Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 62

Chapter 623,802 wordsPublic domain

Dit mooie meisje, dat ook alle menschelijke deugden bezat bad tot een van de vele goden om haar vader te helpen. Die god gaf geen antwoord. Toen ging zij naar een waarzegger. Die vertelde haar, dat het volgend gietsel weder mislukken zou, tenzij het gesmolten metaal vermengd werd met het bloed van een levend meisje. Zij ging terug tot haar vader, en vertelde hem, dat zij nu zeker was, dat het derde gietsel een goed resultaat zou opleveren. Op den voorgeschreven dag werd het metaal, in het bijzijn van den keizer en het geheele hof, weder gesmolten, waarbij allen met spanning wachten, wat de uitslag zou zijn. Even vóór het metaal in den vorm zou gegoten worden, kwam plotseling het jonge meisje te voorschijn, die onder den uitroep: "Om mijn vader te redden" in de ziedende metaalmassa sprong. Iemand uit het volk wilde haar terughouden, doch hij redde alleen een van haar schoentjes. Haar vader werd krankzinnig, maar de klok was dezen keer volmaakt. En toen zij later werd opgehangen en de keizer voor het eerst de mooie, volle klank der bel vernam, toen hoorde hij duidelijk daarin de stem van het jonge meisje, dat vroeg om haar verloren schoen. En nog meent het volk, dat die bel duidelijk een meisjesstem verraadt en dat Koai nog steeds om haar schoentje vraagt.

Naast deze en dergelijke legenden zijn er aan elken tempel en toren ook zoovele historische bijzonderheden verbonden, waarvan vele even legendarisch klinken als de eigenlijke legenden. In de meeste Buddha-tempels vindt men in China een Chim-qua-Seung, een soort van hocus-pocusdoos van bamboe. Die doozen zijn van verschillenden vorm en ook de inhoud verschilt. Maar zij komen alle daarin overeen, dat iemand, die de goden of de geesten iets te vragen heeft, zulk een doos schudt en haar dan op den grond gooit. Uit de wijze, waarop de inhoud zich op den grond verspreidt, is 't antwoord op te maken. De antwoorden, die deze doozen in den loop der tijden aan keizers gegeven hebben, zijn herhaaldelijk oorzaak geweest van den val van het keizerrijk of den dood van den vorst. De laatste Ming-keizer, Chung Chen, pleegde zelfmoord, nadat hij een zeer onbevredigend antwoord door den Chim-qua-Seung ontving.

Maar de verlichting, die nu wel langzamerhand een grooter deel van de Chineesche bevolking zal bereiken, zal aan al dat bijgeloof ten slotte wel een einde maken. Op het oogenblik zijn echter de Chineezen, die zich boven al die mysterieuse dingen hebben weten te verheffen, nog met een lantaarntje te zoeken. Zelfs onder de meest verlichten is altijd nog iets van dat bijgeloof te bespeuren.

Wij zijn niet gelukkig in het treffen van dr. Sun Yat Sen. Toen wij in Shanghai aankwamen, was hij juist naar Peking vertrokken en een dag nadat wij in Peking arriveerden, reisde hij af naar het Zuiden van het land. Hij is hier als een koning ontvangen, koninklijke eer heeft men hem officieel en onofficieel aangedaan. Gedurende zijn verblijf alhier hing van bijna elke Chineesche woning de republikeinsche vlag. Met den president Yuan Shi Kai staat hij op goeden voet, maar in de couranten, dit uitgegeven worden van de Tung Ming Hui, waarvan dr. Sun de voorzitter is, wordt de president op de gemeenste manier afgekamd. "The China Outlook" welke in Hongkong wordt uitgegeven, en over geheel Zuid-China verspreid is, "The China Republican", welke in Shanghai gevestigd is en zelfs hier tot Peking reikt, zijn twee dagbladen die in het Engelsch geredigeerd worden en wier hoofd-redacteuren beiden vroegere private secretarissen van dr. Sun zijn. In beide bladen, die ons aanvankelijk dagelijks werden toegezonden en die wij hier nu verder in het hotel vinden, wordt dr. Sun op een onmogelijke, en mij persoonlijk zeer antipathieke, wijze opgehemeld en president Yuan's gezag zoodanig ondermijnd, dat het op den duur onhoudbaar voor den president zal blijken te zijn. Nu heeft dr. Sun hier in Peking beweerd, dat hij in geen connectie met die bladen staat, doch dat is of royaal gelogen, of toch minstens zeer verdraaid. Hij zal niet regelrecht den inhoud dier bladen dicteeren, maar dat zij zijn geest ademen, of dat hij een algemeene gedragslijn heeft voorgeschreven, is toch wel duidelijk. Ongevraagd hebben beide redacteuren ons verteld, dat zij secretarissen van dr. Sun waren, doch nu voorloopig belast zijn met de redactie der dagbladen. Zij staan onophoudelijk met dr. Sun in betrekking; elke beweging van dr. Sun wordt hun onmiddellijk geseind.

