Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 11

Chapter 11 4,035 words Public domain Markdown

Ik vond hier eenige ongelukkige gekwetsten, wien het had mogen gebeuren te ontsnappen na de nederlaag, waar in de Lieutenant LEPPER en zoo veele manschappen waaren omgekomen. Een van hun verhaalde my de byzonderheden van zyne vlucht. "Ik kreeg een kogel in de borst, zeide hy my. Het was onmogelyk, om aan het bieden van wederstand of aan vluchten te denken. Om eene poging tot behoud van myn leven te doen, ging ik midden onder de doodelyk gekwetste en doode soldaaten op den grond leggen, alwaar ik wel zorge droeg van geene de minste beweging te maken. Het hoofd der muitelingen, op den avond van den dag der overwinning het slagveld beschouwende, gaf aan één van zyne Capitains bevel, om oogenblikkelyk aan de lyken het hoofd af te houwen, om deeze zegeteekenen naar hun dorp over te brengen. De Capitain begonnen hebbende met dat van den Lieutenant LEPPER, en van twee of drie anderen af te houwen, zeide tot zynen medemakker: Sonde go sleeby, caba mekewe liby den tara dogo tay tamara; de zon gaat onder, laaten wy deeze honden tot morgen laaten. Na deeze woorden geduurende welke ik myn adem inhield, en myn hoofd op den rechten arm rustte, (dus vervolgde de soldaat,) bragt de Neger, die zyn byl op myn schouder liet vallen, my die verschrikkelyke wond toe, welke gy ziet, en waar van ik misschien nimmer geneezen zal.--Zy vertrokken egter allen, met zig voerende de hoofden van myne ongelukkige medemakkers, benevens vyf of zes gevangenen, met de handen agter op den rug gebonden, waar van ik niet meer heb hooren spreeken. Toen alles stil, en het zeer duister was, kroop ik op handen en voeten uit het midden deezer slagtbank, en ik zogt eene schuilplaats in het bosch, alwaar ik één van myne medemakkers vond, minder gewond dan ik. Wy dwaalden tien dagen lang, als een prooi van lyden en wanhoop; wy hadden niets, dat ons tot een verband dienen konde; wy wisten niet werwaarts onze schreden te zetten; en een enkel roggen-brood was al ons voedzel, tot aan de wachtplaats van Patamaca, alwaar wy uitgemergeld, en door onze wonden, die van wormen krielden, van één gereten, aankwamen".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen een halve kroon. Na met den Capitain ORZINGA wegens de seinen te zyn overëengekomen, verliet ik zyne elendige wachtplaats, en keerde in myn vaartuig te rug. Wy hielden steeds aan met de Rivier op te vaaren, tot dat wy ons voor een Kreek, Barbacoeba genaamd, bevonden, alwaar wy het anker wierpen.

Des anderen daags verrigtten wy het zelfde werk, tot aan de Cormoetibo-Kreek, alwaar wy volgens bevel van den Colonel FOURGEOUD, onze vaartuigen vast leiden. Dit was het middenpunt van myne wachtpost: wy zagen aldaar niet dan bosschen, water en wolken; geen voetstap van een mensch was daar te bekennen; dienvolgende kan men over derzelver verschrikkelyk en eenzaam gezicht oordeelen.

Ik zond den 10den het volk van de Cerberus naar hunnen post, te weeten, naar het bovenste gedeelte van de Patamaca. Zy gingen oogenblikkelyk weder scheep, en zulks volgens myne onderrigtingen, met een groot getal aanbeveelingen, die van geene nuttigheid waaren.

Wy tragtten tans onze levensmiddelen aan boord te kooken. Tot een haart naamen wy een groote tobbe vol met aarde. Deeze proeve gelukte ons, maar zy kostte byna het leven aan één van myne soldaaten, die zig vreeslyk brandde. Dewyl wy geenen Heelmeester hadden, nam ik de zorge deezer geneezing op my; en met geneesmiddelen, die ik in een koffertje had, wierd deeze man in eenige dagen volmaakt hersteld.

