Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 58
Zoolang men er nu nog niet in geslaagd is een geschikt graf te vinden, bewaart men de dooden in een van de kamertjes in de doodenstad. Voor drie maanden moet de huur van zoo'n kamertje te voren betaald worden, ook al verwijlt het lijk er korter. Die huur bedraagt tusschen de 5 tot 2000 dollars. Zoo'n kamertje wordt nu, zoolang het lijk er vertoeft, echt gezellig ingericht. Er worden door de familieleden een tafel en stoelen naar toe gebracht, de wanden worden behangen met op rijstpapier geschilderde figuren, mooie Chineesche vazen worden in de hoeken gezet, versche bloemen worden dagelijks aangebracht en elken morgen wordt een kommetje versch gemaakte thee op tafel voor de kist gezet, zoodat de geest, zoo noodig, zijn dorst kan lesschen. Sommige van deze kamertjes, waarin een rijke doode vertoefde, zagen er zeer weelderig en smaakvol uit.
Deze doodenvereering verliest echter alle poëzie, als men er de reden van verneemt. Het is niet de ware vereering. Men wordt niet door liefde en aanhankelijkheid voor den doode gedreven, alleen vrees dat de geest van den doode onheil zal aanbrengen doet de overlevenden alles doen om den geest aangenaam te stemmen. Elke Chinees tyranniseert zijn familie na zijn dood veel meer dan hij ooit in zijn leven bij machte is geweest te doen. Dat geloof aan het werk der geesten is algemeen verbreid en zelfs onder de verlichtste menschen bestaat altijd nog een twijfel; zij vinden het maar raadzaam de geesten der dooden te vereeren, men kan nooit weten. Gelukkig blijven zulke geesten niet eeuwig bestaan, na 16 jaar komen zij op de aarde terug in een lager of een hooger wezen, naar gelang zij het vroeger op aarde gemaakt hebben. Als een vrouw erg goed heeft opgepast, komt haar geest als man terug; een man wordt voor straf in een vrouw herschapen. De laagste vorm waarin men kan terugkeeren is een worm.
Met een zeker welbehagen bracht de gids, ook zonder dat wij het wenschten, ons naar het gevangenisgebouw. Dat is het treurigste wat men zich denken kan. Vele mannen en vrouwen, gezamenlijk in groote cellen van zware ijzeren pijlen, geheel gelijkende op wilde beestenhokken, ongewasschen, ongekamd, in lompen, met de afzichtelijkste huidziekten, worden daar weken en maanden, soms voor de minste kleinigheid, voor een ieder zichtbaar, gevangen gehouden. Men zegt, dat het pijnigen en kwellen der gevangenen onder deze regeering over heel China is afgeschaft, maar van zeer bevoegde zijde vernamen wij, dat het toch nog geregeld hier en daar wordt toegepast. Het door de straten van de stad voortdrijven van een armen gevangene, dien men zware ijzeren gewichten aan de beenen heeft gebonden, en wiens rug, zoodra hij staan, blijft, met een gloeienden ijzeren bout van een achter hem loopenden vent in aanraking komt, wordt nog dagelijks vertoond. En menschen met een breede, houten, vierkante schijf, voorzien van een gat, waar het hoofd net tusschen past, uren lang in de zon laten staan branden, zonder dat zij met hunne handen hun gezicht kunnen bereiken, was nog niet zoo heel lang geleden zelfs in Hongkong gezien. Gelukkig werd ons dat gezicht bespaard en ook zagen wij op den executiegrond geen menschen met afgesneden hoofd liggen. Tot nog voor zeer kort werden er dagelijks vele lieden in Canton onthoofd en dat wel op de meest primitieve wijze. Met een gewoon groot mes werden hun gewoon de koppen afgesneden op een voor een ieder zichtbaar stuk grond en dagen lang bleven de onthoofde lichamen daar liggen. Nu past men een beschaafder methode toe; men neemt de gevangenen mede even buiten de stad en schiet hen dood. Ons werd verteld, dat er kort geleden op één dag 50 stadgenooten in Canton waren doodgeschoten, doch als regel helpt men dagelijks niet meer dan tien tot twaalf naar de andere wereld. Dat de Jong-Chineezen verbetering van het strafwezen op hun program hebben is dan ook geen weelde.
