Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 55

Chapter 553,858 wordsPublic domain

In het Chineesche gedeelte liepen de varkentjes in zoo grooten getale en zoo genoegelijk met de kippen samen in de straten, dat men telkens vreesde over ze te vallen. Varkens schijnen hier gewone huisdieren te zijn, want ze liepen in de open winkels en huizen rond alsof ze er thuis behooren. Men weet, dat de Chinees wel kip- en varkensvleesch, maar geen ossevleesch bij zijn rijst nuttigt; het laatste is verboden vrucht voor hem.

De Chineesche straten in Macao zijn vol speelhuizen; heele reeksen huizen geven naast het Chineesche opschrift ook in de Engelsche taal te kennen, dat zij "gambling houses" zijn. Bovendien zijn zij door hun opzichtig vertoon van groote gekleurde Chineesche lantaarns, beelden, die beschermgeesten van het spel voorstellen, en andere in het oog loopende dingen, direct van andere huizen te onderkennen. De Portugeesche regeering staat niet alleen dit spelen toe, maar verpacht die speelhuizen, of liever zij heeft het monopolie van het houden van die walgelijke inrichtingen voor 700.000 dollars aan een syndicaat verpacht, dat nu honderden van die inrichtingen in het Chineesche gedeelte van de stad heeft gevestigd, waar dag in dag uit, het geheele jaar door, zonder een dag rust, gespeeld kan worden. Deze huizen zijn altijd open, elke seconde van de 24 uren van een etmaal kan men er binnengaan en zijn geluk beproeven of zijn geld verliezen. Wij bezochten er een paar en sloegen eenige oogenblikken het spel gade. Mij werd verteld, dat nooit een uur van den dag of van den nacht deze huizen ledig zijn; ten allen tijde vindt men er menschen, die hun soms zuur verdiende penningen daar in een oogwenk verliezen. Het is geen roulette, maar een Chineesch spel, waarvan ik de finesses nog niet begrijp, dat daar gespeeld wordt.

Maar niets in de stad interesseerde ons zoo sterk als het leven in de binnenhaven, dat wij niet moede waren van het dek van de boot af gade te slaan, tot wij om 9 uur de reis naar Canton aanvaardden. Reeds om 6 uur ging de zon onder en daarmede begon ook de verlichting der tallooze schepen. Zij hadden alle één licht in den mast, maar sommige hadden, er zooveel, alsof zij aan het illumineeren waren. Bovendien zagen wij telkens vliegers in den vorm van mannetjes en vrouwtjes de lucht invliegen, die op betrekkelijk geringe hoogte in brand werden gestoken. Vuurpijlen vlogen onophoudelijk de lucht in en vuurknappers hoorde men telkens met langgerekt geraas ontbranden. Van verschillende booten bereikte een vervelende en eentonige muziek onze ooren en dat alles geschiedde met de goedige bedoeling om de geesten van afgestorven familieleden, die 's avonds om de schepen dwalen, aangenaam bezig te houden en goedgezind te stemmen.

Het Chineesche volk is verschrikkelijk bijgeloovig; het zal de nieuwe regeering, als die zich weet te handhaven, nog heel veel moeite kosten, om alle hervormingen, die zij op haar program heeft, te kunnen invoeren. Hoeveel moeite het gekost heeft om de eerste telegraaflijnen en spoorlijnen hier tot stand te brengen, daarvan kan het volgend verhaaltje een denkbeeld geven.

De eerste telegraaflijn, die in China tot stand werd gebracht, verbindt Hongkong met Canton en is het werk van Engelschen. Nu gelooven de Chineezen vast, dat Hongkong de stad der "negen Draken" is en Canton wordt de stad der "schapen" genoemd. Canton ontleent dezen bijnaam aan de legende, waarin verteld wordt, dat eenmaal 5 geniën op rammen door de lucht kwamen rijden en in Canton nederdaalden. Onmiddellijk daarop versteenden de rammen; deze versteende beesten worden thans nog in een tempel verheerlijkt, doch de vijf geniën bleven in Canton nog langen tijd hunne wijsheid verkondigen. Bovendien wordt de mond van de Cantonrivier, waarover de telegraaflijn loopt, de "tijger's mond" genoemd. De Chineezen waren nu van oordeel, dat de nieuwe telegraaflijn ontegenzeggelijk ongeluk moest aanbrengen, omdat zij de vijf schapen regelrecht in des tijgers mond of in de macht der negen draken bracht. Dat moest verhinderd worden en telkens werden de nieuwe telegraafpalen uit den grond getrokken en het werk der ondernemers zeer bemoeilijkt. Eerst nadat de Engelschen door een groote politiemacht het werk langs de geheele lijn lieten bewaken, kon het tot een einde gebracht worden.

