Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 66
Toen wij van Nikko weder in het Imperial-hotel in Tokyo aangeland waren, vonden wij daar eenige kaartjes van Japansche dames, die onze namen in de lijst der gasten van het hotel vermeld hadden gezien en getracht hadden ons te bezoeken. Het was ons eerste werk den volgenden morgen, om deze visites te beantwoorden. Het eerste bezoek, dat wij brachten, was bij mad. Ma Tsuruda, die een private hoogeronderwijs-inrichting voor meisjes heeft, doch wier school door de regeering erkend is, zoodat de diploma's aan haar school behaald, gelijk gesteld zijn met de regeerings-diploma's. Hoewel mad. Tsuruda hare leerlingen, meisjes van 16 tot 20 of 22 jaar, hoofdzakelijk tot onderwijzeressen voor hoogere- en middelbare scholen opleidt, zijn er toch ook vele meisjes uit de voorname standen onder hare leerlingen, die eenvoudig de school bezoeken, voor meerdere ontwikkeling. Wij hoorden van deze interessante Japansche vrouw, die hare opleiding in Engeland heeft genoten, vele bijzonderheden omtrent het leven en het werken der moderne Japansche vrouwen, die op het oogenblik eene geheele hervorming door maken en over niet al te langen tijd met de Europeesche vrouwen op één lijn gesteld kunnen worden. Voor de politieke rechten der vrouw, wordt in Japan nog niet veel gevoeld, wat verklaard moet worden uit het feit, dat de politieke toestand van het land een zoo geheel bijzondere is en ook de mannen geen noembaren directen invloed op de regeering uitoefenen. Men gelooft nog heel sterk, dat de Mikado een godsgezant is en wat hij doet, of wat in zijn, naam gedaan wordt, door menschelijke inmenging niet verbeterd kan worden. Zooals de Mikado doet, heeft de god der Japanners het gewild en zoo moet het uitgevoerd worden.
Na ons bezoek bij mad. Tsuruda, begonnen wij toch een beetje hoop te koesteren, om in den korten tijd van ons verblijf in Japan, toch nog iets van een comité of vereeniginkje tot stand te brengen, die op de een of andere wijze aan den Wereldbond verbonden kan worden. Mad. Tsuruda werd daarover geraadpleegd en als antwoord zond zij ons niets anders dan een invitatie voor een lunch, die door 8 Japansche dames onderteekend was.
16 October 1912.
IV.
De acht dames die de uitnoodiging voor een lunch onderteekend hadden, waren aangegroeid tot achttien, waaronder Mme Osaki, de vrouw van den vorigen burgemeester van Tokyo. Wij hadden gehoopt dat men ons een huiselijk Japansch diner zou aanbieden, doch in plaats daarvan werden wij Donderdagmiddag om half één zeer officieel en Europeesch door de Japansche dames in het Imperial hotel ontvangen en had ook daar een half uur later de lunch plaats. Behalve madame Osaki, die in een prachtig zwart-kanten costuum verscheen, waren alle andere dames in Japansche kleedij. De houten klompjes van deze dames waren alleen van wat fijner hout en velen met paarlemoer ingelegd, de kimono's waren van prachtige zware zijde en zeer stemmig van kleur, alleen de prachtige parelen en diamanten gaven uiterlijk eenig vertoon van rijkdom. Een der dames, madame Ishi, was 25 jaar geleden als jong meisje drie jaar in Holland geweest. Haar meisjesnaam is Watanabe. Haar vader, baron Watanabe, was een groot vriend van Holland en de Hollanders, hij sprak onze taal met groot gemak en was een bewonderaar van de Hollandsche literatuur. Hij wilde dat zijn eenige dochter goed Hollandsch zou leeren en daarom had hij haar naar haar oom gezonden, die toen gezant in Den Haag was. Maar madame Ishi heeft haar Hollandsch geheel vergeten en kon zelfs geen enkel woord meer verstaan. Alle aanwezige dames namen op de een of andere wijze aan de vrouwenbeweging deel, die hier in Japan voornamelijk daarin bestaat, dat zij het onderwijs der vrouwen tracht te bevorderen en den maatschappelijken werkkring der vrouwen uit te breiden. Daarnaast hebben zij allerlei patriottische en philantropische vereenigingen.