Om echter zulk een ongeval voor het vervolg voor te komen, zogt ik eene uitgeholde plaats in de Kreek, en dezelve niet verre van den mond af gevonden hebbende, gelaste ik aan myne Negers, aldaar een hut te bouwen, en aan de soldaaten, om aldaar hunne levensmiddelen gereed te maken. Beducht voor overrompeling, droeg ik zorg om schildwachten rondom te plaatsen; en voor den nacht kwamen wy op onzen post te rug. Wy gingen aldus dagelyks voort tot op den veertienden dag, wanneer wy weder naar Barbacoeba afzakten.

Ik liet aldaar den 15den eene andere hut, tot het zelfde gebruik geschikt, oprigten. Maar dewyl de regen dwars door myn verdek doordrong, keerden wy naar Devil's Harwar te rug, om zulks aldaar te herstellen. Ik bragt aldaar ook één van myne Negers in het ziekenhuis.

De kalfatering was den 16den geëindigt; en den zelfden dag meldde ik myne aankomst aan den Colonel FOURGEOUD.

Den 17den keerden wy naar de Cormoetibo-Kreek te rug, en wy verlooren een anker, het welk in de wortels van den Palmietboom, die aan de oevers van alle de Rivieren deezer Volkplanting groeit, hangen bleef. 'Er zyn twee zoorten van boomen van dien naam, de roode en de witte; van de eerste is myn oogmerk tans te spreeken. De roode Palmietboom spruit voort uit een groot getal wortels, die zig verscheiden voeten boven den grond vertoonen, alvoorens zig te verëenigen tot het vormen van den stam, die dik en hoog is: de schors is grysachtig van buiten, maar rood van binnen, en men bedient 'er zig van voor de leertouweryen. Het hout is roodachtig, hard, en tot timmerhout en ander gebruik geschikt. In deezen boom is het meest merkwaardig, dat uit zyne takken, en zelfs uit den stam, een eindeloos getal vezels uitspruit, even als het touwwerk van een Schip, welke naar den grond ombuigen, alwaar zy wortelen schieten, om op nieuw uit te spruiten. Zy vormen op die manier eene ondoordringbaare doornstruik, terwyl zy, als even zoo veele vaste steunpaalen, den boom ten allen tyde onderschragen. De witte Palmiet-boom vind men gewoonlyk in de landeryen buiten het water.

Den avond van dien zelfden dag, wanneer het een zeer donkere nacht was, riep myn schildwagt, dat hy een Neger zag, die met een brandende pyp in den mond, de Kreek in een kano overstak. Wy stonden oogenblikkelyk uit onze hangmatten op; maar wy stonden niet weinig te kyken, toen een slaaf ons verzekerde, dat het een vuur-mug was, die vloog; en hy had gelyk.

De insecten van deezen naam hebben een duim lengte, en een doorschynende en groenachtige vlak onder den buik, die in den donker als een kleine kaars schynt. Zyne oogen zyn ook zeer schitterend; en by het licht van twee deezer muggen zou men zeer gemakkelyk kunnen leezen. 'Er zyn nog anderen van een veel kleiner zoort: men kan dezelve niet bemerken, dan wanneer zy op zekere hoogte vliegen, en men zoude ze dan voor vonken aanzien, die uit een smeedereije komen.

Den 18den niets te doen hebbende, vermaakte ik my met vogelen te schieten. Ik doodde 'er een, dien men hier noemt tigri-fowlo, of den tyger-vogel, maar dien ik veel eer voor een zoort van reiger aanzie. Hy heeft byna deszelfs gedaante. Zyne vederen zyn roodachtig, en met regelmatige en zwarte vlakken bedekt, waar van hy zyn naam ontleent. De beenen, de voeten en de klaauwen zyn lang; de bek is spits en langwerpig; en hunne ligt groene kleur schynt aan te duiden, dat deeze vogel van visschen leeft. De hals, waar aan een bos witte vederen hangt, is ook zeer lang. Op den kop, die klein is, ziet men een roode en zwarte vlak; zyne oogen zyn van een zeer fraaije geele kleur.

