Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 67

Chapter 673,286 wordsPublic domain

Het is een Russische boot, met Russische bemanning. Een onoogelijke stewardess ontving mij in mijn hut, eene vrouw, die geen vertrouwen en geen toenadering uitlokt. De groote hut, die er zindelijk uitziet, miste alle comfort. Op het tweede, leege bed moest ik mijne zeven zaken uitstallen. De kapitein en de bedienden spreken Russisch, in de Russische taal met Russische letters is het menu geschreven en het ergst van al, het eten is Russisch. Dikke, vette soep en al het verdere klevende van vet en zwemmende er in. Daarbij ruw, stormachtig, mistig weder, dat de bijna niet geladen boot rollen en zwaaien doet, zoodat de maag alleen naar wat licht verteerbaar voedsel vraagt. Ik was de eenige vrouw met achttien heeren passagiers aan boord, en werd daardoor buitengewoon goed bediend.

Om één uur kwamen wij Woensdagmiddag in Vladivostock aan en daar maakte ik voor het eerst kennis met Rusland en Russische gebruiken. Al de bagage der passagiers werd gevisiteerd, maar dat geschiedde op een wijze als ik nog nooit te voren heb bijgewoond. Zelfs de bagage die transit naar Holland ging, of van andere reizigers naar Londen of Berlijn, werd nagezocht, elk doosje opengemaakt en alleen als men het verzegeld wilde doorzenden, behoefde men de inkomende rechten er voor niet opbrengen. Een Duitscher, die een paar mooie zijden pantoffels bij zich had, die hij niet kon verzenden, omdat hij ze op reis draagt, moest de rechten er voor betalen. Van eenige Japansche heeren, die zijden overhemden bij zich hadden, werden de inkomende rechten opgeëischt, niettegenstaande hunne verzekering, dat die hemden gedragen en reeds gewasschen waren.

Ik werd nog al genadig behandeld. Men stond mij toe alles uit mijn handbagage, wat de Russische heeren, die er meer als bandieten dan als heeren uitzagen, verdacht voorkwam, in mijn koffer over te laden en die dan verzegeld transito naar Holland te zenden. Een man werd aangewezen, die mij daarbij behulpzaam zou zijn en die, nadat ik alles had ingepakt, mijn goed sluitende koffer met één touw omwond en dat touw met een loodje bezegelde. Nadat dit alles was afgeloopen, werd de koffer voor Amsterdam ingeschreven. Voor de hulp, het touw en het loodje moest ik den man 4 roebels 75 kopeken betalen. Waarom het juist die som was, of dat de man mij niet veel te veel liet betalen, wie zou dat uitmaken? Er was niemand die ik het vragen kon en in Rusland mag men blij zijn, als men met geld en goede woorden heelhuids de handen van beambten ontkomt. Dit alles ging nu niet zoo gemakkelijk als ik het hier neerschrijf, want geen der beambten sprak iets anders dan Russisch of verstond een woord in een andere taal. Als niet een der Russische heeren, die met mij de bootreis van Tsuruga naar Vladivostock had gemaakt en Engelsch sprak, mijn tolk was geweest en mij door het moeilijkste deel had geholpen, dan weet ik niet of ik het ooit met die lui had klaar gespeeld. Met dat alles was het drie uur geworden. Met den Duitscher met wien ik van Kyoto naar Tsuruga was gereisd en die ook dezelfde moeilijkheden had, nam ik een rijtuig, dat ons een uur lang door Vladivostock zou rijden.

Vladivostock maakt geen grooten indruk. De stad is vrijwel onvoltooid, overal ziet men groote huizen en vrij groote winkels en kantoorgebouwen en daarnaast nog een heele open ruimte, wachtende op ondernemers, die er wat op bouwen willen. Straten zijn nog niet voltooid, en de wegen daardoor slecht. Het meest interesseerde mij de bevolking in de straten. Het begon reeds bij den koetsier op den bok, die er met zijn groote bontmuts en zijn jas met lange, wijde rokspanden, die er uitzagen alsof zij een lange sleepjapon moesten voorstellen, reeds recht Russisch uitzag. Had ik het nog niet genoeg bij de douanen ondervonden dat ik nu in Rusland was, hier in de straten zag ik Russen, typische Russen, zooals wij ze op het tooneel en in de illustraties te zien krijgen. Maar spoedig hadden wij genoeg van het ritje en daar wij wisten dat er nog allerlei formaliteiten te vervullen waren, alvorens wij rustig in de coupé konden plaats nemen, spoedden wij ons maar weder terug naar het station. Onze paspoorten, die bij aankomst op de boot in Tsuruga door den eersten officier waren in beslag genomen, zouden ons vóór ons vertrek uit Vladivostock weder overhandigd worden. Toen wij dan ook aan het station kwamen, stond de trein reeds gereed en was een hooge politiebeambte bezig de namen der reizigers af te roepen, die dan uit zijn handen hunne paspoorten konden terug bekomen. Precies op tijd, 4.51, begon onze twaalfdaagsche treintocht. De trein bestond uit een waggon eerste en een waggon tweede klasse, benevens een restauratiewagen en een goederenwagen.

