Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 2

Chapter 23,629 wordsPublic domain

In gewone jaren wordt de rivier in haar loop gestuit door de dijken van Dabab, vijf uren ten noorden van Kassala; zij verliest dan hare wateren in de vlakte, en komt niet verder dan dit dorp; maar is de rijzing belangrijk, dan baant het water zich een doortocht naar het noorden, naar bebouwde landstreken, door nomaden bewoond. De rivier stroomt dan oostwaarts nabij den berg Touèz, en eindigt, eenige uren verder haar loop in eene bebouwde streek, aan de Hadendoa behoorende. In buitengewone jaren eindelijk stort de rivier zich in de Atbara uit, nabij Om-Handel, op omstreeks 17° 8' noorderbreedte.

Op zekeren dag vatte ik het voornemen op, de Gash ongeveer tien mijlen op te varen, om een bezoek te gaan brengen aan den berg Aboe-Gamel (de vader van den kameel)--een fraaie, geheel op zich zelf staande kegel, vanwaar ik de gansche vlakte kon overzien. Als gids had ik op dien tocht een jong inboorling, zeer vriendelijk en voorkomend van aard, die zich vrijwillig aanbood om mij door het gansche land rond te leiden, met uitzondering van Algheden, zijn geboorteland, waar hij, volgens zijn zeggen, om een kleinigheid, een manslag in eerlijke veete begaan, met de overheid overhoop lag.

Wij verlieten dan te zamen Kassala, en volgden aanvankelijk den karavanenweg, maar sloegen weldra links af, om een klein meer te bezoeken, nabij het dorp Ahmed-Sherif, dat, volgens den heer Beurmann, door zijne schilderachtige ligging moest uitmunten. Wij gingen langs een tamelijk moeilijk pad; ter linkerzijde verhief zich de kolossale rotsmassa van den Kassala-Louz; ter rechterzijde een groep van schilderachtige heuvelen, die allerlei zonderlinge gedaanten vertoonden. Toen wij dien pas achter ons hadden, bereikten wij het dorp, dat tegen een dicht bosch van mimosa's aanlennt, waarin ik, na eenig zoeken, het bewuste meer vond. Doch, welk eene teleurstelling! Het was niets meer dan een vuile poel van geelachtig, stilstaand water, met een zwarten slijkerigen bodem. Ik had geen moed om van dit water te drinken, en haastte mij den fraaien weg weder op te zoeken, dien ik verlaten had. Een weinig verder voerde deze weg mij door een prachtig bosch van doumpalmen, hier en daar met frissche groene grasperken afgewisseld. De weelderige, krachtige plantengroei verkondigde de nabijheid der rivier: en het duurde ook niet lang of wij daalden in de bedding van fijn wit zand af, ter plaatse waar de stroom den voet bespoelt van een steilen, gladden berg. De weg loopt nu verder door de bedding voort, waar het fijne zand het voortgaan voor de muilezels en ook voor de kameelen zeer bezwaarlijk maakt; en weldra stuit ge op een of ander nomadenkamp, dat, in het droge jaargetijde in het bed der rivier is opgeslagen. De nomaden hebben daarvoor hunne goede redenen: vooreerst vinden zij hier overal water; ten andere leveren de doornhagen, waarmede zij hunne kampen omringen, eene afdoende bescherming op tegen de wilde dieren en de nachtelijke stroopers, wier nadering bovendien op den witten, helderen zandbodem kwalijk verborgen kan blijven.

Ik sprak daar van water: alle reizigers, die de Sahara en de omliggende streken bezocht hebben, weten bij ondervinding, dat naarmate zulk eene uitgedroogde rivierbedding meer omvang heeft, ook de kans grooter is, dat men, gravende, op eene diepte van twee tot acht voet water zal vinden, dat na den regen in het zand is overgebleven. Echter is dit geen regel zonder uitzondering. Sommige dier rivieren, die op zich zelf een vrij aanzienlijk profiel hebben, maar ver van de bergen of de hooglanden verwijderd zijn, hebben alleen dan water, wanneer de was buitengewoon sterk is geweest: daartoe behoort ook de Gash, althans in het benedenste gedeelte van haar loop. Daarentegen zult ge andere, oogenschijnlijk onaanzienlijke spleten vinden, maar die door hare ligging als tot vergaarbak van de van boven komende wateren dienen, en die dan ook altijd een overvloed van zuiver water bevatten. De nomade kent al deze bijzonderheden uit langdurige ervaring, en weet de waterhoudende _wadis_ of _khors_ aan allerlei bijkans onmerkbare teekenen te herkennen; de vreemde reiziger, die het land niet kent en geen vertrouwde gidsen heeft, kan zich daartegen zeer dikwijls in noodlottige verlegenheid bevinden.

