Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 10

Chapter 10 3,644 words Public domain Markdown

De schaapen zyn in dit Land zoo klein, dat wanneer 't het vel afgetrokken is, zy het voorkomen van lammeren hebben. Zy zyn zonder hoornen, en een wreed hair dient hun in plaats van wol. Hun vleesch vind by de Europeaanen weinig smaak. Men moet het dus, gelyk ook het ossenvleesch, enz. denzelfden dag eeten, op welken men het beest geslagt heeft, het geen het zelve taay maakt: maar het bederft, wanneer men het langer wil bewaaren: deeze twee zoorten van viervoetige dieren zyn van het oude vaste land naar Guiana overgebragt. Zoo is het ook gelegen met de varkens, die 'er echter beter zyn. Ik vermeene, dat ze in Zuid-America, ten minsten in Suriname, veel grooter zyn dan in Europa. Zy hebben veel vleesch en spek, en zyn van een goeden smaak. Men voed ze met alles, en zy worden gemest met groene pyn-appelen, waar op zy zeer heet zyn. Het gevogelte is ook zeer goed in dit Land; de gewoone hoenderen zyn 'er goed, maar niet zeer groot, en derzelver eijeren vry spits. De binnenlandsche Indianen kweeken een zoort van huishennen aan, die nog veel kleinder zyn, en gekrulde vederen hebben, het geen in Guiana natuurlyk schynt te wezen. De kalkoenen zyn aldaar zeer goed; als mede de ganzen, maar voor al de eendvogels, die aldaar van een zoort als de Moscovische zyn, en een zekere paerel van karmozyn kleur tusschen den kop en de bek hebben: zy zyn sappig, vet, en in grooten overvloed.

Na alle de uitstellen die wy ondervonden, zal de lezer misschien verwondert zyn te verneemen, dat wy eindelyk bevel ontfingen, om, zoo wel Officieren als Soldaaten, op het eerste sein ons gereed te houden. Onze krygsbende, die, by derzelver aankomst, op drie honderd dertig gezonde manschappen beliep, bevond zig tans door ziekten en sterfte een vierde verminderd. Men vergoedde eenigermaten dit verlies op eene wyze, die aan een Europeaan zonderling moet voorkomen.

Twee Negers, waar van de één OKERA, en de ander GOUSARY genoemd wierd, die in de Volkplanting de Berbices Capitains der muitelingen geweest waaren, leverden hun Opperhoofd over, en kreegen dienvolgende vergiffenis. Deeze twee lieden hadden, geduurende deezen opstand, de verschrikkelykste moorden aan Europeaanen gepleegd: zy wierden als soldaaten in onze krygsbende ingelyfd, en wierden de gunstelingen van den Colonel.

Alvoorens Paramaribo te verlaaten, had ik gelegenheid, om twee zeer zonderlinge water-dieren te zien. Het een word gevonden in het kabinet van zeldzaamheden van den heer ROUX; men noemt het zelve in de Volkplanting Jackie, in het Latyn rana piscis, kikvorsch-vis. Hy is zonder schubben, en agt of tien voeten lang. Deszelfs vleesch is lekker en zeer vet, het geen ik verzekeren kan, als 'er van gegeten hebbende. Men vangt die in de kleine kreeken en moerassen. Maar het geen allermerkwaardigst is, deeze visch verandert in eene volmaakte kikvorsch, en niet van een kikvorsch in een visch, [14] gelyk Mejuffrouw DE MERIAN, SEBA, en andere onnaauwkeurige Geschiedschryvers, waar onder het my spyt WESTLEY te noemen, beweert hebben. Ik wierd op dit oogenblik geheel en al van deeze waarheid overtuigd, toen ik dit dier ontleed, en in een fles vol brandewyn hangende zag. Men zag duidelyk de twee agterste pooten van een zeer kleine kikvorsch, onder dat gedeelte van den rug, waar aan de ingewanden vast zitten, uitsteekende.

