Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 57
Ik kon mijn stukjes kikvorsch niet meer naar den mond brengen, hoeveel moeite ik er ook voor deed. Mrs. Catt had echter haar bordje reeds leeggegeten, zonder te weten wat het was, toen de gastheer haar stralend vroeg of zij ook zoo'n liefhebster van kikvorschen was. In het zuiden van Frankrijk at men alleen de achterpooten, maar de ruggen waren juist het lekkerst. Mijn lieve, goede reisgezellin had een oogenblik moeite haar maaginhoud binnen te houden, en kon met geen mogelijkheid van het verdere diner nog iets nuttigen. En toen kwam juist het fijne. Ieder kreeg een schoteltje met hartjes en levertjes. Men zeide mij, dat het de hartjes van nachtegalen waren, maar ik wil hopen, dat zij van minder edele vogeltjes afkomstig zijn. Daarna werd de pièce de résistance opgediend. Elk kreeg weder een bakje, zooals in het begin, driekwart gevuld met rijst, lekker korrelig gekookt. In 't midden van de tafel werden een dozijn grootere bakken gezet, elk gevuld met iets anders. Dat was een formeele rijsttafel, maar zonder de sambals. Geen enkele kruidenij werd aan tafel gebruikt en door niemand werd iets gedronken. Er stond trouwens geen glas en geen drinken.
Elkeen pakte nu met zijn stokjes, waarmede al het voorgaande gegeten was, uit de verschillende bakjes wat hij of zij wilde hebben en at dat met de rijst. Mijn buurman bediende mij. Ik vroeg alleen een stukje eendvogel, wat hij met zijn stokjes op mijn rijst deponeerde, en toen hij mij nog wat wilde geven, vroeg ik een gebakken ei. Maar, o, wee, toen ik dat in mijn bakje had, zag ik, dat het een ei met een kuikentje was. Onze Chineesche tafelgenooten verorberden zoo'n gevuld ei met bijzonderen smaak, ik vergenoegde mij met een beetje van mijn stukje eend te eten en wat rijst uit het bakje in mijn mond te schuiven. Dat is eigenlijk het eenig wat de Chineezen heel onsmakelijk doen, het eten van rijst met de stokjes. Zij kunnen de rijst niet met de stokjes pakken, daarom zetten zij het bakje aan den mond en schuiven de rijst met de stokjes naar binnen. Het leek heel veel op slobberen. Messen worden aan tafel niet gebruikt, alles wordt in de keuken zoo klein gesneden, dat men het zoo kan eten. Zij vinden het zeer onbeschaafd van de Europeanen om zich aan tafel van messen te bedienen. Voor toespijs kregen wij een heel dun rijstkoekje met een stukje vette ham er boven op. Daarna kreeg elkeen weder een klein kopje thee en daarmede was het diner afgeloopen. In de binnengalerij stonden vruchten en zoetigheidjes op tafel; ieder bediende zich zelf daarvan.
Weldra was het acht uur en toen vroeg de gastheer ons of wij plezier hadden met het heele gezelschap mede naar een theater te gaan, waar een echt Chineesch stuk, uit het Chineesche volksleven gegrepen, door amateur-artisten gegeven zou worden. Wat konden wij meer wenschen! Voordat wij de woning echter verlieten, bood de vrouw des huizes, door middel van haren man, ons elk een paar ivoren, met zilver gemonteerde, stokjes aan, als aandenken aan ons eerste Chineesche diner. Zij had in elk glazen doosje haar miniatuurkaartje gelegd, in de hoop, dat wij haar nooit zullen vergeten en haar nog eens van ons zullen laten hooren. Van alles wat ik van deze reis mede naar huis zal brengen, zal niets zoo'n waardevol souvenir voor mij zijn, als deze twee stokjes, omdat zij mij telkens weder den dag zullen te binnen roepen, die van onze geheele reis de merkwaardigste is en die mij China en de jong-Chineezen zoo van nabij heeft leeren kennen.
