Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 56
Het kiesrecht der vrouwen is in China nog niet geregeld, zooals nog niets wettelijk geregeld is. Iedere provincie leeft nog onder een provisoir bestuur en regelt voorloopig haar eigen zaken. De provincie Canton nu heeft gemeend, de vrouwen, die in alle opzichten zoo'n werkzaam aandeel in de revolutie geleverd hadden, die steeds ijverige leden waren geweest van de geheime genootschappen, deel te moeten laten nemen aan de voorloopige provinciale regelingen en van de 120 zetels minstens tien door vrouwen te moeten laten bezetten. Men heeft verder gemeend, vrouwen zelf te moeten laten bepalen, welke vrouwen daarvoor gekozen moesten worden. De vrouwen van de provincie Canton hebben dus alleen gestemd voor de verkiezing van de tien vrouwen-leden.
De Provinciale Raad houdt elken middag van 1-5 zitting; de twee heeren zouden het op prijs stellen als wij zoo'n zitting wilden gaan bijwonen. Op onze verzekering, dat wij niets liever wenschten, gaf dr. Lou ons een introduceerend schrijven aan den president van den Raad, dien hij ook nog persoonlijk over ons zou spreken en bovendien gaf hij ons een brief aan den waarnemenden voorzitter van de politieke vereeniging Tung Ming Hui, waarvan dr. Sun de oprichter en voorzitter is. Hij wilde, dat wij dien heer gingen opzoeken, omdat wij van hem alle persoonlijke bijzonderheden omtrent de vrouwen-leden van den Raad zouden kunnen vernemen.
Het was toen half vijf; wij meenden nog een uurtje eenige bijzonderheden te kunnen gaan zien en daarmede onzen dag als welbesteed te kunnen eindigen. Van alle indrukken, die wij op onzen tocht door de stad 's morgens en des middags ontvingen, van de stad zelf en van alles wat wij er zagen, zal ik later vertellen. Het is nu reeds lang over den tijd, dat ik in bed had moeten liggen en slapen.
III.
24 Augustus.
O, wat een dag hebben wij gisteren doorgebracht! Nimmer zal ik dien 23en Augustus vergeten. Als wij van China niets meer zien en hooren, dan 't geen wij gisteren beleefden, dan nog hebben wij meer gezien en een dieperen blik kunnen slaan in het leven der Chineezen en in de idealen van Jong China dan menig toerist, die hier weken lang vertoeft. Het was een zeer vermoeiende dag, maar voor niets zou ik hem uit mijn leven willen missen.
Doch ik zal trachten er veel van te vertellen. Reeds om half acht zaten wij 's morgens weder in onze draagstoelen en gelastten onzen begeleider, om ons successievelijk te brengen naar tempels, pagoden, oude poorten, gevangenis en verschillende plaatsen waar een bijzonder voor Canton kenmerkende industrie wordt uitgeoefend. Wij hadden een lijstje gemaakt van de dingen, die wij wilden zien en lieten het aan den gids over in welke volgorde wij dat alles zouden bezoeken. Over dit alles zal ik in een anderen brief uitweiden, want de middag was veel interessanter en daarover moet ik eerst mijn hart luchten.
Om twaalf uur waren wij in het hotel terug, aten toen in haast een koude lunch, om vooral op tijd aan het Assembly-gebouw te zijn, waarvan wij ruim een half uur verwijderd waren. Het gebouw waar de raadszittingen gehouden worden is even buiten de oude stad gelegen, waar men thans is begonnen een nieuwe en nieuwerwetsche stad te bouwen. Het is een volkomen cirkelvormig, uit grijs zandsteen bestaand, gebouw, zeer eenvoudig en doelmatig ingericht. De hall, waarin de vergaderingen gehouden worden, is als in een circus, en daarboven loopt rondom een galerij voor 't publiek, waarvan men van elke plaats alles wat in de Hall gesproken en gedaan wordt, evengoed kan hooren en zien. Thans zijn nog alle ingangen sterk met soldaten bezet en niemand krijgt toegang tot de galerij, die niet deugdelijke identiteitsbewijzen bezit. Wij waren om kwart voor één daar, gaven aan de poort het introduceerend schrijven voor den president van den Raad af en wachtten. Na een oogenblik kwam iemand ons halen en bracht ons bij den voorzitter. Hij sprak zeer slecht Engelsch, zoodat wij geen geregeld gesprek met hem konden voeren, hij had het bovendien zeer druk en kon niets meer voor ons doen dan de reeds aanwezige dames-leden te roepen en die aan ons voor te stellen.