Ik ontfing door eene wacht, die te scheep de ronde deed, bericht, dat de manschappen van de Cerberus begonden ziek te worden. Des anderen daags vernam ik ook, dat op de plaats, alwaar wy onze levensmiddelen hadden toebereid, in de Cormoetibo-Kreek, en welke gelegen is aan de oevers der Rivier van den kant der muitelingen, deezen nu kortlings eene zeer sterke afgezondene krygsbende vermoord hadden. Dienvolgende gaf ik last om de hut te verbranden, en wy hielden onze keuken aan boord van de vaartuigen. Alle de elementen scheenen tans tegen ons zamen te spannen. Het water stortte, als of wy met eenen nieuwen zondvloed gedreigd wierden: het drong zelfs in onze vaartuigen door, alwaar alles dryvend lag. De lucht was vol groote muggen, die, van het ondergaan tot het opgaan der zonne, ons getrouw gezelschap houdende, ons beletteden eenige rust te smaken; en des morgens waaren wy met puisten en bloed als geheel bedekt. De rook van het vuur en van de tabak, die wy brandden om hen te verjagen, deed ons byna verstikken. Het was ons onmogelyk een hoek lands te vinden, om ons gezouten vleesch aldaar veiliglyk te braaden. Tot een overmaat van elende, was tusschen de Zee-soldaaten en de Negers tweedragt ontstaan: dewyl nog beloften, nog dreigementen, hen konden te vreden stellen, nam ik myn toevlucht tot andere middelen. De muitzuchtigsten van beide partyen hebbende doen in boeijen sluiten, veröordeelde ik de eersten, om door de spitsroeden te loopen, en de anderen om gegeesselt te worden, een half uur lang. Na hen geduurende een geruimen tyd in de ongerustheid gelaaten te hebben, gaf ik hun allen vergiffenis, zonder hun een enkelen slag te hebben doen toebrengen. Myne goedertierenheid deed zoo veel uitwerking, als de kastyding gedaan zou hebben, en de vrede wierd volmaakt hersteld. Het was niet even zoo in myne macht, om het toeneemen der ziekte te beletten. Alle de regels, welke in het uitmuntend vaers van Dr. ARMSTRONG over de gezondheid zyn voorgeschreven, zouden in dusdanige omstandigheid nutteloos zyn.

Den 20sten zakten wy tot de Casepoere-Kreek af, in de hoop van het aldaar eenigzints beter te zullen vinden; maar te vergeefs. Het getal der groote muggen was toen zoodanig, dat ik, myne handen de één tegen de ander slaande, in éénen slag 'er agt-en-dertig doodde.

Te Barbacoeba te rug komende, zagen wy eenige fraaije slangen, die de Rivier overzwommen. Wy ondervonden een weinig verkwikking op onzen tocht, door nu en dan aan land te stappen, om ons aldaar onder de schaduwe te verfrisschen. Ik maakte hier gebruik van den raad van eenen ouden Neger.--"CARAMACA, zeide ik tot hem, wat doet gy toch om uwe gezondheid zoo wel te bewaaren?--Myn meester, Masera, antwoordde hy my, ik zwem twee of drie maalen daags in de Rivier. Dit dient my niet alleen tot eene lichaamsöeffening, wanneer ik niet gaan kan, maar door dit middel houde ik my de huid ook frisch en zuiver. De zweetgaaten open zynde, is de uitwaasseming des te gemakkelyker; in het tegengestelde geval, zouden zy gesloten zyn, de vochten zouden, door stil te staan, bederven, en ziekte zoude 'er ontwyffelbaar op volgen". Ik beloonde deezen grysaard, en oogenblikkelyk sprong ik in het water, met het hoofd 't eerst. Ik was 'er zoo dra niet in, of hy bad my, om toch weder aan boord te komen; het geen ik niet zonder verwondering deed.--"Denk om de Kaymans als mede de Perys, (een zoort van visschen, welke in Surinamen zoo genoemd worden,) zeide hy my, beiden zyn ten uitersten gevaarlyk, maar zoo gy myn raad volgt, loopt gy geen gevaar. Gy kunt geheel en al naakt zwemmen; alleenlyk draag zorg, om altoos in beweging te blyven; want zoo gy een oogenblik stil blyft, kan het dier u het een of ander lidt afbyten, of u naar den grond trekken".