Het begin van de reis was niet zeer interessant, wij gingen door een bergland, met nog uitgestrekte, ongecultiveerde dalen. Alleen aan de verschillende stations zagen wij de armoedig in dierenhuiden gekleede Russen en vele Chineezen, die er altijd even vuil en verkommerd uitzagen. De Manchurische Chineezen in dit Noordelijk gedeelte dragen allen nog hunne staarten. Het was reeds echt koud, overal op de wegen lag reeds een dunne laag sneeuw en elk riviertje of meertje lag reeds onder een ijslaag.

Midden in den nacht bereikten wij de grens van China, alwaar een Chineesche douane in de coupé kwam om te vragen of er ook iets "zu verzollen" was. Ik lag in diepe rust en wist niet wat er gebeurde, toen plotseling met een ruk mijn goed afgesloten coupé werd opengemaakt en twee mannen binnentraden. Ik had hen er echter spoedig uitgebonjoerd en nog voor zij iets van mijne plunje met hunne vuile vingers konden betasten, stonden zij al weder buiten de deur. Men vertelde mij dat wij 's nachts een mooi gedeelte gepasseerd waren, maar ik kan daar niets van navertellen, want 't was een stikdonkere nacht, die ik vrijwel geheel slapende doorbracht. Bovendien waren in den vroegen ochtend de coupé-raampjes zoo dik bevroren, dat ik er niets doorheen kon zien. Verder op den morgen gingen wij door een onafzienbare woeste, dorre streek, tot wij om twee uur, Donderdagmiddag, in Charbin aankwamen. Daar hadden wij drie kwartier rust. Wij moesten wachten op den trein die van Peking door Mukden hier zich met den trein van Vladivostock vereenigt. En dezen keer zou die trein Prins Heinrich van Pruisen met zijn heele gevolg met zich voeren.

Op het perron in Charbin stond de kleine Duitsche kolonie, die in deze stad woont, allen in Zondagsche plunje, gereed om hun prins te verwelkomen, en ook de Russische en Chineesche autoriteiten uit Charbin, waren voor dat zelfde doel aanwezig. Drie groote photographietoestellen stonden opgesteld, om gauw een kiek te nemen, indien de prins zich ten minste zou willen vertoonen. Een kwartier later kwam de Peking-trein binnen en zeer spoedig daarna trad de prins, in generaalsuniform gekleed, naar buiten. Eerst hield hij een huiselijk praatje met zijn landgenooten en daarna schudde hij de vreemde autoriteiten hartelijk de hand. Ik zag prins Heinrich voor den eersten keer, en was gefrappeerd door zijn groote gelijkenis met den tsaar van Rusland en den koning van Engeland. Maar ook viel mij het oude uiterlijk op. Hij ziet er veel ouder uit dan zijn oudere broeder, de keizer van Duitschland. Hij lijkt op een man van 60 jaar.

Charbin staat bekend om zijn vele bandieten; men had mij reeds gewaarschuwd, als om de een of andere reden de trein daar langer zou stoppen, de stad niet in te gaan. Allerlei verhalen omtrent diefstal en oplichterij daar bedreven, doen de ronde. Nadat wij Charbin verlaten hadden, gingen wij een korten tijd door een pijnbosch en zilverberken en daarna begonnen de troostelooze vlakten weder. De trein gaat dan eens over bergen, 2 à 3 duizend voet hoog, om direct daarna weder te dalen. Het verschil in temperatuur boven of beneden is zelfs in mijn verwarmde coupé goed te voelen en bovendien zichtbaar aan de dikkere sneeuwlagen en de ijsmassa's boven. De trein wordt door twee kolossaal groote machines, die met hout gestookt worden, voortbewogen.