Daar stonden wij nu, tusschen deze parlementsleden, de een uit Amerika, de ander uit Holland, beiden tot voorheen trotsch op onze natie en nu beschaamd over de kleinzieligheid, bekrompenheid van geest, achterlijkheid, en nog zooveel meer van ons volk, dat nog steeds de vrouwen laat strijden voor een haar toekomend recht en in plaats van haar energie, werkkracht, inzicht en tijd te gebruiken, in het directe belang van het volk, laat men die liever ongebruikt of geheel verspillen in den strijd voor dat recht. Hier in China had men een breeder inzicht in landsbelangen. Deze vrouwtjes strekten ons tot voorbeeld! Zes leden spraken wij, doch geen harer kende genoeg van een vreemde taal, om er een geregeld gesprek in te voeren. Onze gids diende tot tolk.
Een van de zes, die het meest tot mijn hart sprak, wil ik het eerst beschrijven. Zij was 52 jaar oud, doch haar mager, gerimpeld gezichtje deed een veel hooger leeftijd vermoeden. Zij was weduwe en moeder van vijf kinderen. Twee zoons waren getrouwd en een had zij nog thuis. Hare beide dochters waren studenten in Japan, de een studeerde voor doctor in de medicijnen, de ander in de philosophie. Als zij in Japan haar diploma gehaald zullen hebben, is zij van plan hen nog voor twee jaar naar Amerika te zenden ter voltooiing van de studie en om goed Engelsch te leeren. O, zij betreurde het zoo, niet regelrecht tot ons te kunnen spreken, zij had ons zooveel te vragen en zooveel te vertellen. Het kleine, tengere vrouwtje--zij reikte niet hooger dan mijn schouders--dribbelde op haar mismaakte klompvoetjes zoo grappig voort, uit hare oogen straalde echter zooveel energie, wilskracht en verstand, dat ik mij niets verbaasde, toen ik vernam, dat zij een vurige spreekster in meetings was en prachtige courantenartikelen schreef. Zij had voor hare kinderen den kost verdiend in een handelszaak, die nu door een harer zonen beheerd wordt. Het was een vrouwtje, zooals wij wenschen, dat alle volkeren er vele bezitten, of zooals mrs. Catt zegt: "One, that belongs to us".
Dan was er een heel jong ding, zij leek waarlijk een kind van 12 à 14 jaar, maar zij was reeds 25 jaar. Een jong, vurig strijdster voor menschenrecht. Zij heeft ook in Japan gestudeerd, was juist benoemd tot leerares aan een groote meisjesschool, toen de revolutie uitbrak, waaraan zij van den aanvang af een groot werkzaam aandeel nam. Zij is nu lid van den Raad en geeft haar tijd, die over is, voor administratieve werkzaamheden ten behoeve van de politieke partij, waartoe zij behoort. Haar voetjes waren niet zoo misvormd, geen klompjesvoetjes, maar toch zoo klein als van een kind van 6 tot 8 jaar.
Twee dames waren echtgenooten van groote kooplieden in de stad, Zij waren, zooals men ons verzekerde, goede spreeksters en ware feministen. Zij vertelden ons, dat hunne respectieve echtgenooten zeer conservatief zijn en haar publiek optreden en haar lidmaatschap van den Raad ongaarne zien, daarom hadden zij beiden haar meisjesnaam weder aangenomen en waren daardoor in het publiek alleen onder dien naam bekend. De mannen konden zoodoende haar optreden niet beletten.
De twee laatsten waren beide onderwijzeressen. Een er van was getrouwd; op onze vraag of haar man het lidmaatschap goedkeurde, begon zij te lachen en antwoordde alleen, dat haar man haar als onderwijzeres getrouwd had en dus wist, dat zij een publieke persoonlijkheid was.
Onderwijl was de raadszitting begonnen, de dames moesten naar binnen en wij togen naar de galerij. Men had voor ons ieder een stoel in het midden van het gebouw neergezet. Op de galerij bevonden zich vele Chineesche toehoorders en toehoorderessen.