Het stuk, dat opgevoerd zou worden, gaf ons een blik in toestanden, zooals die vóór de revolutie in China heerschten en die nu gaandeweg aan het verdwijnen zijn. Het was het huiselijk leven van een mandarijn, die zich verrijkt had met de zuur verdiende gelden van het arme volk. Hij is nu oud, verkoopt zijn plaats aan een collega en vertrekt met zijn gezin naar elders. Zijn eenige zoon is een groot speler, besteelt zijn vader en verliest al het geld van papa. De oude mandarijn sterft van verdriet. Als de zoon geen geld meer bezit om te spelen, verkwanselt hij zijn zusje aan een slecht befaamd huis en ten slotte hangt hij zichzelf op. De moraal van het stuk: onrechtmatig verkregen goed gedijt niet. Dat lag er dik op. Het gaf ons echter een blik in zoovele huiselijke zaken in China, waarvan men wel leest, maar die men anders nooit voor oogen krijgt en het werd meesterlijk gespeeld door jonge studenten, die het opvoerden ten voordeele van de kas der politieke vereeniging, waartoe ook zij behooren.
In het eerste tooneel zien wij den ouden mandarijn met zijne dochter en de vrouw van zijn zoon. Ieder der huisgenooten heeft een eigen bediende, die hem of haar als een schaduw volgt en als zij stil zitten, onophoudelijk koelte met een waaier toe wuift. Dan komt de zoon tehuis, die voor zijn vader kruipt, maar zijn vrouw en zuster als een tyran behandelt. Daarna ontvangt de vader bezoek van een anderen mandarijn, die in rang beneden hem staat en wij zien de verschillende plichtplegingen van deze twee tegenover elkander. Dan licht de eerste zijn opvolger in hoe hij de 100.000 dollars, die hij hem voor de plaats betaald heeft, gemakkelijk in korten tijd weder uit het volk kan terugwinnen. Dat gaf natuurlijk menig staaltje van brutale uitzuigerij van deze Manchu-ambtenaren te zien en te hooren.
In het tweede bedrijf heeft de vader bemerkt, dat zijn zoon hem besteelt en het geld in speelhuizen verliest. Een typische scène tusschen vader en zoon, waarbij de vader zich zoo opwindt, dat hij neervalt, ziek wordt en sterft. De dokter-kwakzalver komt aan het ziekbed en verricht hocus-pocus-kunstjes. De vader sterft en alle formaliteiten, die bij zoo'n dood voorvallen, zien wij gebeuren. De priester komt, de duivel wordt verbannen, de familieleden komen, de begrafenis wordt voorbereid en alles wordt zoo aanschouwelijk voorgesteld, alsof het in werkelijkheid plaats vindt.
In het derde en laatste bedrijf is de zoon reeds geheel verarmd, zijn schuldeischers maken het hem lastig, de bruidsschat van zijne zuster heeft hij ook reeds verkwanseld en dan komen een paar kerels hem geld voor dat zusje zelf aanbieden. Hij hoopt met dat geld zijn verloren kapitaal terug te kunnen winnen, zijne zuster zal hij dan weder bevrijden en zoo brengt hij zijn geweten tot zwijgen en stemt met den koop in. Het meisje wordt dan gesluierd, aan armen en voeten gebonden en medegevoerd. Nauwelijks is zij weg of andere schuldeischers komen hem het pas ontvangen geld afhandig maken tot hij geen cent over heeft en radeloos hangt hij zich dan op. Wij krijgen dan een geheel ander beeld van wat voorvalt in het huis van een zelfmoordenaar.
Mrs. Catt en ik hadden elk een jongmensch naast ons zitten, die ons telkens de vertaling gaf van hetgeen de acteurs zeiden, zoodat geen woord van het geheele stuk verloren ging. Van het begin tot het eind waren wij door het stuk en het spel der jongelieden geboeid, wij gevoelden ons geheel tehuis in de wereld, die ons daar vertoond werd.
Om ruim elf uur was het stuk afgeloopen, waarna onze beide jonge cavaliers ons in het private stoombootje van onzen gastheer over de rivier naar het hotel brachten. Het was een prachtige sterrenhemel, van vele schepen werden weder goede en booze geesten aangenaam bezig gehouden, kleine bootjes met Boeddhistische nonnen en andere met monniken zwierven op het water rond, om de watergoden te heiligen, de eentonige Chineesche muziek werd van verschillende schepen gehoord, tal van kleine vaartuigjes met gekookte rijst, gebakken of gekookte visch, vruchten en andere etenswaren gondelden tusschen de groote schuiten door om nog wat te verkoopen, de hel verlichte stad bood een phantastisch beeld, dit alles stemde ons met een dankbaar gevoel en dit prachtig slot aan zoo'n heerlijken dag maakte ons overgelukkig.