Schoon de leezer in verscheidene Reisbeschryvingen, eene beschryving van den Kayman heeft kunnen leezen, zal hy het wel ten goede willen houden, dat ik hier omtrent dit dier eenige byzonderheden verhaale, die ik zelf heb waargenomen, of waar van ik door de zekerste berichten ben onderricht geworden.

De Kayman is een halfslagtig dier, het welk men in de meeste Rivieren van Guiana vind. Het heeft van vier tot agttien of twintig voeten lengte; zyn staart is van dezelfde uitgestrektheid, en over het geheele bovenste gedeelte als een zaag getand; het lyf is zulks insgelyks. De gedaante van den Kayman gelykt na genoeg naar die van de Hagedis. Zyn rug, van een geelachtig bruin, naar het zwarte hellende, heeft aan de kanten verscheiden groenachtige schaduwen; en de buik heeft een vuile witte kleur. Zyn breede kop heeft een kakebeen, en zyne oogen zyn byna als die van eene zeuge, maar minder onbeweeglyk, en waar van elk door een uitwas, of een zoort van zeer harde knobbel, beveiligd word. Zyn bek en keel zyn uittermaten breed, en van eene dubbele reije tanden voorzien, die alle zoorten van beenderen doorknagen kunnen. De Kayman heeft vier pooten, met zeer spitse klaauwen gewapend. Hy is geheel bedekt met breede schubben, en zulk eene harde huid, dat hy niet dan in den buik of aan den kop gewond kan worden. De Indianen eeten van zyn vleesch; maar het heeft een smaak van muskus, zoo men zegt, naar zakken of beursen die inwendig by elk lid geplaatst zyn. Het wyfje van den Kayman legt haare eijeren in grooten getaale in het zand aan den oever, alwaar de hette der zon dezelve uitbroeid, en het mannetje slokt 'er een groot gedeelte van op. Dit dier is niet zeer gevaarlyk op het land, alwaar het zig niet gemakkelyk bewegen kan; maar in de Rivieren ziet men hem dikwils op zynen buit loeren, houdende den bek alleen boven 't water, wanneer hy het voorkomen heeft van een stuk dryvend hout. Hy is waarlyk geducht voor alles wat hy nadert. Echter heb ik gezien, dat hy voor een mensch bang was, zoo lang dezelve handen en voeten bewoog, maar ook langer niet. Zommige Negers hebben moeds genoeg gehad, om hem in zyn eigen element aan te tasten en te overwinnen, in weerwil van zyne ongemeene sterkte en woede, die by deeze gelegenheid door zynen onverzadelyken lust tot menschen-vleesch nog merkelyk vergroot word.

Het verschil tusschen den Kayman en de Krokodil, die men al mede in Guiana vind, bestaat niet alleen in den naam, maar ook in beider onderscheiden aart en gedaante, zynde de laatstgemelde veel langer, in evenredigheid veel fynder, en minder vraatachtig. Voor 't overige ontmoet men dezelve zoo dikwils niet als de eerstgemelde, waarom men misschien denkt, dat hy minder verslindend is. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat men in Asiën op het eerste gezicht een groot verschil ontdekt tusschen deeze twee kruipende dieren, alwaar zy ook veel grooter zyn dan in America.