Met den aanleg der spoorwegen ging het niet beter. Telkens werden de ondernemers bemoeilijkt bij het aanleggen van een nieuwe lijn, omdat Fung-Shui er tegen is. Fung-Shui is een denkbeeldig iets, een geest, die geluk of ongeluk aanbrengt, die zich overal kan nestelen. Als een spoorlijn loopt over een stuk grond waar Fung-Shui huist, dan kan men zeker zijn, dat er telkens ongelukken gebeuren. Wat Fung-Shui op zijn geweten heeft, zou een geheel boek kunnen vullen.

Maar over deze spokerijen schrijf ik vanavond niet meer, 't is reeds bijna middernacht en morgenochtend komen wij reeds vroeg in Canton aan en dan moet ik vroeg gereed zijn.

Hebben wij vandaag een stuk Chineesch leven gezien, dat geheel verschilt van dat in Hongkong, het echte was het toch nog niet. Er liepen nog te veel Portugeesche soldaten en officiertjes en te veel Europeesch gekleede dames door de straten van Macao en er waren te veel Katholieke kerken, om ons niet elk oogenblik te herinneren, dat wij ons in eene Portugeesche kolonie bevonden.

II.

22 Augustus. Om half zeven arriveerden wij vanmorgen in de haven van Canton, waar direct door allerlei bijzonderheden onze belangstelling werd gewekt. Voor het eerst zagen wij hier van alle schepen de nieuwe vlag van China wapperen, de vlag der Chineesche republiek. Het is een vlag uit vijf even breede strepen rood, geel, grijs, wit en blauw bestaande. Ook zagen wij hier voor het eerst Chineesche militairen, Chineesche douanen en Chineesche politie. Na dezen eersten dag van ons verblijf in Canton heerscht er in mijn hoofd zoo'n chaos van alles wat wij hier zagen, hoorden en ondervonden, dat ik er dagen lang van zou kunnen vertellen, als ik eerst alles goed gezift heb. Het is alles zoo vreemd, zoo geheel iets anders dan wij verwacht hadden, zoo in niets gelijkend op wat wij tot dusver gezien hebben.

Canton, een verbastering van den eigenlijken naam Kwang Tung, is de hoofdstad van de provincie van dien naam. Zij is echter tevens de eerste commercieele stad van China en de tweede stad van beteekenis van dit rijk. Zij ligt aan den voet van de Witte Wolken Bergen en aan de Paarl Rivier.

Canton was de eerste stad in China, die in handelsrelatie trad met Europa; al ons oud Chineesch porselein en andere Chineesche bijzonderheden, zijn uit deze stad ingevoerd. Men kan den handel met Canton tot op twee eeuwen vóór Christus nasporen, maar men vermoedt, dat hij reeds van vóór dien tijd dagteekent. Tegenwoordig komt voornamelijk nog het Canton-linnen, zijde, thee en porselein naar Europa.

Eerst in het midden der 17e eeuw kwam dit district, het Zuidelijkste van China, onder de Manchu-regeering. De Cantonneezen hebben zich echter nooit goedwillig onder den druk van deze overheersching gedragen, er heerschte altijd een revolutionnaire geest. Deze laatste revolutie, waarvan de Chineesche republiek een gevolg is, heeft van hieruit haar oorsprong genomen, had in Canton haar hart, waaruit steeds nieuw voedsel, in den vorm van geld en strijdkrachten, naar het revolutionnaire kamp gezonden werd. Dr. Sun Yat Sen, de eerste en provisoire president der republiek, is hier geboren en gekweekt en de Cantonneezen zijn er niet weinig trotsch op, dat de mannen van groote beteekenis in deze laatste omwenteling alle van hier afkomstig zijn.