Maar in China zijn de grootste onmogelijkheden mogelijk. Dr. Sun, de hoofdleider der revolutie, op wiens hoofd nog geen jaar geleden door den voormaligen regent een losprijs was gesteld, heeft hier, tijdens zijn verblijf, heel beleefd een bezoek gebracht aan den ex-regent en andere personen van koninklijken bloede. Dat bezoek is niet alleen zeer hoffelijk beantwoord, maar de ex-regent heeft zelfs een diner voor dr. Sun gegeven, waaraan alle prinsen en prinsessen hebben deelgenomen. Het toppunt van ridiculiteit werd bereikt, toen de ex-regent opstond en een toast wijdde aan het succes van dr. Sun's onderneming en de hoop uitsprak, dat de nieuwe regeering mocht blijken in het belang van China te zijn. Dr. Sun heeft op die welgemeende woorden even welgemeend geantwoord, dat hij hoopte op de gelukkige samenwerking der Manchu-grooten met de tegenwoordige regeering.

Men spreekt hier in Peking, in de officieele buitenlandsche kringen, niet meer zoo ongelooflijk over het voortbestaan der Republiek, als dat wij dat in de havensteden hoorden. In China, waar alles op zoo'n geheimzinnige wijze geschiedt, kan men echter nooit iets met zekerheid zeggen, men weet nooit wat het volgend oogenblik zal brengen, en zeker weet men niet of er niet den een of anderen dag een contra-revolutie zal uitbreken, maar voor het oogenblik werkt de Nationale Raad rustig voort en houdt president Yuan de teugels krachtig in handen. De president is van kop tot teen militair, hij vestigt al zijn kracht in het leger; zoolang hij maar over de vereischte financiën kan beschikken om zijn militairen te betalen, is het land veilig. Het zal echter de vraag zijn, of het land de uitgaven voor zoo'n groot leger op den duur zal kunnen opbrengen, of het volk niet daarvoor nog meer dan door de vroegere regeering uitgezogen zal worden.

Hoe interessant dit land ook is, ik ben toch maar heel blij, niet als Chinees geboren te zijn.

XI.

Nu moet ik eerst van de vergaderingen en van de vrouwen vertellen, die wij hier in Peking ontmoet hebben. Het spreekt vanzelf, dat wij Maandagmorgen er direct op uitgingen om de presidente en andere bestuursleden der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op te sporen. Dat bleek niet zoo gemakkelijk. Na lang zoeken--en de afstanden in Peking zijn zeer groot--vonden wij de woning der presidente en vernamen daar, dat zij niet thuis, maar den geheelen dag op kantoor aanwezig was. Dat kantoor is het bureau van de "Peking Times", een dagblad, dat in de Chineesche taal uitgegeven wordt, waarvan zij de hoofdredactrice is. Het bureau van dat blad was niet moeilijk te vinden, maar daar vernamen wij, dat mrs. Tang Chuen Ying met twee andere dames was uitgegaan, iets wat zij zelden of nooit deed. Wij lieten onze kaartjes achter, met het adres van ons hotel. Teruggekomen in het hotel vernamen wij daar, dat drie dames ons een bezoek hadden gebracht en hare kaartjes afgegeven hadden. Het waren Mrs. Tang, de presidente, miss Wang en miss Sung, bestuursleden der vereeniging. Nog dienzelfden avond herhaalden zij haar bezoek. Geen van de drie sprak een woord Engelsch, zoodat wij ons van 'n tolk moesten bedienen. De vereeniging was zoowel uit Shanghaï als uit Nanking van onze komst verwittigd, maar daar men niet had opgegeven langs welke route wij kwamen, hadden de dames ons niet aan den trein kunnen verwelkomen. Wij werden nu uitgenoodigd Woensdagmiddag in het vereenigingsgebouw te willen komen, waar men ons een welkom wilde aanbieden.