Twee vertegenwoordigers van de Trans-Siberische spoorweglijn maken van Charbin de reis met den trein mede. Dit is ter wille van Prins Heinrich. Met den oudsten van beiden houdt prins Heinrich, als hij aan de verschillende stations op en neder wandelt, vrij luide gesprekken in het Fransch. Die zit ook naast den prins aan tafel. Door het gezelschap van den prins is onze eetzaal nu propvol. De prins zelf en vijf volgelingen eten, nadat wij gegeten hebben. Zij zitten dan in het kleine vertrekje, dat buiten de etensuren voor conversatiekamer en speelclub etc. dient. Men moet steeds dat vertrekje passeeren als men uit de eetzaal naar de coupé wil en soms is de prins wat ongeduldig en begint met zijn heeren reeds den maaltijd, alvorens wij goed en wel geëindigd hebben. Dat schijnt den prins echter niet te hinderen; hij doet trouwens alles zoo doodeenvoudig, dat niemand in hem een hooggeplaatst persoon zou vermoeden, als men het niet vooruit wist.

Gistermorgen had een treffend tafereeltje plaats. Wij waren aan het station genaderd, waar in de nabijheid, op de heenreis den trein van prins Heinrich gederailleerd is. Opeens kruipt een armoedig uitziende Rus naar den prins en begint met opgeheven handen iets te prevelen. Den armen kerel biggelden de tranen langs de wangen, met smeekende oogen zag hij den prins aan. De prins liet zich door den Russischen spoorwegautoriteit verklaren, wat de man wilde, en vernam toen, dat hij de bestuurder der locomotief was, waarmede de prins gederailleerd was. Die arme man was het slachtoffer van het ongeluk geworden, hij werd gestraft en uit zijn ambt ontslagen. Hij smeekte den prins nu om vergiffenis, welke hem van harte gegeven werd en de prins hoopte, dat men hem weder in zijn vroegere positie plaatsen zou. Toen de autoriteit dat vertaald en den armen man medegedeeld had, voegde hij er aan toe, dat hij spoedig een nieuwe aanstelling zou ontvangen.

Tegen den middag bereikten wij Zaterdag de oevers van het uitgestrekte Baikalmeer, waar wij tot middernacht dicht langs bleven gaan. Dat gaf een prachtige afwisseling in het natuurtafereel. Oneindig grootsch was hier het landschap. De spoorweglijn langs dit bergachtig gedeelte is een meesterstuk van constructie. Het eene oogenblik kromde de baan zich vlak langs het meer, om een grooten berg, het andere oogenblik doorboorde hij een andere reuzenrots. Het was bitter koud hier, de sneeuw lag ruim een halven meter hoog, de pijnboomen konden de vracht van die losse, droge sneeuwmassa bijna niet torschen en het geheel zag er uit, alsof het onveranderlijk zoo zou blijven liggen, totdat in 1913 de voorjaarszon hare krachtige stralen zal zenden.

Zaterdag te middernacht bereikten wij Irkutsk, waar wij van trein moesten verwisselen. Elkeen kreeg in den nieuwen trein weder precies dezelfde coupé en dezelfde plaats als in den voorgaanden. Mijn bed was reeds netjes gereed toen ik in mijn afdeeling kwam, zoodat ik mij onmiddellijk kon ontkleeden en te slapen leggen.

Irkutsk, de hoofdstad van Oost-Siberië, schijnt de eenige stad te zijn, waar men, als men wil, de reis tusschen Vladivostock en Moscou onderbreken kan. Daar zijn goede hotels, en genoeg bezienswaardigs, om eenige dagen interessant te maken.

Zondagmorgen was het uitzicht geheel veranderd. Even onafzienbaar als voorheen de kale vlakten waren geweest, even uitgestrekt waren toen de bosschen. Boomen, boomen en niets dan boomen, en eeuwigdurend dezelfde soort. Pijnboomen en zilverberken, deze laatste bladloos, kaal. Geen afwisseling den geheelen dag. Daarbij ging de trein uiterst langzaam, wij stegen steeds. De temperatuur was buiten 12 gr. C. onder nul en een vinnige wind, soms van een sneeuwstorm vergezeld, maakt het alleen voor de heel moedigen mogelijk, bij een halte even naar buiten te gaan om een luchtje te scheppen.

