Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 54
Deze weinige gegevens toonen genoegzaam aan, welke geest hier heerscht, en dat de klove tusschen Philippino's en Amerikanen te groot is om die te kunnen overbruggen met tea-parties door mrs. Gilbert gegeven voor Philippino- en American-ladies te zamen, of door dergelijke onschuldige kleinigheden meer. Wij hoorden er voor het eerst van, toen wij, eenigen tijd geleden, op een avond een bezoek ontvingen van den heer Osmena, den president van de Assembly; den heer Torres, den secretaris en den heer Del Pan, lid van de Assembly, dien wij in Java ontmoet hadden. Over dit bezoek schreef ik reeds in een mijner vorige brieven. Bij dit bezoek zaten wij in een hoek van de hall van dit groote hotel en niemand anders dan wij vijven kon een woord van ons gesprek hooren. Ons gesprek liep over allerlei inlichtingen, die wij vroegen omtrent de wijze, waarop de Philippijnen beheerd worden, over de positie van de vrouw alhier enz. Bij dit onderhoud bleken de drie heeren hoogst ontwikkelde personen te zijn, die groote algemeene kennis bezitten en die aan groote kennis, zeer aangename manieren paren en aan wier hoffelijken omgang met vrouwen alle natiën een voorbeeld kunnen nemen. Den volgenden avond gaven de hier verschijnende Amerikaansche bladen een uitvoerig verslag van dit bezoek, met een in elk woord onwaar wedergeven van het gesprokene! De drie Philippino-heeren werden als idioten voorgesteld, die op de eenvoudigste vragen van ons geen of een allerdwaast antwoord konden geven en wij werden tegenover hen in het zonnetje gezet. Toen mrs. Catt daarop ging informeeren, hoe men aan een dergelijk onwaar verhaal kwam, werd lachend geantwoord, dat men bericht had ontvangen van het bezoek dezer heeren en dat het overige op het persbureau er aan toegevoegd was. Dat later de Philippijnsche pers het verhaal omkeerde en ook een uit den duim gezogen verslag gaf, waarin mrs. Catt, als Amerikaansche, een dwaze rol speelde, volgde als van zelf. Met dit feit als uitgangspunt begonnen wij onze onderzoekingen omtrent de verhouding van beide rassen, omdat wij gedacht hadden, dat die verhouding niets te wenschen overliet en de Philippino's den dag zegenden, waarop zij uit de Spaansche overheersching in die der Amerikaansche waren overgegaan. Wij waren niet weinig ontgoocheld, toen wij de ware gevoelens leerden kennen.
Den 13en Augustus is een dag, waarop, vooral voor diegene, die ingelicht is, de verhouding goed duidelijk wordt. Dit is de dag, waarop Manilla door de Amerikanen in beslag werd genomen en daarom nu tot een algemeenen feestdag over heel de Philippijnen is verklaard. Alle scholen, banken, kantoren, winkels etc. moeten dien dag gesloten zijn, in parken en op pleinen spelen de muziekcorpsen 's morgens en 's middags en van alle openbare gebouwen wapperen de vlaggen. De militairen worden dien dag extra getracteerd en de gouverneur-generaal houdt een speech voor het volk. Niettegenstaande al dit geruchtmakend vertoon heerscht er in de straten en op de pleinen van Manilla een welsprekende stilte en kalmte, dit als gevolg van het al of niet gezamenlijk overeengekomene besluit der Philippinoos om dien dag zoo min mogelijk hunne woningen te verlaten. Waren de Philippinoos niet zoo verschrikkelijk bang om, wanneer zij nu onafhankelijk waren, in de handen der Japanners te vallen, wat zij boven alles vreezen, dan zouden zij zich onder Amerikaansch juk niet zoo mak gedragen. Japan, dat is het vreeselijke spook, waarvoor elkeen hier bang is.
