Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 46

Chapter 463,820 wordsPublic domain

Djokja, zoo in het midden van Java gelegen, gaf ons menige gelegenheid om het echte Javaansche volksleven van nabij te leeren kennen.

Ook de temperatuur, die hier alleen midden op den dag erg warm is, is overigens zoo heerlijk, dat men zich geen aangenamer kan denken; zoodat, alles te zamen genomen, de zes dagen, die wij in Djokja doorbrachten, mede behooren tot de zeer interessante en zeer aangename, die wij in onze koloniën sleten.

VII.

Alvorens ik over ons verblijf in Soerakarta, dat hier kortweg Solo wordt genoemd, ga schrijven, wil ik toch even met een enkel woord aanstippen, hetgeen ik over de geschiedenis van de Vorstenlanden las in het boek van Cabaton. Deze Fransche schrijver verheerlijkt over het algemeen het Nederlandsch beheer in de koloniën en schrijft met zeer veel waardeering over de Hollanders. Over de Vorstenlanden schrijvende, merkt hij op: "Tot in het laatst der 18e eeuw waren de Vorstenlanden geheel in de handen van den Soesoehoenan (sultan) van Soerakarta, die bij een opstand der Chineezen in zijn rijk de hulp der Hollanders inriep. Deze kwamen onmiddellijk ter hulp, brachten de Chineezen tot rust en lieten zich daarvoor prachtig betalen. Zij stegen daardoor zoo hoog in de achting van den sultan, dat hij ook het conflict met een zijner broeders, die hem van den troon wilde werpen, aan hunne uitspraak onderwierp. De Hollanders, die niet geheel vreemd waren aan het oogenschijnlijk geheel onschuldige conflict der twee broeders, spraken een oordeel uit, dat beide partijen bevredigde, doch dat vooral de toekomstige plannen der Hollanders diende. Zij verdeelden het rijk in twee deelen en gaven den Soesoehoenan het stuk, dat 2/3 deel van het geheel besloeg en waarvan Soerakarta de hoofdstad bleef; het overblijvende derde deel, met Djokjakarta als hoofdstad, viel zijn oom ten deel, met den titel van Sultan. De Sultan bleef onderdaan van den Soesoehoenan, hij moest elk jaar met een indrukwekkende ceremonie hulde komen brengen aan den Soesoehoenan, daarbij zijne sandalen uittrekken en voor hem nederknielen.

"Het was de bedoeling der Hollanders verdeeldheid te brengen tusschen deze vorsten, want bij de ceremonie van huldebetuiging waren steeds een groot aantal Javanen tegenwoordig, die dan een prachtige gelegenheid hadden om te conspireeren, ten einde zich gezamenlijk weder van de heerschappij van Nederland te ontdoen. De Sultan werd daarom herhaaldelijk opgestookt om zich toch aan die vernederende huldebetuiging te onttrekken, waarmede hij zich de ondergeschikte van den Soesoehoenan toonde, met dat gevolg, dat na eenige jaren de Sultan zich op het aangegeven tijdstip in een Hollandsche uniform aan den Soesoehoenan presenteerde. Ten gevolge van het principe, dat, wie een Hollandsche uniform draagt, op Java niet mag knielen voor welken sterveling ook, bleef ook de Sultan voor den Soesoehoenan staan, die daarop in groote woede de samenkomst verliet.

"De twee vorsten bleven voor een tijd vijandig, beiden zich onafhankelijk van elkander gevoelende, waarmede de Hollanders volkomen hun doel hadden bereikt. Om de Sultan nog meer onder hun macht te krijgen, stelden zij in beide rijken aan het hof een onafhankelijken prins aan, die wel is waar onderdaan van den Sultan of Soesoehoenan is, doch die, behalve zijn verplichte tegenwoordigheid bij enkele hofceremoniën, even vrij zich kan bewegen in het uitgestrekte gebied als zijn zoogenaamde meester. Deze twee prinsen,--die van Soerakarta draagt den titel van Pangeran Adipati Mangku Negoro en die van Djokjakarta dien van Pangeran Adipati Paku Alam--ontleenen hun macht aan Holland en zijn steeds voor Holland vol dankbaarheid geweest".