Het groot voordeel der verzamelingen van voorwerpen, tot de Natuurlyke Geschiedenis behoorende, zoo als het Brittannisch Museum, bestaat daar in, dat de beminnaar der natuur en waarheid het genoegen verkrygt, om de ongeloofbaarste voortbrengzels der schepping met eigen oogen te aanschouwen. In die verzameling, welke ik hier aanhaale, vind men een Krokodil, in eenige opzigten, maar vooral in de maat, van alle de dieren van dien naam in beide Indiën verschillende. Schoon zy op Bengalen in grooten getaale zyn, heb ik nimmer, volgens een geloofwaardig bericht, hooren staande houden, dat 'er grootere zouden zyn, dan deeze, welke één-en-twintig voeten lang is. Hy wierd in de Indus gevangen, maar men moest vooraf drie ponden kogels op hem verschieten, waar van verscheiden op zyne schubben geene uitwerking doen konden.

Dewyl ik niet wel voor deeze verzekering kan instaan, stelle ik myne geloofbaarheid niet te pand, dan voor een voorwerp, het welk ik zelf gezien heb, en my bewees, dat 'er eenige dieren van dit zoort zyn, twee maal zoo groot, dan het geen ons Museum bezit.

Ik heb aldus, in 't jaar 1781, te Maastricht den kop van een versteenden Krokodil gezien, welken men by het graaven in den berg St. Pieter gevonden had. Naar evenredigheid moet het lyf wel zestig voeten lang geweest zyn. Wanneer, of op welke wyze kwam dit dier aldaar? Echter ik heb dien kop gezien; een Priester was 'er bezitter van, en naderhand heeft hy dien als eene groote zeldzaamheid naar Parys gezonden. [17]

Men zegt, dat 'er in Guiana Hagedissen zyn van vyf of zes voeten lang; maar die geene, welke behooren tot het zoort, in dit Land den naam dragende van de Iguana, en by de Indianen dien van Wayamaca, hebben 'er zelden meer dan drie. Van het hoofd tot onder aan de staart, is de Iguana bedekt met zeer kleine schubben die in de zon met de levendigste kleuren schitteren. De rug en de pooten zyn donker blaauw; de zyden en de buik zyn van een zoort van geelachtig groene kleur. Even als de zak of die losse huid, welke hem onder de keel hangt, is het lyf van dit dier op verscheiden plaatsen zwart en bruin gespikkelt. Zyn oogbol is van een fraay bleek rood; zyne klaauwen zyn donker kastanje bruin.

Deeze Hagedis heeft, even als de Kayman, een getande rug en staart, en beiden hebben de laatstgemelde zeer spits. Het wyfje legt haare eijeren insgelyks in het zand. Men ziet dit dier dikwils op gronden, die met heestergewassen en planten bedekt zyn, alwaar de Indianen het zelve met pylen doodschieten. Zy eeten gaarn van deszelfs vleesch, het welk zeer wit en zeer lekker is. Men verkoopt het zelve zeer duur te Paramaribo; en verscheiden Europeanen eeten 'er van, als van eene groote lekkernye. De beet der Hagedis van Guiana is zeer pynlyk, maar heeft zelden, schadelyke gevolgen.