Na een tocht van een paar dagen bereikte ik den Abou-Gamel, die echter niet, zooals ik mij had voorgesteld, een enkele berg was, maar uit vier geweldige granietmassa's bestond, die uit eene geheel effen, maar onvruchtbare en steenachtige vlakte oprezen. Het was mijn plan, den Aboe-Gamel te bestijgen, althans den voornaamsten berg van de groep; maar ik moest daarvan afzien, toen ik die wilde verzameling van reusachtige rotsblokken aanschouwde, in de onbegrijpelijkste wanorde boven elkander gestapeld. Na eene vruchtelooze poging om een doortocht te vinden, bepaalde ik mij tot de beklimming van een naburigen berg, waarvan de kruin gemakkelijker te bereiken viel, hoewel ook hier het opstijgen nog met vele moeilijkheden gepaard ging, en zelfs niet zonder gevaar was. Maar het panorama, dat ik van den top overzag, loonde rijkelijk de moeite: de blik reikte tot aan de Atbara, en omvatte eene onmetelijke boschrijke vlakte, die zich tot Koroteb, op den weg naar Gondar, uitstrekte; ten zuidoosten onderscheidde men zeer duidelijk, te midden der lage bergen en heuvelen van het land der Basen, den breeden en statig kronkelenden loop van de Gash.

Ik noemde daar den weg van Gondar; dit herinnert mij aan eene episode uit de geschiedenis dezer streek, die niet van belang ontbloot is.

Van Kassala voert een zijweg--eigenlijk alleen door smokkelaars gebruikt--in zes dagen naar Kabthia of Kafta, hoofd- en residentiestad van Oued-Nimr; een tocht van zeven dagen brengt u vandaar naar Gondar. Oued-Nimr (de zoon van den luipaard) is een zeer opmerkelijk personage; en vroeger heb ik meermalen het plan opgevat, hem een bezoek te gaan brengen. Hij is de zoon van den beruchten Melek-Nimr (de koning-luipaard); vorst van Shendy, die in 1822 Ismaël-Pasja levend liet verbranden, en toen met zijne aanhangers de wijk nam naar Mai-Gogoa, op de grenzen van Abyssinië, waar hij zich, ten koste der egyptische regeering, een soort van onafhankelijken staat stichtte. Zijn naam is daar zeer populair gebleven, en het volk weet nog allerlei van hem te verhalen. Toen Nimr oud geworden was, werd bij blind; maar tot aan zijn dood zette hij zijn guerilla-oorlog en zijne stroop- en plundertochten tegen de Egyptenaren en hunne onderdanen voort. De engelsche reiziger Mansfield Parkyns ging hem bezoeken, en werd zeergoed ontvangen. Nimr had den eed van trouw gedaan aan Oubiëh, den onderkoning van Tigré, van wien bij Kabthia in leen had ontvangen; als een getrouw leenman volgde hij zijn heer in den krijg. Op zekeren dag kwam een der Arabieren van Nimr zich bij Oubiëh beklagen over een Abyssiniër, die een zijner bloedverwanten verraderlijk verslagen had. Oubiëh leverde hem den man uit, om met hem te handelen naar zijn welgevallen. De Arabier trok zijn tweesnijdende _seïf_, hieuw den moordenaar met een enkelen slag in twee stukken, en vertrok, na Oubiëh gegroet te hebben, die zelf over deze uiterst lakonische wijze van rechtspleging verbaasd stond.

Oued-Nimr heeft het handwerk van zijn vader voortgezet, en staat hoog aangeschreven bij de Soedaneezen, altijd uitgezonderd de lieden, die van zijne rooverijen te lijden hebben en dus uit den aard der zaak minder gunstig over hem denken. Tot dusver werden zijne krijgsbehoeften hem geleverd door de kooplieden van Kassala, hetgeen alleen mogelijk was door de geheime medewerking van den mudir van Taka, wien deze verboden handel geen onaardige winst opleverde. De egyptische regeering drong er bij den negus opaan, dat hij Oued-Nimr straffen zou; deze antwoordde op dien eisch door zijn gunsteling tot dedjaz (hertog) van Wolkaït te verheffen. De nieuwe dedjaz dreef de onbeschaamdheid zoover, dat hij in 1860, in naam van den negus, schatting eischte van Gouedaref en van het gansche land tot Khartoem.