Het weder is in de laatste dagen veel en veel beter, de storm is gaan liggen en de regen valt nog maar in buien, terwijl het soms uren achtereen en soms een heelen dag droog is. Van dit beter weder hebben onze vele vrienden hier direct gebruik gemaakt om ons nog het een en ander van andere plaatsen in Luzon te laten zien. Zoo waren wij l.l. Zondag uitgenoodigd om met een groep Philippinoos een tocht te maken naar Pagsanjan, een van de mooiste uitspanningsplaatsen op bereikbaren afstand van Manilla. Wij verlieten 's morgens om 8 uur Manilla in een klein stoombootje en voeren eerst door de Pasig-rivier en daarna door het meer van Bay, tot wij des avonds om 7 uur, in plaats van 's middags om 3 uur, te Pagsanjan aankwamen. Deze heele tocht is buitengewoon mooi. De oevers van de Pasig-rivier zijn van het begin tot het eind met een tropischen plantengroei bedekt, die na zoovele regens er bijzonder frisch en als verjongd uitzagen. Tengevolge van den Zondag bevolkten tal van kleine bootjes met inlandsche jeugd de rivier en toen wij op het vrij breede meer kwamen, zagen wij in plaats van de lage, groene oevers, rondom groene bergtoppen, soms van vrij groote hoogte. Het was een mooie, maar ook een vroolijke tocht; de Philippinoos houden van muziek en zang en zijn goede musici; mandolines waren medegenomen even goed als een copieuse lunch en allerlei versnaperingen, zoodat de dag om was alvorens er een van ons aan dacht. Laat mij niet vergeten op te merken, dat geen wijn of andere alcoholische dranken aanwezig waren en dat geen der heeren ook later in het hotel iets van dien aard dronk. Na een gezelligen gezamenlijken maaltijd in het hotel Pagsanjan legden wij ons allen vroeg ter ruste; vier en vier moesten één kamer deelen, alleen mrs. Catt en ik kregen er een voor ons beiden; den volgenden morgen werden wij allen om 6 uur gewekt om den tocht naar de gorges en watervallen, waardoor dit stadje zoo beroemd is, te ondernemen. Wij verschenen den volgenden morgen allen in badcostuum, ontbeten met een kop koffie en een stukje taart en toen ging 't elk in een canoe de rivier op. In ieder van deze ranke bootjes, die bij de minste gewichtsverplaatsing dreigden om te tuimelen, zaten voor en achter een native-boy, die elk met een houten schop, tot roeispaan dienende, het vaartuigje pijlsnel door de nauwe rivier voort deed snellen. Wij zaten vlak op den bodem en moesten ons met groote moeite door den snelvlietenden stroom in evenwicht houden. Waar de rivier te ondiep was en het bootje amper tusschen de rotsblokken door kon, daar sprongen de jongens uit en trokken het vaartuigje over de nauwe en ondiepe plekken heen, een enkelen keer moesten ook wij uitstappen en werd het bootje over de rotsen heen getild; het was een exciting trip, die naast het onbeschrijfelijk mooie, wat zij te genieten gaf, ons ook telkens den vrij onschuldigen angst bezorgde om onderste boven te kantelen. Of het was doordat de dames zich beter in evenwicht konden houden, of omdat de aardige native-jongens zich met de heeren nu en dan een grapje veroorloofden, weet ik niet, doch zeker is, dat de bootjes der heeren herhaaldelijk zich van hunnen last ontdeden en den inzittenden heer een frisch morgenbad bezorgden en dat wij allen behouden aan het eind van den stroom landden en er ook den terugtocht goed afbrachten. De geheele afstand van vier mijlen lang werd verder opgevroolijkt door het aardige gezang van onze roeiers, die alle nationale (Philippijnsche) liederen voor ons zongen, waarin vele leden van ons gezelschap telkens lustig instemden. Toen wij om tien uur in het hotel teruggekeerd waren, werden spoedig onze kletsnatte badcostuums voor geregelde kleeding verwisseld, een zeer hartig ontbijt genomen, daarna het stadje met zijn levendige passar, de zeer oude kathedraal, het stadhuis enz. bezocht en daarop gingen wij per rijtuigen naar Santa Cruz. Het waren de meest primitieve houten karretjes, die men zich denken kan, met een bank, waarop nauwelijks twee personen konden zitten, de koetsier zette zich op het paard, dat er voorliep, en zoo gingen wij in tien van die rijtuigjes den landweg over. Om drie uur namen wij aldaar den trein, die ons om half acht 's avonds weder in Manilla bracht. Het waren twee gezellige, vroolijke dagen vol van natuurschoon en bovenal, vol indrukken omtrent dit land en zijne bewoners, in wier midden wij ons al dien tijd bevonden hadden.
