Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 63

Chapter 633,785 wordsPublic domain

Boven aangekomen, vervalt men onwillekeurig in diep gepeins. Niemand van de heele vroolijke groep sprak in den beginne 'n woord. Daar stonden wij boven op den grooten wal, in een van de vele wachttorens, vanwaar men een onmeetbaar vergezicht heeft tot diep in Mongolië, vanwaar de bergen van Thibet aan den horizon verrijzen en geen sterveling China kan naderen, zonder reeds van verre door de op wacht staande Chineezen bespeurd te worden. Wat hebben die ouden zich beveiligd voor indringing van ongewenschte gasten! Maar niet alleen in een historisch opzicht was dit vergezicht indrukwekkend, ook als landschap was het grootsch. Uren lang zou ik in een van die wachttorens hebben kunnen zitten droomen. Op elken bergtop is een wachttoren gebouwd, die boven over den steenen muur met elkander in verband staan. Als men van uit den trein die spitse bergketen ziet en op elke punt een toren, dan lijkt het, alsof er geen verband tusschen die punten mogelijk is, maar boven aangekomen, ziet men, hoe dat kunststuk tweeduizend jaren geleden tot stand werd gebracht. Thans is China bezig midden door dien muur een spoortrein aan te leggen, die dwars door Mongolië Siberia zal bereiken, en de Trans-Siberische route voor China met eenige dagreizen zal verkorten.

Op dezelfde avontuurlijke wijze als wij naar boven gekomen waren, daalden wij ook weder naar beneden. De hotelier van het Nankau-hotel had onze lunchmandjes weder gevuld en liet ons dien aan den trein brengen, zoodat wij in eens door naar Peking konden terugkeeren. Dat wij allen meer dan vermoeid daar laat in den middag aankwamen, behoeft nauwelijks gezegd te worden.

Wij gebruikten nog een paar dagen om tot rust te komen, vóór wij verder reisden, in welken tijd ik een lunch bij onzen Hollandschen ambassadeur, een tea bij de Italiaansche legatie en een diner bij den Amerikaanschen vertegenwoordiger medemaakte. Den overigen tijd gebruikten wij voor het bezoeken van eenige belangrijke bazaars en voor echt vrouwelijk winkelen. Men kan dat laatste nergens zoo gezellig doen als in China, waar tal van de curieuste dingen in de winkels te zien en te koop zijn.

XII.

Toen ik mijn vorigen brief eindigde waren wij van plan den volgenden morgen af te reizen om naar Tientsin te gaan. Kort nadat de brief verzonden was, ontvingen wij bericht van den Amerikaanschen ambassadeur, dat hij voor ons had aangevraagd een zitting van den Nationalen Bond bij te mogen wonen en dat dit verzoek voor den volgenden morgen was ingewilligd. Wij besloten ons verblijf in Peking met twee dagen te verlengen en ons bezoek aan Tientsin op te offeren. De treinenloop in China is nog niet zoo goed geregeld als in Europa, één dag uitstel van een reis, beteekent voor het minst twee dagen, want slechts drie keer in de week loopt een sneltrein in de richting Peking-Mukden. Wij vonden het echter van meer belang om dit Chineesche parlement in werking te zien, dan om in Tientsin, een havenstad als Shanghaï en Hongkong, waar het Europeesch element overheerscht, eenige dagen over te blijven.

Vergezeld van een Chineeschen tolk, die ons van de Amerikaansche ambassade ter begeleiding was medegegeven, woonden wij Maandagmorgen een zitting van het Chineesche parlement bij. Dit lichaam houdt zijn vergaderingen op het oogenblik nog in de gehoorzaal van de Chineesche Juristenschool te Peking. Het was een vrij volledige vergadering, ongeveer 80 van de 120 leden waren aanwezig. Verreweg de meesten waren mannen van 30 à 40 jarigen leeftijd, slechts enkelen leken ouder en jonger. Niet alleen waren de meeste heeren in Chineesche kleeding, hoewel vrij van alle praal en pracht, maar er waren zoowaar nog vijf onder hen, die den staart nog lang en breed over den rug hadden hangen. Slechts zeer enkelen droegen een Europeesch costuum.