Welk een gezicht! Een oogenblik moesten wij lachen, niet realiseerende, dat wij ons in een Chineesche raadszitting bevonden. Het zag er voor onze westersche oogen zoo vreemd uit. Al die mannen, slechts zeer enkelen waren in Europeesche kleeding, zagen er uit alsof zij 's morgens bij 't maken van hun toilet zeer in den aanvang overvallen waren. Hun zwarte of gekleurde lage hakkelooze zijden schoenen geleken op pantoffels. De witte of lichtgrijze broek is precies als onze heeren de onderbroeken dragen en witte sokken. Over dat hing een lange witte of grijze nachtjapon; geen overdrijving: hij is precies van hetzelfde maaksel. De dames waren daarentegen allen in een zwart of donkergrijze lange broek gekleed, met daarover heen een nog niet tot de knieën reikend jasje. Als zij met gekruiste beenen zaten, kwamen hare beenen tot boven toe te zien, de mannenbeenen bleven steeds zedig onder het lange hemd verborgen. Telkens als de voorzitter, die met zijn secretaris op eene twee treden hooge tribune zat, even opstond, was het alsof wij een man pas uit zijn bed zagen komen.
Alle heeren zaten met een Chineeschen waaier, dat is een geheel uit veeren gemaakt en soms zeer kostbaar ding, onophoudelijk zich zelf wat koelte toe te wuiven, de dames hadden ook wel een waaier, maar werkten er niet zoo onophoudelijk mee. En aan enkele heerenarmen zagen wij een fijne bracelet, de vrouwtjes droegen manchetten.
Men vertelde ons, dat in den Raad de geldkwestie van de provincie Canton geregeld werd en dien middag de zouthandel, een groote bron van inkomen, besproken werd. Zeer bezadigd en kalm spraken de verschillende woordvoerders, wij konden natuurlijk niet verstaan wat zij zeiden, doch de korte inhoud werd ons even verklaard; slechts een enkele humoristische spreker bracht nu en dan een beetje vroolijkheid aan, alle andere namen hun taak ernstig op. Met zitten en opstaan werd over elk voorstel gestemd.
Van de 120 leden waren dien middag 97 aanwezig en van dezen kregen wij den indruk, dat China of althans de provincie Canton, op dit oogenblik door jong China geregeerd wordt. De meeste der daar aanwezige mannen en vrouwen waren tusschen de 25 en 35 jaar oud, weinig waren van 40 tot 55 jaar, daarboven niet eene, daarentegen waren er verschillende jonge mannen, waarvan wij vernamen, dat zij pas 20 of 21 jaar oud waren. Verreweg het grootste deel van dit bestuur bestaat uit gestudeerde jonge mannen en vrouwen, de intellectuals van het land, slechts eenige zijn handelslieden.
Tot drie uur bleven wij de zitting bijwonen, van het begin tot het eind geboeid door alles wat wij daar zagen en hoorden.
Ik weet niet of men in Holland weet hoe de toestanden hier op dit oogenblik zijn. Sedert ik op reis ben heb ik geen Hollandsche courant en slechts bij hooge uitzondering een Engelsch blad gelezen, het zou dus wel eens kunnen gebeuren, dat ik over toestanden en dingen schrijf, die men in Holland reeds weet, maar het komt mij voor, dat ik beter doe, alles wat ik hier hoor en zie te vermelden, op gevaar af dan, dat de lezers het voor den tweeden keer vernemen, dan dat ik ze onvermeld laat.
Nadat wij de vergaderzaal hadden verlaten, begaven wij ons naar den heer Tze Ying Pak, waarnemend voorzitter van de Tung Ming Hui. Wij troffen dien heer in het clubgebouw, omgeven door zijne zes secretarissen, waarvan twee dames zijn. Onophoudelijk kwamen er heeren inloopen, waarvan velen Engelsch spraken. Ook Tze Ying Pak sprak Engelsch en was op onze komst voorbereid. Hij is ongeveer 40 jaar oud, al de jongere lui noemden hem mr. Chair, een verkorting van Chairman.
Hij begon met ons uit te noodigen voor het verdere van den dag zijne gasten te zijn, onze gids en draagstoelen weg te zenden en verder op hem te vertrouwen. Wij namen volgaarne die uitnoodiging aan. Hij was zoo'n aardige, goedige dikzak, die onmiddellijk onze sympathie en ons vertrouwen won. Na met hem het clubgebouw doorgewandeld te hebben, zetten wij ons op het groote balcon met uitzicht op de prachtige rivier, waar zich gaandeweg verschillende jonge mannen en vrouwen, allen leden van de vereeniging, bij ons voegden. Elk die plaats nam, ontving, evenals wij, dadelijk een kop groene thee voor zich. Die thee wordt in porseleinen kommetjes met dekseltjes rondgediend, dat is te zeggen, een lepeltje theebladen wordt in het kommetje gedaan en daarop wordt kokend water gegoten. Verder ontvangt ieder een heel klein leeg kopje. Als men wat wil drinken, dan giet men een beetje thee uit het kommetje in het kopje en dat drinkt men zonder suiker of melk. Als men eenige keeren gedronken heeft, dan vult een bediende het kommetje opnieuw met water.