Het was by mynen vriend KENNEDY, dat ik het andere dier zag: het zelfde, het welk Dr. BARCROFT de Krampvisch noemt, door anderen de electrieke aal genoemd word, en waar in Dr. FIRMIN dezelfde hoedanigheden vooronderstelt, als in de torpedo. Het lyf van dit verwonderlyk dier, hebbende byna de gedaante van een aal, is van een loodachtig blaauwe kleur. Eene breede vinne, veel gelykende naar de kiel van een schip, loopt van onderen van den kop tot de staart. Hy leeft alleenlyk in zoet water. Zommigen geeven hem niet meer dan drie voeten lengte, anderen beweeren, dat hy vier of vyf maalen zoo lang is. [15] Wanneer men hem, het zy met de hand, het zy met een metaal stokje, of met een hard stuk hout aanraakt, verwekt hy eene beweging, waar van de uitwerking dezelfde is, als die der electriciteit. Dr. FIRMIN heeft my verzekerd, dat de schok van deeze electrieke aal hem wierd medegedeeld door eene reije van agt of tien persoonen, die elkander by de hand hielden, om 'er de proef van te nemen.

Alles, wat ik van dit dier kan zeggen, bestaat hier in, dat ik het zelve in eene tobbe vol water heb gezien, alwaar het my voorkwam twee voeten lang te zyn. Myn rok hebbende uitgetrokken, en de mouwen van myn hembd opgestroopt, tragte ik wel twintig maalen agter een hem in de hand te vatten, maar altyd te vergeefs. Ik ontfing telkens eene electrieke beweging, die ik tot in den schouder gevoelde, het geen den heer KENNEDY zeer vermaakte, met wien ik zelfs by deeze gelegenheid eene kleine weddenschap verloor. De electrieke aal zwemt naar goedvinden voor- en agter uit. Men kan 'er zeer gerust van eeten; en zommige lieden vinden dezelve lekker.

Men heeft voorgegeven, dat men dit dier met de beide handen moest aanvatten, alvoorens het den schok mededeelde; maar het zy my geoorlooft, volgens eigene ondervinding, het tegendeel staande te houden. Men heeft ook gezegt, dat men 'er van twintig voeten lengte in Surinamen gevonden had. Wat my betreft, ik heb 'er nimmer één van die grootte gezien. Anderen hebben gewilt, dat door deeze aal menschen zyn gedood geworden: hier van heb ik niet hooren spreken.

Het doet my moeite, om trekken van woestheid en wreedheid zoo dikwils in myn verhaal in te lasschen, maar ik verklaar, eens vooral, dat ik dit doe in de hoop, dat op de eene of andere manier de algemeene bekendheid dezelve zal kunnen voorkomen. Ik vernam, voor myn vertrek, één der aanstootelykste daaden van ongeregeldheid. Eene Jodin, door eene onrechtmatige beweegreden van jaloersheid aangezet, (haar man ten minsten beweerde het) bragt eene zeer schoone vyf-en-twintig jaarige jonge dogter om 't leven, door haar een gloeiend yzer in 't lyf te duwen. Maar, het geen men in een beschaafd land naauwlyks gelooven zal, deeze verfoeijelyke wandaad wierd alleenlyk gestraft met een bannissement naar de Savane der Jooden, een gehucht, het welk ik hier na beschryven zal, en door eene ligte boete ten voordeele van 's Lands kasse.

Eene jonge Negerin, wier beenen door een keten zoo naauw gesloten waaren, dat het haar byna onmogelyk was een tred voorwaarts te gaan, kreeg ter deezer zelfder tyd op het hoofd, de naakte armen en lenden, zoo veele stokslaagen van een Jood, dat haar het bloed uit alle deeze deelen van het lichaam gonsde. De inwoonders deezer landstreeken zyn aan deeze daaden van dwinglandye dermaten gewoon, dat een derde Jood de onvoorzigtigheid had één van myne soldaaten te slaan, om dat hy tegen de heining van zyn tuin zyn water gemaakt had. Ik strafte deezen deugniet, door hem zyn stok af te nemen, welken ik op zyn hoofd aan duizend stukken brak.

Myn haat tegen de Jooden wederhield my niet, om een soldaat, die met de hand in de zak van één van dit volk gevoelt had, uit onze krygsbende weg te jaagen. Ik moet hier opmerken, dat de Hollandsche soldaaten in dit stuk zoo kiesch op hunne eer zyn, dat indien men iemand die voor een schelm te boek staat, in zyn rang laaten wilde, het geheele Regiment de wapenen zoude nederleggen. Het zoude misschien te wenschen zyn, dat zulke gevoelens in andere legerbenden, alwaar men een schurk, mits hy het geluk heeft van zes voeten lang te zyn, met een even goed oog aanziet als een braaf man, ingevoerd wierden.