Na de zeer goede lunch, die echter in geenen deele een Japansch karakter droeg, kreeg Mrs. Catt gelegenheid om het doel van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht uiteen te zetten. Zij deed dat in zeer korte trekken, legde voornamelijk het gewicht van haar speech op het aanstaande congres in Budapest, waar vele Aziatische vrouwen vertegenwoordigd zullen zijn en waar wij bij bijna alle volkeren, die wij in het afgeloopen jaar bezocht hebben, van eenige vrouwen toezegging ontvingen, om in elk geval een volledig rapport van den maatschappelijken en wettelijken toestand der vrouw in haar land te zullen zenden. Japan, het leidende land in Azië, moest natuurlijk op dat congres ook vertegenwoordigd zijn en zeer zeker mocht een rapport van dat land niet ontbreken. Met een paar woorden wees zij even op het feit dat China niet alleen vertegenwoordigd zal zijn, maar dat de Chineesche vrouwen nationaal georganiseerd voor vrouwenkiesrecht strijden en aansluiting aan den Wereldbond aangevraagd hebben. Dit is voor Japan de grootste prikkel om ook aan het werk te gaan. Bij China achterstaan, dat kan dit fiere Japansche volk niet verdragen. Een rapport werd verzekerd en eenige dames beloofden, als niet onvoorziene omstandigheden het onmogelijk maken, zelf in Budapest te komen om het rapport voor te lezen of aan te bieden.
Daarna werden wij in den kring onzer gastvrouwen door twee weekblad-reporters gephotographeerd en toen werden wij onthaald op muzikale voordrachten. Ik weet niet wat meer te bewonderen was, den eenvoud en de gratie van de artisten, dan wel het sublieme werk dat zij leverden. Wij kregen een piano-solo van Schumann en van Chopin, liederen van Weber, Franz, Rubinstein en Mattei en een viool-solo van Max Bruch te hooren, zoo volmaakt in uitvoering en voordracht, dat daaruit gerust de conclusie getrokken mag worden dat de Japanners in muzikaal opzicht zeer zeker de eersten onder de Aziatische en in geenen deele de laatsten onder de Westersche volken gerekend moeten worden. Hebben de Japanners tot heden nog geen wereldberoemde muzikale artisten geleverd, 't geen wij Donderdagmiddag te hooren kregen doet voor de toekomst veel verwachten. Het was zoo aardig die kleine handjes van de pianiste over de pianotoetsen te zien glijden en de kleine violiste haar klein viooltje te zien hanteeren; alleen de zangeres was een klein beetje grooter dan een gemiddelde Japansche, doch zij ontwikkelde een stemgeluid die een veel forscher gestalte zou doen vermoeden.
Om 5 uur spoedden wij ons naar Yokohama terug, omdat mrs. Catt beloofd had, daar dien avond in een literaire en muzikale club van uitlanders over de wereldbeweging voor vrouwenkiesrecht te zullen spreken. Toen wij daar 's avonds om 9 uur in de Van Schaick-Hall binnenkwamen, was de zaal geheel gevuld met Amerikanen, Engelschen, Duitschers, Franschen, Hollanders en misschien nog andere nationaliteiten, die mrs. Catt een warm welkom boden. Door den president der club, predikant Dearing, werd zij bij het publiek ingeleid met een speech, die het gevolg had, dat mrs. Catt onmiddellijk vuur vatte en dien avond sprak, zooals zij in haar beste momenten alleen kan spreken. De heer Dearing toch deed mrs. Catt alle eer aan, maar gaf, zonder het te willen, blijk, dat hij van de geheele vrouwenkiesrechtbeweging niets begrijpt en nooit de moeite genomen heeft zich er in te verdiepen. Noch van de beteekenis, noch van den omvang, noch van den voortgang, van deze beweging had hij eenig begrip en dat toonde hij glashelder in zijn korte inleiding aan. Bovendien las hij zijne vijf-minuten-speech van een papier, en toen direct daarna mrs. Catt opstond en met haar heerlijk geluid de prachtig gevormde zinnen, zoo logisch gedacht en zoo samenhangend, van haar lippen deed rollen, moest zij onwillekeurig bij elkeen de overtuiging vestigen, dat het bespottelijk is, dat zulken vrouwen elke invloed op de regeering wordt onthouden, terwijl den mannen, uit het feit alleen, dat zij man zijn, die invloed in alle constitutioneele landen is gegeven. Mrs. Catt gaf dien avond het geheele gezelschap herhaaldelijk gelegenheid om te schaterlachen over de dwaze positie, waarin de hedendaagsche vrouw door de veranderde sociale toestanden is komen te staan en waaruit zij nooit zal kunnen komen, zoolang de regeering uitsluitend in handen van mannen blijft. Glashelder toonde zij aan, dat onze strijd niet gaat tegen mannen, doch dat wij te strijden hebben tegen vooroordeel, bekrompenheid, zelfvoldaanheid en dergelijke hoedanigheden bij mannen en vrouwen beiden.
