Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 6

Chapter 63,926 wordsPublic domain

Na nog eens twee nachten en een dag reizen, kwam ik juist vroeg genoeg in Holland terug, om in Nijmegen de zomervergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bij te wonen en de talrijke kiesrechtstrijdsters nog eens de hand te kunnen drukken, alvorens ik de zooveel grooter en langer reis om de wereld aanvaard.

Woensdagavond elf Juli ging ik naar London, alwaar ik den volgenden ochtend mrs. Chapman Catt in goeden welstand en in opgewekte stemming trof. Ook hier in Engeland, waar toch ook zoo vele groote vrouwen in den strijd voor Vrouwenkiesrecht leven, is zij de gevierde vrouw. Van de gelegenheid, deze groote vrouw in hun midden te hebben, profiteeren de Engelsche vrouwen in elk opzicht. Van allerlei vereenigingen, clubs of comité's maakte men haar vice-presidente, eere-presidente of eere-lid en drukt men haar naam met vette letters op de agenda's. Overal wordt zij uitgenoodigd om te spreken, of moet zij invloedrijke parlementsleden ontmoeten en hen overtuigen. Het is alsof iedereen gevoelt welk een inspireerende kracht er van deze vrouw uitgaat.

Zij, die deze vrouw niet van zoo nabij kennen en niet weten hoe kinderlijk eenvoudig zij tegelijkertijd is, zullen misschien niet begrijpen, hoeveel pret zij er in vindt, nu, na zich zooveel jaren ziek en ellendig gevoeld te hebben, in staat te zien alles te kunnen doen, dat haar amusant lijkt.

Nadat ik mij eenigszins verfrischt had, gingen wij twee er op uit, om onze reis naar Zuid-Afrika en van daar verder te regelen. Tal van bureaux moesten daarvoor bezocht, allerlei boeken en reisbeschrijvingen aangekocht en vele inkoopen gedaan worden, waarmede wij ons den geheelen dag bezig hielden.

Daar mrs. Catt nog tot 22 Juli in Londen spreekbeurten te vervullen en allerlei ander werk te verrichten had, besloten mevr. B. en ik om Zaterdagmorgen 15 Juli naar Madera af te reizen, daar een week te vertoeven, en dan de week daarna met de boot, waarop mrs. Catt en miss C. zich zouden bevinden, de reis naar Kaapstad voort te zetten.

Hiermede sluit ik de reeks brieven over Noorwegen en Zweden en begin mijn volgenden brief over een in elk opzicht geheel andere reis.

AAN BOORD VAN DE WALMER CASTLE.

Zaterdagmorgen om 11.35 zou de extratrein van Waterloo-Station vertrekken, die de eerste- en tweede-klasse-passagiers voor de "Walmer Castle" naar Southampton zou voeren. De derde-klasse-passagiers waren reeds om tien uur daarheen gebracht.

Een groote drukte vermoedende, zorgde ik reeds vroeg daar te zijn. De drukte was echter nog grooter dan ik verwacht had. Ofschoon ik reeds vóór elf uur aan het station was, ontlastte toch reeds een driedubbele file van rijtuigen en auto's zijn inhoud: personen, die allen met hetzelfde doel naar Southampton gingen of er familieleden of vrienden begeleidden. Een onafzienbaar lange trein stond voor. De bagage werd zonder inschrijving, zonder contrôle, zonder afgifte van een bewijs (zooals dat trouwens overal en altijd in Engeland geschiedt), in een daartoe bestemde wagen gegooid, terwijl handtasschen mede in den wagon mochten worden genomen.

Op het moment, dat de trein zich in beweging zette, begon een koor van heilsoldaten, uit volle borst, een lied te zingen, dat tot afscheid moest dienen, voor een naar Zuid-Afrika vertrekkend bataillon ambtsbroeders en zusters. In ongeveer anderhalf uur werden wij in vliegende vaart en zonder ergens op te houden, in Southampton vlak voor het schip gebracht, dat ons eenigen tijd voor woning zal dienen.