Toen wij Woensdagmiddag om twee uur het vergaderlokaal binnentraden, wachtte ons daar een enorm groote, enthousiaste menigte. Gelukkig was er geen muziek, maar met een oorverdoovend handgeklap en Hu, hu-geroep werden wij ontvangen, dat zoolang duurde tot wij op het podium aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen. De presidente leidde ons bij het publiek van ongeveer duizend personen in, vertelde het een en ander van ons beiden, wat niet voor ons vertaald werd, en toen zij geëindigd had, stond heel de groote menigte op en boog voor ons. In de groote zaal waren alle zitplaatsen door vrouwen ingenomen, terwijl de galerij geheel gevuld was met mannen. Men stond letterlijk plat gedrukt tegen de muren. Toen moest eerst mrs. Catt en daarna ik een speech houden, die door een jongmensch, dat 5 jaar in Engeland was geweest, woord voor woord in het Chineesch werd overgezet. Het was een dankbaar publiek, dat na elken zin, dien wij uitspraken, nadat die vertaald was, warm applaudisseerde.

Daarop kreeg miss Sung het woord. Miss Sung is de Christabel Pankhurst van China. Een jong, hartstochtelijk persoontje, met iets bovennatuurlijks in haar fanatiek glinsterende oogen, begaafd met een redenaarstalent en sprekende gestes, die zelden geëvenaard worden. Het publiek hing aan hare lippen. Hoewel wij hare woorden niet konden verstaan,--de zin van hetgeen zij zeide, werd evenwel voor ons vertaald,--was het toch duidelijk, dat zij het publiek meesleepte. Zij vertelde, hoe de hoofdpersonen in de revolutie de vrouwen behandeld hebben, welke diensten zij van haar gevergd hadden en welke belooning zij haar daarvoor thans gaven. Zij zelf, miss Sung, werd door een generaal (zijn naam heb ik niet kunnen verstaan) aangewezen om een bom te gooien in het rijtuig van den onderkoning, den dag vóór de revolutie was uitgebroken. Haar daad werd evenwel verijdeld en zij in de gevangenis geworpen, waar zij onthoofd zou worden. Door een samenloop van omstandigheden ontkwam zij dien dood, doch toen zij na een maand door de revolutionisten in vrijheid werd gesteld, werd zij onmiddellijk in de voorste gelederen der vechtende soldaten geplaatst, waar zij steeds de gevaarlijkste diensten heeft moeten verrichten. Een heele reeks meisjes noemde zij op, die allen op die wijze gesneuveld zijn, zij was op wonderbaarlijke wijze gespaard gebleven. Miss Sung was een dergenen die als gewoon soldaat het leger diende, doch tot officier opklom.

Zij ging toen de argumenten na, die de mannen thans tegen de invoering van vrouwenkiesrecht gebruiken, waarvan het krachtigste is, dat China niet zoo iets nieuws kan invoeren, vóór dat de groote Europeesche mogendheden zijn voorgegaan. Dit argument hekelde zij op sarcastische wijze; China had niet geaarzeld de vrouwenkrachten op eene wijze in de revolutie te gebruiken, als nimmer te voren een Europeesche natie had gedaan, nu het op belooning dier diensten aankomt, aarzelt men andere landen ten voorbeeld te zijn. Zij gispte de handelingen van den president Yuan en van den Nationalen Raad, die bij al hunne besprekingen vergeten, dat er vrouwen in China bestaan.

Daarop kreeg miss Wang het woord. Miss Wang is onderwijzeres. Zij stond aan 't hoofd van een groote meisjesschool in Japan, die zij, toen de revolutie uitbrak, verliet, om naar China over te komen en haar diensten aan de revolutionisten aan te bieden. Zij is een kalme, bezadigde spreekster, die de wetten van China voor de vrouwen besprak en ze danig gispte. Zij zette uiteen hoe het Chineesche meisje van af haar geboorte slavin is, een slavenleven, waaraan zij alleen kan ontkomen door haar land te ontvluchten. Ook zij gispte de handelingen van deze regeering, die de zaken in het land voor de vrouwen voorloopig niet wil wijzigen en die zeker niet de polygamie in China zal afschaffen, het kwaad, waaruit zooveel ellende voor de vrouwen voortspruit. Waar de hoogste man in het land thuis een wettige vrouw en dertien bijwijven bezit, en verder waar hij komt, zich meisjes laat brengen, waar alle regeeringspersonen polygamisten zijn, daar was voor de vrouwen niet veel heil te wachten.

