Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 64
De 123 Christenen worden beschuldigd van politieke samenzwering en van eene poging om den gouverneur-generaal van Korea, een Japanner, te hebben willen dooden. Een jaar geleden zijn zij daarvoor gevangen genomen, zonder vorm van proces, en alleen met de grootste moeite en financieele offers hebben de vrienden en geestverwanten van deze ongelukkigen gedaan gekregen, dat ten slotte hun zaak voor een open gerechtshof in behandeling is gekomen. In het jaar, dat zij in de gevangenis te Seoul hebben doorgebracht, en men moet de gevangenissen hier kennen, om er al het verschrikkelijke van te begrijpen, heeft men alle contact met familieleden, vrienden en geestverwanten verhinderd en hen aan zulke folteringen blootgesteld, dat het een wonder is, dat niet allen aan de gevolgen zijn overleden. Slechts één van hen stierf en een ander is krankzinnig geworden. Zaterdag, voor het gerechtshof, waar alle gevangenen met groote korven-hoeden, zoodat niemand hunne gezichten kon zien, en zij van hunne vrienden geen troostende groet of sympathie-uiting konden opvangen, twee aan twee vastgebonden, werden voorgebracht, kwam de vreeselijke foltering aan den dag, die men deze ongelukkigen heeft doen ondergaan.
Onder hen bevindt zich een man van invloed en fortuin, baron Yung Chiho, een zeer vroom Christen, die aan het hoofd van de Christengemeente in Seoul staat, en die overal in Korea de oprichting van Christelijke onderwijs-inrichtingen zeer sterk met zijn geld steunt. Hij wordt beschuldigd aan het hoofd der samenzwering te staan, op grond van hetgeen hij predikt, waarin herhaaldelijk van een "nieuw koninkrijk" wordt gesproken, wat in de ooren der Japanners beteekent, een opstand tegen Japan om een nieuw koninkrijk Korea te stichten. Zijne volgelingen worden beschuldigd de tegenwoordige gouverneur-generaal te hebben willen dooden als begin van den opstand. Onder dezen bevonden zich 40 schooljongens, leerlingen van een zendelingenschool, waarvan 17 Zaterdag in vrijheid zijn gesteld, de eenigen, wien dat geluk te beurt is gevallen. Baron Yung en 6 anderen werden tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld, 19 tot 7 jaren, 40 tot 6 jaren en 43 tot 5 jaren. De veroordeeling geschiedde op grond van de bekentenis, die zij allen in den loop van het jaar hebben afgelegd, eene bekentenis, die door allen in de terechtzitting werd herroepen, omdat zij die in de gevangenis hebben afgelegd na de meest onduldbare folteringen, die zij te doorstaan hebben gehad. Die folteringen beschrijven, kan ik niet, zij zijn de gemeenste, de gruwelijkste, waarvan ik ooit gehoord heb. De familie en vrienden, die tal van getuigen hadden medegebracht, om de onschuld van de veroordeelden te bewijzen (enkelen van dezen bevonden zich in Amerika op den datum, dat de voorgewende aanval op den gouverneur-generaal zou hebben plaats gevonden) werd niet veroorloofd te spreken en zelfs de twee Japansche advocaten, een paar Japanners, die geheel te goeder trouw zijn, hebben geen verlof kunnen verkrijgen, om hunne verdediging uit te spreken. Deze twee zullen nu trachten de zaak voor een ander hof te doen behandelen en onderwijl zal de Amerikaansche pers groote ruchtbaarheid geven aan het voorgevallene, om daardoor indirect invloed op de Japansche regeering uit te oefenen. De Japanners vreezen op dit oogenblik niets zoozeer dan hun goeden naam in de Vereenigde Staten te verliezen, zij flirten met Amerika en wordt deze vervolging in alle bijzonderheden in Amerika bekend, dan zal dit ongetwijfeld kwaad doen aan de onderhandelingen, die beide landen onderling te voeren hebben.