Terwijl wij in alle tot dusver geziene Oostersche landen den indruk kregen dat het Oostersch klimaat de menschen, ook de inboorlingen, traag en lui maakt, bieden de Chineezen een geheel ander beeld. Onwillekeurig verkrijgt men in China de overtuiging, dat de Chineezen het nijverste volk der aarde zijn. Den geheelen dag, van 's morgens tot 's avonds, zagen wij nooit een plek waar de mannen of vrouwen lui neerzaten of lagen te slapen. Den geheelen dag waren allen druk in de weer, alles met een zenuwachtigen haast doende; zelfs toen wij velen midden op den dag in de open restauraties hun middagmaal zagen nuttigen, schenen zij ook dit met denzelfden haast te doen. Zij verdienen den naam, de werkbijen van de wereld te zijn.
Er zijn in Canton wel barbierswinkeltjes, open als alle winkeltjes, maar die zijn niet druk gefrequenteerd, want de meeste Chineezen gunnen zich geen tijd om van hun werk naar den barbier te gaan; vlugger gaat het, als de barbier bij hen komt. Overal ziet men dan ook midden op de straat een barbier zijn werk verrichten. Barbier is eigenlijk een zeer verkeerde naam voor deze beroepslieden, want bij een Chinees valt er niet veel te scheren. De meeste Chineezen hebben gladde, baardelooze gezichten. Eerst op ouderen leeftijd, zooals ook bij ons sommige vrouwen, beginnen bij den Chinees onder den neus en aan de kin wat haarstoppels te groeien. Maar geen Chinees zal zich die lang gewenschte teekenen van manbaarheid laten afscheren. Daar is hij veel te trotsch mee; met zorg worden die wijd uiteen geplante, stekelige borsteltjes gekweekt. De barbier heeft dan ook in den regel alleen het hoofdhaar te verzorgen, dat, nu de Chineezen hun staart hebben verloren, op Europeesche wijze gemillimeterd wordt. Bij vele oudjes, waar het hoofdhaar niet meer zoo vlug aangroeit, verraadt een zekere rare plek, op het midden van het hoofd, nog zeer sterk waar de staart gezeten heeft. Hoewel er in China nog wel enkele staartmenschen zijn, hebben wij toch in heel Canton geen enkelen staart gezien. Dat kenmerkt eenigszins de stad.
VI.
Nu zit ik voor het eerst op een Amerikaansche boot, die ons van Hongkong naar Shanghaï zal voeren. Dit is een van de kleine booten, die tusschen San Francisco en Hongkong varen, een die elk tusschen gelegen havenplaats aandoet. De boot is stampvol, alle hutten zijn tot het uiterste bezet, wij tweeën mogen blijde zijn, dat men ons samen in een hut heeft geplaatst en geen derde persoon bij ons heeft ondergebracht.
Vóór wij Shangaï Dinsdagmorgen verlieten ontvingen wij nog eerst een bezoek van den heer Volpicelli, den consul-generaal voor Italië, in Zuid-China. Deze heer was ons in Canton zeer van dienst geweest en nu kwam hij ons eenige introductiebrieven brengen voor zijne vrienden in verschillende steden van China, die wij waarschijnlijk zullen bezoeken. Hij vertelde ons, dat Zaterdag, een paar uur nadat wij Canton verlaten hadden, daar een opstand was uitgebroken, grooter en ernstiger dan er gedurende de revolutie was geweest. Een groote menigte rebellen had het huis van den gouverneur omringd en dreigden al de binnen de poorten zich bevindenden te dooden. Tegelijkertijd werd ook het raadsgebouw omsingeld, doch daar er des Zaterdags geene zittingen gehouden worden, konden zij daar niets uitvoeren, Vele dooden zijn er weder van weerszijden gevallen; misschien zijn er van onze pas gemaakte vrienden wel onder de gesneuvelden, doch toen mr. Volpicelli Maandagavond de stad verliet, scheen het hem toe, dat alles weder tot rust was gebracht. Deze heer, die reeds meer dan 30 jaar in China woont en het heele land en zijne bevolking kent, gelooft niet aan het voortbestaan van deze republiek.