Toen wij ten slotte in het middernachtelijk uur op onze kamer aangekomen waren, keken wij elkander eens goed aan en riepen uit: Wat een onvergetelijke dag! Maar, vroegen wij ons af, zal men ons willen gelooven, als wij onze lotgevallen van dezen eenen dag ook nog zoo eenvoudig mogelijk beschrijven? Zal iemand, die niet hier is geweest, die de Chineesche toestanden niet kent, onze beschrijving van het diner en alles wat er opgediend werd voor waarheid aannemen? Zal men realiseeren wat het beteekent, dat wij tweetjes hier in deze stad, die nog in staat van beleg verkeert, twee dagen lang hebben rondgedwaald om vrouwenkiesrecht en vrouwen-parlementsleden op te sporen en die niet alleen hebben gevonden, maar zelfs met deze Cantonneesche vrouwen-raadsleden hebben gesproken en met eenigen gedineerd en dat terwijl zelfs in Canton doktoren, leeraren, de hotelier, vele zendelingen en anderen ons niet eens wisten te vertellen, of er zulke vrouwen, eenig in haar soort, in deze stad bestonden en waar het gebouw is, waar de raadszittingen worden gehouden? Van den heer Tze Yin Pak hebben wij nu aanbevelingen mede gekregen voor partijgenooten in Shangai, Nanking en Peking, waardoor wij direct in aanraking zullen komen met de personen, die wij vóór alles willen leeren kennen. Treffen wij toevallig dr. Sun ergens aan, dan zullen wij ons bij hem aandienen, want hij weet van onze komst en de heeren wisten ons bepaald te verzekeren, dat dr. Sun ons gaarne zal willen spreken.
Ondertusschen zijn wij nu weer in Hongkong teruggekeerd, na een prachtigen tocht over de schilderachtige Paarlrivier. Van deze boottochten hoort men hier nooit zoo heel veel gewagen, doch inderdaad leveren zij meer natuurschoon en meer bezienswaardigs op dan een tocht langs den Rijn of den Donau, of welke andere bekende Europeesche rivier.
Morgen willen wij naar Shangai vertrekken en daar zullen wij vernemen, of het mogelijk is, dat wij naar Peking opgaan. Heel gemakkelijk zullen wij ons niet laten uit het veld slaan, want wij hopen te zeer Nanking en Peking te kunnen bezoeken. Voor den tocht naar Canton had men ons ook zoo bevreesd gemaakt, ieder vertelde, dat wij kans hadden er niet van terug te keeren en nu verheugen wij ons zoo, dat wij het plan hebben doorgezet. Maar toch zullen wij voorzichtig zijn, want de toestanden veranderen hier bij den dag. Toen wij in Canton waren, werd daar nog heel licht over het doodschieten van de twee generaals, leden van de Tung Ming Hui, gesproken en hier vernemen wij, dat de Nationale Raad en zelfs de Tung Ming Hui den president Yuan om opheldering hebben gevraagd en als die ophelderingen niet voldoende zijn er dan een leger naar Peking zal worden gezonden en daar de strubbelingen opnieuw zullen beginnen.
Ondertusschen rust op mij nog de taak om een beknopte beschrijving te geven van de allerzonderlingste stad Canton en van alle merkwaardigheden, die wij er zagen. Daaraan zal ik den volgenden brief wijden, want dit pakket moet heden verzonden worden.
V.
Zooals ik reeds schreef, de stad Canton is de allerzonderlingste stad, die men zich denken kan. Verbeeldt u een stad van 2 1/2 à 3 millioen inwoners, een viermaal grootere bevolking dan de stad Amsterdam, geheel bestaande uit straatjes, nauwelijks een paar meter breed, waar alleen de zonnestralen zouden kunnen doordringen als de zon zoo hoog aan den hemel staat, dat zij hare stralen verticaal naar beneden zendt, maar op dat uur van den dag ziet men van weerskanten van boven de huizen een mat rolgordijn uitspannen, om die enkele stralen op te vangen. Deze nauwe straatjes schijnen nog nauwer dan zij in werkelijkheid zijn, omdat elk huis een winkeltje is en deze winkeltjes alle hun naam en kwaliteit en wat de Chineesche letters meer mogen uitdrukken op lange, breede geverniste planken, die aan de intrede van het winkeltje naar de straat uitsteken of op breede linnen strooken, die in de lucht wapperen, hebben aangegeven. Deze planken of linnen banden zijn rood, groen of geel geschilderd en in sterk contrasteerende kleuren is de naam en reclame aangebracht. Sommige van deze straatjes zijn een mijl lang en bijna alle bevatten slechts één soort winkeltjes, waartusschen dan hier en daar een restauratie of een tempel, soms een schooltje gevestigd is. Men heeft de schoenmakersstraat of straten, de zilversmeden, de zijdeverkoopers, de straat waar zijden of ander borduursel verkocht wordt. In al die straten krioelt het den geheelen dag van menschen; als men, zooals wij, een heelen dag de stad van alle kanten doorkruist heeft, dan krijgt men het gevoel die millioenen menschen vrijwel allen gezien te hebben. In Caïro, Damascus en andere steden, heeft men een gedeelte van de stad, de bazaar, dat een beetje aan Canton doet denken, maar hier bestaat een stad met viermaal zooveel inwoners als Amsterdam, geheel uit zulke straten. Op verschillende plaatsen wordt de stad door kanalen of grachten, die in de rivier uitmonden, doorbroken en op die plaatsen doet zij iets aan Venetië denken, maar toch is het weder anders, want op deze kanalen, hoe nauw zij ook zijn, heerscht een levendigheid en vertier, die men elders mist.