Daar de Hollandsche gidsboeken een beetje anders het verhaal opdisschen van onze macht in de Vorstenlanden en niet alle lezers van "De Telegraaf" het boek van Cabaton in handen krijgen, heb ik gemeend hun geen ondienst te bewijzen met eens mede te deelen, hoe schrijvers van andere natiën over ons beleid in Indië denken. Als Cabaton gelijk heeft, dan moet ik met hem instemmen en zeggen, dat wij "slim" zijn geweest.

Van Djokjakarta naar Soerakarta vereischt met den sneltrein nog geen anderhalf uur. Doch hoe betrekkelijk klein de afstand ook is, die de beide hoofdsteden der twee keizerrijken scheidt, er bestaat toch in heel veel opzichten een groot verschil tusschen beide. Opvallend in Solo is de groote overeenkomst der mannelijke bevolking met de Sinhaleezen, zooals wij die op Ceylon zagen. Ook hier dragen de mannen hunne lange haren in een knot opgebonden en boven op het hoofd een kam, precies als die der Sinhaleezen, Hun sarongs en vooral de snit hunner baaitjes zijn geheel aan die hunner Ceylonsche broeders gelijk en evenzeer vertoonen zij dat sterk vrouwelijk type. Er is hier tusschen de mannen en vrouwen weder bijna geen verschil op te merken. Telkens vragen wij ons af: is dat nu een man of eene vrouw? In de Kraton in Djokja hadden wij ook enkele zulke typen opgemerkt, maar dan waren het meestal kleinzonen van den sultan van Djokja; hier vinden wij dat Sinhaleesche type onder bijna al de mannen in de straten.

Een groot deel van den arbeid buitenshuis valt in Solo den vrouwen ten deel. Die vindt men hier in alle mogelijke werk en op de drukbezochte passars zagen wij bijna uitsluitend vrouwen. Zelfs de geldwisselaars in de straten, die in alle andere Oostersche landen, die wij tot nu toe bezochten, mannen waren, zijn hier vrouwen. Het is alleen kopergeld, dat zij voor zich in groote stapels hebben liggen, centen en halve stuiverstukken, die zij dan in rijen van tien of vier naast elkaar uittellen om den wisselaar snel te kunnen bedienen. Meestal waren het jonge meisjes of jonge vrouwen, die dit vak, het embryonale bankiersvak, uitoefenen. Op een laag tafeltje hebben zij haar centen uitgeteld en daarachter zitten zij op haar gekruiste beenen. Het schijnt, als de meeste bankierszaken, een voordeelige handel te zijn, want die Javaansche geldwisselaarsters zagen er niet alleen schrander, doch over het algemeen ook properder en beter gekleed uit dan de andere vrouwen.

O, wat is het toch afschuwelijk leelijk, die bijna algemeene gewoonte hier, om de tanden tot op het tandvleesch af te vijlen en dan den mond zwart te kleuren. Als die vrouwen dan nog de siripruim, die zij tusschen de lippen houden, een eindweegs buiten den mond laten hangen, dan is hiermede het meest afzichtelijke beeld, dat men van een vrouw kan maken, bereikt.

Een geheel anderen indruk dan in het huis van den prins Paku Alam in Djokja, krijgt men hier in de woning van den onafhankelijken prins Mangku Negoro. Hoewel ook het huis Mangku Negoro min of meer in Europeeschen stijl ingericht is, verschilt het toch hemelsbreed van dat van zijn prinselijken broeder. Wij woonden hier eene receptie bij, waarop de prins in kolonels-uniform zijne gasten ontving. Zijne vrouw schijnt ziek te zijn, daarom werd zij vervangen door eene der zusters van den prins en een zijner dochters. Daar ik echter de Javaansche taal niet meester ben, kon ik mij noch met den prins, noch met zijne dames onderhouden en moest alles, wat ik graag wilde weten van een zijner Europeesche employees vernemen. De oom en broeders van den prins, die tegenwoordig waren, droegen allen een uniform, die mij heel veel aan die van de Schotsche Hooglanders herinnerde. Nadat alle gasten aanwezig waren, ging de prins ons voor om eene wandeling door het geheele groote huis en door de tuinen te maken. Jammer dat de verlichting, vooral in de tuinen, niet groot genoeg was, om ons een goeden indruk van het geheel te geven. Toen wij weder in de ontvangstzaal teruggekeerd waren, werden wij uitgenoodigd ons in groepjes neer te zetten op de gemakkelijke canapé's en fauteuils en toen kwamen tal van bedienden, allen in uniform gekleed en met een kris achter in hun ceintuur, met zilveren bladen, volgeladen met glazen, gevuld met limonade en whisky-soda binnen en werden ons deze ververschingen aangeboden. Deze bedienden kwamen rechtop geloopen binnen en droegen de bladen op hunne handen boven hunne hoofden. Hier is dus gebroken met het afschuwelijk systeem van kruipende bedienden. Na de verkoelende dranken werden verwarmende dranken, port en jenever, rondgediend en daarna verlieten wij allen tegelijk deze ceremonieele bijeenkomst.