Toen spraken nog een paar andere jonge vrouwen, die er beide op aandrongen, dat de Chineesche meisjes zouden weigeren te huwen en daarna sloot de presidente de vergadering. Wij werden toen uitgenoodigd met eenige uitverkorenen thee te drinken in een ander lokaal, waar men ons dan het een en ander van haar doen en laten zou vertellen.

't Meest interesseerde ons, de wijze, waarop deze vrouwen het werk der vereeniging geregeld hebben. De Peking-afdeeling telt duizend leden. Zij hebben vier groepen gevormd, waarvan een het politieke werk doet. Die groep gaat nauwgezet de handelingen der regeering na, zendt verzoekschriften aan de regeering, waar die dienst kunnen doen, zorgt voor persberichten, hekelt den Nationalen Raad als hij de vrouwen vergeet, tracht nu en dan een persoonlijk onderhoud te verkrijgen met regeeringspersonen en doet tal van zaken meer, die in die lijn vallen. De tweede groep is de onderwijsgroep. Deze tracht scholen voor meisjes tot stand te brengen en waar een school is, trachten de leden, door met de ouders te spreken, deze te bewegen hunne dochters naar school te zenden. Ook geven de onderwijzeressen, leden dier groep, 's avonds onderwijs aan vrouwen en meisjes, die daags in fabrieken en werkplaatsen arbeiden. Deze groep moet alles doen, om het onderwijs der vrouwen te bevorderen. De derde groep is de industrieele. Deze tracht de werkende vrouwen tot organisatie te brengen en waar zij de omstandigheden geschikt acht, de vrouwen tot coöperatieven arbeid aan te sporen en ze in die richting te vereenigen. Eenige coöperatieve groepen zijn reeds gevormd en een paar kleine vakorganisaties zijn tot stand gebracht. De vierde groep is de propagandistische groep. De leden daarvan doen alles om de propaganda voor vrouwenkiesrecht te bevorderen. Zij doen dat door 't beleggen van vergaderingen, door huisbezoek, door strooibiljetten en alle ook bij ons gebruikelijke middelen.

De leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Peking, zijn niet slechts in naam lid: de meesten nemen op de een of andere wijze ook deel aan het groote werk, dat er verricht moet worden.

Ik vroeg ook hier, evenals in Nanking, wat de vereeniging dacht te doen als de Nationale Raad eens niet de wenschen der leden inwilligde. Zonder aarzelen antwoordde de presidente: "een bom gooien in de eerste vergadering, die het parlement zonder de vrouwen zal gaan houden." Wij glimlachten en zeiden, dat zulke radicale middelen zelden doel treffen, toen Miss Sung het woord nam, zeggende: "Men heeft ons vrouwen in de revolutie gebruikt om bommen te maken en te werpen, wij zullen ze ook voor eigen vrijheid weten aan te wenden." Mrs. Catt vroeg of die militante strijdwijze uit eigen boezem voortkwam, of dat zij daartoe gedreven werden door wat de couranten haar van uit Engeland berichten? De presidente beantwoordde die vraag met op hoffelijke wijze te zeggen: "Wij hebben dat geleerd van onze Amerikaansche en Europeesche zusters". Wij hebben haar toen verteld, dat alleen in Engeland een groep vrouwen op militante wijze optrad, maar dat verreweg de meeste Engelsche strijdsters voor kiesrecht en die uit alle andere landen den vreedzamen weg volgen. Zij schoven toen de schuld op de Chineesche pers, die haar nooit berichten over die vreedzame maatregelen bracht, maar alleen mededeelde, welke handelingen de Engelsche suffragettes bedreven. Wij hebben haar toen eenige vreedzame methoden aangeraden en wezen haar er op, dat de vrouwen nooit de ruwe wegen, die de mannen dikwijls inslaan om hun doel te bereiken, moesten volgen. Zelfs de Engelsche suffragettes hadden bij al haar militant optreden, nimmer bloed vergoten.