De Colonel FOURGEOUD kreeg, omtrent deezen tyd, bevel, dat ingevalle twee Officiers of Onder-Officiers van gelyken rang, de één van het Europeesch krygsvolk, de ander van dat der Compagnie, zig te zamen in eene uitgezondene krygsbende mogten bevinden, de eerstgemelde altoos het bevel zoude voeren, niettegenstaande de ander ouder wezen mogt.

Wy maakten ons toen met ernst gereed om te sterven of te overwinnen. Een half dozyn oude suiker-schuiten, met planken bedekt, het geen aan dezelve het voorkomen van doodkisten gaf, moesten ons naar de plaats onzer bestemming overvoeren. In de daad, zy verdienden wel den naam, dien ik haar geve, uit hoofde van het getal menschen, die, na daar in gegaan te zyn, omkwamen.

Den eersten Juny wierden een Capitain, twee Onder-Officiers, een Sergeant, twee Corporaals en agttien soldaaten, naar de Commewyne afgezonden. Ik kan my niet wederhouden alhier eene byzonderheid, betrekkelyk deezen Capitain, te verhaalen. Deeze Officier zig, op den dag toen wy ontscheepten, begeven hebbende naar het huis, het welk hem tot zyn intrek schriftelyk was opgegeven, wierd aldaar door de vrouw van 't huis zeer vriendelyk ontfangen. Zy verklaarde hem, dat zy de Zee-Officiers en soldaaten met alle mogelyke beleefdheid, behandelen zoude, om dat zy aan één der eerstgemelden het leven verschuldigd was. Zy voegde 'er by, dat deeze haar, als mede verscheide andere lieden, in een sloep, op den Atlantischen Oceaan, had overgenomen, alwaar zy zedert zestien dagen zonder kompas, zonder zeilen, nog levensmiddelen, uitgenomen een weinig beschuit en water, rond zworven. Om kort te gaan, de geen tot wien deeze vrouw toen sprak, was dezelfde Officier, die haar aan den dood ontrukt had; zyn naam was TULLING VAN OLDENBARNEVELDT, en hy was toen Lieutenant op een Hollandsch oorlogschip.

Denzelfden dag deeden wy ook een ander vaartuig vertrekken, met twee Officiers, een Sergeant, een Corporaal, en veertien man, allen onder bevel van den Lieutenant Graaf VAN RANDWYCK. Deeze manschappen wierden afgezonden naar de Rivier Peréca. Deezen avond, eenigen myner beste vrienden by my ter maaltyd gehad hebbende, nam ik myn afscheid van myne geliefde JOANNA, aan wien ik de geheele zorge myner kleine bezittingen overliet. Haar zelve vertrouwde ik aan haare moeder en haare moeije toe; en ik had aan dezelve myne beveelen gegeven, om haar in een zoort van school te plaatsen, tot dat ik te rug gekomen zoude zyn: ik begaf my vervolgens aan boord met vier Onder-Officiers, twee Sergeanten, drie Corporaals, en twee-en-dertig soldaaten, allen onder myn bevel. Wy besloegen twee vaartuigen, en onze bestemming was naar het bovenste gedeelte van de Cottica.

Deeze vaartuigen waaren met ringen en kleine musketten enz. gewapend, en voor een maand van krygsbehoeften voorzien. Onze beveelen, (uitgenomen die, welke wy in de Savane der Jooden ontfingen,) bragten mede, om het bovenste gedeelte der Rivieren op en af te vaaren. Elk vaartuig had ten dien einde een Stuurman en tien Neger-slaaven om te roeijen; het welk in 't geheel onder myn bevel, myn kleine QUACO daar onder gerekend, vier-en-zestig man uitmaakte, waar van vyf-en-dertig zig in myn vaartuig bevonden; dat van mynen Lieutenant was gevolgelyk een weinig minder geladen dan het myne.