Van een ander tochtje wil ik nog 't een en ander mededeelen. Ook hier waren wij de gasten van een Philippino-familie die ons voor een autotocht naar Antipolo uitgenoodigd had. Antipolo is een zeer wonderlijk oud dorpje, schilderachtig gelegen in de Mariquina vallei en zijne vermaardheid dankende aan zijne oude kerk, die het beroemde beeld van Nuëstra Senora de la Paz y Buen Viaja (Onze dame van Vrede en Goede Reizen) bevat. Sedert 1672 is dat beeld daar geplaatst en jaarlijks gaan duizenden pelgrims op om het te verheerlijken en zijn zegeningen af te bidden. Bij deze gelegenheden ontvangt het beeld kostbare geschenken, niemand komt met leege handen, zoodat nu de kleederen van het beeld bedekt zijn met vele honderd duizenden dollars waarde aan edelsteenen en is het geplaatst in een kast van massief zilver, die op zich zelf reeds een groote schat vertegenwoordigt.
Van dit beeld worden de grootste wonderen verteld. Zeven keer heeft het de reis vice versa van Mexico naar Manilla gemaakt en elken keer heeft het de stormen tot bedaren gebracht die dreigden het schip, waarop het zich bevond, ten ondergang te brengen. Herhaaldelijk is een kerk, waarin het in dien tijd geplaatst was, door brand vernield, terwijl het beeld ongedeerd bleef, ja, eens zelfs vond men het beeld den volgenden dag, na den brand, hoog in een boom staan op ruim 100 M. van de kerk verwijderd. Maar eens heeft het, en daarom heb ik het beeld mijne hulde onthouden, twaalf Hollandsche oorlogsschepen in den grond geboord. Het gebeurde in het midden der 17e eeuw. Twaalf Hollandsche oorlogsschepen probeerden de Manillabaai binnen te komen om er de Hollandsche vlag te planten. Zij waren reeds tot Cavite genaderd en de bemanning meende reeds de overwinning te kunnen bezingen, toen de Spanjaarden in radeloozen angst hun Senora de la Paz grepen en naar de haven sleepten. Op dat gezicht gingen onmiddellijk alle Dutchmen op de vlucht en lieten hun gewonden aanvoerder in de macht der Spanjaarden. Maar ook zij ontliepen hun gerechte straf niet, want de Senora liet een storm komen, welke de meeste schepen in de golven der Chineesche Zee met man en muis in den grond boorde.
Zoo zijn er nog tal van wonderen, die dit heilige beeld heeft verricht, maar wijl die ons niet zoo direct raken, zal ik ze onvermeld laten. Er is een heel boekdeel vol van. Het is niet te verwonderen, dat de duizenden pelgrims bij hun jaarlijksch bezoek, dat in een van de dagen van Mei valt, zich vol geloof tot deze heilige Maagd wenden, bij wier verschijning alle rozeknoppen zich openen en elke vogel een huldelied zingt, en dat zij dan vol troost huiswaarts keeren. Gelukkig zijn de eenvoudigen van geest!
De atmosfeer van heiligheid, die Antipolo omhult door de aanwezigheid van het Heilige Beeld, is in schrille tegenspraak met den werkelijken toestand, die in het dorp heerscht. Het is het centrum van alle mogelijke misdadigers. Al wat de Philippijnen aan slechte individuen oplevert, schijnt in dit dorp zijn opleiding te genieten. Het wordt beschouwd als het brandpunt van misdaad, wij hebben dan ook de voorzorg genomen om vóór zonsondergang den terugtocht te aanvaarden.
Van het gunstiger weder hebben wij gebruik gemaakt om plaatsen te bespreken op de eerste goede boot, die van hier naar Hongkong terug gaat en zoo zullen wij nu morgen met de "Prins Sigismund" van de Norddeutsche Lloyd, naar China afreizen. Ik zal dezen brief in Hongkong posten, de verschijning in "De Telegraaf" is dan voor mijne goede vrienden een bewijs, dat wij goed de zeereis volbracht hebben.
15 Augustus 1912.
IN CHINA.
I.
Vrijdagavond, den 16en Aug., verlieten wij Manilla onder een prachtigen sterrenhemel. Den geheelen dag hadden wij het druk gehad, doordat onophoudelijk goede vrienden ons kwamen bezoeken om adieu te zeggen en velen ons een of ander als souvenir aan de gezellige dagen in deze stad doorgebracht, kwamen brengen, wat dan nog weder ingepakt moest worden. In welk ander land dan in Amerika of in een Amerikaansche kolonie zal het echter kunnen gebeuren, dat de Gouverneur-Generaal en zijne vrouw persoonlijk twee onofficieele personen goeden dag zeggen, en dat deze twee bovendien voor ieder van ons een doos met versche rozen naar onze hut op de boot hadden gezonden, om ons het verblijf in de hut op dit stuk onhebbelijke zee te veraangenamen? Wij waren door dit bewijs van eenvoudigheid en beleefdheid niet weinig verrast.