Daar iedere provincie het recht heeft vijf afgevaardigden naar dit parlement te zenden,--zooals men weet, is dit nog maar een voorloopig parlement--zagen wij de typen der Chineezen uit verschillende deelen van het land vrijwel allen voor ons. De Chineezen zeggen, dat zij uit vijf stammen bestaan en dat de kleuren der republikeinsche vlag die stammen vertegenwoordigen. Het zijn de eigenlijke Chineezen, de Mohammedanen, de Thibetanen, de Mongoliërs en de Manchu's. De drie laatsten, die op het oogenblik strijden voor hun onafhankelijkheid, een onafhankelijkheid, die zichtbaar zal uitloopen op een indeeling bij Engeland, Rusland en Japan, hebben geen vertegenwoordigers naar den Nationalen Raad gezonden, en het zal de vraag zijn, hoelang de vijfkleurige vlag in China nog gehandhaafd zal kunnen worden. Het eigenlijke China (China proper) bestaat uit 18 provincies. Deze afgevaardigden vormen verreweg het meerendeel in de vertegenwoordiging. De Mohammedanen zijn eigenlijk ook Chineezen, die overal verspreid, doch meest in het Westen van het land wonen. Zij waren oorspronkelijk Joden, die later tot het Mohammedanisme zijn overgegaan en nu nog, heel eigenaardig, als een afzonderlijke stam beschouwd worden. Door hun sterk Joodsch type, vielen zij onmiddellijk in de vergadering op.

Men bediscussieerde, toen wij op de tribune de vergadering bijwoonden, den toestand in Thibet, doch door het niet geregeld bijhouden der dagbladen waren wij niet geheel op de hoogte van den tegenwoordigen stand der zaken aldaar en konden daardoor de waarde der gehouden speeches, waarvan de inhoud ons door den tolk verklaard werd, niet bepalen. Kalm en bezadigd was echter de toon van elken spreker, hoffelijk waren deze mannen in al hunne uitingen, eenvoudig en zeker leidde de president de discussiën, alles ging met een in het oogvallende waardigheid en kalmte. Ik heb in ons land, in Engeland, in Oostenrijk, in België en in Frankrijk parlementszittingen bijgewoond, maar nergens heb ik zooveel ernst bij de behandeling van 's lands zaken gezien, zooveel intelligente gezichten onder de afgevaardigden geteld, als hier in dit Chineesche lichaam. Deze mannen waren zich zichtbaar bewust van den ernst der taak, die hun was toevertrouwd en van den moeilijken en ernstigen tijd, waarin hun land op dit oogenblik verkeert.

Op eene der zijbanken naast den presidentszetel zaten de vertegenwoordigers der verschillende departementen, waarin de Regeering hare werkzaamheden heeft verdeeld. De departementen van Oorlog, van Financiën, van Buitenlandsche en Binnenlandsche Zaken en dien van Onderwijs waren dien morgen alleen vertegenwoordigd. Er zijn elf departementen. Telkens als de afgevaardigden het wenschten, verstrekten deze vertegenwoordigers de noodige inlichtingen. Door zitten en opstaan, of door handopsteking, werd dien morgen over de verschillende voorstellen gestemd. Toen men later aan financieele kwesties begon en wij oneindige cijferreeksen te hooren kregen, vonden wij het tijd, om ons bezoek af te breken.

De tolk vertelde ons, dat kort geleden de godsdienstkwestie in den Nationalen Raad behandeld was, waarbij was besloten, den Christelijken godsdienst als nationalen godsdienst aan te nemen. Men was echter gestuit op het bezwaar tusschen de keuze der Christelijke godsdiensten, daarover kon men niet tot overeenstemming komen, zoodat de beslissing tot later is uitgesteld. De bovendrijvende meening was evenwel, dat China, evenals Engeland en Rusland, een eigen Christelijken godsdienst zou aannemen.