De jongelui toonden ons eene teekening voor een groot monument, dat men bezig is op te richten aan de overzijde van de rivier, vlak tegenover het clubgebouw, ter herinnering aan de 72 mannen, leden van Tung Ming Hui, die het vorig jaar in de revolutie gesneuveld zijn. Voor dit monument heeft elk lid der vereeniging naar vermogen bijgedragen.
Al deze heeren waren met het grootste optimisme omtrent den stand van zaken bezield, elk onzer bezwaren trachtten zij op de luchthartigste wijze te ontzenuwen. Zij spraken met ons over alle hervormingen die zij tot stand willen brengen en vertelden ons, dat zij in alles Amerika tot voorbeeld nemen. Er was in elke stad, waar hunne vereeniging eene afdeeling heeft, een studieclub opgericht, waar, onder goede leiding, studie wordt gemaakt van den regeeringsvorm in de Vereenigde Staten en van de wetten en instellingen der meest geavanceerde staten aldaar.
Wij vernamen van hen, dat het plan, om de regeering naar Nanking over te brengen, geheel is opgegeven, omdat men moeilijkheden met de groote mogendheden vreest, die in Peking allen hun kostbare regeeringsbureaux bezitten. Al deze jonge menschen hebben hunne studie en positie voorloopig opgegeven om zich geheel te kunnen wijden aan de werkzaamheden ter opbouwing van den nieuwen staat. Als het inderdaad mag gelukken de republiek staande te houden, van China te maken een modernen staat, dan zal dit te danken zijn aan de opoffering en toewijding, aan den frisschen geest en het jeugdig optimisme van de jonge mannen en vrouwen van het hedendaagsche China. Deze jonge mannen wilden ons volstrekt overhalen ons verblijf in Canton met 3 of 4 dagen te verlengen, dan wilden zij eene vergadering bijeen roepen, waar wij met behulp van een tolk, zouden kunnen spreken en een vereeniging van vrouwen stichten. Wij hebben evenwel alles voor onzen verderen tocht reeds geregeld en meenden bovendien, dat na ons gesprek de duistere punten per brief kunnen worden opgehelderd.
Om half-zes begaven wij ons naar de woning van onzen gastheer, omdat wij om zes uur moesten eten. Er waren vele gasten, doch niemand in avondtoilet, elk kwam blijkbaar in het pakje dat hij of zij den heelen dag gedragen had. Het was een echte Chineesche woning, in bouw heel veel gelijkende op de Europeesche woning in Java, met een voor- en achtergalerij, een binnenkamer en zijvertrekken, waar achter een gebouw ligt voor keuken en bediendenkamers. De inrichting der woning is echter geheel Chineesch.
De vrouw des huizes, een klein, bleek, ziekelijk uitziend poppetje, werd ons formeel voorgesteld, ook de andere gasten, waarvan de meesten reeds aanwezig waren. De een was een Chineesch officier van gezondheid, 35 jaar oud, die uitstekend Engelsch sprak. Trouwens, met alle heeren-gasten konden wij een goed gesprek voeren. Dan was er een ingenieur, die in Amerika gestudeerd heeft en nu de uitvoerder is van de nieuwe spoorlijn, die Canton met Hankow moet verbinden, waardoor de afstand van Canton naar Peking, met 6 dagen verkort wordt. Nu moeten de Cantonneezen nog eerst per boot naar Hongkong, van Hongkong per boot naar Shanghai, van Shanghai per spoor naar Nanking en van Nanking weder per boot naar Hankow, om vandaar verder naar Peking te kunnen komen. De reis duurt 9 dagen als alle booten net aansluiten en zal later in drie dagen kunnen worden afgelegd. Ook was er nog een jonge oogarts, die in Japan heeft gestudeerd en een van de hoofdambtenaren van politie, die ons mededeelde, dat onder de stadspolitie vele jonge mannen van goeden huize waren, die voorloopig hunne studie vaarwel hebben gezegd en nu de nieuwe omstandigheden dienen door een vertrouwde stadswacht te vormen. Wij kregen die mededeeling nadat ik had opgemerkt dat de politie overal in de stad zoo'n gunstigen indruk maakte, uit zulke flinke jonge mannen bestond met opvallend eerlijke gezichten.