Dat was te veel voor den mudir Hassan-Bey, en vooral voor den gouverneur-generaal Mouça-Pasja; er werden troepen afgezonden tegen den zoon van den luipaard; hij werd geslagen; Mai-Gogoa werd verbrand, en Nimr moest naar Kabthia terugtrekken. Sedert heeft hij weinig van zich laten hooren.

De landstreek, waardoor deze weg van Kassala naar Kabthia voert, is bekend onder den naam van de _Mazaga_ van Nubië: het is een laagland, geheel met ondoordringbare bosschen bedekt, zeer ongezond, bijkans geheel verlaten, en alleen nu en dan bezocht door stroopende benden van de naburige stammen, die op roof uitgaan. Bijna de eenige bewoners dezer streek zijn leeuwen, luipaarden, olifanten, rhinocerossen, buffels en antilopen. De mensch heeft hier zeer voorzichtiglijk het veld geruimd voor de dieren: geen wonder, dat deze geheele landstreek een waar paradijs voor de jagers mag worden genoemd. In de laatste jaren hebben zich enkele stoutmoedige jagers hier gewaagd, onder anderen twee Duitschers, Schmidt en Florian; deze laatste was tevens zwaardveger in dienst van Oued-Nimr, waarom de Egyptenaren zijn etablissement te Takassi hebben verwoest. Vandaar een proces, dat nog altijd hangende is.

In 1861 bevond zich hier de bekende engelsche reiziger Baker, die met zijne jonge vrouw, eene Hongaarsche, een gansch jaar in de Mazaga heeft doorgebracht. Ook de heer Munzinger heeft deze streek bezocht, en daarvan in zijn reisverhaal een zeer belangwekkende beschrijving gegeven. In Maart van dit jaar (1864) stond mijn vriend, doctor Ori van Khartoem, gereed, naar dit paradijs van den naturalist te vertrekken, om daar ten voordeele van het museum van Turijn werkzaam te zijn.--De geschiedenis van den heer Ori is geen onaardige illustratie van de tegenwoordige egyptische zeden en gebruiken: daarom zij het mij vergund, haar in het kort mede te deelen.

Opvolger van den zeer verdienstelijken doctor Peney, had de heer Ori, een italiaansch geneesheer van groote bekwaamheid, zich bij zijne komst in het land, vast voorgenomen zijne taak ernstig op te vatten, en in het belang der openbare gezondheid te Khartoem eenige hoogst noodige hervormingen tot stand te brengen, reeds vijf jaren vroeger door den mudir Arakel-Bey, een christen, ontworpen, maar ten gevolge van zijn vroegen dood, die voor Soedan een ware ramp mocht worden genoemd, onuitgevoerd gebleven. Om de overstroomingen van den Nijl te beteugelen, wilde Ori een stevigen dijk opwerpen, in plaats van de vervallen palissade, die niet verhinderen kon dat de stroom, voet voor voet, het terrein der oude stad verzwolg; hij drong aan op het plaatsen van een peilschaal, op de verbetering van de armenkwartieren der stad, en vooral op de demping van een zeker aantal riolen, die, vooral omstreeks September, brandpunten en kweekplaatsen van besmetting waren. Wat van hemzelf afhing, de koepok-ineuting en de dienst in het militaire hospitaal, werd op de meest voldoende wijze geregeld. Ongelukkig vaardigde Saïd-Pasja in 1860 een decreet uit, waarbij de geneesheeren in de provinciën onttrokken werden aan het rechtstreeksche toezicht van de gezondheidscommissie te Alexandrië, en geplaatst onder het gezag van de mudirs (prefecten), arabische of mameluksche ambtenaren, van zeer slecht gehalte, over het algemeen onwetend, verdorven, schraapzuchtig, in zekeren zin gedwongen om te stelen, ten einde de hoogergeplaatsten te kunnen voldoen, aan wie zij hunne benoeming te danken hebben; en voorts uit den aard der zaak vijandig gezind tegen de geneesheeren, die, welke ook overigens de mate hunner bekwaamheden moge zijn, toch altijd door beschaving en ontwikkeling verreweg hunne meerderen zijn. De nieuwe satraap van Khartoem, Mouça-Pasja, was een prachtexemplaar van dat soort van lieden, voor wie schaamte en eergevoel onbekende zaken zijn. De heer Ori, die maar niet scheen te willen begrijpen, dat niet de behartiging van den algemeenen gezondheidstoestand en de verpleging der zieken zijn eerste plicht was, maar dat hij bovenal zijn chef behulpzaam moest wezen in het bestelen van de schatkist en het publiek, werd op de meest onvoegzame wijze afgezet, en vervangen door een zoogenaamden christen uit Syrië, wiens zedelijkheidsgevoel tamelijk wel met dat van den mudir overeenstemde. De tiran vond in hem het gewillige werktuig, waaraan hij behoefte had, en Soedan zal bij de verwisseling al even welvaren, als de aangrenzende gewesten in zoo menig soortgelijk geval.