Toen wij Dinsdagmiddag Tientsin gepasseerd waren op weg naar Shan-hai-Kwan, was de drukte langs de spoorlijn opvallend. Niet alleen waren overal Chineesche troepen gewapend opgesteld, maar ook zagen wij buitengewoon vele Europeesche en Amerikaansche militairen. Wat was er gaande? Na verloop van eenigen tijd wist de Engelsche conducteur--de lijn Peking-Mukden is een Engelsche onderneming, doch is nu ook in staatsexploitatie--ons te vertellen dat dr. Sun Yat-Sen met gevolg in 'n speciale trein ons vooruit was op weg naar Shan-hai-Kwan, alwaar hij den nacht zou doorbrengen. De conducteur raadde ons bij het eerstvolgend station, een telegram te zenden naar het hotel om zeker te zijn goede kamers te vinden. Zouden wij dr. Sun nu toch nog ontmoeten? Het had er alle schijn van. In Pei-tai-ho, op nog ruim een half uur afstand van Shan-kai-Kwan haalden wij den trein van dr. Sun in, die aldaar was uitgestapt om een toespraak tot het volk te houden. Er heerschte daar een groote opgewondenheid en drukte en alles was met groen en vlaggen mooi gemaakt. Wij waren nu den trein van dr. Sun vooruit en arriveerden om 7 uur, zonder verdere bijzonderheden in Shan-hai-Kwan. Daar wachtte een bijzonder zenuwachtige menigte den held der revolutie. De hotelier kwam ons persoonlijk van den trein halen en ook hij vertoonde een opvallende nerveusiteit. Wij vernamen van hem, dat dr. Sun met gevolg, tezamen 18 personen, 's avonds om 8 uur in zijn hotel zou aankomen, dat hij een diner en de noodige kamers in gereedheid had gebracht, maar dat hij nu vreesde dat niemand zou komen, omdat even voor onze komst een complot van Manchu's ontdekt was, dat bezig was de laatste ijzeren brug, die wij zoo juist gepasseerd waren, in de lucht te doen springen. Dat plan was verijdeld, maar daar men andere onheilen vreesde, had men dr. Sun getelegrafeerd niet naar Shan-hai-Kwan te komen en liever terug te gaan of in Pei-tai-ho te blijven. Men had echter alle voorzorgen genomen om, in geval dr. Sun toch zou komen, alle aanvallen te kunnen afweren.

Van het station tot het hotel gingen wij door een dubbele rij Chineesche soldaten, niemand mocht doorgaan die niet zijn alibi kon bewijzen. Om ons moeilijkheden te besparen was de hotelier--een Oostenrijker--ons persoonlijk van den trein komen halen. Het hotel is een Europeesche inrichting, in 1900, na den bokseraanval, door de Europeesche mogendheden daar gebouwd, om in tijd van nood als vluchtheuvel te dienen voor de legaties. In tijd van vrede wordt het als gewoon hotel gebruikt

Om half negen kwam een telegram, dat dr. Sun niet zou komen en nu konden wij met een viertal heeren-reizigers, meest allen "mannen van zaken", van het goede diner en de buitengewoon fijne vruchten profiteeren. Om half elf echter--mijne reisgezellin lag reeds te bed, terwijl ik met een der heeren in de hal van het hotel zat te praten,--komt opeens met eene bijzondere drukte dr. Sun met zijn heele gevolg aanzetten. Zijne vrouw en een zijner dochters en de vrouw van generaal Wang waren bij hem. Deze drie vrouwen zijn bijzondere Chineesche schoonheden. Slechts korten tijd vertoefden allen in de hal; toen vroeg de secretaris van dr. Sun naar de kamers en begaf het geheele gezelschap zich naar boven. Dr. Sun en eenige heeren kwamen spoedig terug, die na een kort gesprek met den hotelier weder naar buiten togen om ergens anders den nacht door te brengen. Wij weten niet, of dat geschiedde voor de veiligheid van degenen, die dien nacht in het hotel doorbrachten, of met het oog op eigen behoud. Wij sliepen echter dien nacht den slaap der onschuld en ontwaakten den volgenden morgen zonder dat ons een haar gekrenkt was.

Ik had 's avonds twee keer slechts een betrekkelijk korten tijd gelegenheid dr. Sun te zien en zijne gelaatstrekken in mij op te nemen. Het spijt mij het te moeten zeggen, dat de indruk, dien hij op mijn maakte, een bepaald ongunstige was. Het was een echt Chineesch uiterlijk, niettegenstaande zijne Europeesche kleeding en Europeesche manieren. Het gezicht boezemde mij heelemaal geen vertrouwen in; de oogjes schitterden meer slim dan intelligent, het geheele type was dat van een man, in staat om gauwigheidjes te doen, in plaats van te handelen naar wijs beleid en met overdachte en eerlijk uitgevoerde middelen. Denkelijk beleef ik nog van dien man den val, zooals ik thans in China zijne vereering en verheerlijking heb gezien. Dat is nu echt vrouwelijk na een eersten en korten indruk geoordeeld, maar ik wilde dien indruk toch neerschrijven; de geschiedenis zal leeren, of ik goed of slecht geoordeeld heb.