Verder waren er drie dames, leden van den Raad, twee ervan hadden wij 's middags reeds gesproken, de andere was een dochter uit een gegoede familie, ongehuwd, die zich aan allerlei hervormingswerk wijdt, doch geen bepaald beroep uitoefent. Ook was een van de secretarissen van de vereeniging aanwezig. Nauwelijks waren wij voorgesteld, toen ons elk een klein kopje thee door de gastvrouw werd aangeboden, dat men beleefdheidshalve aanneemt, als men geen lust heeft het te drinken dan proeft men er even van. Wij werden in de binnengalerij ontvangen, omdat men in de voorgalerij bezig was de tafel te dekken.
Er liep nog een ander persoontje rond, een jong, burgerlijk uitziend, vrouwtje, dat niet werd voorgesteld, doch in alles als gelijke werd behandeld. Zij zette zich naast den heer des huizes neder, en toen ik vroeg of zij een familielid was, zeide hij zeer verlegen "neen". Even daarna vroeg mrs. Catt de vrouw des huizes of zij kinderen had, wat ontkennend werd beantwoord, doch waaruit wij begonnen te begrijpen, dat die tweede vrouw een bijzit is. Ook had ik reeds 's middags in de Club opgemerkt, toen wij over de hervormingen spraken, die ingevoerd moeten worden, dat men sprak over: leerplicht, afschaffing van de meisjesslavernij, die nu formeel bestaat, verbod van opiumschuiven, verbod om de voeten te mismaken, betere strafwetten enz., maar niet van afschaffing van polygamie en toen ik dat onderwerp te berde bracht, er even een stilte ontstond en onze gastheer ineens over iets anders begon. Later vertelde de officier van gezondheid mij, dat polygamie in China zeer verbreid is en sommige mannen, zelfs uit de vooruitstrevende kringen, tien tot achttien vrouwen hebben. Wel kan in China een man slechts één wettige vrouw hebben, de andere zijn niets anders dan concubines en in elk opzicht ondergeschikt aan de wettige vrouw, maar zij wonen meestal in dezelfde woning, deelen met haar de gunsten van den man en dikwijls zelfs het echtelijk bed.
Als een vrouw geen kinderen krijgt, of alleen meisjes, 't geen 't zelfde is, want meisjes worden niet als kinderen beschouwd, dan neemt de man, soms met toestemming van zijn vrouw, een bijwijf. Krijgt hij bij deze vrouwen kinderen, dan behooren die hem en zijne wettige vrouw toe. Zoo'n kind noemt de eerste vrouw moeder, zijne vleeschelijke moeder is niets voor hem, die mag blij wezen, als zij zijne dienstmaagd mag zijn. Zoo'n bijwijf kan ook ten allen tijde zonder vorm van proces, worden weggezonden, zij moet dus heel voorzichtig zijn, om man en vrouw beide goed te stemmen. Zij zijn goedkoope dienstboden, daarom duldt menige vrouw hen in huis. Bij zoo'n Chineesch huwelijk gaat het heel vreemd toe. Alle bijzonderheden er van zal ik niet verhalen, maar wel moet ik even mededeelen, dat het niet noodig is, dat de man bij het huwelijk tegenwoordig is. Evenals bij ons met de handschoen getrouwd kan worden, kan ook de Chinees zich laten vertegenwoordigen. In den regel neemt men als vertegenwoordiger een haan. Wat hier echter erger is, een jonge man kan door zijn ouders uitgehuwelijkt worden, zonder dat hij er iets van weet, zijn toestemming is zelfs niet noodig. Het is daarom heel gevaarlijk voor een Europeesche vrouw, om met een Chinees te trouwen, hij weet dikwijls zelf niet, of zijne ouders hem in zijne afwezigheid hebben uitgehuwelijkt. Komt hij dan later met zijne Europeesche vrouw in China terug, dan is deze niets meer en niets anders dan zijne concubine, terwijl hare kinderen de andere vrouw toebedeeld worden. Enkele afschuwelijke voorbeelden werden mij daarvan verteld.