Met een enkel woord wil ik hier nog iets over het Japansche tooneel zeggen. Het naïeve ouderwetsche tooneel, waarbij de acteurs met een gemaakt hoog geluid spreken, alsof zij menschen uit een onder- of bovenwereld zijn en waarop alleen middeleeuwsche toestanden aanschouwelijk worden gemaakt, staat op het punt te verdwijnen en voor de in Azië overal veelvuldig verrijzende cinematografen plaats te maken. Hier en daar is nog zoo'n theater te bewonderen. De stukken duren meestal den geheelen dag, doch een gewoon mensch heeft er genoeg van als hij er een uur naar heeft gezien en geluisterd. Begrijpen doet men er niet veel van, maar het oog wordt onophoudelijk geboeid door de schilderachtige tooneeltjes; de kleeding, de houding, de grimeering der acteurs--ook de vrouwenrollen worden door mannen vervuld--alles doet aan de ouderwetsche Japansche plaatjes denken. Elk tooneeltje is een schilderij. Maar naïef is alles in groote mate. Tooneelveranderingen, costuumverwisseling, alles geschiedt bij open doek; de man of mannen, die daarbij dienst doen, verschijnen in een zwart gewaad en met een zwarten sluier voor, wat beteekent, dat men ze eigenlijk niet zien moet, dat zij eigenlijk niet bestaan. Geesten komen natuurlijk ook ten tooneele, die houden zeer huiselijke praatjes en verdwijnen of worden verondersteld, dat zij verdwenen zijn, als een zwart doek hun gestalte bedekt. Het is voor de vele vreemdelingen, die Japan tegenwoordig overstroomen, jammer, dat dit stukje ouderwetsch Japansch leven op het punt staat van de aarde te verdwijnen. In Tokyo, de drukke havensteden en in Kyoto worden thans stukken van Bernard Shaw, Ibsen, Sudermann, Shakespeare, Molière in het Japansch vertaald opgevoerd, waarbij de censuur brutaalweg die momenten schrapt, die gevaarlijk voor de Japansche jeugd worden geacht. Dat zijn niet de scrabeuse punten, als men die bij zulke schrijvers meent te moeten zoeken, maar dat zijn de gedeelten, waarin de oudervereering niet haar deel krijgt, of waarin de vrouw niet genoeg op haar plicht, zich alles te laten welgevallen, gewezen wordt, of waarin de man niet als het superieure wezen verschijnt. In deze moderne stukken spelen nu ook vrouwen mede en het zijn de meisjes uit de gegoede kringen, die zich aan het tooneel, het nieuwe, willen wijden. Eenige zeer goede actrices zijn reeds gevormd.
Daar ik vóór mijn vertrek uit Japan Kyoto nog wilde zien, verliet ik mrs. Catt Vrijdagmorgen, om naar deze stad te gaan. Zij gaat Zaterdagmorgen en voor dien laatsten dag liet ik haar bij hare Amerikaansche kennissen achter. In Kyoto aangekomen nam ik onmiddellijk een gids, die mij voor de paar dagen die ik er verblijven moet zal vergezellen en overal rondgeleiden. Natuurlijk bracht hij mij het eerst naar een tempel, den oudsten tempel in Japan, 'n tempel vol van historische bijzonderheden; maar ik heb in de laatste maanden zoovele tempels gezien, die uit den aard der zaak alle in hoofdzaak overeenstemmen, dat ik mijn gids in zachte woorden te verstaan gaf, dat hij mij Kyoto met alle Japansche bijzonderheden moest laten zien, maar dat ik van tempels nu genoeg had.