In het begin gevoelt men zich totaal van streek, in deze nauwe straatjes, te midden van een zoo vreemd volk, met zulke vreemde gewoonten; men drukt den zakdoek voor den mond om de lucht niet in te ademen en de onwelriekende geuren niet op te snuiven en men vraagt zich verwonderd af, hoe de menschen hier kunnen leven en tieren. Maar weldra raakt men aan deze omgeving gewend, men laat zich kalm uren lang door deze drukke, schreeuwende menigte voortdragen en tracht aan beide zijden tegelijk uit te kijken, om toch vooral zooveel mogelijk van alles wat rondom geschiedt in zich op te nemen. O, wat had ik in Canton gemakkelijk voor een paar dozijn oogen werk gevonden, mijne simpele twee konden het in den regel alleen niet af; de dragers moesten nu en dan even staan blijven om mij tijd te geven naar beide zijden, voor en achter en naar onder en boven te kijken.
De marktplaatsen,--bijna elke lange straat begint en eindigt met 'n marktplaats--waren het onaangenaamste om te passeeren. De meest afzichtelijkste en onsmakelijkst opgemaakte dingen worden daar verkocht, terwijl de reuk, die deze dingen verspreiden, ongenietbaar is. Levende ratten en muizen en kikvorschen heb ik in mijn vorig schrijven reeds vermeld, stukken bloedig vleesch dat een uur in den wind stonk en visch, die met bloed is overgoten om het frisch te doen uitzien, en zulke walgelijke dingen zag men daar. Alleen de vruchten- en groentenstalletjes zagen er goed uit. De overheid in Canton, dat zijn nu de 120 jonge mannen en vrouwen, die den Raad uitmaken, heeft reeds het besluit genomen om deze primitieve marktplaatsen op te heffen en zestien markthallen, rondom de stad, maar buiten de nauwe straatjes gelegen, te bouwen. De stad zal rondom uitgebreid worden, de wallen geslecht en daarbuiten zal men trachten breedere straten, met moderne huizen, aan te leggen. De familie Tze Pak, waar wij gedineerd hebben, woont nu reeds buiten de oude stad.
Ieder winkeltje is tegelijkertijd de werkplaats, waar het te koop gebodene gemaakt wordt. Men kan, als men wil, van het begin tot het einde zien, hoe hetgeen men koopt, gefabriceerd is. En in elk winkeltje ziet men een hoekje of plaatsje met een kastje, waarvoor een lichtje brandt of een stokje staat te rooken. In dit kastje worden de geesten bewaard van de dierbare afgestorvenen. Dat wil zeggen, de eene geest, dien men mede naar huis neemt. Een Chinees bezit nl. drie geesten. Als hij sterft gaat er één regelrecht naar den hemel of de hel, al naardat hij het hier op aarde gemaakt heeft, een er van neemt hij mede in de kist en de derde wordt door de nabestaanden opgevangen en in een zeer kunstig gesloten doosje bewaard. Dat doosje wordt thuis in een kastje gezet, expresselijk en alleen voor dat doel dienende, zoodat de geest dagelijks verheerlijkt of geheiligd kan worden. Al is de overledene nog zoo'n onaangenaam mensch geweest en elkeen eigenlijk blijde was dat hij het heden met het hiernamaals verwisseld heeft, dan nog doet men na zijn dood alles om zijn geest tevreden te stellen en in een goed humeur te houden. Alle ongeluk in zaken, alle ziekten, alle huiselijke onaangenaamheden, worden altijd op rekening van de geesten van afgestorvenen geschoven, die over gebrek aan toewijding ontevreden zijn.