Dit huwen zonder toestemming van de betrokken partijen, zal wel spoedig gewijzigd worden, want daarvan ondervinden ook de mannen te veel de nadeelige gevolgen, maar het zal een groote krachtinspanning der vrouwen vereischen, om de feitelijke polygamie afgeschaft te krijgen, juist omdat die wettelijk niet bestaat. Het is zooveel moeilijker oer-oude gebruiken te wijzigen, dan wetten veranderd te krijgen. Nadat wij ons met de verschillende gasten geruimen tijd onderhouden hadden, werden wij verzocht in de voorgalerij te komen en begon het diner.
IV.
Ik zat naast de vrouw des huizes en had aan den anderen kant den jongen oogarts. Mrs. Catt zat tusschen den gastheer en den ingenieur. De anderen zaten daartusschen verdeeld. Ieder gast zat op een mooi zwart houten Chineesch krukje. De gastheer en ook de andere heeren merkten met trotsch op, dat de Chineezen gewoon zijn aan tafel te zitten, doch wanneer wij in Japan ergens zullen worden uitgenoodigd, dat wij dan op den grond plaats zullen moeten nemen.
Op iedere plaats lag een porseleinen lepeltje, zooals wij voor medicijnlepeltje gebruiken, en twee ivoren stokjes. De vrouw des huizes en ook de gastheer schepten beiden met zoo'n klein lepeltje het een en ander in verschillende kommetjes en ieder kreeg zoo'n mooi Chineesch kommetje, zooals wij tehuis op onze buffetten hebben staan, voor zich. Het leek mij zoo'n raar mengsel en daarom vroeg ik wat dit alles was. Het was een groote vrucht, den Chineeschen naam weet ik niet meer, het meest gelijkende op pompelmoes, daarvan wordt de kap afgesneden, het binnenste uitgehold en dit vermengd met stukjes varkensvleesch, kip, streepjes van het binnenste van bamboe ('t geen hier veel gegeten wordt), meloenzaad, boontjes, deze laatste waren de vruchtjes van witte leliën, en nog andere roode en groene vruchtjes meer. Dit alles wordt dan weder in de vrucht gedaan en gezamenlijk gekookt. Deze heele vrucht wordt op tafel gebracht en daaruit krijgt elkeen het zijne. Achter elks kommetje stond een heel klein kopje, waarin soja was gegoten en waarin men zijn tusschen de stokjes geknepen stukje van het een of ander doopte, alvorens het te nuttigen.
Nu begon men te eten. Mrs. Catt en ik deden wanhopige pogingen om onze stokjes in de hand te houden en daarmede de stukjes van den rommel in ons kommetje naar den mond te brengen. De vrouw des huizes hielp mij een beetje. Ook mrs. Catt kreeg hulp van haar buurman. Wat was ik blij als ik zoo'n stukje beet had en naar mijn mond had gebracht, maar ik vertrouwde mij niet om er eerst mede naar het sojabakje te gaan en het daar in te dippen, zoo'n lange reis kon ik het niet vasthouden. De nattigheid, die onder in het kommetje was, werd met het lepeltje genuttigd. Dat proces ging beter.
Toen kwam het tweede gerecht. Elk kreeg een schoteltje met gekookte haai-vinnen. Die smaakten eigenlijk net als gekookte vinnen van andere visschen, misschien iets slijmeriger, maar men zal wel Chinees moeten zijn om er het fijne van te proeven. Bij de Chineezen gelden haaivinnen voor een groote delicatesse. Wij twee hadden onze schoteltjes nog niet half leeg, toen de anderen reeds lang klaar waren en het volgende gerecht werd opgediend. Dat leek mij zoo raar, zoo wit vleezig en zoo slijmerig, dat ik mijn buurman eerst vroeg "wat is dit?" "Dat zijn kikvorschen," zeide hij. Ik moet al een heel bedremmeld gezicht gezet hebben, want oogenblikkelijk liet hij er op volgen, "maar het zijn geen kikvorschen, die in slooten en plassen leven, deze worden door de families zelve op de rijstvelden gekweekt." Wij hadden 's morgens zooveel levende kikkertjes in de markthalletjes aan touwtjes zien bengelen, in gezelschap van muizen en ratten, dat ik bevreesd de vraag opperde: "Eet men hier ook muizen en ratten?" "O ja," was het eenvoudige antwoord, "muizen, vooral wanneer die een tijd lang goed gevoed zijn, beschouwen wij als een lekkernij; maar ratten, evenals honden en katten, worden alleen door de arme menschen gegeten, dat is een grof voedsel".