Kyoto is van alle Japansche steden in menig opzicht de interessantste, want zij is geheel en al Japansch, vreemde invloeden hebben er nog niet veel verandering gebracht. Van 749 tot 1867 was Kyoto de hoofdstad van Japan en de residentie van den Mikado. Het hof is nu naar Tokyo overgebracht, maar Kyoto blijft toch de grootste aantrekking voor de vele vreemdelingen die Japan willen zien en het Japansche volk willen leeren kennen. De stad ligt bovendien in de mooist denkbare omgeving, zoodat de mooiste uitstapjes van hieruit gemaakt kunnen worden. Kunst en industrie, Japansche kunst en industrie wel te verstaan, hebben hier hun hoogtepunt bereikt en de zijde-, porselein-, brons- en ivoorwinkels stallen een pracht uit, die alleen een bezoek aan deze stad zouden rechtvaardigen. Het paleis en het kasteel, waar vroeger de keizer en de Shogun woonden, zijn nu voor het publiek te bezichtigen en zijn ter wille van de zeldzame schilderijen een bezoek waard.
Toen mijn gids wist wat mij eigenlijk het meest interesseerde bracht hij mij eerst naar een chrysanthemum-tuin, een publieke gelegenheid, waar de mooie najaarsbloemen in volle pracht aanwezig waren. Maar toch was ik daar zeer teleurgesteld, want onder al die vele bloemen, in groote verscheidenheid, was er niet een zoo mooi als ik ze in Holland dikwijls gezien heb. Daarbij kwam, dat men heel smakeloos, van elke plant een of ander figuur had gemaakt, door de bloemen onzichtbaar langs ijzerdraad te geleiden. Er waren scheepjes, violen, tempelpoorten, waaiers, parapluies, etc., het kwam mij voor dat de bloem door die gedwongen houding niet tot wasdom heeft kunnen komen.
Een korten tijd vertoefden wij in een wassenbeelden-vertooning, alwaar zeer plastische scènes uit de Japansche geschiedenis, of liever de Japansche mythologie, waren in beeld gebracht. Hoewel ik nog slechts kort geleden die geschiedenis las, was deze opfrissching van mijne memorie mij toch zeer welkom. Dat naïeve geloof der Japanners dat hun Mikado regelrecht van God, hun God, afstamt, geeft hun politiek leven een bijzondere kleur. Als men ziet hoe tal van eenvoudige landslieden dagelijks pelgrimstochten maken naar de begraafplaats van den pas overleden keizer, daar offers brengen en uren lang liggen te bidden, dan begrijpt men pas van welke beteekenis het is het eenvoudige volk in het geloof te brengen, dat God de oervader van de keizers der Japanners is. Hun geschiedenis, die vol is van onderlinge oorlogen, oorlogen zoo wreed en zoo bloedig dat men verbaasd is dat er nog Japanners zijn overgebleven, vertelt brutaalweg dat Japan in oorlog met andere volken steeds de overwinnaar is gebleven, wat natuurlijk een gevolg is van de hooge bescherming waaronder het land staat. Zelfs in oorlogen waarbij zij het onderspit hebben moeten delven, weten zij de geschiedenis toch zoo te verdraaien dat het eigenlijk voor hun eene overwinning is geweest. Tegenwoordig gelooven zij, dat Japan niet alleen het leidende land der Aziatische volken is, maar dat weldra ook Europa en Amerika bij Japan ter school zullen gaan. Alleen enkele pessimistische Japanners waarschuwen hunne landgenooten openlijk in de dagbladen om geen verkeerde stappen te doen, omdat zij vreezen dat Japan thans zijn hoogtepunt heeft bereikt en een stilstand of achteruitgang in ontwikkeling wel eens spoedig zou kunnen intreden.