Shan-hai-kwan is een zeer oud stadje, waar de "Groote Muur" die China hier van Manchurië scheidt, in de golf van Pe-Chili eindigt. In 1900, tijdens den bokseraanval, heeft men ook in ons land van dit stadje gehoord, omdat alle mogendheden hier toen hare troepen aan wal brachten en hare ammunitie opgestapeld hadden. Het is een druk Chineesch stadje, waar echter voor toeristen niets bijzonders te zien valt. Wij besloten daarom, nadat wij Woensdagmorgen reeds vroeg de stad doorgetoerd hadden, nog met den komenden sneltrein om half tien verder te reizen, om dienzelfden avond nog Mukden te bereiken.

Kort nadat de trein het station van Shan-hai-kwan verlaten heeft, gaat hij midden door den eeuwenouden muur en brengt de inzittenden daarmede uit China en in Manchurië. Spoedig bemerkten wij dien overgang. Niettegenstaande de vruchtbaarheid van de oneindig uitgestrekte velden, die wij doortrokken, heerschte toch in alle dorpjes langs den weg zichtbare armoede. De leemen hutten, de schamele kleeding, die volstrekt niet voldoende is voor het snerpend, koude klimaat, de hongerige gezichten, alles sprak van armoede en ellende. Aan elk station en overal langs den weg zagen wij nu Japansche soldaten opgesteld. Die soldaten langs de spoorlijnen hier en elders, dienen om de lijnen open te houden en om die te beschermen. Dit is sedert 1900, na den bokseraanval, zoo ingesteld. Het is echter opvallend, dat die taak overal onder de verschillende nationaliteiten verdeeld is, doch in Manchurië heeft Japan alleen de verdediging der geheele lijn op zich genomen. Ook troffen wij hier overal aan de stations veel Japanners.

Om tien uur arriveerden wij 's avonds in Mukden, eerst aan het station van de Noord-China-lijn en tien minuten later aan het station van de Zuid-Manchuria of Japansche lijn. Aan dit station is een groot, op Europeeschen voet ingericht, Japansch hotel, het Yamato-hotel, verbonden, alwaar wij uitstekend gehuisvest zijn. Wij troffen daar tot onze groote vreugde, den heer Kempfer, den Amerikaan, die ons in Shanghaï elken dag zijn mooien, comfortabelen auto zond. Hij heeft ons tweedaagsch verblijf in Mukden zeer veraangenaamd.

Mukden is de hoofdstad van Manchurië, de stad vanwaar gedurende de laatste drie opeenvolgende eeuwen de regeerende vorsten van China kwamen. Slechts sedert 1906, nadat tusschen Japan en Rusland volledige vrede tot stand was gekomen, wonen hier Europeanen en hebben de groote mogendheden hier een consulaat gevestigd. De Europeanen wonen echter allen buiten de eigenlijke Chineesche stad, waar ook het Yamato-hotel gelegen is. In de stad zelf vindt men het leven van echt "oud China" onveranderd, nog aanwezig en daardoor vooral is Mukden voor toeristen zoo interessant.

Op ongeveer twintig minuten afstand van 't hotel is een groote, nieuwe poort, de Russische poort, die daar tusschen 1903-1906, in den laatsten Russisch-Japanschen oorlog, door de Russen werd opgericht, die zich toen van hunne zege bewust bleken te zijn. Eerst na den grooten slag in Mukden, waarbij de Russen het totaal tegen de Japanners hebben afgelegd, is de vrede tot stand gekomen.

In de straten in de oude stad Mukden, zijn allerlei dingen, die de aandacht trekken. Het meest opvallend, omdat zij zooveel leven maken, zijn de glinsterend geschuurde, groote koperen waterketels, die overal langs een weg te hooren en te zien zijn. Deze ketels hebben van binnen een vuurtje, de rook komt uit een lange kachelpijp, die door het deksel steekt, naar buiten, waardoor het water verhit wordt en zoodra het water gaat koken, wordt dit door een soort stoomfluitje aan de buitenwereld kenbaar gemaakt. Dit water wordt verkocht om thee te maken. Een Chinees doet een paar theeblaadjes in zijn kopje, giet daar kokend water op en drinkt dan direct zijn kopje leeg. De vele koperen waterketels maken te zamen zoo'n spektakel, dat men in den aanvang denkt in een groot fabrieksdistrict aangeland te zijn.