Voor de Hollanders is de geschiedenis van Korea bijzonder interessant, omdat eenige onzer landgenooten daarin een avontuurlijke rol gespeeld hebben. Het was in 1627, dat eenige Hollanders daar voor het eerst voet aan wal zetten. Een Amerikaansch schrijver, Griffis, vertelt daarvan in zijne geschiedenis van Korea, "dat een groote, blauwoogige, rood-gebaarde robuste Hollander, Jan Weltevree genaamd, geboren in de stad De Rijp in Noord-Holland, in 1626 in Texel aan boord ging van het schip "De Hollandia", met het doel schatten uit Japan te halen. In 1627 aan de kust van Korea aangeland, ging hij met eenige schepelingen aan wal om water te halen. Jan Weltevree werd toen door de Koreërs gevangen genomen en als "een Zuidelijke wilde" aan den koning van Korea ten geschenke gegeven. Deze witte man, die door den koning als een "geest" beschouwd werd, die van veel waarde was, werd niet gedood, maar, hoewel aan het hof gevangen gehouden, werd hij daar met vriendelijkheid en zekere eerbewijzen behandeld. Gedurende 27 jaren heeft hij den koning als raadsman in allerlei zaken gediend."
"In 1653 verliet een ander schip het eiland Texel, ook bestemd voor Japan. Aan boord van dit schip, "De Sperwer", bevond zich Hendrik Hamel, die later de geschiedschrijver werd van hunne avonturen en van die van Jan Weltevree. In 1654, gedurende een hevige typhoon, leed dit schip, nabij de kust van Korea, schipbreuk, waarbij 36 van de 64 opvarenden levend aan land spoelden. Deze werden eerst met rijstwater gelaafd en toen voor den koning gebracht, die hen door Jan Weltevree liet ontvangen. Hoewel Jan in de groote neuzen, roode baarden en witte gezichten, onmiddellijk zijne landgenooten herkende, kon hij in den beginne toch niet met hen praten, omdat hij zijn moedertaal vergeten was. Eerst na een maand omgang met deze Hollanders, kon hij zich weder verstaanbaar maken. Ondertusschen beproefden deze 36 mannen eenige malen te ontvluchten, wanneer zij een schip in zee zagen. Zij werden echter telkens in hun vlucht verhinderd en als gevolg van deze pogingen werden zij strenger bewaakt en meer als gevangenen behandeld. Zij moesten aan het hof den koning amuseeren, de soldaten drillen en het volk in allerlei industrie, die zij kenden, onderwijzen".
Van het leven van deze Hollanders, waarvan herhaaldelijk deze en gene stierf, vertelt Griffis tal van bijzonderheden, totdat het ten slotte de weinig overlevenden in den nacht van 4 September 1667 gelukte te ontvluchten en met een kleine boot de kust van Japan te bereiken, waar zij door de Japanners, toen zij zich als Hollanders hadden bekend gemaakt, vriendelijk werden opgenomen. Den 20sten Juli 1668, stapten zij in Holland aan wal.
Dit boek van Hendrik Hamel, dat ook in andere talen vertaald is geworden, schijnt het eerste boek geweest te zijn, dat over dit land en zijn volk met werkelijke kennis van zaken handelt. Langen tijd heeft men gemeend, dat bij de beschrijving der menschen en toestanden de fantasie van Hendrik Hamel een groote rol heeft gespeeld, maar het blijkt ten slotte, dat alles naar waarheid is geboekstaafd en dat dit boek thans nog dienst doet om vele onverklaarbare zaken tot een oplossing te brengen. Griffis geeft onzen voormaligen landgenoot alle eer van zijn werk en schijnt geen enkel neergeschreven woord in twijfel te trekken.
Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul aankwamen, had daar juist eene andere bijzonderheid plaats gevonden. Zes weken geleden was daar den broeder van den ex-keizer gestorven en die was dien dag op oude Seoul'sche of Korea'sche wijze begraven. Nog eenmaal kan eene dergelijke plechtigheid in dit land plaats vinden, als namelijk de nog levende oude keizer zelf sterft en begraven wordt. De begrafenis had plaats in de bergen op ongeveer 15 mijlen afstand van Seoul, daar moest het lijk gebracht worden door de volgelingen en niet voor Zondagavond kon de stoet van daar terugkomen. Wij zouden dus gelegenheid hebben de terugkomst te zien. Wij hoorden, dat men in Korea, evenals in China, twee of meer doodkisten in de begrafenisstoet opneemt. In een ligt natuurlijk het lijk, de andere kisten zijn leeg. Bij den ouden keizer in China, begroef men twaalf doodkisten, deze broeder van den ex-keizer van Korea had slechts een tweede kist, die hem vergezelde. De dragers van beide kisten loopen dan eens rechts, dan eens links van den weg, dan vlak voor elkaar, dan weer de een aan den een, de andere aan den anderen kant van den weg. Dat geschiedt om de straatgeesten in de war te brengen, zoodat die niet weten, tot welke kist zij zich te wenden hebben als zij met kwade bedoelingen naderen.