Voor het eerst op onze lange reis maakten wij nu eens gebruik van een Duitsche boot. De "Prinz Sigismund" is een van de kleine booten van de Nord Deutsche Lloyd; deze lijn onderhoudt een geregelden dienst tusschen Japan en Australië, waarbij op de heen- en terugvaart Manilla wordt aangedaan. De "Prinz Sigismund" was vol passagiers, zoodat mrs. Catt en ik een hut moesten deelen; de hutten zijn echter groot en zindelijk en gerieflijk ingericht. Ook het eten en de bediening laat op de booten niets te wenschen over. Maar toch in gerieflijkheid, zoowel als in alle andere zaken, kunnen deze booten bij onze Hollandsche booten niet in de schaduw staan. Het was niet ik, maar mijne Amerikaansche vriendin, die vanmorgen tot mij zeide, zullen wij niet probeeren om van Hongkong naar Shangaï weder een Hollandsche boot te krijgen, die zijn toch in elk opzicht de beste van alle, die wij tot dusver geprobeerd hebben. Om slechts een kleinigheid te noemen: op de "Prinz Sigismund" was geen gelegenheid om buiten te zitten als men zelf geen stoel had medegenomen. Het schip had geen enkelen dekstoel aan boord, ook niet om te verhuren, en de stoelen in den salon zaten allen vastgeschroefd, zoodat wij die niet naar buiten konden brengen. Op het dek kon men alleen staan of loopen, om een oogenblik ergens rustig te gaan zitten, gaf men den passagiers geen gelegenheid. Deze onhebbelijkheid hebben wij nog nergens zoo sterk aangetroffen.
Op den gezetten tijd, Maandagmiddag om één uur, stoomden wij de schilderachtige en drukke haven van Hongkong weder binnen. De gloeiende middagzon deed het groen der heuvels en het rood der zandbergen nog sterker uitkomen. Niettegenstaande wij op het dek stonden te smelten, bleef toch elkeen van het begin tot het einde dit binnenkomen aanschouwen. De "Prinz Sigismund" blijft 1 1/2 dag in deze haven liggen; van deze gelegenheid maakten bijna alle eerste klasse-passagiers gebruik om aan wal te gaan om Hongkong te leeren kennen. Wij zullen hier tot 27 Augustus blijven, om gelegenheid te hebben Macao en Canton, deze twee merkwaardige steden in Zuid-China, die in de geschiedenis van China zoo'n belangrijke rol hebben gespeeld, te bezoeken. Woensdagmorgen zullen wij met de eerste boot naar Macao afreizen en daarmede onzen tocht door China beginnen.
Men verwachte echter niet, dat het mij mogelijk zal zijn, den lezers ook maar bij benadering een beeld te geven van een volk, dat in elk opzicht zooveel verschilt van het onze en dat daarbij op het oogenblik in dit oeroude land, met zijne oude gebruiken en instellingen, een nieuw leven is begonnen.
De Chineezen, een volk, dat met zijn 426 millioen, een derde van de geheele menschheid uitmaakt, moest eenmaal als de eerste onder de volkeren gerekend worden, omdat het toen in ontwikkeling en beschaving bovenaan stond. Langzamerhand is het evenwel zoo gedaald, dat het tot de laatsten is gaan behooren en elk volk het zich tot oneer rekent, "de Chineezen van Europa" genoemd te worden. Het idee, dat dit volk zich van zijne overheerschers trachtte te ontdoen en een republiek wou gaan stichten, bracht nog niet lang geleden een glimlach op elks gelaat; niemand geloofde hen tot zoo iets in staat. Toch hebben zij het feit volbracht, zich van de Manchu-regeering ontdaan en een republiek gesticht, maar of deze republiek genoeg levensvatbaarheid bezit om zich te kunnen handhaven, is voorloopig nog een open vraag. Het is niet alleen gebrek aan de noodige geldmiddelen, waardoor het voortbestaan van dezen democratischen regeeringsvorm bedreigd wordt; oneenigheid, wantrouwen, onderlinge jaloezie in eigen gelederen is een veel ernstiger factor voor den mogelijken ondergang van dit pasgeboren wicht. Een zeer ontwikkeld en vrijzinnig Chinees met wien wij dezen middag den politieken toestand van het land bespraken, sprak onomwonden zijn vrees uit, dat een wijd verspreide anarchie weldra zal volgen en dat de geheele opstand ten slotte zal eindigen in eene verbrokkeling van dit groote land.