Canton, de stad alleen, bevat tusschen de 2 1/2 tot 3 millioen inwoners, waarvan echter een half millioen op schepen en schuiten in de rivier en in de kanalen door de stad huist. Dat leven op die schuiten is allermerkwaardigst. Zoo'n sampan lijkt niet groot genoeg om één mensch te huisvesten en er leven en tieren soms een dozijn menschen nacht en dag, hun geheele leven lang op. Generatie na generatie wordt op zoo'n schuitje geboren en verlaat het alleen na den dood. Dikwijls zagen wij er vier generaties tegelijk, waartusschen dan nog de kippen en zwijnen vroolijk ronddartelden. En, zooals ik reeds vroeger schreef, de meeste menschen op die schuiten zijn vrouwen. Deze vrouwen verdienen voornamelijk hun schamelijk stukje brood, zou ik willen zeggen, maar brood eten ze bijna niet, hun bakje rijst komt beter de waarheid nabij, met menschen en goederen van het eene schip naar het andere te brengen. Men moet ze hooren schreeuwen en kijven als er zich een vrachtje voordoet, om er het groote belang voor haar van te beseffen.

Al dadelijk toen wij vanochtend van de boot kwamen, bleek, dat het eenige vervoermiddel, waarvan men zich in Canton bedient, kan bedienen, de sedan-chair (de draagstoel) is. De Cantonsche draagstoel is echter bijzonder nauw, men past er net tusschen, hij wordt gedragen door twee, drie of vier man, die echter achter elkaar loopen en daardoor den stoel niet zoo doen schudden als op Java. Een stoel met twee dragers is erg burgerlijk, deftige menschen, zooals wij, moesten er drie hebben, zei onze kapitein, en officiëele personen, hooge oomes, laten zich door vier koelies dragen.

De kapitein van de boot had twee stoelen, met dragers, die aan de boot bekend waren, voor ons laten komen, om ons naar het hotel te brengen. Al spoedig werd ons duidelijk, waarom men zich hier alleen van dit vervoermiddel bedient. Onophoudelijk toch ging onze tocht door straten, waar onze stoelen juist door kunnen. Als er menschen van den anderen kant ons passeerden, dan moesten die zich tegen den kant wringen, of in de open winkeltjes gaan staan, om ons te laten passeeren. Zonder ophouden schreeuwden onze koelies om plaats te maken, om ons een doortocht te verleenen. Na een kwartier lang door deze nauwe straatjes, waarvan elk huis een open winkeltje is, heen gedrongen te zijn, daarbij herhaaldelijk over steenen bruggen komende, die over de kanalen liggen, die vele straten doorkruisen, kwamen wij ten slotte aan een breede brug, door een zwaar ijzeren hek gesloten en aan den binnenkant door Europeesche militairen en een Chineeschen politie-agent bewaakt. De poort werd van binnen geopend en er doorgaande bevonden wij ons aan den anderen kant op het zoogenaamde Victoria-eiland, Shameen genaamd. Dit is een aan alle kanten door de rivier ingesloten ruimte, waarbinnen de Europeeërs wonen en de consulaten gevestigd zijn. Het staat onder Fransche en Britsche regeering, van beide rijken zijn er militairen, die hier de wacht houden.

Op Shameen lag ook het Victoria-Hotel, het eenige Europeesche hotel, dat hier bestaat, doch nu in handen is van een Amerikaanschen eigenaar. Het hotel is vrij goed, doch bezit de pretentie van Amerikaansche prijzen te vragen, in geen enkel opzicht in verhouding van hetgeen het den gasten biedt en de goedkoope omstandigheden, waarin het hier verkeert. Wil men in Canton echter een of meer dagen vertoeven, dan moet men in dit hotel terechtkomen, tenzij men in de Chineesche stad in een Chineesch hotel wil gaan. Dat zou natuurlijk veel interessanter zijn geweest, maar daarvoor misten wij alsnog den moed.

Nu was het ons plan om in Canton in de eerste plaats uit te visschen wat wij hadden te gelooven van al de courantenberichten, die wij in het afgeloopen jaar gelezen en vernomen hadden, waarin de Cantonneesche vrouwen zoo'n groote rol spelen. Wij hadden gelezen, dat de vrouwen in Canton persoonlijk en daadwerkelijk aan de revolutie hadden deelgenomen, dat een regiment Cantonneesche vrouwen naar Nanking en Peking was opgetrokken, dat de vrouwen onder de nieuwe regeering in Canton het kiesrecht uitoefenden en er vele van deel uitmaakten van de regeering van Canton. Ook van een suffragette-optreden der vrouwen in Nanking, doch dit laatste hebben wij daar na te sporen.