Gastvrij werden allen er ontvangen. Voor de vele begeleidende vrienden, evengoed als voor de passagiers, stond een uitgebreide lunch gereed, die genoten kon worden in den tijd, dat de groote en kleine bagage aan boord en in de hutten werd gebracht en de mail uit alle oorden van Engeland binnenkwam. Toen om ruim vier uur de niet-passagiers het schip moesten verlaten, was eerst te overzien hoe groot het aantal was, dat straks, ook weder per extratrein, naar Londen teruggebracht zou worden. Van boven van het schip bezien leek die talrijke wuivende, lachende, groetende en soms weenende menigte, die daar stond afscheid te nemen van familieleden of vrienden, misschien voor langen, langen tijd, ons een heel leger. Het was goed gezien van de directie van trein of boot, om den trein eenige minuten vroeger te laten vertrekken vóór het schip zich in beweging zette; daardoor toch werd het afscheid voor de achterblijvenden minder zwaar. Men moet zoo'n afscheid meermalen hebben medegemaakt om het pijnlijke gevoel te kennen, dat de achterblijvende ondervindt die het schip in zee ziet verdwijnen, dat met zich voert die hij innig lief heeft en die hij misschien nooit zal wederzien.

Mijne metgezellin en ik bleven nog langen tijd op het dek, geboeid als wij waren door het mooie panorama, dat ons voorbij trok. De groene oevers van het eiland Wight waren, door de ondergaande zon, met een bijzonder mooi waas overtrokken. Eerst toen wij de krijtbergen en de "Needles" gepasseerd waren en in open zee kwamen, trokken wij ons in onze hutten terug om ons voor het diner gereed te maken.

Wij hebben elk een afzonderlijke groote comfortabele hut, waarin ruimte genoeg is om desnoods drie passagiers te herbergen. In zoo'n hut kan men het zeer goed zeventien dagen uithouden.

Na een kalmen nacht werden wij Zondagmorgen om zes uur onaangenaam gewekt door den misthoorn, die met steeds korter tusschenpoozen zijn onheilspellend geluid de lucht instootte. Tegelijkertijd werd ook de vaart van het schip verminderd. Wij lagen zelfs geruimen tijd geheel stil, om daarna met zeer langzame vaart verder te gaan. Om de vijf seconden hoorde men het onmuzikale stoomgeluid, wat herhaaldelijk door een gelijkluidend signaal van andere schepen beantwoord werd. Een dikke mist, die ons in dit drukke vaarwater had overvallen, was oorzaak van het oponthoud.

Eerst tegen ongeveer tien uur begon de mist op te trekken en kwam de zon ons verkwikken. Nu was het uitzicht weder vrij en konden wij zoo ver het oog strekte, ons verlustigen in den aanblik van lucht en water, water en lucht. Nu en dan passeerden wij een stoom- of zeilschip, doch steeds op zulk een grooten afstand, dat wij niets anders dan de omtrekken van het schip konden onderscheiden.

Ik had gedacht op deze boot veel Afrikaanders te zullen aantreffen, die van de kroningsfeesten uit Engeland terugkeerden, doch het is opvallend hoe, tenminste onder de eerste-klasse passagiers, het Engelsche element overheerscht, bijna alleen aanwezig is. Men hoort uitsluitend Engelsch spreken en de naamlijst der passagiers vermeldt bijna uitsluitend Engelsche namen. Ook naar het uiterlijk te oordeelen zijn het bijna alleen Engelsche heeren en dames die onze medereizigers zijn. Dat maakt de kennismaking moeilijker, want geen volk is zoo gesloten op reis als de Engelschen. De passagiers, die in Madera aan land gaan, zitten met de maaltijden aan een afzonderlijke tafel. Daartoe behooren wij twee en nog drie anderen. Een Engelschman, die acht jaar in het Portugeesch leger heeft gediend, en behalve de vaktermen, nog geen enkel Portugeesch woord verstaat. Hij gaat nu voor een jaar naar Madera, to kill time. Erg interessant is die tafelbuur niet. Doch een advocaat en zijne vrouw uit Madera zijn aardige praters. Zij hebben juist een zesweeksche rondreis gemaakt van Madera naar Lissabon, door Italië, Zwitserland, Frankrijk, en gaan over Engeland naar huis terug.

Over de nieuwe republikeinsche regeering in hun land zijn zij niet gesticht, hoewel zij toch republikeinsch gezind zijn. Volgens hunne redeneering is het Portugeesche volk nog niet rijp voor dezen democratischen regeeringsvorm en worden de bedoelingen van de tegenwoordige regeering door de ambtenaren niet goed begrepen, verkeerd opgevat en verkeerd uitgevoerd. Bovendien wantrouwt men zijn naasten vriend tegenwoordig, want spreekt men openlijk zijn gevoelen uit, dan heeft men kans aangeklaagd te worden, en als vijand van de regeering uit het land te worden verwijderd. Wij zullen daarvan in Madera nog wel het een en ander vernemen.