Wij hadden voor Zondag den geheelen dag een Engelsch sprekenden Korea'sche gids aangenomen, die ons alle bijzonderheden van Seoul moest laten zien en er voor moest zorgen, dat wij 's avonds de terugkomst der begrafenis in al haar bijzonderheden konden waarnemen. Den geheelen dag brachten wij in tempels, parken, oude paleizen en in het museum door. Vooral dit laatste is een bezoek overwaard. Het museum is door de Japanners aangelegd en bevat tal van oudheden uit de geschiedenis van Korea. Verreweg het grootste deel van al het aanwezige is in oude graven gevonden of komt uit de paleizen der vroegere vorsten en aanzienlijken. Alles is met zorg gerangschikt, van Japansche en Engelsche etiketten voorzien, en ziet er goed onderhouden uit. Een groot verschil met wat wij gewend waren in China van dien aard te zien.
's Avonds om acht uur, terwijl wij nog aan tafel zaten, kwam de gids ons waarschuwen om mede te gaan, want de begrafenisstoet was in aantocht. Door eene dichte volksmenigte, ik kan gerust zeggen, dat heel Seoul dezen prachtvollen avond op de been was, gingen wij in de rickshaws, ongeveer twintig minuten ver, tot wij even buiten de stad aangeland waren. Daar was een groot open veld, aan drie zijden met zeildoek omspannen, waarop met wit linnen bedekte tafels en vele stoelen stonden, en tal van in het wit gekleede priesters en Korea'sch en Europeesch gekleede heeren rondliepen. De gids ging naar een der heeren, die onmiddellijk daarna met hem terugkwam, ons vroeg uit de rickshaws te stappen en hem naar het veld te volgen. Daar werd ons elk een stoel aangeboden en konden wij de geheele ceremonie van nabij volgen. De Korea'sche heer, die vrij goed Engelsch sprak, vertelde ons, dat de daar aanwezige heeren, voor zoover zij geen priesters waren, allen behoorden tot de notabelen van de stad, die óf nog het bestuur van de stad uitmaakten, óf vroeger onder den ex-keizer eene staatsbetrekking hadden bekleed. Hij zelf was legercommandant geweest. Deze heeren en priesters waren allen daar, om den zoon van den overledene, die zijn vader begraven had, vóór hij de stad weder binnenging, hunne sympathie te betuigen. De stoet zou vóór het veld een oogenblik halt houden, de zoon zou uit zijn draaistoel stijgen en op de overdekte mat, in een der hoeken van het zeildoek neergelegd, de troostwoorden der vrienden in ontvangst nemen. Op de tafels brandden tal van kaarsen en door groote houtvuren werd de verlichting aangebracht.
Het werd ruim 9 uur alvorens de stoet naderde; eindelijk kwam de voorrijder, een man met een groot vaandel op een prachtig paard. Hem volgden dubbele rijen mannen en vrouwen te paard, die geheel in grauwe zakken waren gehuld en luidkeels weeklaagden. Aan beide zijden van dezen stoet liepen mannen met reuzen-groote roode lampions, die van onder en boven een blauwen rand vertoonden. Daar tusschendoor liepen mannen met fakkels, lange, brandende stukken hout, die zij meestal over den grond sleepten, zoodat de vonken wijd en zijd uiteenspatten.