Als men zich, op welk uur van den dag ook, voor een poosje nederzet op het balcon van het hotel Slier, dan ziet men de dwaaste vertooningen voorbijtrekken. Toen wij voor het eerst zoo'n optochtje van eenige mannen zagen, waarvan een paar iets op een zilveren blad of op de handen droegen, waarover door andere mannen een gouden pajong werd gehouden en die geëscorteerd werden door eenige mannen in uniform, die elk een man achter zich hadden, die hun ook een pajong boven het hoofd hield, dachten wij natuurlijk, dat wij met een heel bijzondere zending te doen hadden. Niet weinig waren wij verwonderd, toen wij vernamen, dat zoo'n optocht in den regel niets anders beteekende dan dat een stuk van een of andere lekkernij, een koek of vrucht, van de Kraton naar den Rijksbestierder werd gebracht en dat al zulke boodschapjes nog met den noodigen ouderwetschen luister geschieden.

Wil men het echte Javaansche leven leeren kennen, dan moet men naar Midden Java gaan, daar ziet men onophoudelijk zaken, die met den echten kinderlijken eenvoud dezer menschen in volkomen harmonie zijn, doch die in onze Westersche oogen eene amusante comedie lijken.

Tijdens ons verblijf in Solo, was de Soesoehoenan afwezig; hij bezocht zijn ziek kind, waarvoor boven in de bergen genezing gezocht wordt. Er bestaat onder de nakomelingen van den Soesoehoenan tuberculose, een zijner kinderen is daarvoor nog in Zwitserland. Mij werd verteld, dat de dochters en kleindochters van den vorst tot hun tiende jaar geregeld de lagere school bezoeken in Solo en daarna door een gouvernante thuis verder onderricht worden. Het opgroeiende geslacht, jongens en meisjes beiden, leert nu dan ook de Hollandsche taal.

Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht was de verwachting niet groot. In de eerste plaats bevat Solo een geheel andere Europeesche bevolking dan Djokja en in de tweede plaats moest de vrouw, die hier alles geleid en geregeld had en van wie de geheele bezieling uitging, juist eenige dagen te voren Solo verlaten om met haar man en kinderen naar Holland af te reizen. Toch werden er na de lezing nog 29 nieuwe leden gewonnen, waarvan er twee bereid waren het correspondentschap te aanvaarden en zoo den band met de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Holland te vormen.

Maar nu zou ik haast vergeten, iets te vertellen van een receptie ten huize van den Rijksbestierder, die toch zeer de vermelding waard is. Alleen het bezichtigen van het groote, mooie marmeren paleis met zijne vele kunstschatten, zijn heerlijke marmeren badkamers, zijn verborgen deuren en zijne merkwaardige eetkamer en nog zoo veel meer, hield ons meer dan een uur bezig. Dit heele paleis met zijne phantastisch uitgedoste bedienden, honderden in aantal, het corps inlandsche muzikanten, dat droomerige muziek speelde, de ververschingen, die werden aangeboden en de wijze, waarop zij werden aangeboden, het costuum van den Rijksbestierder en dat der heeren en dames van zijn huis, dat alles deed denken aan een van de Arabische vertellingen uit de duizend en één nacht. Van de verknochtheid aan ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd.

Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging vraag. Ik heb echter al zooveel wat ik hier zie en bijwoon en hoor in de pen moeten houden, om den lieven vredes wil al meer verzwegen dan gezegd, dat dit kleine tafereeltje, dat ik hier zag en op mij zoo'n diepen indruk maakte, hier wel geschetst mag worden. Lieve lezer, verbeeld u dan te zijn in een mooie, breede allee van tamarinda-boomen, pisangboomen, kokosnootpalmen en velden met rijp suikerriet op den achtergrond. Het is midden op den dag, de zon zendt hare stralen regelrecht naar beneden, zelfs door het dichte geboomte. Alles en allen zijn onder den invloed der hitte. Slaperig sukkelen onze kleine paardjes voor het wagentje voort, ons meer dan genoeg tijd gunnende onze omgeving goed in ons op te nemen. Een, twee, drie, neen meer groepjes van vrouwen zitten onder de boomen, allen twee aan twee. De voorsten hebben allen lang, dik loshangend haar en de achter haar zittende vrouwen woelen daarin met de vingers van beide handen om al de levende have daaruit te vangen, zoodat er niet een kan ontsnappen, die dan met graagte verorberd worden, zooals geen aap in Artis haar verbeteren zou. Bij een groepje krijgen de twee, oogenschijnlijk moeder en dochter, ruzie. Het jonge meisje keert zich met een ruk om en tracht een deel van de vangst uit moeders vingers los te krijgen, waarna zij met eene schittering in hare groote zwarte oogen, het tusschen hare vingers geperste wild uit moeders hand in den mond steekt en.....smult.

O, hoe dikwijls heb ik het hier op Java reeds betreurd, geen kodak bij mij te hebben. Ik zag reeds zoo dikwijls iets, dat ik zoo gaarne in beeld wilde vereeuwigen, waar ik het door woord niet durf doen.

En hiermede stap ik van de Vorstenlanden af, want het zal zeker niemand interesseeren wat wij hier zagen in de suikerfabrieken, in een batikschool, en van de kunstnijverheid van midden-Java. Dit is alles reeds zoo herhaaldelijk beschreven, dat ik er gerust over zwijgen kan.

Wij gaan nu naar Semarang, doch met een kloppend hart, want wij zijn bang voor de hitte, die ons daar wacht.

VIII.

Van Solo naar Semarang is slechts een reis van eenige uren, de trein brengt ons echter in dien korten tijd in een geheel ander soort stad dan wij tot dusver op Java gezien hebben. Het is een stad, die een bijzonder prettigen indruk maakt, zoowel door de vele mooie huizen, die allen door goed onderhouden en smaakvol aangelegde tuinen omgeven zijn, als wel door de zindelijkheid en goed onderhouden straten, en ook door zijne mooie omgeving. Het is mogelijk, dat mijn smaak door het zien van zoovele steden in de tropen bedorven is, want ik moet bekennen, dat ik, in afwijking van al mijne gidsboeken en van zoovele bewonderaars van Batavia, laatstgenoemde stad maar niet mooi heb kunnen vinden en in geen geval zoo, dat ik haar verkies boven vele andere steden op Java of Sumatra. Batavia maakte op ons, want mijne reisgenoote denkt er ook zoo over, den indruk alsof de gegevens er zijn om er een mooie stad van te maken, maar dat men nog maar steeds met den opbouw niet begonnen is. Semarang is daarentegen af, de stad staat er en mag zich laten zien en bewonderen.

Maar, behalve dat de stad als zoodanig een bezoek waard is, biedt zij overigens voor toeristen niet veel merkwaardigs. Ook bleven wij er niet lang genoeg om sociale instellingen te gaan zien. Het nieuwe hospitaal moet, zooals mij gezegd werd, het beste van heel Java zijn. Ce n'est pas jurer gros voor dengene, die hier en daar eens een kijkje genomen heeft, maar ik wil daarmede het nieuwe hospitaal in Semarang niet afbreken, want ik heb het niet kunnen gaan zien, doch heb gehoord, dat het up to date is.