Laaten wy tot mynen Neger CARAMACA te rug keeren. Zyne verhaalen, raakende den Kayman, hadden my den lust benomen om my dagelyks te baden; maar bevindende, dat ik, volgens zyne raadgevingen, alle gevaar ontwyken konde, besloot ik dezelve op te volgen, en ik trok uit zyne manier een groot voordeel, geduurende al den tyd, dat ik in deeze Volkplanting verbleef. Hy raadde my ook om blootsvoets, en ligt gekleed te gaan. "Het is tans noodig, Masera, zeide hy my, dat gy uwe voeten verhardt, door zonder schoenen of koussen op het Schip te kuijeren. De tyd kan komen, dat u dezelve in het midden der distelen en doornen ontbreeken, zoo als aan anderen wedervaaren is. De gewoonte, Masera, is een tweede natuur: wy hebben allen de voeten van een gelyk maakzel. Luister naar my, en eindelyk zult gy den ouden CARAMACA dank zeggen. Wat uwe kleeding betreft, vervolgde hy, een hembd en een lange broek zyn voldoende; dit zal u moeite en geld uitspaaren. Het lichaam heeft zoo wel lucht, als water noodig. Gebruik dus baden van deeze tweeërlei zoort, wanneer gy 'er de gelegenheid toe vinden moogt". Van dit oogenblik af volgde ik zynen raad, waar aan ik, behalven de zindelykheid, grootendeels het behoud van myne levensdagen verschuldigd was. Ik dacht toen meenigmaal aan Paramaribo, alwaar ik alle de aangenaamheden des levens genoot, terwyl ik hier meer, dan immer iemand der wilden, genoodzaakt was van voorbehoed-middelen een aanhoudend gebruik te maaken. Het zoude my egter niet verdrooten hebben, zoo maar iemand van ons lyden nut getrokken had.--Maar ik vergeete, dat men in den krygsdienst blindeling, en zonder aanmerkingen te maken, moet gehoorzaamen.

Den 22sten, zond ik mynen Sergeant, en een soldaat, die beiden ziek waaren, naar het ziekenhuis van Devil's Harwar. Vervolgens zeilden wy weder opwaarts naar het middenpunt van onze wachtpost, naar de Cormoetibo-Kreek.

Een van onze Negers vong hier eenige visschen, waar onder de Krampvisch was, welke ik reeds beschreven heb: denzelven hebbende doen koken, at hy dien met zyne medgezellen. Hy vong ook een Pery en een Que-quee. De eerste zeide my de oude slaaf, dat zoo wel gevaarlyk als vraatachtig was. Zomtyds is hy by de twee voeten lang; hy is vry plat, schubbig, en van een blaauwachtige kleur. Zyn bek is breed, en voorzien van eene reije dicht geslotene en puntige tanden, welke zoo veel kracht hebben, dat hy de pooten der eendvogels verbreekt, wanneer ze zwemmen: hy doet het zelve aan de toonen en vingers, en ryt met zyne tanden den boezem der vrouwen van één. De Que-quee kan voor een geharnaste visch doorgaan. Hy is van het hoofd tot de voeten van beweegbaare ringen voorzien, die de een op de ander loopende, en zig verëenigende als die van een Kreeft, hem tot verdediging en tot schubben dienen. Hy is van zes tot tien duimen lang, en heeft een breeden kop van eene ronde gedaante. Deeze beide visschen zyn zeer goed om te eeten.--Maar het word tyd de beschryvingen daar te laaten, en myn verhaal weder op te vatten.

Den 23sten, zynde den dag, welken ik daar toe met den Capitain Orzinga was overëengekomen, namen wy, net op den middag, eene proeve met onze seinen, door een algemeen lossen van onze musketten en ander wapentuig, zoo op Devil's Harwar, als aan boord van de Charon en de Cerberus, zynde de laatstgemelde altyd op den wachtpost aan de Patamaca. Zy waaren van geene uitwerking: niemand op deezen eersten post, zoo min op het één als op het andere der beide vaartuigen, hoorde 'er iets van. Ik zelf, een musketschoot doende, kreeg, door myne eigene onoplettenheid, een klein ongeluk. Het wapentuig tegen myn schouder geplaatst hebbende, viel ik door den te rug stoot op een ton, en myn rechte schouder was daar door byna ontwricht.