Hoewel deze boot, de Persia, aan zindelijkheid niets te wenschen overlaat en ook alle comfort aanbiedt, die men op zoo'n kleine boot van nog geen 3000 ton verwachten kan, is het toch geen schip, dat mijne Amerikaansche reisgezellin met nationalen trots vervult. Dat men zich op Amerikaanschen bodem bevindt, bemerkt men dadelijk. In het midden van de eetzaal staat een enorm groot vat met gedistilleerd ijswater. Ieder kan zich daaruit naar believen bedienen. Een Amerikaan zonder ijswater is niet denkbaar. IJswater is het grootste gemis, wat zij op reis in vreemde landen lijden, 's Morgens, vóór zij iets anders nuttigen, drinken zij een groot glas ijswater en verder den geheelen dag en bij alle maaltijden. Maar overigens zijn zij matige drinkers. Op de Persia, met zijn ruim 60 eerste klasse passagiers, voor verreweg het grootste deel mannen, ziet men den geheelen dag geen sterken drank gebruiken. Rooken doen zij evenwel als schoorsteenen. Nauwelijks had de boot Dinsdagmiddag de haven van Hongkong verlaten of de Bridge-tafeltjes werden in gereedheid gebracht. Als men niet in de eetzaal is om te eten, of in de hut om te slapen, dan speelt men bridge. Hoe kan het, in gezelschap van Amerikanen, anders. Maar 't is goed, dat dit spel een beetje afleiding geeft, anders zouden er velen zeeziek zijn. De zee is zoo onstuimig, dat het onmogelijk is de gewone dekspelen te doen. Zelfs de kapitein moet met zeemansbeenen loopen, om zich staande te houden, als hij zich van het eene eind van het schip naar het andere begeeft.
31 Aug. Tot zoover was ik Woensdag den 28sten Augustus om 6 uur 's avonds met mijn geschrijf gekomen, toen ik mij niet langer staande, of juister gezegd, zittende kon houden. De passagiers, die op het dek waren, waren langzamerhand allen naar binnen gestuurd en de uitgangen afgesloten. In de hutten, eetzaal en salon werden de patrijspoortjes dicht gedaan. Overal heerschte een benauwende, dampige hitte. Alleen de kleine electrische waaiers in de hoeken der salons brachten een klein beetje verademing. Er was nog net een hoekje op een van de banken in het salon open gelaten, waar ik mij kon laten neervallen, doch bijna oogenblikkelijk daarna kwam de steward al de daar aanwezigen verzoeken naar de hutten te gaan en ons in de bedden neer te leggen. Tusschen den hofmeester en den administrateur werd ik naar mijn hut geleid, want het was onmogelijk alleen staande te blijven. Mrs. Catt lag reeds in bed. Ik gooide mij gekleed neder en ontkleedde mij later gedeeltelijk, zonder op te staan. De nacht, die volgde, zal ik--en met mij alle aan boord zijnden--nimmer vergeten, Meer dan 14 uren lang hebben wij in het grootste levensgevaar verkeerd. Wij waren met die kleine, oude boot midden in een typhoon aangeland. Reeds toen wij Hongkong verlieten, hadden wij de typhoonseinen gezien. De kapitein verzekerde ons echter, dat die typhoon achter ons was en een andere richting nam. Hij kon gemakkelijk buiten den koers blijven. Een beetje onstuimige zee was alles wat wij er van merken zouden. Maar nu waren wij door te veel rechts te houden regelrecht in een andere typhoon geloopen, die onverwacht van een andere zijde was komen opzetten. Die was niet meer te ontloopen, wij moesten kalm afwachten, wat voor ons de gevolgen zouden zijn.
Het schip maakte de vreemdste bewegingen. Wij werden in onze bedden naar voren en achteren, naar rechts en naar links geworpen en dat met zoo'n geweldige kracht, dat wij ons slechts met de grootste moeite in onze bedden konden handhaven. Geen oogenblik vertrouwden wij het onze oogen te sluiten, uit vrees, dat wij in slaap zouden vallen en dan tegen den muur, of nog onzachter, tegen den grond geworpen zouden worden. En hoe zag die grond er uit! Alles wat in de hut aanwezig was, lag in een chaos dooreen, onze handtasschen hadden zich van hunnen inhoud ontdaan, de daarin aanwezige fleschjes gebroken en ammonia en glycerine en brandspiritus en brillantine en tandpoeder en andere poeder hadden zich vriendelijk vermengd en over onze kleederen uitgestort. De waterglazen waren naar beneden gevallen en gebroken, de waterkaraf hield zich beter, maar gulpte bij elke wending van het schip een vroolijk straaltje over onze over den grond verspreide bagage. Later voegde zich daarbij nog het zeewater, dat uit ongeziene hoeken naar binnen drong.