Woensdagmorgen om zes uur zou de Walmer Castle in Madera landen en daar vijf uur blijven liggen, waardoor ook de doorgaande reizigers gelegenheid kregen een kijkje in Madera te nemen.

Ik had mij voorgenomen vroeg op te staan om het binnenkomen, te kunnen gadeslaan en te kunnen genieten van den aanblik van het eiland van zee uit. Reeds om vijf uur stond ik dan ook boven op het dek, nog slechts de eenige passagier die gereed was. Ik overviel vele matrozen in hun morgentaak om het dek een rein en frisch aanzien te geven, alvorens het in Madera door kanongebulder begroet werd. Ik kwam juist vroeg genoeg om de eerste vage omtrekken van het uiterste punt van de rots, die Madera heet, in het flauwe morgenschemer te ontdekken. Zoo, nog half door nachtelijk duister omgeven, leek dit punt een uitgebreide ruïne van een oud kasteel. Aan den anderen kant van het schip passeerden wij drie andere groote rotsblokken, zoo zwart, als zwart maar zijn kan en die door de matrozen als het "eiland desertas" aangeduid werden. Geen menschelijk wezen woont er, nu en dan zoeken de visschers er tijdelijk een schuilplaats.

Heel langzamerhand begon de zon zich een baan te breken,--de nachten zijn hier heel lang,--en zond een gouden streep over een verder gelegen stuk berg, dat nu geel lichtend op den voorgrond drong. Voor het eerst, na eenige dagen, kwamen ook weder vogels om het schip vliegen, al waren het dan grootendeels maar meeuwen, en al was hun gekrijsch nu juist geen mooi morgenmuziek. Zeer voorzichtig en langzaam vaarden wij om het eiland Madera heen. Het naderende daglicht liet nu boven op de bergen boomen en groen onderscheiden, al schenen de tallooze kleine zeilscheepjes, die dicht langs de oevers bleven, ook van verre gezien, nog witte vlinders tegen den zwarten achtergrond van rotswanden. De geheele berg of reeks van bergen is van boven tot onder dun bezaaid met witte, rooddakige huisjes, die hier en daar aan den voet van den berg zich wat meer samenpakken en dorpjes vormen. Eindelijk, reeds van uit de verte, werd een groote huizenhoop merkbaar, nu hel beschenen door de inmiddels tot volle kracht gekomen morgenzon. Dat was Funchal, de hoofdplaats van Madera.

Nauwelijks was onze boot in het zicht, en nog vóórdat wij voor anker lagen, kwam van landzijde een zwerm groote en kleine bemande bootjes ons bestormen, die voor een deel kleine jongens aan boord hadden, om de pennies, door de reizigers in het water geworpen, op te duiken. Een misselijke exploitatie van kleine kinderen. Ik zou willen, dat geen enkele passagier zich liet verleiden, geld in het water te werpen, dan zou het met deze kinder-exploitatie gewis spoedig uit zijn. De andere booten bevatten allerlei soort kooplieden, die hunne waar op het schip wilden aan den man brengen. De kapitein moest voor en achter en aan beide zijden van het schip tegelijk zijn om te verhinderen, dat geen ongewenscht publiek naar boven kwam. Hij zelf met verschillende zijner officieren, stond de menschenmassa, die aan alle kanten op het schip naar boven klom, tegen te houden. Hij vertelde mij, dat zeer dikwijls dieven en ander gespuis mede aan boord kwam, en van de aanwezigheid van personeel en passagiers op dek van het schip gebruik maakten om de hutten der passagiers leeg te plunderen.

Ook bevonden zich vele kleine stoombootjes onder de ons omringende scheepjes, die de reizigers aan land wilden brengen. In een van deze bootjes begaven ook wij tweeën ons, na eerst op het schip door den kapitein in kennis te zijn gebracht met den vertegenwoordiger van het Mount Palace Hotel, waar wij gedurende deze week onzen intrek wilden nemen. Vertegenwoordigers van alle hotels waren namelijk mede aan boord gekomen en trachtten de in Madera aan wal gaande passagiers voor hun hotel te winnen.