III.

Mijne taak te Kassala was afgeloopen; ik begaf mij op weg naar Massoua, en hield mijn eerste halt te Sabterat, zes uur ten oosten van Kassala. Mijne kleine karavaan was nu vermeerderd met het gezelschap van pater Stella, een hoogst achtenswaardig en ook in Europa welbekend italiaansch zendeling; van een hongaarsch officier, en nog een twaalftal inlandsche kooplieden, voor wie de bescherming van onze acht geweren zeer welkom was.

Sabterat bestaat uit drie dorpen, waarvan het grootste, Karaïat genoemd, misschien driehonderd toekoels telt, en tegen de steile hellingen van den berg Horat is gebouwd. Tegenover Karaïat, op den linkeroever van de Aohé, staat een groep van veertig of vijftig hutten, Sherefa genaamd; tusschen de beide dorpen ligt een langwerpig eiland, geheel met dadelpalmen bedekt; ook de andere eilanden in de meestal droge rivierbedding zijn, evenals de rechteroever, goed bebouwd.

Kort voor mijne komst in deze streek, had eene tragische gebeurtenis de gemoederen der bevolking in beweging gebracht. De oude sheikh Mohammed-Nour was gestorven; zijn oudste zoon was hem opgevolgd en had de investituur van de egyptische regeering ontvangen, tot groote ergernis van den jongsten, die, om zich te wreken, voor geen broedermoord was teruggedeinsd. Op zekeren dag, toen zijn broeder naar Kassala ging, zette hij hem na, haalde hem onderweg in en doodde hem. De egyptische regeering liet hem gevangen nemen, en tijdens mijn verblijf zat hij in den kerker te Kassala; maar naar alle waarschijnlijkheid zal hij daar niet langer blijven dan noodig is om een duizend talaris bijeen te brengen, die hij aan Mouça-Pasja kan aanbieden: dan zal het hem vrijstaan, in alle veiligheid de plaats van zijn verslagen broeder te gaan innemen. De voorloopige sheikh van Sabterat is een jong mensch van achttien jaren, de jongste broeder van den vermoorden sheikh. Volgens de overleveringen van hun stam zijn de Sabterat van het oosten, van de oevers van de Aïnsaba, gekomen: zouden zij de _Soboridae_ van Ptolomaeus zijn?

Uit deze streek is mij de herinnering bijgebleven aan een avontuur, dat ernstige gevolgen had kunnen hebben. Men had mij vooruit gewaarschuwd, dat hier, evenals in alle streken van Opper-Nubië, waar water gevonden wordt en dus kudden zijn, eene menigte leeuwen huisvesten. Reeds in den eersten nacht ondervond ik de waarheid van dit bericht. Wij hadden ons kamp opgeslagen in een fraai palmboschje, waarvan de schaduw ons zeer welkom was, en ons deed vergeten dat zulke bosschages ook de geliefkoosde verblijfplaatsen zijn van wilde dieren. Zoodra de zon was ondergegaan, kwamen honderde runderen naar de waterputten; en even daarna verkondigde een luid gebrul ook de nabijheid des vijands. De runderen stoven verschrikt uiteen, en liepen al loeiende weg; naar het schijnt, werd er geen door de leeuwen gegrepen, maar de hyena's, die bijna altijd het spoor van de koningen des wouds volgen, doodden eene koe.