Den volgenden dag woonden wij eene vergadering bij van de besturen der verschillende groepen, waarin de verkregen resultaten van het verschillend werk werden besproken en men elkaar nieuwe wenken gaf. Wij kregen daartoe gelegenheid met de hoofdpersonen in het werk nader bekend te worden. Als men hoort en ziet wat al deze vrouwen doen, welke groote offers aan geld, tijd en krachten zij aan de zaak--de wettelijke en sociale verheffing der vrouw--brengen, dan moeten wij allen beschaamd staan tegenover onze Chineesche zusters.

Na afloop van deze vergadering brachten eenige van deze dames ons naar een nabijzijnd lokaal, waar eene vergadering gehouden werd van de Tang Ming Hui en waar het woord gevoerd werd door den vecht-generaal Chang, den revolutionist bij uitnemendheid. De generaal, gekleed in een zwart pak met gekleede jas, zette na afloop van zijn speech den hoogen zwarten zijden hoed van 't jaar nul op zijn veel te kleinen kop en toen zag hij er meer uit als iemand, die kleine kindertjes bang kan maken, dan als iemand, waarvoor een leger op de vlucht zal gaan. Hij scheen echter de gave van het woord te hebben, want de heele vergadering was warm gestemd en bracht hem eene daverende ovatie.

Vrijdag en Zaterdag maakten wij een tocht, die onvergetelijk is. Met een groep van vijf Amerikanen, twee heeren en drie dames, gingen wij gezamenlijk een bezoek aan de Ming-graftomben van Peking en de Big Wall (groote muur) brengen. Dit is een tweedaagsche toer. Wij hadden drie gidsen aangesteld, die alles voor ons in gereedheid moesten brengen. Vrijdagmorgen om acht uur verlieten wij het hotel, om, na een uur rijden in een rickshaw, aan een klein station aan te komen, vanwaar wij per trein naar Nankau gingen. Om half twaalf kwamen wij daar aan en vonden daar reeds voor elk een draagstoel met vier Chineesche koelies wachtende, die ons naar de graftomben zouden brengen. Mandjes, gevuld met een koude lunch, waren van uit Peking medegenomen. Drie uren lang werden wij in bijna aanhoudenden draf door de koelies voortgedragen, waarbij wij van voor naar achter, van rechts naar links en van onder naar boven geschud werden. De weg ging over bergen en dalen, door weilanden en over rotsblokken en door snelvlietende stroomen. Vooral door deze laatste hadden wij veel angst uit den stoel en in het water aan te landen, want de koelies sprongen daarbij dikwijls van steen tot steen. Een van onze dames-metgezellen viel op den terugweg dan ook, doch werd nog bijtijds door hare koelies gegrepen en kwam er met een paar natte voeten en een nat handtaschje, waaruit eenige kleinigheden in den stroom verdwenen, af. Om ongeveer twee uur arriveerden wij aan het begin van den zoogenaamden "Heiligen Weg", waar een prachtige, vijfboogige poort van wit marmer, zeer mooi gebeeldhouwd, den ingang vormt. Deze poort is nog in volkomen staat aanwezig en laat niet na, een imposanten indruk te maken. Van af die poort gingen wij nu een uur ver langs een geplaveide straat, die evenwel niet onderhouden is, door een aan weerszijden door reuzenbeelden afgepaalden weg naar den tempel, waar de lijken der gestorven keizers eerst gebracht worden, alvorens zij in de graven nedergelegd worden. Ook hier was weder alles meer indrukwekkend door het beeld dat het ons gaf van den geest der Chineezen en van de hoogte van hun kunst in verloopen eeuwen, dan door de artistieke waarde der dingen, die wij zagen. Alleen het landschap, dat wij doortrokken, was zeer mooi en deed ons allen denken aan de bergen van Arizona, hoewel toch ook weder de bergen hier, zooals in elk land, iets bijzonders vertoonen, wat niet onder woorden kan worden gebracht, iets dat alleen eigen is aan elk land afzonderlijk. Om 7 uur kwamen wij 's avonds in ons klein Nankau-hotel aan, bijna allen te vermoeid om ons het zeer goede diner goed te laten smaken.