Het reizen in China is voor toeristen nog maar voor een gedeelte mogelijk, alleen waar men met booten of per trein kan komen, en dat is, in verhouding tot de uitgestrektheid van het land, niet zoo heel ver, kan men gerust gaan. Van de prachtige bergen, duizenden dichtbevolkte steden, die ieder op zich zelf door de godsdienstige of heilige reliquien, die zij bevatten, een bezoek overwaard zijn, zullen wij niets kunnen zien. Wij mogen blijde zijn dat Canton en Macao, de twee merkwaardigste steden in het zuiden van het land, op dit oogenblik zoo rustig zijn, dat wij er onbevreesd kunnen heengaan. Weichow, dat wij in dezen tocht ook wilden opnemen, moesten wij opgeven, omdat daar de bevolking nog volstrekt niet rustig is en vreemden er niet veilig zijn.
Woensdag 21 Augustus. Toen de Hongkongsche toren, deze sta-in-den-weg op het kruispunt van de twee drukste straten, hedenmorgen met 7 slagen, die in staat waren heel Hongkong tot nieuw leven te wekken, het vroege morgenuur aankondigde, stonden wij met onze handbagage gereed om elk in een rickshaw te stappen om ons naar de werf te begeven, vanwaar de boot naar Macao afvaart. De rickshaws worden hier en in Japan Jinrikshaw genoemd, hetgeen beteekent "een door menschenkracht voortbewogen wagen". Onze vlugge dravers brachten ons twintig minuten lang door de drukste straten van Hongkong, voorbij de vischhal, de vleeschhal, de groentemarkt, door dichtbevolkte volksbuurten en naar dat deel van de haven, waar ontelbaar vele booten liggen, die het verkeer in het binnenland onderhouden. Niettegenstaande het vroege morgenuur, was toch overal reeds zoo'n groote levendigheid en bedrijvigheid, dat het geheel op een groote mierenhoop geleek. Elkeen rende volbeladen naar en van de haven, mannen en vrouwen betwistten elkaar een zware vracht, en kinderen van 5, 6 tot 8 jaar oud, met een nog kleiner broertje of zusje op den rug gebonden, raapten den afval op en stopten al het bruikbare--en voor een Chinees schijnt alles bruikbaar--in een meegebrachten zak.
De Sui Ann, die ons in vier uren naar Macao zou brengen, was een mooi bootje, met een zeer mooi bovendek vol gemakkelijke stoelen. Wij hadden in het hotel zoo vroeg geen ontbijt kunnen krijgen en daarom vroegen wij op de boot, of men iets voor ons kon gereed maken. Wij waren zeer verrast, toen ons een ontbijt ten deel viel, beter, smakelijker en rijker van goede vruchten voorzien dan wij in lang genoten hadden. Wij waren weder de eenige eerste klasse passagiers.