De haartooi der Manchu-vrouwen is ook zeer opvallend. Ik schreef hierover reeds in Peking, doch hier in Mukden is de verscheidenheid zoo groot, dat geen twee vrouwen hetzelfde kapsel vertoonen. Wel komen allen daarin overeen, dat het haar hoog boven op het hoofd is opgemaakt en vol kleurige bloemen, koralen, zilveren en gouden pennen en linten zit, maar de wijze, waarop dit alles is aangebracht, verschilt van elke vrouw. Ik heb gehoord, dat zoo'n kapsel een week en langer duurt en dat deze vrouwen, als trouwens zoovele Aziatische menschen, in halfzittende houding slapen, of achter in de nek een hard kussentje aanbrengen, zoodat zij met het hoofd niet den grond of de mat waarop zij liggen, kunnen raken.

Even buiten de stad, langs een prachtigen boschweg, zijn de graftomben van de Manchu-keizers. Deze zijn vooral de bezichtiging waard om de schilderachtige omgeving, waarin zij zich bevinden.

Het mooiste en belangrijkste zagen wij echter den eersten dag van ons verblijf in Mukden, in het oude koninklijk paleis. Het paleis was eigenlijk niet te bezichtigen, omdat het een Chineesche feestdag, de eerste herfstdag was. Door bemiddeling evenwel van onzen goeden vriend, die eerst van den Amerikaanschen consul een introductie tot de Chineesche autoriteiten had verkregen en toen dezen had verteld, dat wij zulke belangrijke personen waren dat wij niet op gewone wijze ontvangen konden worden, verkregen wij permissie om 's middags om 2 uur in het oude paleis te komen. Daar werden wij zeer hoffelijk, eerst in de receptiezaal met thee, koekjes, fruit en sigaretten ontvangen, daarna door het paleis geleid en toen werden ons de enorme schatten, die in dit paleis nog aanwezig zijn, vertoond, alsof wij de eene of andere grootheid waren. Een halssnoer van parelen, twee meter lang, waarvan elke parel zoo groot als een dikke erwt is, twee helmen, met op den top een duiveneigroote parel, degens met handvatsels van diamanten en robijnen, zijden mandarin-kleederen, waarvan de rozen met gekleurde edelsteenen geborduurd zijn, een collectie oud brons en oud Chineesch porselein, enz., alles van een onberekenbare waarde. Een enorme groote bibliotheek met oude Chineesche manuscripten was mede aanwezig. Onwillekeurig vraagt men zich af: waarom brengt de Chineesche regeering deze schatten niet in veiligheid, nu het toch voor iedereen duidelijk is, dat Japan op het oogenblik zit te wachten, waarop het Manchurië, zonder veel gedoe, gaat inpalmen? Hier in Mukden met Japan eenerzijds en den geest der bevolking anderzijds tegen zich, zijn deze kostbaarheden voor China geen oogenblik veilig.

Met den nachttrein, te middernacht, verlaten wij Mukden en nemen daarmede afscheid van China. Morgenavond hopen wij behouden in Seoul, de hoofdstad van Korea, aan te komen.

IN JAPAN.

I.

Ik zou eigenlijk boven dezen brief: "In Korea" moeten schrijven, maar daar dit land sedert 1910 eene Japansche bezitting is geworden, kan ik, 't geen ik over Korea te zeggen heb, gevoegelijk onder bovenstaand hoofd rangschikken.