Achter dezen stoet kwamen de draagstoelen. In de eerste zat de oudste en trouwste bediende van den overledene; in de tweede (zoo werd ons verteld) lag een stuk papier, waarop de naam en de bijzonderheden van den overledene geschreven stonden, in dien stoel zat dus zijn geest, en daarachter volgde de stoel van den zoon. Deze stapte uit en ging ons rakelings voorbij, naar de mat. Hij zelf was als priester gekleed en een werkelijke priester liep en stond aan elke zijde van hem. Elk der aanwezige heeren reikte hem successievelijk de hand en sprak een paar woorden, zooals ook bij ons geschiedt, de priesters spraken eenige gebeden uit en toen zette de stoet zich weder in beweging. Bij het tweede gedeelte van den stoet liepen aan weerszijden vroegere Koreasche soldaten als lampions- en fakkeldragers. Deze hadden groote, witte lampions met roode randen. Tusschen de stoeldragers en fakkeldragers in, liepen in het wit gekleede, met zwarte hoofddoeken bedekte vrouwen, die luide weeklaagden. Een allerdwaast, fantastisch gezicht, leverde het geheele schouwspel op, dat toch iets bijzonder tragisch had, omdat het volk merkbaar voelde, dat met dezen doode een stuk van hun geschiedenis grafwaarts daalde. Alleen nog de oude 67-jarige keizer is van het oude vorstenhuis over, een man, die door het geheele volk geliefd wordt, om zijn eenvoudigheid en goedhartigheid.
Al die weeklagende vrouwen, al die lampion-, stoel- en fakkeldragende mannen, alle inzittenden in de draagstoelen, (achter den zoon van den overledene volgde een heele stoet mannelijke familieleden en nabestaanden) hadden op diezelfde wijze 30 mijlen afgelegd, sedert den vorigen morgen, zonder dat zij gerust, gegeten of gedronken hadden; zij moeten allen over een groot uithoudingsvermogen beschikken, om die taak te hebben kunnen volbrengen.
De onderwerping aan Japan bevalt den Koreërs geenszins; Japan zal rechtvaardiger, beschaafder en wijzer moeten optreden, wil het op den duur de genegenheid van het volk verwerven.
II.
Ik sloot mijn vorigen brief over Korea zonder veel van Seoul en het land zelf verteld te hebben, maar ons verblijf was er te kort om er veel van te zien. Het waren slechts indrukken, die wij in den trein en aan de stations en gedurende ons 1 1/2 dag verblijf in Seoul opdeden. Maandagmorgen zetten wij onze reis naar Fusan voort, om van daar met de nachtboot door te gaan naar Shimoniseki, een havenplaats in Japan. Gedurende den geheelen dag hadden wij nog gelegenheid van uit onze waggonraampjes het mooie, vruchtbare land te bewonderen en de smakeloos gekleede menschen te zien.
Maar ook zagen wij de goede hygiënische zorgen der spoorwegmaatschappij, die hier een Japansche is. Aan verschillende stations, waar de treinen 5 minuten oponthoud hebben, wordt den passagiers der derde- en tweede klasse gelegenheid gegeven, zich frisch te wasschen. Een groote waschtafel met twaalf kranen, waaruit stroomend water in losse koperen bakken, vloeit, geeft tegelijkertijd een dozijn passagiers gelegenheid om zich te verfrisschen. Zeep en een handdoek moet ieder zelf medebrengen of is voor een kleinigheid te krijgen. Overal waar wij deze waschinrichtingen aantroffen, zagen wij mannen, vrouwen en moeders met kinderen, handen, gezicht en dikwijls ook het hoofd reinigen. Voor de eerste-klasse-passagiers waren voldoende en zindelijk onderhouden waschgelegenheden in den trein.
Van Fusan naar Shimoniseki is een boottocht van twaalf uren, maar deze overtocht van Korea naar Japan op het punt, waar de Gele Zee, de Japansche Zee en de Stille Oceaan samenstroomen, is dikwijls zeer onstuimig en de kleine bootjes, die dezen overtocht bewerkstelligen, zijn niet altijd in staat tegen de moeilijkheden op te tornen, die zich op hun weg kunnen voordoen. Wij kwamen na een onrustigen nacht veilig aan wal, maar de boot, die den volgenden nacht ging, heeft een zeer slechte reis gehad en heeft zijne passagiers in een geheel verkeerde richting gebracht, zoodat zij in plaats van 's morgens in Shimoniseki 's middags in Nagasaki aangeland zijn.