Er behoorde eenige vaardigheid toe om van den trap van het schip in het beweeglijke kleine bootje te springen, wat door eenige passagiers zeer onvaardig geschiedde en dan tot lachscènes aanleiding gaf. In Funchal aan wal gekomen, werden wij al weder bestormd door tal van menschen, die ons op allerlei wijze naar boven wilden brengen, waar de tandradbaan begint, die tot aan de top voert, waarop het Palace Hotel gebouwd is. Wij kozen uit al deze voertuigen een sierlijk mandenwagentje, of liever mandesleedje, want er waren geen raderen onder, dat met twee groote, gele ossen bespannen was. Dat tochtje, dat ongeveer tien minuten duurde en ons door een groot deel van Funchal voerde, kostte 400 Reis (ongeveer een gulden).

MADERA.

I.

Van het hooge terras van het Mount Palace Hotel, met een heerlijk uitzicht naar de zee over een weelderige planten- en bloemenschat, zit ik dezen brief in den vroegen morgen te schrijven. Wel beloofde Madera veel, toen ik van het dek van de Walmer Castle de lange, zacht golvende lijn van de baai, met zijne witmurige, rooddakige huisjes, overal verspreid, volgde, maar toch is mijne verwachting overtroffen, toen ik Madera wat nader leerde kennen.

Mag Madera voor een groot deel zijn beteekenis als herstellingsoord voor longlijders verloren hebben, als plaats voor een streng doorgevoerde rustkuur is het misschien eenig in zijn soort. Rust, kalmte, spreekt uit bijna elken boom, elke plant en uit elk huisje, dat tusschen wijndruifranken en suikerriet te voorschijn piept, en nog meer uit de traag voortsukkelende ossen voor de velerlei soorten voertuigjes en de nog tragere jonge mannen die zich als gidsen aanbieden. Het is alsof niemand haast heeft en niemand veel uitricht. Zelfs het kleine tandradbaantje, dat zes keer daags van Funchal naar den top van den berg voert, het eenige spoorlijntje in Madera, doet dit zoo bedaard, dat de inzittenden op verschillende plaatsen onder het rijden het treintje uitstappen, wanneer zij op het punt zijn aangekomen, waar hun woning ligt. Ook ons werd den eersten dag gezegd bij het hotel uit te stappen, wat ons eerst wat griezelig leek, doch waaraan ook wij ons spoedig gewenden.

Den meesten bezoekers van Madera moeten wel 't eerst de groote rijkdom van plantengroei en de overvloed van bloemen opvallen. Zelfs in zoogenaamd het centrum van de stad is er geen enkel plekje tusschen de huizen, waar niet een of meer bloeiende planten tusschen de muren en over de daken, in blauwe, gele, roode of witte kleurenpracht naar beneden hangt, of waar de reuzenrozebosschen hunne prachtige trossen helkleurige rozen niet hoog boven den omheinenden muur laten uitsteken. En verlaat men de stad, dan wordt de verscheidenheid van kleur en geur van den bloemenschat overstelpend.

Deze bloemenrijkdom bestaat niet alleen in den zomer; integendeel, men beweert hier, dat er in den winter en het zeer vroege voorjaar nog veel grooter verscheidenheid en hoeveelheid bloeit. En wat in mijn oog dit alles hier zoo mooi maakt, is de zekere soort nonchalance, waarin bloemen en planten van allerlei aard dooreen groeien. Men heeft hier gelukkig de tuinen niet veel aangelegd; men heeft de natuur in vele opzichten vrij spel gelaten.

Allen, die beweren, dat men Madera kan zien in de vijf uren, die de meeste booten hier stil liggen, kennen Madera niet. In die vijf uren kan men een zeer oppervlakkigen indruk van het stadje Funchal krijgen, wat Madera-borduurwerk koopen en naar het schip terugkeeren, zonder iets te hebben genoten van het vele natuurschoon, wat hier te genieten valt. Een oponthoud van eene week, waarin elk uur van den dag goed besteed wordt met sight-seeing en met het bezoeken van eenige openbare instellingen, is juist genoeg om den indruk te verwekken, dat Madera oneindig schoon is en dat men die week tot een maand zou willen rekken, om al dat schoone voor goed in zich op te nemen.