Twee uren later had ik, na het avondeten te hebben gebruikt, mij te rusten gelegd op mijn _angareb_, waar ik weldra indommelde, in slaap gewiegd door het murmelend gefluister in ons klein bivouac. De meeste bedienden waakten nog bij de vuren, op weinige schreden afstands van mij tusschen de boomen aangelegd. De last- en rijdieren lagen rustig rondom een palmboom gegroept. Eensklaps werd ik door eene hevige beweging gewekt: de verschrikte muildieren waren opgesprongen, en trachtten zich met geweld los te rukken. Ik vroeg wat er gebeurd was, en vernam nu dat een prachtige leeuw, die op de muildieren loerde, eensklaps, bij het schijnsel der vuren, in de struiken zichtbaar was geworden. Een jonkman van ons gevolg had haastig een brandend hout gegrepen en naar den leeuw geworpen, die, aan het voorhoofd geraakt, zijn kop had geschud, en met een korten kreet zich had verwijderd. Men weet, dat de wilde dieren in het algemeen, en vooral ook de leeuwen, van twee zaken een geweldigen afkeer hebben: van vuur en van geraas. Ook dit laatste bleef onzen bezoeker niet gespaard, want verscheidene geweerschoten werden hem achterna gezonden. Gelukkig trof hem geen enkele kogel: ware hij gewond geworden, dan zou hij ons waarschijnlijk last genoeg hebben veroorzaakt.

Weldra begonnen wij nu de steile berghellingen te beklimmen, die naar het vlek Algheden voeren, door eene naar het schijnt tamelijk welvarende, verstandige en werkzame bevolking van ongeveer vijfhonderd zielen bewoond. Den top des bergs bereikt hebbende, daalde ik langs slingerende paden af naar eene met gras begroeide vlakte; toen moest ik de kronkelende bedding van een uitgedroogden bergstroom volgen; en zoo, beurtelings rijzende en dalende, langs zeer vermoeiende en dikwijls gevaarlijke wegen, waar onze karavaan niet dan bezwaarlijk vorderde, bereikten wij eindelijk den bergpas van Feradebob, die de vlakte van Bisha beheerscht.

Deze vlakte, evenals de meeste andere van Opper-Nubië, met onsamenhangende, wonderlijk gevormde, rotsige hoogten bezaaid en door _khors_ (uitgedroogde beddingen van bergstroomen) doorsneden, behoort voor het grootste gedeelte aan den stam der Barea, die hier in den regentijd hunne kudden heendrijven. Aan de oostzijde wordt de vlakte, door de laatste uitloopen van het Koufitgebergte, van de vlakten van Deghi en Kassa gescheiden; aan de berghelling ligt het dorp Bisha, dat minstens driehonderd woningen telt, en gemeenschappelijk door de Beni-Amer en de Barea bezeten wordt. Bisha staat onder het gezag van den deglel of vorst der Beni-Amer; het heeft eenige beteekenis, als station voor de karavanen van Massoua; er zijn sommige kooplieden gevestigd, en het voorkomen van het vlek teekent eene mate van welvaart, die hier inderdaad zeldzaam is. Toch verzekerde men mij, dat de geest der bevolking er niet beter op geworden was, sedert zich hier ook eenige Barea gevestigd hadden, en de andere inwoners hadden besmet met die zucht voor rooverij, die bij dezen stam onuitroeibaar schijnt.

De toestand van deze stammen is dan ook inderdaad zeer treurig. Zij zijn als het ware ingeklemd tusschen Abyssinië, dat schatting van hen vordert, zonder hen te kunnen beschermen tegen de Egyptenaren, en de mudirs van Kassala, die evenzeer schatting eischen, maar niets doen om de abyssinische strooptochten te keer te gaan. Een enkel voorbeeld zal eenig denkbeeld van dien toestand geven. De abyssinische gouverneur van Addi-Abo, aan het hem van hooger hand gegeven bevel gehoorzamende, was met eenige honderde soldaten, of liever slecht gewapende vagebonden, in Barka gevallen, alles te vuur en te zwaard verwoestende. De mudir van Kassala, aan wien Mouça-Pasja de verdediging der grenzen had toevertrouwd, trok naar Barka met eene legermacht, alleszins voldoende om de Abyssiniërs te verslaan: maar hij trok met de uiterste langzaamheid voort, en toen de deglel er bij hem op aandrong, dat hij zijn marsch wat verhaasten zou om den vijand niet te laten ontsnappen, antwoordde de mudir heel kalmpjes: _Chouïa-chouïa_ (zachtjes aan). Natuurlijk hadden de Abyssiniërs al den tijd om zich met hun buit terug te trekken.