Ik moet opmerken, dat zedert onze ontscheeping in Surinamen tot heden toe, onze soldaaten betaald waaren in klinkende munt, welke men had voorgeslagen, om hun tegen het papieren geld der Volkplanting te verwisselen. Het voordeel zoude bedragen hebben tien ten honderd; en elk man zou dus, by het einde van het jaar, twee of drie ponden sterling meer getrokken hebben, die hem hadden kunnen dienen, om zig eenige versnapering te bezorgen, maar de Colonel stelde zig daar tegen, en begeerde, dat de betaaling altoos ontfangen wierd in gemunt geld, het welk in kleine sommen uitgegeven wordende, geene meerdere waarde dan het papier had. Deeze tegenstreeving van zynen kant kwam my belachelyk en kwalyk geplaatst voor, dewyl zy voor allen nadeelig was, zonder iemand voordeel toe te brengen. Ik moet ook opmerken, dat elk Officier, die met afgezondene manschappen vertrok, egter by aanhoudenheid zyne tafel moest betaalen, het welk, voor een Capitain, byna veertig ponden sterling 's jaars beliep. Men gaf hem, tot schadeloos-stelling, in zyn vaartuig levensmiddelen mede ter waarde van tien ponden, (dus verloor hy 'er dertig,) bestaande in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in erweten, alles op den zelfden voet als de soldaaten, op eenige flessen wyn na. Ik vermeene echter, dat men een weinig meer verpligt was aan Officiers, die zig geenerhande ververschingen bezorgen konden op eene legerplaats, door de vervaarlykste en ondoordringbaarste bosschen omringd, in het midden van welke zy zig van alle wooningen verwyderd zaagen, en op eenen afstand, van waar men het schieten van 't geschut niet hooren konde. Men had iets minder noodig te doen ten aanzien van de andere vaartuigen, die geplaatst waaren midden tusschen de schoonste Plantagiën, alwaar overvloed en vrede heerschten. Dienvolgende wierden wy door lieden van allerleijen rang beklaagd, die, voorziende aan welke noodlottigheden wy stonden te worden bloot gesteld, myn vaartuig omringden, en my noodzaakten een aantal levensmiddelen aan te nemen. De lezer zal over de edelmoedigheid myner weldoeners door de volgende lyst beter oordeelen, dan door alle de lofspraaken, die ik hun zoude kunnen toebrengen.

24 Flessen besten rooden wyn. 12 Flessen Madéra wyn. 12 Flessen Engelsche Porter; zynde een zoort van bier. 12 Flessen Appel-drank. 12 Flessen Jamaicasche Rhum. 2 Zeer groote witte Suiker-brooden. 2 Kruiken Brandewyn. (Omtrent agt pinten.) 6 Flessen Muscaat-wyn. 2 Kruiken Citroen-sap. 2 Kruiken Koffy-Syroop. 2 Gerookte Westphaalsche Hammen. 2 Gerookte Ossen-tongen. 1 Pot met Mostaard van Durham. 6 Dozyn Spermaceti-kaarssen.

Men kan hier uit zien, dat zoo al eenige inwoonders der Volkplanting van Surinamen, door hunne woestheid en wreedheid, zig als het afgryzen der natuur betoonden, anderen wederom door hunne maatschappelyke gevoelens en weldadigheid, 'er het cieraad van waaren.--Ik zal met deezen trek van milddadigheid dit hooftstuk besluiten; en ik durve verzekeren, dat men my altoos meer geneigd zal vinden om de schoone daaden van mynen evenmensch te schetsen, dan om hunne gebreken te doen opmerken.

ZEVENDE HOOFTSTUK.

Vertrek der gewapende vaartuigen tot verdediging der Rivieren. --Beschryving van het Fort Amsterdam.--Krygstocht naar het bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.--Groote sterfte onder het krygsvolk.--Gezicht van de wacht-post van Devil's Harwar.

Den 3den July 1773, des morgens ten vier uuren, ligtten onze beide vaartuigen het anker, en met behulp van het vallend water zakten wy af tot het Fort Amsterdam, alwaar wy wind, eb en vloed hebbende, onder de battery het anker lieten vallen.

Het zal misschien niet ongepast zyn alhier de monteering van onze zee-soldaaten te beschryven: dezelve bestond in een kamisool van een blaauwe kleur, met rood gevoerd. Zy waaren met musketten, sabels en pistolen gewapend, en droegen kruislings een groote haverzak aan de eene, en hunne hangmat aan de andere zyde. In de bosschen waaren zy gekleed met een lange broek en met een linnen overtrek, de geschiktste kleeding in dit Land; allen hadden zy ledere mutsen op.