Wij gingen daarna de Nyokoba, een gouvernementschool voor Geisha's bezoeken. Dit is zeker wel het toppunt van brutaliteit. Een regeeringsinrichting voor dansmeisjes en Geisha's! In geen land ter wereld treedt de prostitutie zoo schaamteloos op, wordt zij door de regeering zoo in de hand gewerkt en wordt zij zoo royaalweg beschouwd als een sociale instelling als in Japan. Maar laat mij er onmiddellijk aan toevoegen dat ook nergens de prostitutie zoo aantrekkelijk wordt gemaakt en dat het voor oppervlakkige toeschouwers lijkt, alsof zij al het walgelijke heeft afgelegd. In deze Nyokoba waren 570 leerlingen, meisjes van 8-15 jaar, die uit alle deelen van het land kwamen en die daar opgeleid worden, om, na een schooltijd van 3-5 jaar, aan den meestbiedenden bordeelhouder verkocht te worden. De ouders dezer kinderen hebben een maandelijks schoolgeld van 8 yen te betalen, waarvoor hun dochtertje dan kost, inwoning en onderricht ontvangt. Dat schoolgeld wordt echter gaarne betaald, want na eenige jaren daar geweest te zijn, brengt zoo'n kind van één tot twee duizend yen op. Voor dat geld moet zij dan drie jaar dienst doen en heeft zij gedurende die jaren niet het geluk, om, tengevolge van hetgeen van haar gevergd wordt, ziek te worden en in een hospitaal te sterven, dan heeft haar vader het recht, haar daarna opnieuw te verkoopen. Eenige jaren geleden hebben wij in het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht een brief gepubliceerd, die door een groep van zulke meisjes tot eenige Amerikaansche vrouwen gericht was, met 'n noodkreet om haar te hulp te komen en de Japansche meisjes te redden uit een leven van diepste ellende, waarin zij vaak gestooten worden doordat de vader een opiumschuiver of speler is en dan zijn schulden betaalt met het geld, dat hij voor zijn dochter kan maken. Onwillekeurig kwam die brief mij voor den geest, toen ik deze Geisha-school, zooals de volksterm luidt, bezocht en die honderden jonge slachtoffers daar zag zich voorbereiden voor haar ongeluk. Het kwam mij voor, dat een sombere trek in al die lieve gezichtjes aanwezig was. Het is mogelijk, dat Japan's moraliteit niet lager staat dan die van alle andere naties, dat de immoraliteit hier alleen openlijker optreedt, doch alvorens Japan onder de beschaafde volkeren kan gerekend worden, zal zijn opvatting der prostitutie toch zeker een totale wijziging moeten ondergaan. Op die school wordt voor de kleintjes ook elementair onderricht gegeven in rekenen, schrijven, lezen etc., doch het onderwijs is er voornamelijk op ingericht om de verschillende kunsten te leeren, die een Geisha aantrekkelijk maken. Muziek, zang en dans, zich kappen en grimeeren, zijn de hoofdfactoren bij het onderwijs. De meeste onderwijzeressen zijn oude vrouwen, vroegere Geisha's, alleen voor zeer enkele vakken zijn mannen voor het onderricht aangesteld. Wij woonden er een muziek- en dansles bij. Bij deze laatste zagen wij een stuk van den beroemden Nö-dans instudeeren. Deze dans werd vroeger alleen op zeer bijzondere dagen aan het hof en voor de keizerlijke omgeving uitgevoerd, doch tegenwoordig wordt zij ook op het tooneel voor een betalend publiek gegeven, waarvoor dan altijd de Japanners uit alle deelen van het land overkomen. Er zijn nu reeds drie avonden in de Maand November voor Nö-dansen aangekondigd en de gids verzekerde mij, dat, wilde men op een dier avonden zeker zijn van een plaats in het theater, de kaarten dan nu reeds genomen moesten worden. Enkele van de leerlingen der Nyokoba, die bijzonder uitmunten in het dansen, worden ook wel aan theaterdirecteuren verkocht, maar dan is haar leven niet zooveel beter, want maar al te dikwijls moeten zij ook voor den directeur door dansen en op andere wijze het geld weder opbrengen, wat hij voor haar betaalde. Het spreekt van zelf, dat, in een land als hier, de prostitutie een gepatenteerd beroep is en de Staat van iedere Geisha een zekere belasting trekt, die hooger is, naarmate ook het meisje meer opbrengt voor den eigenaar.
Wij zijn gewend al die meisjes Geisha's te noemen; de Japanner maakt echter een groot verschil tusschen een Geisha en een gewone prostituee. Geisha's zijn de meisjes, die in de clubhuizen een bepaalde club heeren dienen, of in de theehuizen dienst doen, terwijl de prostituee 's avonds achter hare tralies te pronk zit en elken binnenkomende moet dienen. Elke min of meer groote stad in Japan heeft een heele buurt, waarin deze huizen gevestigd zijn en waarbinnen alleen deze vrouwen zich vrij mogen bewegen. In andere straten mogen zij niet komen.
Morgenochtend ga ik Japan verlaten; ik heb er dan juist genoeg van gezien om den wensch levendig te houden, er nog eens terug te mogen komen. Want bij al het artistiek mooie wat het land te bewonderen geeft, heeft het ook een heerlijk klimaat, waarin men zich frisch en opgewekt gevoelt, en bezit het bijna overal goede hotels, met matige prijzen, waarin de bezoeker niet geëxploiteerd wordt. Laat mij er nog aan toevoegen, dat in geen land in de heele wereld de spoorwegmaatschappijen zoo goed zorgen voor de passagiers als in Japan. Aan elk station zijn steeds tal van spoorweg-aangestelden aanwezig, die uitstekend voor de bagage der reizigers zorgen en waarvoor men niet verplicht is te betalen. Een fooitje van 'n dubbeltje voor 5 à 6 stuks bagage, maakt deze mannen uiterst dankbaar en men kan zeker zijn, dat alles terecht komt, waar men het besteld heeft.