Velen meenen, dat Madera in de zomermaanden ongenietbaar is door de warmte, die hier, door de vochtige lucht, benauwend zou zijn. Wij merken daarvan niets. Hier boven op den berg is het den geheelen dag en nacht aangenaam warm, doch niet te warm. Zelfs midden op den dag hebben wij verschillende wandelingen gedaan, zonder het te warm gevonden te hebben. Maar toch schijnt 's winters het klimaat nog aantrekkelijker te zijn, alhoewel het dan hier boven des avonds en des morgens soms zoo koud is, dat een houtvuurtje moet worden aangelegd. In de stad wordt de temperatuur echter zelden, ook in den winter niet, lager dan 60 gr. Fahrenheit en is dan nog in het midden van den dag tien graden hooger.

Met zulk een klimaat kan de bevolking bijna den geheelen dag buitenshuis doorbrengen, wat de groote armoede, die hier heerscht, minder pijnlijk maakt te dragen. Want arm schijnt de bevolking in de hoogste mate te zijn. Van waar die armoede, vraagt men zich onwillekeurig af. Het eiland is niet overbevolkt: elk plekje grond is of kan vruchtdragend zijn; de dagelijks van alle landen aanleggende schepen brengen stroomen vreemdelingen, al is het dikwijls maar voor eenige uren, die meest allen op de een of andere wijze hier eenig geld besteden; de grond, de levensbehoeften en het meeste wat een mensch dagelijks noodig heeft, is niet duur; van waar komt dan zooveel armoede? Toen ik die vraag aan iemand, die het weten kon, voorlegde, was het antwoord, "de loonen zijn te laag". Een werkman, die hier 14 of 15 uren daags ruwen spierarbeid verricht, hetzij als wegwerker of als veldarbeider, verdient niet meer dan een gulden. De vrouwen, die hier het fijne en misschien het fijnste borduurwerk maken wat bestaat, kunnen daarmede niet meer dan hoogstens dertig cent per dag verdienen, niettegenstaande zij dat werk verbijsterend vlug verrichten.

Toch moeten er nog andere oorzaken voor de armoede zijn. Het volk is ongeletterd. Bijna geen enkele volwassen man of vrouw uit het volk kan lezen of schrijven. Een vak hebben zij niet geleerd. De vrouwen borduren allen en leeren dit haar dochtertjes meestal reeds van het derde jaar af. Ik heb kinderen van zes en acht jaren zien zitten borduren, zoo vlug en zoo netjes, als bij ons geen groot mensch kan doen, ook al zoekt zij in handwerkjes haar levensgenot. Overal waar men een klein witkalkig huisje met een rieten dak ziet, kan men zeker zijn, vóór het woninkje moeder met dochters of dochtertjes te zullen vinden, die als machines zitten te borduren, zoo snel en zoo rythmisch ziet men de naald door de stof rijgen en den arm opwaarts gaan, om weer opnieuw neer te dalen en den volgenden steek te doen. Het is alsof alles op het gevoel gaat, want tijd om te bepalen waar de volgende steek gezet moet worden, laat men zich niet.

En de jongens gaan reeds vroeg met vader mede om of door veldarbeid of langs den weg wat geld te verdienen. Aan de opvoeding, ontwikkeling der kinderen, werd tot dusver geen zorg besteed. Dan mag zeker ook als bron van armoede gelden, het vreeselijk misbruik dat hier gemaakt wordt van alkoholische dranken. Op elk uur van den dag kan men hier dronken menschen aantreffen en voor de toonbanken der openstaande kroegen ziet men, naast en tusschen de mannen, jongens en jongentjes, die men nog zoo graag naar de schoolbanken zou willen zenden.

Wat is hier voor hervormers handenvol werk! Zou de nieuwe regeering overal in Portugal zooveel wat verbetering behoeft vinden als hier in Madera? Het schijnt dat zij snel wil ingrijpen en de fouten wel ziet. Maar er zal zeker nog wel eens misgetast worden. Zoo werd hier een school van religieuse zusters gesloten, alwaar 700 kinderen goed of slecht onderricht ontvingen, kinderen die nu op de enkele openbare school geen plaats kunnen vinden en zoolang moeten rondloopen, totdat er nieuwe openbare scholen gebouwd zijn. Ware het niet beter geweest eerst voor nieuwe scholen te zorgen en dan de niet goede te sluiten? Als de 700, nu bij den weg loopende kinderen eerst eenige maanden, die jaren kunnen worden, hebben gevagebondeerd, zullen zij dan weder gemakkelijk aan de schoolbanken gewennen?