Voor onze vergadering kwamen wij er in den slechtsten tijd van het jaar, want door de vacanties zijn bijna alle onderwijskrachten naar boven in de bergen en ook vele gezinnen waren uit de stad. Het is echter onmogelijk om op zoo'n rondreis door Java overal in een geschikten tijd te komen en daarom hebben wij de vergadering toch maar doorgezet en hadden het succes bij de ruim dertig daar reeds bestaande leden nog ruim twintig nieuwe overtuigden te maken en uit dat aantal den volgenden dag eene afdeeling samen te stellen met een uitstekend voltallig bestuur. Mevrouw Wallbrink, die hare sporen op dit gebied reeds verdiend heeft, liet zich de benoeming tot presidente welgevallen en zal daarin gesteund worden door de vice-presidente, Mejuffrouw Haverbult, terwijl de beide secretaressen, mevrouw de Vreede en mevrouw Van den Ende, en de penningmeesteres, mevrouw von Hombracht, de overige werkzaamheden op zich namen. Over dit gedeelte van ons verblijf in Semarang waren wij dus alleszins voldaan, doch overigens dreef ons de warmte zoo snel mogelijk verder.

In Soerabaja hoopten wij ten slotte besliste informatiën te bekomen omtrent onze verdere route, want nog steeds was het vaag, hoe wij het best van hier naar Manilla konden komen. Wij kenden wel den gewonen weg, per paketvaart naar Singapore, van daar naar Hongkong en dan naar Manilla, maar wij wilden coûte que coûte Singapore vermijden, deze zoo weinig interessante, heete stad, alwaar wij met op bovengenoemde wijze te reizen drie dagen zouden moeten verblijven, om de aansluiting naar Hongkong met een goede boot te krijgen, en dan, wij wilden zoo gaarne zonder veel tijdverlies nog wat meer van onze koloniën zien. Onze Manillasche vriend, die wij op onzen tocht naar Sindanglaja ontmoet hadden, had ons beslist gezegd, dat wij over Celebes konden gaan, met die boot ook Borneo hier en daar aandoen, van Menado naar Sandaken in Britsch-Borneo konden komen en vandaar met eene andere boot naar Zamboanga in de Zuid-Philippijnen. Eenmaal in de Philippijnen zijnde, zou het zeer gemakkelijk zijn de verdere verbindingen te vinden. Met zeer veel navraag, getelegrafeer en getelefoneer hadden wij ten slotte die geheele reis voor elkaar, maar een gewichtige schakel ontbrak. Over de boot of de verbinding van Menado met Sandaken liepen de inlichtingen spaak, niemand kon ons iets positiefs daarover berichten, terwijl het negatieve bericht was, dat men niet geloofde, dat er eene goede verbinding was. Deze reisroute werd daarom opgegeven.

Er zou evenwel een boot van de Java-China-Japanlijn den 15en van Soerabaja vertrekken, deze gaat gedurende een week langs de oostkust van Java lading innemen, gaat dan naar Semarang en vertrekt 24 Juni van Semarang naar Makassar en vandaar regelrecht naar Hongkong. Op deze boot hebben wij van Semarang af passage besproken. Wij zullen nu dan toch nog Makassar zien, daar blijft de boot twee dagen stil liggen, en dan gaan wij naar Hongkong, zonder Singapore aan te doen.

Maar nu loop ik met mijn verhaal vooruit. Ik dien eerst nog over Soerabaja en veel andere plaatsen te spreken. Soerabaja is een handelstad, de eerste handelstad van Java. Dat merkt men in de drukke, stoffige straten, aan de hooge, leelijke gebouwen, dat handelskantoren zijn, aan het gekrioel van Chineezen, Javanen, Arabieren, Europeanen. Mooi is Soerabaja niet. Een aangenamen indruk verwekt de stad ook niet. Hier gaat men wonen om er zaken te doen, om er geld te verdienen. Lukt dat laatste in voldoende mate, dan gaat men er gauw weder uit om òf in Europa, òf in een beter oord op Java de nog restende levensdagen te profiteeren van het zuur gewonnen kapitaal.

Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht hadden wij niet veel verwachtingen. Het was ook hier vacantie op school en daardoor velen afwezig. Maar het viel mee. De vrij groote zaal van het Logegebouw was geheel bezet met dames en heeren, waarvan na afloop 39 lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werden. Mevrouw Ingerman, die alles zoo uitstekend had voorbereid, presideerde de vergadering, maar daar zij op het punt staat Indië voorgoed te verlaten, konden wij haar hier niet voor een blijvende kracht behouden. In de vergadering, den volgenden morgen met verschillende leden gehouden, werd besloten eene afdeeling Soerabaja te vormen, waarvoor de dames Broekman en Broese van Groenou (ik wou dat deze laatste talrijke familie nog tienmaal talrijker was) het presidium en vice-presidium op zich namen, mevrouw Soesman het secretariaat en mevrouw Derx het penningmeesterschap. Een tweede secretaresse zal spoedig aan dit bestuur toegevoegd worden. Hiermede zijn de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht in onze koloniën voor ons afgeloopen, alwaar de vereeniging nu tien centrale punten heeft, vanwaar verder propaganda en opvoedende kracht kan uitgaan.