Het is hier de plaats, eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent den oorsprong van enkele stammen van Opper-Nubië, die bijna allen uit het abyssinische hoogland afkomstig zijn, en eerst in later tijd, door een samenloop van noodlottige omstandigheden, tot het islamisme zijn overgegaan.

De Hallenga komen uit Hamazene; zij vlechten nog hun haar op de wijze der Abyssiniërs: maar dat is ook bijna alles, wat zij van hun voormalig vaderland hebben overgehouden. Een klein bergplateau nabij Ad-Namen, aan den voet van den Melezenai, draagt nog hun naam; hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar een tijd lang hunne woonplaats gehad.

De Habab zijn afkomstig van Kollo-gouzay (Tigré); zij hebben hun vaderland verlaten onder aanvoering van een zekeren Asgade, die zich vestigde op de plaats thans onder den naam van Asgade-Bakla (de muilezel van Asgade) bekend: een naam naar men zegt ontleend aan den eigenaardigen vorm van den heuvel, waarop het dorp is gebouwd. Asgade had drie zoons: Abil, Tekles en Tamariam. Volgens de overlevering is de eerste de stamvader der eigenlijke Habab; van de beide anderen stammen de twee minder aanzienlijke stammen van Ad-Tekles en Ad-Tamariam af.

Belau, Kelau en Hafara waren drie broeders. Zij kwamen waarschijnlijk uit Seraoué, waar men u nog tegenwoordig de zoogenaamde graven der Belaus wijst. Kelau bezat de bergen en weiden, die tegenwoordig aan de Beit-Gabhru behooren, tot aan Chotel. Langzamerhand heeft zich deze stam, ik weet niet ten gevolge van welke omstandigheden, verstrooid en opgelost; de meesten der overgeblevenen hebben zich bij de Beit-Gabhru aangesloten, die uit dien hoofde van de aloude landstreek der Kelau bezit hebben genomen.

De Belaus splitsten zich reeds vroeg in onderafdeelingen. Het gros des volks bleef in de streek nabij de samenvloeiing van de Barka en den Khor-el-Ardeb, waar men hen heden nog vindt, trotsch op hun afkomst, maar tot eenige weinige familiën geslonken; de anderen, betere weilanden voor kunne kudden zoekende, vestigden zich nabij de Roode-zee, in Samhar, en omhelsden het islamisme. Als muzelmannen trokken zij de aandacht van de turksche regeering, die zich in de zestiende eeuw, van Massoua meester maakte, en wier verdere veroveringen in het binnenland door de Belaus krachtig werden bevorderd. Zij zijn tegenwoordig zeer in verval.

De Hafara hebben zich te Terefat gevestigd; zij werden in 1859 bijna geheel uitgeroeid. De weinigen, die aan de algemeene slachting zijn ontkomen, zijn naar hun dorp teruggekeerd, en trachten zooveel mogelijk hun stam van den geheelen ondergang te redden.

De Ad-Sheikh houden zich gewoonlijk in de omstreken van Sulib op. Tijdens de verovering van Nubië door de Egyptenaars, begaf zich een der voornaamste opperhoofden van dien stam, Sheikh Mohammed, die zich aan de nieuwe orde van zaken niet wilde onderwerpen, naar Samhar, om de bescherming van den sultan in te roepen. Hij liet, ten behoeve van zijne stamgenooten die in Barka gebleven waren, naar Konstantinopel schrijven: op welk schrijven echter geen antwoord volgde. Inmiddels beviel het Sheikh Mohammed te Massoua, waar hij zich nedergezet en waar hij als een heilige werd vereerd; hij vestigde zich voor goed in de nabijheid, te Beraïmi, waar hij een dorp stichtte, dat weldra door een aantal uitgewekenen werd bevolkt, die tot heden vrijdom van alle belastingen genieten. Beraïmi is aldus een soort van Mekka in het klein geworden: Mohammed, thans (1864) een zeventigjarige grijsaard, zond zijne twee zonen naar Samhar en Barka, naar de Bedjouk en de Bogos, om daar het islamisme te prediken: welke prediking niet zonder gevolg bleef.