Zaterdagmorgen werden wij allen om vijf uur gewekt om tegen zes uur aan het station te kunnen zijn, om van daar naar Ching-lung Chiao te vertrekken in een werkmanstrein. De spoorlijn van Nankau-lung tot Ching-lung Chiao is in wording, maar met een speciale vergunning wordt het toeristen vergund in een van de open bakken, waarmede de werklieden op de verschillende punten langs den weg naar hun werk gebracht worden, mede naar boven te gaan. Een snerpende koude bergwind deed ons in dat vroege morgenuur en in die open bak bijna bevriezen. Wij apprecieerden het ten zeerste, dat de gidsen wollen dekens uit het hotel hadden medegenomen om ons in te wikkelen. Doch wij vergaten spoedig het vroege morgenuur, koude en vermoeienis door de onbeschrijfelijk indrukwekkende omgeving die wij doortrokken. Elf mijlen lang, in welken wij bijna duizend meter stegen, en die wij in twee uren aflegden, gingen wij door een vreemde, wilde bergstreek, met een even wilden plantengroei. Wij waren op weg naar den Grooten muur. Dit is een muur, tien meter hoog en elf meter dik, die over een afstand van 2.500 mijlen, (ongeveer zes maal de afstand van Amsterdam naar Parijs) China van Mongolië en Thibet scheidt. Deze muur begint in Shan-hai-kwan in zee en eindigt in Suchoo in zee. In ongeveer 200 jaar vóór Christus begon de keizer Chin-shi-Hwang-ti dezen muur te bouwen. De steenen, voor den bouw gebruikt, zijn groote baksteenen, die in dien tijd in de zon werden gebakken. Zij zijn viermaal zoo groot als onze baksteenen. Alle troepen en karavanen, die sedert de laatste twee duizend eeuwen van uit Mongolië en Thibet, China wilden bereiken, moesten den eenen ingang der poort, die wij op weg waren te bezoeken, passeeren.

Op weg naar Ching-lung Chiao gaat de trein steeds dicht langs het pad, welke de karavanen nemen. Onophoudelijk zagen wij meters-lange kameelengroepen, langzaam en statig dat pad afkomen en andere, die naar boven trokken. In één groep telde een onzer heeren reisgenooten 146 kameelen, kleinere van 50 tot 70 kameelen waren er legio. Al die beesten die China introkken, waren beladen met ruw katoen en versche appels, die op den terugweg waren naar Mongolië of Thibet, droegen thee met zich. Schilderachtig was vooral het gezicht als wij hier en daar een kamp passeerden, waar halt gehouden werd en manschappen en beesten gelegenheid kregen te rusten en hun ontbijt te gebruiken. Honderden bruine kameelen zagen wij dan, met het licht van de vroege ochtendzon overgoten, liggen of grazen en daar tusschen in de begeleiders, in hunne hemelsblauwe, lange kleederen. Het was, evenals een onzer gidsboeken juist weergeeft, "het leven in de middeleeuwen aanschouwelijk voorgesteld." Wij zagen op dezen weg meer kameelen dan wij in Egypte en Britsch-Indië in al den tijd, dien wij er doorbrachten, gezien hebben.

Om 8 uur waren wij aan het stationnetje, het voorloopige eind van de baan; daar wachtte voor ons elk een ezeltje om ons verder naar boven te brengen. Maar 't waren Chineesche ezeltjes, zonder zadel, zooals zij door de Chineezen bereden worden. Wij moesten niet alleen als mannen te paard zitten, maar wij hadden voor onze voeten bijna geen steun. Een soort kussen lag op den rug van het kleine dier, en bij elk ezeltje liep een man om ons, in tijd van nood, tot steun te dienen. Voor ons dames was nog een ander groot bezwaar. Onze nauwe rokken moesten tot boven toe opgeschort worden, anders was het bestijgen en het berijden dier rijpaarden onmogelijk. Alleen mrs. Catt droeg een practische rok. Om onze beenennaaktheid een beetje te bedekken, legden de gidsen de meegebrachte dekens over ons, en zoo besteeg onze fantastisch uitgedoste groep den eeuwenouden wal, die in den loop der eeuwen nog wel bontere karavanen heeft zien passeeren.