Nu en dan was het alsof het schip hoog boven de zee werd opgetild en dan even daarna met een geweldigen slag in het water neerplofte, wat ons het gevoel gaf, alsof wij dan regelrecht naar den bodem der zee zonken. Wij hielden ons moedig. Om wakker te blijven en afleiding te hebben, bleven mrs. Catt en ik onophoudelijk in gesprek. Wij namen ons voor in geval wij naar den grond gingen, geen reddinggordels aan te doen om te trachten het leven te redden. In zulk weder was het beter in eens te verdrinken, dan tegen een der rotsen te pletter te slaan.
Donderdagmorgen om 8 uur vertelde mrs. Catt mij, dat haar bed door het van boven inkomende zeewater drijfnat was--zij lag in de bovenste kooi--en dat zij wilde probeeren op te staan om te zien wat er gaande was. Zij en twee heeren-passagiers waren de eenige moedigen, die hun bed hebben durven verlaten en naar boven durfden gaan om den stand van zaken op te nemen en te trachten iets te eten te krijgen. Maar zij kwam spoedig terug. In de eetzaal lag alles wat zich daar bevond over den vloer. Al wat breekbaar was, was gebroken; de buffetten waren geheel ledig. Van de zware piano waren de touwen, waarmede hij vastgebonden was, gebroken en het ding zelf was zoover van zijn plaats geschoven, tot hij ergens in een hoek vastraakte. In het salon lagen de boeken uit de kasten over den grond verspreid, de glazen deuren der kasten waren gebroken, van twee schrijftafels waren de pooten, die vastgeschroefd zaten, eenvoudig door midden geknapt en de tafels lagen met haar inhoud tusschen de boeken verspreid. Wat met mogelijkheid verplaatsbaar was, had zich losgerukt en verplaatst.
Met behulp van den hutjongen maakten wij nu de canapé in orde voor mrs. Catt, zoodat zij zich daar kon neerleggen. Dat ging echter niet zoo gemakkelijk, onophoudelijk tuimelden wij over den vloer, tusschen onze vuile rommel in en niet dan na menige blauwe plek opgeloopen te hebben, kwamen wij met ons werk gereed. Wij waren echter gelukkiger dan menige andere passagier. Een toch brak bij zoo'n val zijn arm, menige hoofdwond moest door den dokter verbonden worden en velen hadden belangrijke kneuzingen aan enkels, armen en beenen opgedaan. Men vertelde ons, dat een der aan boord zijnde bakkers van een trap viel en een schedelbreuk heeft gekregen.
Tot twaalf uur 's middags bleven wij in die gevaarlijke en benauwde positie, waarin wij telkens gevaar liepen tegen een rotsblok te pletter te slaan. Toen waren wij op het zoogenaamde kalme middenpunt van de typhoon gekomen en moesten wij het tweede gedeelte nog door. Van dat kalme oogenblik maakten velen gebruik om op te staan en even naar boven te gaan om wat frissche lucht te krijgen. Welk een beeld gaf echter het bovendek te aanschouwen! Buiten en behalve dat alles, wat niet stevig vast zat, overal verspreid lag, vond men er ook tal van doode vogeltjes, terwijl meer dan honderd grootere vogels verwilderd boven het dek rondvlogen en door de passagiers zoo met de handen gevangen konden worden. Zij werden allen in een groot, leeg vat gedaan en ontvingen later, toen de storm voorbij was, hun vrijheid terug. Om één uur kwamen wij in het tweede gedeelte, dat tot 's avonds 8 uur duurde, doch niet zoo hevig was als het eerste. Toen waren wij door de typhoon heen, maar de zee bleef toch nog onstuimig, zoodat menige passagier voor het verder deel der reis niet meer aan dek verscheen.