Wij verlieten Mukden met den nachttrein en arriveerden des morgens om 7 uur aan het eerste station in Korea. Al dadelijk toont dit land een groot verschil met China en met alle landen, die wij tot dusver gezien hebben. De huizenbouw, de vegetatie, de aan den weg liggende dorpjes en steden, doch vooral de menschen, verschillen van al het vroeger geziene. Deze menschen zien er uit, alsof zij nooit met de Westersche volken in aanraking zijn gekomen. Zij zijn gekleed, maar zoo vreemd, zoo leelijk, zoo slordig, alhoewel zindelijk, dat ik gerust kan zeggen, nooit menschen gezien te hebben, die zich smakeloozer kleeden dan dezen. De mannen zien er in hun witte, wijde, bij de enkels vastgebonden, broekspijpen en hun lange witte nachthemden, met op hun hoofd een bespottelijk klein hoog heerenhoedje, dat onder de kin is vastgebonden, precies uit als een clown in een circus. Zijn zij in rouw over een familielid, dan dragen zij als hoed een grooten rieten korf, die tot over hun schouders reikt en het geheele gezicht bedekt. Sommige menschen komen bijna hun geheele leven niet uit den rouw, want elke rouw duurt drie jaren en in een groote familie sterft er allicht één in de drie jaren. In zoo'n rouwtijd mag een Koreër geen feestelijkheden bijwonen en ook niet trouwen; in den trein vertelde ons een heer, dat het in zijne familie was voorgekomen, dat een man daardoor 15 jaar op zijne vrouw heeft moeten wachten,--en bruid en bruidegom mogen elkaar in dien tijd niet zien--en toen de tijd van trouwen eindelijk was aangebroken, stierf de bruid. De vrouwen dragen ook die lange, witte, wijde broekspijpen, daar overheen een rok, die eigenlijk een groote boezelaar is, zooals onze ouderwetsche dienstmeiden droegen, toen ze nog flink moesten werken in de gezinnen, een boezelaar, die van voor tot achter den geheelen omvang beschermt. Deze boezelaar is ook wit en tot onder de borsten opgeschort, en op een slordige manier met een band vastgemaakt. Daarover wordt een kort, wit jakje gedragen, dat meestal niet verder reikt dan tot aan de borsten, zoodat deze vrouwelijke waardigheden ongegeneerd, voor elkeen zichtbaar, naar buiten hangen. Loopen deze dames in zonneschijn, dan dragen zij over het hoofd een wit laken, of ook wel een gekleurde, wijde mantel, waarmede hun geheele gezicht en ook het lichaam bedekt wordt. Als zoo'n juffrouw onverwachts in een onzer dorpen zou verschijnen, dan zou zij ongetwijfeld voor een spook worden aangezien, zij zien er evenzoo uit. Mannen en vrouwen in Korea zijn leelijk; alleen onder de hoogere standen hebben wij een beetje knapper menschen gezien.

Hoewel deze menschen uiterlijk niet onze sympathie konden wekken, voelden wij toch een sterk medelijden met hen, omdat zij nooit tot welvaart hebben kunnen komen, doordat nu eens China, dan weder Japan, en dit laatste land vooral, den baas over hen speelden en hen uitmergelden, zooveel zij konden. De bevolking heeft zich altijd meer op landbouw dan op industrie en militairisme toegelegd, en is nooit bij machte geweest China of Japan te bestrijden, wanneer die met onmogelijke eischen tot hen kwamen. Tot voor 30 à 40 jaren woonden in hun land geen Europeeërs (een enkeling uitgezonderd) en gingen de Koreërs niet naar Europa, om kennis op te doen.

Thans is dit anders. Velen gaan naar Amerika of Europa, om onderwezen te worden. Zendelingen, vooral Amerikaansche zendelingen, hebben nu groote hospitalen en vele scholen gesticht, waarmede zij een enorm succes onder de bevolking hebben. Laat men hen ongehinderd doorwerken, dan zal binnen niet al te langen tijd de Christelijke godsdienst in Korea algemeen doorgedrongen zijn. Japan of de Japansche regeering schijnt dezen sterken Amerikaanschen invloed in Korea niet te wenschen en tracht de zendelingen op alle mogelijke wijze te bemoeilijken. Een van deze wijzen is de vervolging, die nu tegen tal van Christenen is ingesteld.

Toen wij Zaterdagmiddag in Seoul, de hoofdstad van Korea, arriveerden, was daar juist de behandeling voor het gerechtshof van 123 Christelijke beschuldigden afgeloopen. Tal van Amerikanen waren daarvoor uit Japan, Peking, Shanghaï en zelfs uit Manilla overgekomen, om deze gruwelijke zaak bij te wonen en te doen, wat mogelijk was, om de ongelukkigen te helpen. Aanvankelijk had men ook Amerikanen gevangen genomen, maar hoogst waarschijnlijk vreesde Japan moeilijkheden met de Vereenigde Staten en heeft daarom den Amerikanen spoedig de vrijheid terug gegeven.

Als men hoort en leest, zelfs in de Japansche, sterk verdraaide verslagen, wat hier op het oogenblik in naam der gerechtigheid geschiedt, dan gelooft men zich terug in de middeleeuwen en dan ziet men, dat de meerdere beschaving, die Japan en de Japanners zich in de laatste jaren verworven hebben, niets anders is, dan een oppervlakkig vertoon, een beetje aangeleerde manieren, doch dat hart en geest nog even verstokt barbaarsch zijn als bij alle andere Aziatische volken.