Na myne beschikkingen gemaakt, en alle myne manschappen gemonstert te hebben, stelde ik de aan my gegevene beveelen te werk, waar by my wierd voorgeschreven de Rivier Cottica op en af te vaaren, tusschen de posten van de Compagnie, de Rochelle, aan de Patamaca, en 's Lands Welvaaren, boven de laatste Plantagie, om de muitelingen te beletten de Rivier over te steeken; dezelven te dooden of krygsgevangen te maken, zoo het my mogelyk was; en eindelyk de Plantagiën tegen allen aanval van hunne zyde te beschermen. Ik konde my, zoo ik het noodig vond, in alle deeze verrigtingen door het krygsvolk van de Compagnie, dat op de gemelde posten de wagt had, doen bystaan; en ik moest met hunne Bevelhebbers overëenkomen over het sein, dat ik in geval van alarm geven zoude.

Ik bezigtigde tans het Fort Amsterdam, dewyl ik den tyd en de gelegenheid had, om het te doen.

Het zelve wierd aangelegd in 't jaar 1734, en voltooit in 't jaar 1747: het heeft de gedaante van een geregelde vyfhoek, die door vyf bolwerken gedekt word. Deszelfs omtrek is omtrent van drie Engelsche mylen. Een breede gracht, die haar water uit de Rivier trekt, omringt het zelve, en word verdedigd door een bedekte weg, zeer goed van paalwerk voorzien. Deszelfs grondvesten zyn van een zoort van rotssteen gemaakt. De voornaamste sterkte van den kant der Rivier bestaat in een groote bank of plaat van slyk, die zig langs de voorpunt uitstrekt, en in een battery van geschut, die zelfs platte Schepen belet derwaarts te naderen. Het vuur van dit Fort zig kruisselings vereenigende met dat der Schanssen Leyden en Purmerendt, belet ook het inkomen in de beide Rivieren Surinamen en Commewyne, gelyk ik reeds elders heb gezegt. Het heeft daarënboven kruid-magazynen, en andere, om levensmiddelen te bergen. Men vind aldaar ook alle de gebouwen, die noodig zyn tot verblyfplaatsen voor eene sterke bezetting. Het bevat zelfs tot een windmolen en een regenbak, die meer dan duizend tonnen water houd, het welk, in de daad, min noodzakelyk is, vermits men, naar myne gedachten, de geheele krygsmacht der Volkplanting noodig had, om eenigen tyd lang eene Vesting van zulk eene groote uitgestrektheid te verdedigen. Dicht daar by vind men een groot stuk land, met ignames en andere wortelen beplant, welke dienen tot voedzel voor de slaven van de Compagnie, die men hier houdt, om, onder het opzigt van eenen Commandeur, aan de vestingwerken te arbeiden.

Men houd in het Fort Amsterdam bestendig eene kleine bezetting, onder bevel van een Officier van de artillerie: dezelve verpligt alle Schepen, om de vlag te stryken, en met zeven kanonschooten te groeten: zulks word hun door drie schooten beantwoord, en men rigt een vaandel op de wallen op. Ik zal hier nog byvoegen, dat ten noordwesten dit Fort omringt is met modderpoelen, en ondoordringbaare doornhagen, het geen in den beginne aan dit vak den naam deed geven van het hol van den Tyger.

Na deeze beschryving, zal men my ten goede houden, dat ik met een enkel woord spreke van zekere zeer merkwaardige visschen, die men altoos in een groot aantal by het Fort Amsterdam ziet, en hebbende vier oogen, waar van zy 'er aanhoudend al zwemmende twee boven en twee onder 't water houden. Deeze visschen hebben ten naasten by de gedaante van een spiering, en zwemmen troeps-gewyze met eene ongelooflyke schielykheid. Zy schynen zig vooral te behagen in brak water. Men zegt, dat ze niet kwaad zyn om te eeten, en zy worden door de inwoonders deezer Volkplanting coot-eijes genoemt.