OP DEN TERUGTOCHT.
Bij een opkomende zon op een prachtigen herfstmorgen verliet ik Kyoto, in een dankbare stemming voor al het schoone en aangename wat Japan mij in korten tijd van mijn verblijf geboden heeft. Alle voorzorgen waren door den hotelier van het Kyoto-hotel genomen, dat mijne bagage goed bezorgd werd en ik eene goede plaats in den trein kreeg. Hij had zelfs naar een zijner collega's in Tsuruga getelefoneerd om aan den trein te zijn en daar te zorgen dat ik goed op de boot, die mij naar Vladivostock moest voeren, met al mijne bagage terecht kwam. De vriendelijkheid en voorkomendheid der Japansche hoteliers, de goede bediening, de zindelijkheid en de goede keukens in hunne hotels, wordt in geen enkel land overtroffen. In het algemeen genomen, kan ik gerust zeggen, dat Japan in dit opzicht zeer zeker boven alle andere landen in Azië staat en dat slechts weinige Europeesche landen het daarin evenaren. Japan trekt met elk jaar meer toeristen, die er bijna allen met het grootste enthusiasme vertoeven; alle krachten werken er samen om het verblijf in en het reizen door het land gemakkelijk te maken en te veraangenamen. In de grootste en beste hotels worden matige prijzen gevraagd, de spoorwegen zijn goedkoop en de meeste winkels zijn betrouwbaar. Het is mogelijk, dat de Japanner zich er vroeger op heeft toegelegd, om door bedrog rijk te worden, tegenwoordig doet elkeen echter zijn best om eerlijk te handelen. Toen wij in China waren, hebben wij steeds gehoord, dat de Chineezen betrouwbaarder dan de Japanners zijn, dat men in China de handelaars kan vertrouwen en in menigen winkel, waar wij trachtten koopjes te doen, werd ons gezegd "gij zijt niet in Japan, wij Chineezen bedriegen de menschen niet", wat zooveel beteekende, als dat wij den gevraagden prijs betalen moesten of konden heengaan. En in Japan nu hoorden wij precies het omgekeerde. Als wij probeerden af te dingen, dan werd ons herhaaldelijk verzekerd, dat Japan geen China is en dat men de Japanners vertrouwen kan. In hoeverre dit laatste waar is, weet ik niet, maar wel weet ik, dat in Japan alles veel mooier en veel goedkooper is dan in China, en dat verschillende winkels ons attent maakten op het verschil in kwaliteit der goederen en wij voor zeker soort goed bijna overal denzelfden prijs moesten betalen. Ik heb zeer sterk den indruk gekregen, dat Japan betrouwbare winkeliers bezit en men in geen land in de wereld voor weinig geld zooveel kan koopen als daar.
Op mijn reis van Kyoto naar Tsuruga, had ik nog de gelegenheid het mooie landschap in Japan te bewonderen. De geheele weg toch voer tusschen prachtige bergen, soms tot boven toe beplant met theeboompjes, langs rivieren en meren en bracht mij om één uur in Tsuruga. Er was nog één heer van Kyoto, ook met bestemming voor de boot naar Vladivostock, met mij medegekomen. De sneltrein die van Tokyo en Yokohama de reizigers van de Trans-Siberische lijn vervoert, was reeds een uur te voren gearriveerd en de agenten voor die lijn waren met deze passagiers op weg naar de boot en zouden niet vóór drie uur voor de tweede maal gaan. Ik ging dus met den vertegenwoordiger van het Kaimugo-Hotel, tot wien de hotelier uit Kyoto getelefoneerd had, mede om daar eerst te lunchen, om tegen drie uur met het kleine stoombootje naar de Portawa, zoo heet de boot, te gaan. Eerst moest echter mijn paspoort nagezien worden. Gelukkig had de heer von Zeppelin, onze consul-generaal in Shanghaï, er voor gezorgd, dat mijn paspoort in elk opzicht in orde was, ook had hij het door den Russischen consul laten viseeren. Het werd dan ook op het bureau van den Russischen Volunteer fleet, waar ik het moest laten nazien, goedgekeurd en om drie uur kon ik aan boord gaan.