Maandagmorgen hadden de bosschen weder plaats gemaakt voor de oneindig groote, troostelooze steppen. Alles leek weder meer op Siberië, zooals wij dit uit de boeken van Dostojevsky en anderen kennen. Om 6 uur kwamen wij Maandagavond in Taiga, vanwaar een zijlijntje Tomsk met de hoofdlijn verbindt, Tomsk, de hoofdstad van West-Siberië. Hier hadden wij een kwartier rust, de eenige groote rust, die wij sedert Charbin gehad hebben. Er waren daar tal van tentjes, waar men voor veel geld allerlei zaken van Russische bergproducten gemaakt, kon koopen.

Dinsdagmiddag om twee uur bereikten wij Omsk, de plaats waar een halve eeuw geleden Dostojevsky als een banneling heeft geleefd. Omsk is nu een vrij belangrijk stadje, al ligt het ook nog verlaten in de steppen.

Langs den geheelen weg, van Vladivostock af reeds, is men druk bezig met het leggen van een dubbel spoor. Op het oogenblik loopt de Trans-Siberische trein op enkel spoor. Dit werk is een enorme onderneming, want niet alleen moeten daarvoor de rails verdubbeld worden, maar over vele der tallooze rivieren moeten ook de bruggen verdubbeld worden. In Oost-Siberië is men reeds voor een groot deel gereed, waardoor 50.000 arbeiders nu vandaar weder naar hunne woonplaatsen teruggevoerd moeten worden. Dat doet de Russische staat op Russische wijze. Dagelijks passeeren wij eenige van die arbeiderstreinen. Deze menschen worden vervoerd in beestenwagens. In ieder van die wagens huizen 40 mannen. Iedere trein vervoert twintig wagens. Vijf zulke treinen gaan elken dag. Die arme kerels zitten, of liever, liggen daar dag en nacht; zij moeten daar hun eigen potje koken en alles doen, wat men gedurende zoo vele dagen, als die mannen daar vertoeven moeten, te doen heeft. Als onze trein passeert, zien wij door de vierkante openingen koppen van menschen steken, zooals er anders koppen van koeien of paarden door zichtbaar worden. 't Zijn koppen van ruwe, stoere kerels, mannen, die niets dan hun ruwe, ongeleide spierkracht aan te bieden hebben in ruil voor hun levensonderhoud. Dezulken zijn er blijkbaar velen in Rusland, anders zou die kracht beter betaald worden, althans door den staat op hoogere waarde worden gesteld.

Woensdagmorgen om 8 uur waren wij in Cheliabinsk, alwaar dat deel van den trein, dat naar Petersburg gaat, ons verliet. Wij hadden daar ruim een half uur oponthoud, maar de sneeuw viel in zulke dikke vlokken neder, dat het niet doenlijk was, om naar buiten te gaan, om wat op en neder te loopen. Van daar af wordt de reis interessanter. Wij komen door een meer bewoond gedeelte. Herhaaldelijk passeeren wij nu Russische sleden met in vliegende vaart rennende paarden, zien wij de bergen, waaruit goud, kwikzilver en steenkool gedolven worden en passeeren wij tallooze kleine stations, altijd vol mannen, vrouwen en kinderen, maar mannen vooral, die met hun heele bezitting in een groote zak gebonden of in een doek geknoopt, op een boemeltrein staan te wachten, die hen naar een beter oord moet voeren. Emigranten, zoowel zij, die over Europa naar Amerika trekken, als zij, die in het uitgestrekte Rusland een ander oord zoeken om zich daar te koloniseeren. Deze laatste emigratie wordt door den Russischen staat zeer in de hand gewerkt, vooral als men zich wil vestigen in het verre Oosten van het land.

Een trein passeerden wij, uit beestenwagens bestaande, waarvan de luchtgaten door zware ijzeren bouten afgesloten waren. Het was een volle trein met veroordeelden, die naar een der mijnstreken vervoerd worden.

Spoedig hadden wij nu Siberië achter den rug en bevonden ons in het eigenlijke Rusland. In den namiddag zagen wij van uit onze coupé-raampjes de groote, witte obelisk, die Azië van Europa scheidt. Den geheelen middag hadden wij een prachtig mooi winterlandschap. Reinwit lag een dik sneeuwkleed over bergen en velden, de rivieren waren dichtgevroren, de huizen in de dorpjes en stadjes gaven alleen eenige kleur, Vroolijk scheen de zon over dit glinsterend witte natuurtafereel, zij had de bewoners der lage huisjes naar buiten gelokt en tal van snorrende Russische sleden, met gezonde, lachende menschen bevolkt, passeerden wij op hunnen tocht.