Wij hadden nu nog bijna een week over, alvorens wij in Semarang aan boord van de "Tjimanoek" behoefden te zijn en wij besloten die dagen te gebruiken om de mooie omstreken van Soerabaja te gaan zien. Het zijn wel ver afgelegen omstreken, maar Soerabaja beschouwt ze toch als te behooren tot zijn gebied en van Soerabaja uit zijn ze ook het gemakkelijkst te bereiken.

Met den trein van 3.48 verlieten wij Soerabaja Zaterdagmiddag en kwamen, na ruim twee uren door tal van dessa's gespoord te zijn en met weldra een prachtig uitzicht op de Welirang- en Ardjoeno-bergen, om 6 uur te Lawang aan. Vooral het laatste uur, toen de zon als een groote vuurbol achter die bergen onderging en ze met een krachtig gouden licht overgoot, was 't landschap onbeschrijfelijk mooi. Onwillekeurig komt de gedachte op, hoe lang zal die berg zijn mooien spitsen kop nog mogen behouden, wanneer zal het vuur, dat ontegenzeggelijk in zijn binnenste woedt, dat heele phantastische bovenstuk in duizend deelen heinde en ver om zich heen werpen en een nieuwe kraterzee vormen?

Lawang, dat 1700 voet hoog ligt, wordt voornamelijk bezocht door Soerabajers, die slechts over een paar vacantiedagen kunnen beschikken en in die dagen toch even willen bekomen van de onaangename hitte in de stad. Het is gemakkelijk te bereiken, bezit een uitstekend hotel met goede keuken en wat nog meer zegt, een aangenaam koel klimaat en tal van mooie wandelingen. Wij hadden ons echter voorgenomen ons door al deze aantrekkelijkheden niet te laten verlokken, doch Zondagmorgen door te gaan naar het op 4000 voet hoog gelegen Nongo Djadjar, waarvoor wij reeds van uit Soerabaja reisgelegenheid en kamers besteld hadden.

Om 8 uur Zondagmorgen stond onze équipage voor. Het was een op vier hooge ijzeren wielen staande houten bak, waarvan den bodem uit wijd van elkaar liggende latten bestond en waar op twee ijzeren pijlen een zitgelegenheid voor de reizigers was aangebracht. De heer en dame, eigenaars van het Lawangsche hotel, meenden ons gerust te moeten stellen, wij behoefden niet beangst te zijn, want, zeiden zij, de weg is steil en slecht en alles moet zoo licht mogelijk zijn. Onze bagage, die wij voor deze rondreis zoo beperkt mogelijk hadden gemaakt, en die alleen bestond uit onze reistasschen en een mantelrol, werd op twee bamboestokken geladen en door 4 koelies achter ons aangedragen. Toen wij opgeladen waren, vleide 't koetsiertje zich aan onze voeten neder en daarna klommen twee palfreniers achter ons op het wagentje, die zich aan de ijzeren stangen onzer zitgelegenheid staande hielden en toen zetten onze halfdoode paardjes het op een loopen. Bang waren wij niet, maar wij moesten ons toch eerst een beetje oefenen om ons op onze hooge zitplaatsen te handhaven. De twee palfreniers stonden daar niet alleen om ons aanzien te verhoogen, wij leerden spoedig inzien, dat zij ook een andere bestemming hadden. De een toeterde op een automobielhoorn als er in de verte een kip op den weg liep, of als wij een stilstaanden wagen voorbij renden, of ook wel, als hij meende met die muziek ons te amuseeren. De tweede schroefde een houten plank tegen de ijzeren raderen aan, als wij een helling afgingen, wat door een zeer vernuftig toestel van achter het rijtuig beredderd kon worden.