Al deze feiten waren in Manilla, toen wij er naar informeerden, tegengesproken en in Hongkong had de Amerikaansche consul mrs. Catt zoo vast verzekerd, dat niets van dien aard in China tijdens de revolutie was voorgevallen, dat mrs. Catt zich verplicht gevoelde naar ons Internationaal Vrouwenkiesrecht-orgaan "Jus Suffragii" en naar de twee belangrijkste vrouwenkiesrechtbladen in Amerika te melden, dat van al deze sensationeele berichten niets waar was.

Onze consul was in zijne uitlatingen voorzichtiger; hij zeide, dat hij er niets van wist, dat hij het meest omtrent den politieken toestand in China uit de mail-editie van de "N. Rott. Ct." leerde kennen, omdat de in China verschijnende Engelsche bladen den feitelijken toestand niet altijd uitvoerig vermelden. Hij was echter zoo vriendelijk mij eenige waardevolle introducties voor Canton te bezorgen, waarmede ik misschien de waarheid zou kunnen opsporen. Ook mrs. Catt had van haar consul eenige introducties ontvangen en verder had de Chinees, dien wij in Hongkong spraken, ons een paar brieven medegegeven.

Met deze brieven gewapend, begaven wij ons onmiddellijk na onze aankomst op weg. Twee voor het hotel staande draagstoelen, heel burgerlijk met slechts twee dragers, namen wij in beslag en lieten ons het eerst brengen naar dr. Mary Fulton, een Amerikaansche vrouw-dokter, die hier aan het hoofd van een Amerikaansch hospitaal staat, waaraan een medische school voor Chineesche vrouwen en een opleidingsschool voor verpleegsters verbonden is.

Na een vol half uur door al die schilderachtige, maar vuile, nauwe straten gedragen te zijn, zetten onze dragers ons neder voor een groote poort, die op ons geklop onmiddellijk werd opengedaan. Daar achter bevonden wij ons in een groote, vierkante ruimte, een groot, groen grasveld, rondom omzoomd met in bloei staande witte lelies en hooge palmboomen. Aan drie zijden van dit vierkant stonden vele kleurig onderhouden gebouwen, die naderhand bleken links uit het hospitaal, met de daarbij behoorende inrichtingen, in het midden de woonhuizen, en rechts uit schoolgebouwen van een Amerikaansche missionary te bestaan. Wij vernamen weldra, dat dr. Mary Fulton op reis was. Het is de vacantietijd en de dokter had deze drie maanden gebruikt, in hoofdzaak ter wille van de zeereis, om eens even naar de Vereenigde Staten te gaan. Zij was op de terugreis en zou binnen veertien dagen terug zijn. Haar schoonzuster, getrouwd met den broeder van dr. Mary stond ons echter te woord. Zij en haar man staan aan het hoofd van de onderwijsinstelling van dit Amerikaansch Zendelingeninstituut, maar zij kon ons geen inlichtingen geven omtrent alles wat wij wilden weten. Nadat wij de school, die juist begonnen was, vol van Chineesche kleine jongens en meisjes, die hier tot goede, deugdzame Chineesche Christenen worden opgevoed, vluchtig hadden bezichtigd, met een jonge Chineesche lady-dokter het keurig ingerichte, up to date-hospitaal voor vrouwen en kinderen hadden doorloopen, zetten wij ons weder in onze stoelen en begaven ons naar een ander Amerikaansch zendelingeninstituut. Ook daar wist men ons geen inlichtingen te geven en toen wij nog eerst een dokter aan het Canton-hospitaal hadden getracht te spreken en vernamen, dat deze dokter ernstig ziek was, begaven wij ons naar de woning van een Chineesche dame, wier dochter lid van den Raad van Canton zou zijn, zoo had men ons althans verzekerd. Deze dame ontving ons zeer vriendelijk, zij was een weduwe en onderwijzeres aan een school. Zij sprak een klein beetje Engelsch, te weinig om een geregeld gesprek te voeren en ons altijd goed te begrijpen, maar genoeg om ons toch eenige inlichtingen te geven. Haar dochter was werkelijk gekozen tot lid van den Cantonschen Raad, zij was ook eene onderwijzeres, maar de moeder hield niet van dit publieke optreden van haar dochter en daarom had zij haar eenige maanden geleden voor twee jaar naar Amerika gezonden, om daar een cursus in de philosophische Wetenschappen door te maken. Zij wist ons te vertellen, dat er vrouwen in den Raad zaten, maar dat was alles wat wij na een lang onderhoud te weten kwamen. Nog een ander Chineesch adres probeerden wij, doch vonden de geadresseerde persoon niet thuis. De afstanden in Cantor zijn groot, wij waren van 8 uur af reeds aan het dwalen, wij gaven daarom onzen dragers last om ons eerst naar het hotel terug te brengen, waar wij om half één aankwamen.