Op een oogenblik, dat wij juist een hoek van een straat zouden passeeren, moesten onze dragers even stilstaan, omdat er een groote lange processie voorbij toog. Het gold een begrafenis, d.w.z. het lijk werd naar "de doodenstad" gebracht, waarover later. Vóór de lijkkist, die door 12 man gedragen werd, liep een man met een voorgebonden zak, waaruit hij onophoudelijk ronde stukjes zilverpapier naar beide zijden van de straat strooide. Op onze vraag wat dat beteekende, vernamen wij, dat die stukjes papier verbeelden geld te zijn. Hij koopt met dat geld de geesten van de straat om, zoodat zij de ziel van den doode, die in de kist het lijk vergezelt, ongestoord zullen laten passeeren. Al de volgelingen van het lijk waren in oranjegele draagstoelen gezeten; de vrouwen droegen alleen een groot wit jakje over hunne gewone kleeding en een dito doek los over het hoofd gelegd. Mannen zagen wij niet bij den stoet. Dat was een bewijs, dat er een vrouw begraven werd. Mannen vinden het niet noodig het lijk hunner vrouwen naar het doodenhuis te begeleiden. Als een vrouw sterft, kan zij hem in niets meer van dienst zijn, over hare begrafenis maakt hij zich niet druk. Somtijds trouwt hij denzelfden dag reeds met een ander.
Laat men niet vergeten, dat er een oud- en een jong-China bestaat. Verreweg het grootste deel van de bevolking behoort nog tot oud-China; het kleiner deel, jong-China, heeft gebroken met tal van oude gewoonten en gebruiken, dat tracht zooveel mogelijk Europa, of nog liever Amerika, na te volgen. De menschen, waarmede wij in nauwer contact zijn gekomen, en verder waarschijnlijk zullen komen, behooren allen tot jong-China. Zoo kon het ook gebeuren, dat in het gezin van den heer Tze Pak, de vrouwen mede aan tafel zaten, in een ouderwetsch Chineesch gezin eten de mannen alleen en daarna pas de vrouwen.
De oranje-gele kleur van de draagstoelen, waarin de volgelingen van dien lijkstoet gezeten waren, toont aan, dat de familie tot den Boeddhistischen godsdienst behoort. Er zijn niet veel Boeddhisten meer in China. In het volkrijke Canton zijn er slechts eenige duizenden. Verreweg het meerendeel der bevolking is Confucionist. Dit schijnt, vooral voor de mannen, een zeer gemakkelijk geloof te zijn. De mannen behoeven slechts den god van den oorlog en den god van den rijkdom te heiligen, dan zal het hun goed gaan; de vrouwen hebben daarentegen tal van goden te ontzien, voor alle zaken hebben zij een afzonderlijk godje, dat zij bewierooken, met gekleurde papieren poppetjes vermaken en met zilverpapier omkoopen.
Het Boeddhisme is hier evenwel evenals op Ceylon zeer vervalscht; van het zuivere Boeddhisme, zooals wij dat in Rangoon zagen, is hier niet veel meer over. Het heeft hier geheel zijn philosophisch karakter verloren en een zuiver afgodendienst-vorm aangenomen.
Wij bezochten eenige voorname Boeddhisten-tempels. De dwaaste van alle is wel de tempel der 500 genieën. In dezen tempel zijn 500 levensgroote vergulden mannenbeelden, de discipels van Boeddha voorstellende. Er waren er met duidelijk Hindoe-type en met Chineesch type en één Italiaan. Elk van deze beelden gaf door houding en gebaren te kennen, wat soort discipel hij was. Boeddha zelf wordt in dezen tempel en de andere tempels die wij zagen geheel anders uitgebeeld dan de Burma-Boeddha. Hier is hij een vette, vroolijke dikzak, die het liefst met zijne kinderen speelt. De wijsgeer in hem raakt hier heelemaal op den achtergrond.