Naarmate wij Moscou naderden nam ook de koude af en werd de omgeving interessanter. Maar toch ligt alles nog onder de sneeuw. In het midden van den dag passeerden wij Donderdag Samara en kort daarna ging de trein de Volga over. De Alexanderbrug, die dit mogelijk maakt, is meer dan een kilometer lang en is de trots der Russen.

Toen ik Vrijdagmorgen ontwaakte en uit mijn coupé-raampje keek, was alle sneeuw verdwenen. Een nachtvorstje had nog wel het groen der velden wit getint, maar van sneeuw was hier geen sprake meer. Toen ik in den restauratiewagen kwam, zat reeds de prins met zijn heele gevolg aan de ontbijttafeltjes. Allen waren in groot uniform. Ook de prins. Hij zag er opgewekt en veel jonger in zijn prachtige uniform uit, dan toen ik hem in Charbin voor het eerst zag.

Om half tien kwamen wij in Moscou aan het Koursk-station. Daar stonden prinses Heinrich en vorstin Sergeï en vele hooge Russische en Duitsche autoriteiten reeds te wachten. De begroeting tusschen den prins en zijn vrouw was allerhartelijkst, zooals trouwens na zoo'n lange scheiding van een gelukkig echtpaar te wachten is. Daarna werd vorstin Sergeï, die in een grijs nonnenkleed was, hartelijk door den prins de hand gedrukt. Sedert vorst Sergeï, nu zes jaren geleden, werd doodgeschoten, is de vorstin in een klooster gegaan, waarvan zij nu de overste is. Zij is een oudere zuster van de Czarina, een prinses van Hessen en dus met den prins verwant. Zij liep tusschen den prins en prinses Heinrich in, toen zij het perron verlieten. Prachtig blonken de gouden helmen met de dubbele adelaars van de Russische autoriteiten, die hen met het gevolg van den prins op den voet volgden. De hooge vorstelijke personen onderbreken blijkbaar hun reis in Moscou, want al hun bagage is uit den trein gezet.

Ik had ook graag mijn reis in Moscou onderbroken, maar mijn plicht roept mij nu thuis. Ik bleef derhalve zitten tot de trein mij naar het station Moscou-Brest bracht, waar de Nord Express, die, in aansluiting aan den Trans-Siberischen trein, eenmaal in de week de passagiers in 36 uren naar Berlijn voert, reeds gereed stond. Er was juist genoeg tijd om van trein te verwisselen, toen de Nord Express, die alleen uit een restauratiewagen, een goederenwagen en drie eerste klasse waggons bestaat, het station en daarmede ook Moscou verliet.

Deze trein vindt in Berlijn directe aansluiting met den sneltrein naar Brussel en heeft een waggon, die direct doorgaat naar Ostende ten behoeve der reizigers voor Londen, en een waggon die doorgaat naar Parijs. Ik moest in Berlijn ervaren, de nachttrein naar Holland juist vertrokken was; die verlaat Berlijn juist tien minuten eerder vóórdat deze sneltrein aankomt. Ik moest derhalve voor den nacht een hotel zoeken, om den volgenden morgen mijn reis naar Holland voort te zetten.

De natte koude, die Holland's klimaat zoo onaangenaam maakt, overviel mij plotseling toen de trein de grenzen van ons land bereikte. Maar ook daaraan gewent men spoedig. Het maakte alleen "home sweet home", minder aantrekkelijk.

AANTEEKENINGEN

[1] De tetsemug wordt verondersteld de paarden te dooden en bij menschen de slaapziekte te veroorzaken.

[2] De Hindoe gelooft, dat de wereld nu in haar vierde tijdsperiode verkeert, dat wij leven in de Kali-Yug, die 18 Febr. 3202 vóór Christus begonnen is en 432.000 jaren zal duren. Dat wij nu leven in de tijdsperiode van verwoesting. De eerste periode was Satya, de eeuw van waarheid, die duurde 1728.000 j. De tweede Treta, de eeuw van behoud, duurde 1296.900 j. De derde Dwapara, duurde 864.000 jaren.

[3] Het komt mij voor, dat de controleur van Kotô Agoëng zich moet hebben vergist, toen hij mij den prijs van 2000 à 3000 gulden noemde voor eene bruid. Een bruid zal zeker niet tienmaal meer kosten dan een bruidegom. Het zal ook daar wel 200 à 300 gulden moeten zijn.

[4] Toen ik dit schreef, kende ik nog niet het bestaan van het uitgebreide werk van mr. Willinck, omtrent het rechtsleven der Minangkabausche Maleiers.