Den 26sten, kreeg ik door een vaartuig, het welk my van de Patamaca-Kreek gezonden wierd, bericht, dat de Cerberus gevaar liep, om door de muitelingen, welken men in den omtrek had zien rond zwerven, aangerand te worden. Het gedeelte der Rivier, alwaar dit Schip lag, zeer naauw zynde, oordeelde ik het zelve in een zeer bedenkelyken staat. Dienvolgende deed ik de Charon tot de Pinnenburg-Kreek opvaaren. Vervolgens in de sloep, als welke ligter was, gegaan zynde, trok ik met zes mannen dit Schip te hulp: maar ik wierd zeer aangenaam verrast, toen ik by myne komst vernam, dat het slechts een valsch alarm geweest was; en wy keerden den zelfden avond naar onzen post te rug. Geduurende mynen tocht was ik zeer verwonderd my te hooren begroeten door eene menschelyke stem, welke my, om Gods wil, bad aan land te komen. Ik deed dit, vergezeld van twee soldaaten, en ik wierd aangesproken door eene oude Negerin, die my smeekte, om haar eenige hulp te verschaffen. Het scheen my toe, dat zy aan een Jood, die eigenaar was van den grond, waar op ik haar vond, toebehoorde. Dit arm elendig schepzel leefde aldaar eenzaam in eene kleine hut, en omringd door eene woeste wildernis, alwaar zy tot haar voedzel niets had dan eenige bananen, ignames en cassave. Zy was niet meer in staat om op de voornaame Plantagie van haaren meester te arbeiden, en deeze had haar dus naar deeze plaats verbannen, om aldaar een blyk te behouden van zynen eigendom, welken de muitelingen vernielt hadden. Aan deeze ongelukkige een stuk gezouten vleesch, een weinig garst, en een fles rhum agterlaatende, bood zy my tot een tegen-geschenk één van haare katten aan, maar ik wilde dit niet aanneemen; en, volgens haar aanbod, beweerden myne roeijers, dat deeze vrouw eene tooverheks was: men ziet daar uit, dat het bygeloof de grenzen van deszelfs ryk niet tot Europa bepaalt.

In deeze Kreek, welkers oevers met Palmietboomen, struiken en doornen bedekt zyn, vonden wy groote witte nooten, die op het water dreeven, en die tot rypheid gekomen zynde van zelf scheenen te zyn afgevallen. Zy zyn zoet, knappende, en zeer goed om te eeten: maar ik verzuimde ongelukkiglyk naar den naam van den boom, die dezelve voortbrengt, te verneemen. Men vind in eene groote meenigte op deeze zelfde plaats een zoort van water-heester, genaamd mocco-mocco. Het zelve groeit tot de hoogte van zeven of agt voeten. De stronk, die vol met scherpe punten, is, is van onderen zeer dik, en word in de hoogte al langer hoe dunner, dezelve eindigt in drie of vier eironde en gladde breede bladen, die eenigermaaten de kragt bezitten van trekpleisters, om dat ze zeer sterk aan de huid vast kleeven.

Des avonds by de Charon komende, vond ik de schildwagt in diepen slaap, het welk my dermaten moeijelyk maakte, dat ik stilletjes in het vaartuig gegaan zynde, myn pistool boven zyn hoofd afschoot, om hem te doen ontwaken, en ik verzekerde hem, dat de eerste keer dat het weêr gebeurde, ik hem de harssens door en door zou schieten. Al het volk kwam in de wapenen, en het verschilde weinig, of deeze knaap wierp zig in 't water. Maar hoe noodzakelyk zulk een dreigement ook was op een post, alwaar eene overrompeling doodelyk zyn konde, zoude het uittermaten wreed geweest zyn, dezelve dadelyk ter uitvoer te brengen. Het steken van de muggen belette, om gerust te slaapen, en de stooring van den slaap op den eenen tyd gedoogde niet denzelven op een anderen tyd uit de oogen te houden.