Myne schildwagt wierd deezen avond door een roeischip gehoont. Die 'er op waaren, wenschten ons allen naar den duivel, en zeiden duizend gruwelen van ons. Ik liet aanstonds de kano wapenen, en zette hun agter na: maar door middel van een klein zeil, en de donkerheid van den nacht, naamen zy de wyk naar de punt Parham, en hadden het geluk tot myn groote spyt te ontvlugten. Des morgens van den 4den July, ligtten wy het anker. Den hoek voorby gezeilt zynde, zakten wy met de vloed af, tot aan Elizabeth's Hoop, eene schoone Koffy-Plantagie, waar van de eigenaar, de heer KLEYNHANS, ons noodigde om dezelve te bezichtigen, ons alle mogelyke vriendelykheden bewees, en myn vaartuig met verkoelende vruchten en groenten vulde. Hy zeide ons, dat hy ons lot beklaagde, en voorzeide ons alle de onheilen, waar mede wy gedreigd wierden, voornamelyk uit hoofde van het regen-saisoen, het welk te wagten stond, en zelfs reeds begonnen was door veelvuldige plasregens, met zeer zwaare donderslagen vergezelt. "Wat uwe vyanden betreft, voegde hy 'er by, maakt staat, dat gy 'er, geen één zien zult. Zy zullen u nimmer voor de vuist durven aantasten, en zullen veelëer u altyd overrompelen: zyt dus wel op uw hoede, myn Heer.--Maar de luchtstreek! de luchtstreek zal u het leven kosten! Echter, vervolgde hy, ik moet den yver van uwen Bevelhebber bewonderen, die u liever op deeze wyze wil bloot stellen, dan u te Paramaribo werkeloos te houden". De heer KLEINHANS eindigde deeze zonderlinge aanspraak met my de hand te drukken. Wy naamen toen afscheid van hem, als mede van zyne dogter, een jong en schoon meisjen, die, toen ze ons zag vertrekken, traanen stortte.--Den zelfden avond wierpen wy het anker voor de Matapaca-Kreek.

Ik maakte alhier van myne vaartuigen twee oorlogschepen; het een wierd genoemd de Charon, en het ander de Cerberus; naamen, onder welken ik dezelven geduurende het overige van mynen tocht onderscheiden zal. Wy vervolgden onzen weg met de Cottica op te zeilen, om de Rivier Commewyne te kunnen inloopen, en wy zeilden voorby aangenaame Suiker- en Koffy-Plantagiën, die aan den oever deezer beide Rivieren, op den afstand van één of twee mylen van elkander, gelegen zyn.

Den 6den, maakten de soldaaten van myne krygsbende hunne maaltyd aan den wal gereed, en wandelden op de fraaije Plantagie, genaamt het Geval. Des avonds van den zelfden dag, wierpen wy het anker voor de Peréca-Kreek.

Des anderen daags voeren wy steeds de Cottica op, en wy stapten aan wal op de Plantagie, genaamt Alia. Wy wierden op alle die Plantagiën, welke wy aandeeden, zeer wel ontfangen, maar zy wierden al langer hoe minder in getal, naar maate het bed der Rivier naauwer wierd.

Den 7den vervolgden wy onzen weg. Wy stapten ook aan land op de Plantagie genaamt Bockkestein, die de laatste is aan de rechter zyde van de Cottica, uitgenomen echter twee andere zeer kleine Plantagiën aan de Patamaca-Kreek; en des avonds wierpen wy het anker aan den mond van de Koopmans-Kreek. Den zelfden dag ontstond 'er brand in de Charon, maar dezelve wierd spoedig gebluscht.

Den 8sten, voeren wy aanhoudend de Rivier op: des morgens ten elf uuren, kwamen wy aan het Fort of den Post 's Lands-Welvaaren, door krygsvolk van de Compagnie bezet wordende. Ik stapte aldaar met myne Officiers aan land, om met den Capitain ORZINGA, Bevelhebber van deezen Post, een mondgesprek te houden. Ik zond hem drie mannen, die ziek waaren, om dezelve te doen oppassen in zyn Gasthuis, alwaar ik een schouwspel van smert en elende zag, het welk alle verbeelding te boven gaat. Deeze plaats was in 't eerst genoemd geworden Devil's Harwar, [16] uit hoofde van deszelfs ondraaglyke ongezondheid. Ik zal het by vervolg met dien naam bestempelen, als zynde denzelven veel gesschikter, dan die van 's Lands-Welvaaren, welke juist het tegendeel beteekend.