De tweede belangrijke tempel dien wij bezochten was de tempel der vijf genieën. Hier waren maar vijf mannetjes, maar 't waren de vijf, die op rammen door de lucht waren komen vliegen en in Canton waren neergedaald. De versteende rammen liggen aan hunne voeten; maar ik betwijfel of iemand, zelfs met de sterkst werkende fantasie, uit deze steenklompen rammen kan herkennen. Deze tempel bevat een merkwaardige klok, die heel hoog in de lucht hangt en bijna niet in beweging kan worden gebracht. Deze klok is daar door de vijf genieën duizenden jaren geleden aangebracht, ter waarschuwing als de stad een ongeluk dreigt. Als die klok geluid geeft, dan volgt er gewis een of ander onheil. Tal van verhalen zijn daarvan in omloop, het een al griezeliger dan het ander. Den laatsten keer dat er geluid uit deze bel kwam, was in den laatsten oorlog met Engeland. Een Engelsche kogel raakte de bel, de heele omgeving hoorde het geluid, waarop de Chineezen zich maar gauw overgaven, toch wetende, dat nu ongeluk hun boven het hoofd hing.
Er is ook een tempel aan een medicinischen god gewijd. Die god geneest niet alleen alle bestaande ziekten, maar oefent ook alle macht uit over toekomstige ziekten. Men kon vroeger een bakje vuil water voor veel geld van hem koopen, dat gedronken, alle bestaande en komende kwalen als met een tooverslag het veld doet ruimen. De tegenwoordige regeering heeft echter aan dit gevaarlijke zaakje der priesters paal en perk gesteld.
De aardigste en kleinste tempel dien wij zagen is aan Boeddha zelf gewijd. Drie groote beelden van Boeddha, het verleden, heden en de toekomst voorstellende, stonden in het midden van den tempel. Er was echter ook een heilige kast, geheel van zilver, die bevatte een reliquie van Boeddha. Het was de nagel van een van zijn teenen!!! Pelgrims komen eens in het jaar om dat waardevolle ding te verheerlijken.
En zoo waren er nog tal van tempels, zonder eenige architectonische bijzonderheid, noch mooi beeldhouwwerk of van andere artistieke waarde. Men zegt, dat er meer dan 2000 tempels in Canton zijn. Ook de tempels der Confucionisten zijn de moeite van een beschrijving niet waard. Zij zien er alle even vuil en vies uit, niemand schijnt zich van een schoonmaak iets aan te trekken. In de voorhal van sommige tempels wordt gewoonweg een zaakje uitgeoefend of heeft een of ander werkman een tijdelijke werkplaats gemaakt.
Eén groote, hooge pagoda is nog in Canton; die wordt echter niet meer gebruikt; hij ziet er erg schilderachtig uit, doordat hij in den loop der tijden van onder tot boven begroeid is met gras en ander groen.
Meer merkwaardig dan mooi is de Clepsydra of de waterklok. Men vertelde ons, dat er slechts twee zulke klokken op de wereld bestaan, waarvan dan een in Peking en een in Canton is. Lang voor men van klokken ooit iets vernomen had, heeft een geniaal Chinees den dag en nacht in tweemaal twaalf uren verdeeld en een waterklok gemaakt, bestaande uit vier boven elkaar staande bakken. De bovenste bak wordt vol water gegoten en deze laat langzaam het water in de tweede lekken. Vandaar gaat het naar de derde en eindelijk komt het in de vierde bak. Als de onderste bak een zekere hoeveelheid water bevat, is het één uur, wat men buiten kan aflezen, en zoo vervolgens elk uur verder. Vroeger stond een wacht bij die klok, die elk uur dat verstreken was, luide in de stad verkondigde, zoodat de heele bevolking kon weten hoe laat het was. Men zegt, dat de arme menschen nog steeds deze klok als hun tijdmeter gebruiken.
Wij brachten ook een bezoek aan de doodenstad. Dat is een groot steenen gebouw even buiten de stad gelegen. Er zijn 200 kamertjes in deze woning, die door een gordijn kunnen worden afgesloten. In al die kamertjes staat een groote doodkist, de een mooier dan de ander. Als iemand sterft, dan moet hij na 24 uren begraven worden. Dat is een te korte tijd voor de familieleden om een goed graf te vinden. Want niet elk stuk grond is geschikt om een lijk te herbergen.... De grond mag niet te vochtig zijn, er mogen geen wormen of ander ongedierte huizen. Fung Shui mag er niet heerschen en zoo meer. Ook mogen er geen boomen groeien, want bladerengeritsel maakt de geesten zenuwachtig. Het liefst begraven de Chineezen hunne dooden tegen een hellenden, rotsigen bergwand. Zoo'n grafplaats wordt met groote zorg gekozen en dikwijls zeer duur betaald.