De kapitein en de officieren aan boord vertelden ons, dat zij nog nimmer zulk een weder hebben medegemaakt en dat het vorige jaar ongeveer in dezen tijd en op bijna dezelfde hoogte, het zusterschip van onze boot daar in een soortgelijke typhoon naar den grond is gegaan. Het was meer geluk dan zeemanswijsheid, dat ons niet hetzelfde lot heeft getroffen, want zoo'n wind speelt met een schip als met een zeepbel. Wij hadden Donderdagmiddag, tusschen 3 en 4 uur, in Shanghai kunnen zijn als alles normaal was gegaan; nu zaten wij Donderdagavond in het Formosakanaal en arriveerden eerst Zaterdagmorgen om tien uur in Shanghai. Doch, hoe ellendig wij dat lange verblijf op die onstuimige zee ook vonden, niemand uitte een woord van beklag, gelukkig als elkeen was, het levensgevaar ontkomen te zijn.
Een typhoon waar wij zoo bang voor waren en die wij tusschen Manilla en Hongkong zoo zorgvuldig hebben gemeden, hebben wij nu ook meegemaakt, maar dit is een ondervinding, waarvan de gedachte ons steeds met afgrijzen zal vervullen. Zoo'n langen tijd achtereen in levensgevaar te verkeeren en bij elk gekraak van het schip te meenen, dat nu het einde gekomen is, jaagt alle humor op de vlucht.
Bij het binnenkomen in Shanghaï, op de Yang Tse-rivier, zag ik tusschen de vele andere schepen een van onder tot boven met vlaggen getooid. Was dat geen bekend schip? Zag ik daar niet de Nederlandsche kleuren? Jawel, het was de "Holland", die in deze verre haven den verjaardag van Koningin Wilhelmina verkondigde. De Amerikanen aan boord beweerden, dat het een Duitsch vaartuig was en velen vroegen verbaasd: "Is it really a Holland Dutch ship?"
In Shanghaï werden wij aan de boot begroet door een Amerikaanschen heer, wiens dochter wij in Java ontmoet hadden. Zij had haren vader over ons geschreven, zoodat, toen hij vernam, dat wij onder de verwachte passagiers der "Persia" waren, hij ons was komen verwelkomen. Hij bood ons onmiddellijk voor den duur van ons verblijf in Shanghaï zijn auto ten dienste aan, zoodat wij geen kwartier na onze aankomst reeds per automobiel op weg waren naar onze respectieve consuls. Ik trof in onzen consul, den heer von Zeppelin, en zijn vrouw, allerliefste, voorkomende menschen, die mij zooveel mogelijk ten dienste stonden. Ter eere van den verjaardag der Koningin was er 's middags een gardenparty, alwaar ik vele landgenooten, onze kranige zeeofficieren, en bekende Chineesche personen, trof. Het was toch weder aangenaam, in een, in hoofdzaak, Nederlandsche omgeving te zijn.
Zaterdagmiddag tuften wij per auto van den heer Kempfer een paar uren door de stad en naaste omgeving. Shanghaï is geheel iets anders dan Hongkong. Shanghaï is een groote stad, geheel Europeesch. Men vindt er weder auto's door de straten snorren, electrische trammen, rijtuigen, met heusche paarden er voor, doch ook rickshaws en draagstoelen, al zijn deze beide laatste er ook niet in zoo'n groote hoeveelheid. Onmiddellijk viel het ons op, dat hier zoovele Chineezen nog hun staarten dragen. In Hongkong en Canton hadden wij er geen meer gezien, doch hier loopen er even zoovele Chineezen met als zonder staarten.
Terwijl wij aan de lunch zaten ontvingen wij bezoek van eenige Amerikaansche dames, die mrs. Catt in Amerika hadden hooren spreken en die haar nu kwamen uitnoodigen, hier in de Amerikaansche club een voordracht te houden over de vrouwenkiesrechtbeweging der geheele wereld. Eenigen van deze dames zijn reeds vele jaren hier en zijn bekend met de leidsters der vrouwenbeweging onder de Chineesche vrouwen. Mrs. Catt heeft die uitnoodiging aanvaard en de vergadering op a.s. Dinsdag, om 6 uur, bepaald.