Nauwelijks waren wij de haven uit en een eindje door het Lamma-kanaal gevaren, toen een bijzondere drukte van politiebootjes met Engelsche politie en militairen bemand, onze aandacht trok. "Wat beteekent dat?" vroeg ik den kapitein. "Houden zij oefeningen of is er iets bijzonders?" De kapitein glimlachte even en vertelde ons, dat in den afgeloopen nacht een troep zeeroovers, ongeveer 50 man sterk, het dorpje Cheung-Chau, op het eiland Lamma gelegen, letterlijk hadden uitgeplunderd en vier der politie-autoriteiten hadden gedood. Het leek ons bijna ongelooflijk, dat zoo iets zoo nabij Hongkong heeft kunnen gebeuren en dat deze mannen hebben kunnen ontkomen, zonder een spoor achter te laten. Maar toen wij wat verder tusschen de onophoudelijke heuvelenreeks doorvoeren, was het toch ook wel duidelijk, dat het zelfs voor een tienmaal grootere politiemacht niet mogelijk zou zijn deze misdadigers op te sporen. Het dorpje Cheung-Chau, door de Engelschen Dump-Bell-eiland genoemd, lag er zoo rustig, toen wij er voorbij stoomden. Op elken heuveltop--en het waren er zeer vele--stond een zendelingengesticht en aan den voet van den heuvel lagen de tallooze kleine visschershuisjes, zoo kalm, alsof er niets gebeurd was. Het zijn voornamelijk Amerikaansche zendelingen, die in den zomer naar dit eiland trekken. Ik had reeds van een onzer vroegere kapiteins vernomen, dat dit heele gedeelte, van Hongkong tot Macao, vroeger berucht was door de vele staaltjes van brutaal optreden der zeeroovers, maar dat zulke dingen nu nog konden voorkomen en dat nog wel op Britsch grondgebied, waar men zich zoo veilig waant, dat was meer dan ik verwacht had. Er schijnt echter nog steeds gevaar te bestaan, want onze kapitein zeide zeer geruststellend, dat geen schip dezen tocht maakt, zonder voorzien te zijn van de noodige gewapende Europeanen aan boord, om in geval van nood het leven en de have der aan boord zijnden te beschermen. Vandaag waren wij natuurlijk al heel veilig, omdat nu dit stukje zee van politie wemelt.
Maar wat klonk dat alles in disharmonie met de prachtige natuur, die ons daar omgaf. Wij gingen onophoudelijk dicht langs de kust en genoten van hetgeen wij zagen. De tijd vloog om, zoodat, eer wij er aan dachten, Macao reeds op het smalle, heuvelachtige eiland voor ons lag. Reeds bijna vier eeuwen verheugen de Portugeezen zich in het bezit van dit mooie stukje grond, waar zij echter dikwijls voor groote moeilijkheden staan. De alhier wonende Chineezen schijnen bijzonder revolutionnair gezind te zijn, waarvan trouwens op Java ook genoeg last wordt ondervonden. Mij werd ten minste in Semarang en Soerabaja verzekerd, dat het bijna altijd de Macaoërs waren, die daar de moeilijkheden onder de Chineezen teweegbrengen.
Daar lag dan Macao half cirkelvormig langs de zeekust, aan weerszijden geflankeerd door ouderwetsche forten. Het was alsof wij Nice of een der andere steden aan de Riviera voor ons zagen. Maar toen wij den hoek omgingen naar het achtergedeelte van het eiland, naar de binnenhaven, en daar de honderden Chineesche visschersvaartuigen zagen, visschersschuiten, zooals men ze nergens anders ziet, toen was het Europeesche beeld geheel verdwenen; het Chineesche leven, zooals dat voor een deel op het water afgespeeld wordt, lag voor ons. In dit waterleven spelen de vrouwen een groote rol. Booten, uitsluitend bemand met vrouwen, of booten, waarop de hoofdfuncties door vrouwen worden waargenomen, zagen wij er ontelbaar. Sommige van die vrouwen hadden haar baby op den rug gebonden en hanteerden de zware roeispanen alsof het veertjes waren. Barbiers, acteurs en bootmenschen behooren in China tot de laagste klasse der bevolking, zoo laag zelfs, dat het drie generaties vereischt, alvorens men uit deze klasse oprijst en een of andere burgerpositie kan innemen. Maar dat schijnt den Chineeschen bootvrouwen niet te deren; zij zien er gezond, krachtig en opgewekt uit en schijnen zich van de zorgen des levens niet veel aan te trekken. Men ziet ze steeds lachen en gekheid maken.
De stad Macao is verdeeld in twee gedeelten, een zeer druk en levendig lager gedeelte van de stad, waarin uitsluitend Chineezen wonen en het zeer fraai en hooger gelegen deel, waar de Portugeezen zijn gehuisvest en waar de officieele gebouwen zijn. Dit Portugeesche gedeelte lijkt geheel niet op een Orientale stad, het zijn alle Europeesche huizen, met prachtige tuinen, huizen echter, die in niets beantwoorden aan de behoeften van het heete klimaat. Wij bezochten in Macao de weelderig ingerichte woning van den gouverneur-generaal, met den daarbij behoorenden merkwaardigen tuin en kwamen tot de conclusie, dat de Portugeesche regeering haar vertegenwoordiger hier schitterend heeft gehuisvest. Wij zagen een paar Chineesche tempels, eenige bijzonder fraaie of liever oude Katholieke kerken, een Pagoda, de openbare tuinen, en maakten een rickshawtocht door de stad.