Ook zag ik hier het stedelijk hospitaal, waar al de religieuse verpleegsters op regeeringsbevel weggezonden zijn en waar nu twee zusters met eenige tijdelijk gehuurde bedienden de dienst verrichten, in afwachting van de verpleegsters, die van hoogerhand gezonden zullen worden.

En zoo zijn er tal van instellingen, die in overgangsvorm verkeeren; instellingen, waar religieuse mannen of vrouwen vroeger den dienst verrichten, die door de nieuwe regeering zijn weggezonden en waarin de open plaatsen nog niet door de plaatsvervangers zijn ingenomen. Van dezen toestand zijn de armen en lijdenden thans dupe, tenzij de dienst vroeger inderdaad zoo slecht was, als mij een medicus wilde doen gelooven, die mij verzekerde, dat het beter is, niet verzorgd, dan zoo verzorgd te worden, als het vroeger was. Van wat ik van dien aard vroeger in Italië en in sommige ziekenhuizen in Frankrijk zag, kan ik dit gelooven; doch de Portugeesche doctoren, met wie ik hier in aanraking kwam, staan op een hooger medisch- en beschavingspeil, dan de collega's die ik in de hospitalen in Italië en Frankrijk aantrof, en dat waarborgt ook eenigszins een betere verzorging der zieken, zelfs al ging die uit van niet getrainde en onontwikkelde religieuses. De twee verpleegsters, die nu in het stedelijk ziekenhuis de geheele leiding der verpleging hebben, kunnen ook niet lezen of schrijven en kunnen derhalve niet anders dan door ondervinding het verplegen der zieken geleerd hebben. Die ondervinding kan nog niet heel groot zijn, want daarvoor zijn de beide meisjes nog te jong.

II.

Het eigenaardige plaveisel in Madera en de veelal zeer steil naar boven gaande straten hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de zeer bijzondere middelen van vervoer, waarvan men zich hier bedient. Heel Madera is geplaveid met eivormige, eigroote steentjes, wier ronde rugjes door het gebruik soms zeer glad en glibberig zijn. Ook liggen zij niet in een vlakke lijn, zooals bij ons de bestrating... zou moeten zijn, doch niet altijd is..., maar in geregelde golfvormige hoogten en laagten. Vandaar, dat men met gewoon schoeisel hier niet kan loopen, doch zich het best bedient van een soort tennisschoen met gummi zolen. De bevolking, voorzoover zij niet blootsvoets gaat, draagt een zeer elegante losse laars van wit of geel leer, waarvan de zolen uit één stuk gemaakt zijn. Het is een aardig gezicht, honderden van deze witte of gele laarzen, van allerlei grootte, des Zaterdagsmorgens op het marktpleintje uitgestald te zien, als de makers van dit bijzondere schoeisel uit alle hoeken van het eiland komen opdagen om hunne producten aan den man te brengen.

Om uitstapjes te maken of ook zelfs als men in Funchal eenige bezoeken wil brengen, bedient men zich van de reeds vroeger door mij beschreven mandensleetjes, waarvoor twee ossen zijn gespannen. Deze mandensleetjes hebben een leeren dak en rondom witte gordijntjes; als men deze gordijntjes een beetje op zij schuift, zit men er in als in een hokje van een wafelkraam. Heel elegant en voornaam ziet zoo'n equipage er niet uit. Met zoo'n voertuig gaat men steile straten op. Voor het afgaan bedient men zich van een geheel ander middel van vervoer, die men hier toboggans noemt. Het zijn sleetjes, maar ze gelijken in geen enkel opzicht op de sleetjes, waarvan men 's winters in bergstreken gebruik maakt om van een hoogen sneeuwbaan naar beneden te sullen. Het zijn ook al weer lage rieten bankjes, waar twee of drie personen tegelijk op kunnen plaats nemen, en die van onder rusten op het benedenstel van een slede. Op zoo'n bankje gaat men zitten en laat zich naar beneden glijden, aan beide zijden geflankeerd door een paar mannen, die zorgen, dat men in de goede richting blijft. Naast deze twee prachtige vervoermiddelen is er een, die het in comfort wint. Het zijn de hangmatten, die door twee mannen op de schouders gedragen worden. Vooral voor groote tochten op de bijna onbegaanbare bergwegen, zit of ligt men in zoo'n hangmat recht genoegelijk. Als de tocht echter wat te lang duurt dan moet men nu en dan een poosje loopen, anders houden de beenen het niet uit.