA my had agtergelaten, en ik vond niet dan koortzigen, gekwetsten, lieden door allerlei zoorten van kwaalen aangetast, welke men des anderen daags in het ziekenhuis moest doen gaan.

Den 29sten, liet ik aan mynen eenigen Stuurman stokslagen geven, vermits hy de soldaaten bestal. Ik gaf vervolgens bericht aan den Colonel FOURGEOUD van myne aankomst op deezen post: ik schetste hem myne gesteldheid af, en verzogt om versterking. Den avond van den zelfden dag stierven twee van myne soldaaten.

Na alle myne beschikkingen gemaakt te hebben, dankte ik den Hemel in de hoop van eenige rust te smaken. Met deeze vleijende hoop vervult, ging ik ten tien uuren des avonds in myn hangmat leggen slapen; maar deeze rust was van korten duur; want naauwlyks had ik de oogen gesloten, of ik wierd door mynen Sergeant wakker gemaakt, die my den volgenden brief ter hand stelde: dezelve was aan my gezonden door den Capitain der soldaaten, of van de vaartuigen aan de Cottica.

"Ik heb de eer u te berichten, myn Heer, dat de muitelingen aan uwen kant drie Plantagiën, de Zuinigheid, Peru, en de Hoop hebben in brand gestoken; dezelve branden nog; en dat zy bovendien aan alle blanken, welken zy daar gevonden hebben, den hals hebben afgesneden. Dewyl zy hunne te rug wyk nemen moeten by den post, alwaar gy u bevind, geef ik 'er u kennis van, op dat gy op uwe hoede zyn zoude.--Ik ben in haast, enz."

(Geteekend)

STOELEMAN

Van de nietigheid myner middelen van verdediging overtuigt zynde, konde ik niet afzyn op het leezen van deezen brief te zidderen. Den afgezonden bode, die my den brief gebragt had, de tyding, my daar by aangekondigd, verspreid hebbende, was het onnoodig, om de algemeene marsch te slaan, ten einde het volk by één te verzamelen. Niet alleen de weinige soldaaten, die overig waaren, maar zelfs alle de zieken van het Hospitaal, waaren in een oogenblik by elkanderen. Ik stond 'er wel by, de laatstgemelden wilden mede optrekken; zy kroopen op handen en voeten, en verscheiden van hun stierven op het zelfde oogenblik. Mogte ik nimmer een dergelyk schouwspel van schrik en elende wederom aanschouwen! Verminkten, zieken, blinden, gekwetsten, vlooden allen, in de hoop van een treurig aanzyn te behouden, naar eenen onvermydelyken dood.

Wat my betrof, ik was in geen beter staat, zynde uittermaten zwak. Echter bragten wy den geheelen nacht onder de wapenen door, en ik verzogt den bode om by ons te blyven, ten einde ons getal met nog één man te vergrooten: wy hadden beslooten ons leven zoo duur te verkoopen, als ons mogelyk zyn zoude. Tegen den morgenstond, geenen vyand ziende opdagen, begroeven wy onze dooden in hunne hangmatten, want, op den geheelen post, was geen enkele plank om een kist te maken. In deeze verschrikkelyke gesteldheid verloor ik myn geduld, en ik verstoutte my om aan mynen Colonel te schryven, dat de soldaaten, die my nog overig waaren, door de gevolgen hunner vermoeienis en lyden afgemat, op den rand des grafs stonden, en dat men hen niet meer konde oppassen, zoo als hun staat verëischte, vermits de oppassers der zieken, by myne aankomst alhier, naar Paramaribo gevlucht waaren.

Ons getal, naar de stiptste waarheid, bepaalde zig tot twaalf mannen, en men moest twaalf gebouwen bewaaren. Wy hadden niet meer overig dan twee kistjes met oorlogs-behoeftens. Wy hadden geen middel om de zieken te bergen, want het volk van Capitain ORZINGA was met myne vaartuigen vertrokken, en ik had de laatste kano bestemd, om mynen brief aan den Colonel te zenden. Den bode, die my den brief van STOELEMAN gebragt had, by my willende houden, en beletten, dat niemand met hem ontsnappen zoude, had ik zyne kano laaten wegdryven. In deeze gesteldheid zag ik my gedwongen de slaaven in soldaaten te herscheppen. Ik wapende hen met een byl, geen snaphaan aan hun durvende toe vertrouwen. Wy bleeven dan, zoo als ik reeds gezegd heb, den geheelen nacht onder de wapenen, en des anderen daags morgens vonden wy weder twee mannen overleden.

Ik begon waarlyk te gelooven, dat wy geschikt waaren, om buiten bedenking verlooren te gaan. Alle de soldaaten, de regels van onderwerping vergeetende, en zig met niets meer, dan het behoud van zig zelf, bezig houdende, vervloekten den Colonel FOURGEOUD; en het was my onmogelyk hunne verwenschingen te stuiten. Ik kan niet nalaaten de bekwaamheid der muitelingen alhier op te merken, welke zig stil gehouden hadden, tot dat het krygsvolk der Sociëteit op den post van Devil's Harwar van daar vertrokken was, en welke overtuigt zynde, dat dezelve door geene anderen, dan verzwakte en zieke soldaaten bewaard wierd, op den dag zelven van dit vertrek, hunne verwoestingen op de Plantagiën aan de Cottica gepleegd hadden. Zy wisten wel, dat ik geen volk genoeg had, om hen te vervolgen, zelfs niet om my te verdedigen. Dit alles echter beantwoordde aan myne verwachting. Maar zoo myne macht voldoende geweest was, de muitelingen zouden niet ontsnapt zyn; ik zoude hen ten minsten in hunnen te rug tocht hebben afgesneden, vooral indien het krygsvolk, aan de Peréca geplaatst, met dat van Cottica gezamenderhand was werkzaam geweest, door ronden te doen op den weg, die tusschen deeze twee Rivieren gemeenschap heeft, een weg, dien de muitelingen verpligt waaren twee maal over te trekken.