1 September. Een kalme, aangename dag ligt achter ons. Het was verrukkelijk mooi weder, niet te warm, niet te koud. Om 9 uur gingen wij met eenige kennissen oud-Shanghaï, dat is de stad binnen de wallen, zien. Het is een vies vuil stukje stad, met eenige zeer schilderachtige gedeelten. 't Theehuis, de tempel, etc. zijn, nu wij dat alles in Canton veel interessanter hebben gezien, geen bezoek waard. Om 12 uur kwam de heer Kempfer ons weder per auto halen, om eerst een uurtje in de omgeving te toeren en daarna te zijnen huize, met eenige Amerikaansche dames en heeren te lunchen. Na de lunch liet hij ons naar den, ook in ons land bekenden heer Wu Ting-Fang brengen, te wiens huize wij waren genoodigd te komen theedrinken.
Wu Ting-Fang, of dr. Wu, zooals hij gewoonlijk toegesproken wordt, was langen tijd ambassadeur in Washington, doch was minister van Buitenlandsche Zaken in het voorgaande Chineesche ministerie. Hij is een revolutionist, groot vriend van dr. Sun Yat-Sen en evenals deze laatste ook in Canton geboren en opgevoed. Ook zijn vrouw is een zeer vooruitstrevende dame, doch, daar zij slechts enkele woorden in een vreemde taal spreekt, konden wij van haar niet veel vernemen.
Dr. Wu is de eerste Chinees van bezadigden leeftijd, met wien wij over de toestanden hier hebben kunnen spreken. Hij is echter evenzoo optimistisch als alle zijne jonge geestverwanten, die wij in Canton ontmoet hebben. Hij sprak met de grootste kalmte over de moeilijke toestanden, waarin het land nu verkeert, vast en zeker overtuigd zijnde, dat die moeilijkheden overwonnen zullen worden. Hij gelooft in een oprijzing van China, zoo krachtig en zoo plotseling, alsof het een springveer is, die samengedrukt, opeens wordt losgelaten. De veerkracht is nog in het volk en nu het niet meer onderdrukt zal worden, zal het weldra de wereld verbazen door wat het vermag. Hij is ook een groot feminist, gelooft in gelijke politieke rechten voor mannen en vrouwen, maar vreest, dat de meerderheid der regeering in dit opzicht niet zoo vooruitstrevend is. Wij hoorden van hem voor het eerst, dat hier een vrouwenkiesrechtvereeniging bestaat, die ook in Nanking en Peking een vertakking heeft. De leidster der vereeniging is op het oogenblik in Peking, doch met de andere bestuursleden zal de vrouw van dr. Wu ons in contact brengen. Volgens dr. Wu werkt deze vereeniging nog niet tactvol; hij stelde het daarom op hoogen prijs als wij met deze dames wilden spreken en nagaan of hun organisatie goed geregeld is. Dat deze Chineesche vrouwen lid van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht moesten worden, leek hem als vanzelf sprekend en hij verwachtte daarvan, vooral voor de Chineesche vrouwen, veel goeds.
Dr. Wu, die met zijn familie--ook zijn getrouwde zoon en schoondochter wonen bij hem in--in een prachtig huis woont, liet ons daarna zijne geheele woning zien. Hij zeide, te weten, dat dames altijd gaarne in een vreemd land de inrichting der woningen wilden zien en dat een Chineesche woning toch nog iets meer origineels bezit dan de meeste Europeesche of Amerikaansche woningen. Twee van de kamers in zijn huis zijn geheel Chineesch ingericht, daarin duldt hij geen enkel Europeesch meubeltje of schilderij. In het maken van deugdelijke en zeer smaakvolle meubelen behoeven de Chineezen voor geen enkele natie onder te doen.
Na dit interessante bezoek begaven wij ons naar de Internationale Club, waar een jong Chinees, die in Amerika aan de Columbia Universiteit in de philosophie gestudeerd heeft en daar zijn doctorstitel haalde, op een dissertatie over Confucius, een voordracht in de Engelsche taal hield over het confucionisme. Deze oude godsdiensten, als men tenminste het confucionisme een godsdienst mag noemen, hebben toch zoo bijzonder veel aantrekkelijks. De afgodendienst, die er later aan verbonden is geworden, heeft met het zuivere confucionisme niets te maken. Het is een wijsgeerig stelsel, waarop niets valt af te dingen.
Het is op het oogenblik in Nanking, Hankow en Peking heelemaal kalm, zoodat wij gerust onze reis door dit deel van het binnenland kunnen vervolgen. Wij zullen echter eerst nog eenige dagen hier blijven.
VII.