De hotelier stond ons buiten in groote vertwijfeling op te wachten en verraste ons met de mededeeling, dat wij een hoogst onvoorzichtige daad hadden verricht, door zonder geleide en in gewone draagstoelen de stad in te gaan en ons overal te laten ronddragen. De stad was nog vol gespuis, de koelies, die ons gedragen hadden, waren hem volmaakt vreemd, wij hadden evengoed in alle moeilijkheden kunnen geraken als veilig terug te keeren. Wij gaven daarom onze mannetjes een extra-belooning, omdat zij ons zoo goed en veilig overal gebracht hebben waar wij wilden komen en beloofden den hotelier verder zijn raad te zullen volgen.

Na een half uur rust en na onze lunch genoten te hebben, begaven wij ons weder op weg; nu echter onder het vertrouwde geleide van een Engelsch sprekenden Chineeschen gids. Wij zouden nu mijne speciale introducties beproeven. Eerst bezochten wij dr. Emilie Bossoni, een Italiaansche lady-dokter, die hier aan het hoofd van een Chineesch hospitaal staat, geen stad- of staatsinrichting, maar een privaat hospitaal, door giften en gaven onderhouden. Dr. Bossoni is een aardige babbelaarster, levendig en vroolijk als al hare landgenooten, maar de inlichtingen, die zij ons gaf, leken naar niets. Ook de onder haar werkende Chineesche jonge mannen en vrouwen wisten niets te antwoorden op de vragen, die wij hun stelden; zij hadden van dat alles nooit gehoord. Dr. Bossoni wilde ons volstrekt rondvoeren door haar hospitaal, maar na eenige oogenblikken werd mij dat te machtig. Alleen in Italië en onder Italiaansche doktoren kunnen zulke hospitalen, beter ware het ze lijkenhuizen te noemen, bestaan. De operatiekamer, waar armen en beenen en vingers, etc. geamputeerd worden alsof het een dood kalf geldt, een heele bak vol afgezette ledematen, had ze daar staan--'t was haar morgentaak geweest--leek meer op een ouderwetsch waschhuis bij een oude boerenwoning dan op een operatiekamer. Het hok, waarin de apotheek, als men de verzameling medicamenten, die daar stonden, zoo noemen mag, gehouden werd, zag er zóó smerig uit en stond zoo vol gebruikte pannen en potten, dat ik haar vroeg of zij dat heusch een plaats noemde, waarin medicijnen voor zieken klaar gemaakt konden worden. O ja, dat was de apotheek, en bij gebrek aan eert apotheker bereidde zij zelf de door haar voorgeschreven recepten. Ziekenzalen waren er niet; hokken, waar geen licht en geen lucht kon doordringen, waar het stonk en vreeselijk smerig was, herbergden zieltogende menschen. 't Was te erg, ik wilde niet verder doorgaan, want ik ken zulke toestanden van hospitalen in Italië.

Nu restte ons nog één introductie, die wij voor het laatst bewaard hadden, omdat wij er niet veel van verwachtten. Het was een introductie van onzen Nederlandschen consul aan den Commissioner for foreign trade. Hoe ik dien titel in het Nederlandsch moet vertalen, weet ik niet, wij bezitten zulk een ambtenaar niet. Hij zetelt direct onder den gouverneur van de provincie Canton en zijn zittingslokaal is gevestigd op den grond, waar de gouverneur woont en zijne bureaux zijn. Wij begonnen te vreezen daar met een kluitje in het riet weggestuurd te zullen worden en ten slotte Canton te moeten verlaten, zonder veel wijzer geworden te zijn omtrent de zaken, die ons bovenal interesseeren.