Wij zetten Dinsdagmorgen om 8 uur in Japan, het land van de Rijzende Zon, voet aan wal. Daar de trein pas om tien uur uit Shimoniseki zou vertrekken, hadden wij ruim gelegenheid om even per rickshaw het geheele havenstadje, dat uit een lange straat bestaat, in oogenschouw te nemen. Daar was niets bijzonders te zien; het was een Japansch havenstadje, met Japansche bewoners, waarvan, zooals in elke havenstad, velen zeer sterk een gemengde afkomst verraden.
Om twee uur kwamen wij aan het station Miyajima aan, onze eerste plaats van oponthoud in Japan. Miyajima is een eiland; om er te komen, moesten wij met het kleine electrische bootje van het Mikado Hotel oversteken, of met de groote veerboot van de spoorwegmaatschappij gaan. Het was mooi, stil weder, daarom verkozen wij de eerste.
Dit eiland is een heilig eiland en een van de drie mooiste punten van Japan. De laatste renommé verdient het ten volle, want moeilijk kan men zich op aarde mooier plekje grond voorstellen. Het is zeer berg- en rotsachtig, doch geen enkele van de bergen reikt hooger dan vijf à zeshonderd meter en dit geheel is met oeroude, dichte bosschen bedekt. Wij zagen oude kamferboomen uit de 7e en 8e eeuw; en oude waringinboomen, waarvan men den leeftijd niet kan aangeven. Maar bovenal gaven de mapleboomen, die zich thans in hun prachtige herfsttint vertoonen en waarvan er geheele lanen vol waren, iets onbeschrijfelijk schoons aan dit eiland. De aardige, schilderachtige Japansche huisjes, die zich over het geheele eiland nestelen tusschen het kleurige groen, met de veelkleurig gekleede vrouwen en de snoezige, spelende Japansche kindertjes, voltooiden het beeld, dat wij soms op oude Japansche prenten kunnen bewonderen en dat dan den indruk maakt, alsof de schilder zijn phantasie sterk heeft laten werken. Hier zagen wij het in werkelijkheid.
De heiligheid van het eiland vindt zijn oorzaak in het feit, dat het oorspronkelijk niets dan een grooten tempel, een Shinto-tempel, bezat, en er toen alleen eenige Shinto-priesters leefden. Thans bevat het ongeveer 3000 inwoners, die voor het grootste deel leven van de vele Japanners en vreemdelingen, die jaarlijks dit eiland bezoeken en er soms langen tijd vertoeven. Het Mikado-Hotel, waarin wij afgestapt waren, is een uitstekend geleid en schilderachtig gelegen hotel, dat als het ware de gasten lokt tot een lang verblijf. Wij begonnen onmiddellijk onzen tocht over het eiland en bezochten den vermaarden tempel. De groote poort, de Tor, zooals die hier genoemd wordt, reikt bij vloed ver in zee, en maakt dan een zeer eigenaardigen, grootschen indruk. Deze Tor komt bijna op alle Japansche illustraties voor. Iedereen, die wel eens over Japan gelezen heeft, heeft ook eene afbeelding van deze poort gezien. Allervreemdst zijn die Shinto-tempels. Zij onderscheiden zich in bijna elk opzicht van de Buddha-tempels, doch het onmiddellijk opvallend verschil is, dat er in deze tempels geen afgodsbeelden zijn. De Shinto-godsdienst, dat is in hoofdzaak de godsdienst der Japanners, bezit wel een legio afgoden, eenige honderdduizenden, maar die zijn niet in de tempels in beeld gebracht en behoeven niet aangebeden te worden. Het is eigenlijk de gemakkelijkste godsdienst, die men zich denken kan. Slechts eens in het jaar behoeven de belijders naar den tempel te gaan. Voor het overige bevat hun zedeleer slechts dit ééne voorschrift: "Volg uwe natuurlijke impulsies en gehoorzaam de voorschriften van den Mikado". De Shinto-priesters zijn gewone menschen, die alleen 's avonds en 's morgens priesterdiensten vervullen, doch verder den geheelen dag houtsnijwerk, beeldhouwwerk, boetseeren, schilderen of zoo iets doen. Shinto is een Chineesch woord, dat "de Weg der Goden" beteekent. Het is een mengsel van de vereering der natuurverschijnselen en van voorvaders. Aether, lucht, wind, water, vuur, aarde en voedsel, evenals sommige bergen, rivieren, boomen en dieren zijn heilig voor de belijders van den Shinto-godsdienst. Terwijl wij in den tempel waren, werden er achtereenvolgens twee kinderen gedoopt. Gedoopt is misschien niet het goede woord, maar 't geeft toch het best weder wat geschiedde. De moeders knielden met het jonge wicht op een mat neder, een priester prevelde eenige woorden, waarbij hij herhaaldelijk in de handen klapte, twee jonge meisjes, tempelmaagden, voerden eenige bewegingen uit, waarbij ook zij in de handen klapten, toen raakte de priester het hoofdje van het kind met een stuk papier, waarvan er honderden aan een langen stok bevestigd waren, aan, en de plechtigheid was afgeloopen. De moeder offerde daarvoor twee kopercenten. Wij lieten ons naderhand door den priester dien doop verklaren. Het papier, dat het hoofdje van het kind had aangeraakt, bevat den naam van een god of godin. De geheele plechtigheid beteekent, het kind een schutsengel te geven. De god, wiens naam op het papier geschreven staat, is daarmede tot petevader over het kind aangesteld.
Een bijzonderheid van dit eiland is, dat er niemand mag sterven of geboren worden. Als iemand ziek is en de dokters beginnen het ernstig in te zien, dan moet zoo'n lijder van het eiland verwijderd en ergens in een ziekenhuis opgenomen worden. Zwangere vrouwen mogen de laatste maanden niet op het eiland doorbrengen en bij eene ontijdige geboorte, wordt de moeder onmiddellijk met het, zoo mogelijk nog ongeboren vruchtje, naar het naastbijzijnde stadje overgebracht. Ook mogen er geen rijtuigen, van welken aard ook, op het eiland komen. Zelfs geen rickshaws of rijwielen, zelfs geen kruiwagen om de koffers der passagiers van het hotel naar de veerpont te brengen. Iedereen moet er loopen, alles moet er gedragen worden. Dit is de geest der heiligheid, die er heerscht. Er zijn natuurlijk tal van legenden aan dit eiland verbonden, waarvan de gewichtigste is, dat het aanvankelijk bewoond werd door drie godinnen, die daar door haren vader naar toegezonden waren, om er voor eeuwig te verblijven en zijne keizerlijke nakomelingen bij het regeeren van het land met goede ingevingen te dienen. Het is vreemd hoe in een land, waar de vrouwen zulk een belangrijke geschiedkundige rol hebben gespeeld, de vrouw in het dagelijksche leven zoo geminacht, achtergesteld en minderwaardig geacht wordt. Er is misschien geen volk in de wereld, dat zooveel godinnen aanbidt als de Japanners en waar al de machtigste en wijste regeerders vorstinnen waren. En toch is de plaats, die de vrouw hier wettelijk, maatschappelijk en huiselijk inneemt, een zeer lage. Polygamie is ook hier schering en inslag; wel is waar mag, evenals in China, elke man slechts één wettige vrouw hebben, maar het aantal bijwijven, dat hij kan nemen, is ongelimiteerd, de grens daarvan reikt zoover als zijn portemonnaie gaat.
Wij bleven tot Donderdagmorgen in Miyajima en vertrokken toen naar Kobe. De zee was 's morgens zoo onstuimig, dat het electrische bootje niet kon gaan, zoodat wij met de veerpont overgezet moesten worden, 's Middags kwamen wij in Kobe aan. Een mooie, groote havenstad, met vele schilderachtige punten, een paar mooie watervallen, sommige mooie bergwandelingen, eenige oude, doch goed onderhouden tempels en vele mooie winkelstraten met winkels, die men graag leeg zou willen koopen, als de beurs geen grenzen stelde. Het is alsof elk stuk werk, dat uit de handen van een Japanschen werkman komt, een kunstartikel is, alles ziet er even volmaakt artistiek uit.