Toen wij aan de buitenste poort, die de gouverneurswoning omgeeft, aangekomen waren, en onzen wensch te kennen gaven den commissioner--wij wisten zelfs zijn naam niet--te spreken, werden wij, na veel gedoe, tusschen een drievoudige rij soldaten doorgelaten, naar de tweede poort en daarna naar de eerste poort geleid. Daar ontving ons een Chineesch burger, die den introductiebrief in ontvangst nam en ons verzocht, een oogenblik te wachten. Spoedig daarna kwam hij ons halen, om ons naar binnen te geleiden. Reeds bij de deur kwam ons een vriendelijk, jong man, in Europeesche kleeding, tegemoet, zichzelf voorstellende als dr. Lou, de commissioner. "En wie van u is dr. Jacobs en wie is mrs. Catt?" vroeg hij onmiddellijk, na ons beide handen toegestoken te hebben. Wij keken hem verbaasd aan, want de introductiebrief sprak alleen van mij. "O, ik wist, dat gij komen zoudt," zeide hij, "de Chineesche bladen hebben ons reeds van uw werk in Manilla en uwe plannen in China op de hoogte gebracht." En nu vertelde deze ongeveer 30-jarige man ons, in volmaakt Engelsch, dat hij een groot feminist is. Hij heeft zijn opleiding gedeeltelijk in Amerika en gedeeltelijk in Engeland genoten. Weldra kwam ook mr. Li--ik schrijf deze namen maar zoo eenvoudig, zooals zij in de wandeling genoemd worden, maar feitelijk hebben deze heeren een veel langeren naam--, een man van ongeveer denzelfden leeftijd, zich bij ons voegen. Deze laatste is in Amerika uit een Chineeschen vader en 'n Duitsche moeder geboren, heeft in New-York gestudeerd en woont sedert 6 jaren weder in Canton. Hij is op het bureau van dr. Lou werkzaam en is tevens redacteur van "The China Outlook", een in het Engelsch uitgegeven dagblad van de politieke partij van dr. Sun.

Met beide jonge mannen waren wij weldra in een belangrijk gesprek omtrent den politieken toestand van het land, waaruit bleek met hoeveel jeugdig optimisme zij bezield zijn. Zij twijfelen geen oogenblik omtrent het voortbestaan der republiek en toen wij hen op de bestaande moeilijkheden wezen, loochenden zij die niet, maar had niet elke republiek in den beginne voor groote moeilijkheden gestaan? Zij herinnerden mrs. Catt aan de eerste dagen der Amerikaansche republiek en spraken hunne verbazing uit, dat de Vereenigde Staten niet vooraan staan om elke jonge republiek onmiddellijk met uitgestoken handen te begroeten en te helpen de moeilijkheden te overkomen. Dr. Sun Yat Sen is hun afgod. Zij gaven toe, dat de tegenwoordige president met leede oogen aanziet, dat dr. Sun zoo vereerd wordt, maar dat dr. Sun's leven in gevaar zou zijn, negeerden zij volkomen. Het is waar, dat de president twee hunner generaals heeft laten doodschieten, maar vergissingen zullen er nog wel eens meer gemaakt worden en dr. Yuan Shi-kai heeft daarna toch een ode gewijd aan den afgestorven vriend en zijn eigen zoon gestuurd, om hen te eeren bij hunne begrafenis. Hoe vindt men zoo'n naïeviteit? Over de financieele moeilijkheden, waarin de republiek thans verkeert, spraken zij zeer luchthartig. Dat geld zal weldra komen; kleine sommen hadden zij reeds van verschillende kanten kunnen krijgen, maar zij willen een groote som ineens, met het oog op moeilijkheden bij de aflossing. Weldra zullen echter de eerste belastingen geïnd worden en daarmede kunnen de groote gaten voorloopig gestopt worden.

Omtrent de bijzonderheden der Cantonneesche vrouwen verkregen wij alle gewenschte inlichtingen. Het is waar, dat een 50-tal jonge meisjes, meest studenten, onderwijzeressen, verpleegsters, in den revolutietijd de wapens hebben opgevat en een eigen regiment hebben gevormd. Zij hadden zich vooraf in het hanteeren der wapenen en andere militaire wetenswaardigheden geoefend, een kapitein uit hun midden gekozen en zich bij het leger gevoegd. Zij werden voornamelijk gebruikt om een deel van de stad te bewaken, zoodat zij meer defensief dan offensief behoefden op te treden. Nadat in Canton de groote strijd was afgeloopen, zijn zij naar Nanking getogen en hebben zich ook daar op dezelfde wijze verdienstelijk gemaakt. Wij waren het met de heeren eens, dat meer het feit van dit optreden merkwaardig was, dan dat deze fijn gebouwde, kleine, tengere vrouwtjes op die wijze veel daadwerkelijke hulp hebben kunnen verleenen. Dit regiment is nu ontbonden, doordat nu eenige hunner als militaire hospitaalverpleegsters dienst doen, anderen administratieven arbeid in het leger verrichten en anderen haar studie weder hebben opgevat.