Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 45
De overheid trekt zich echter van deze hoogst noodige instelling nog niet veel aan. De aan de school werkzame krachten zijn niet-gediplomeerde Javaansche meisjes, die, evenals Raden Devi, hare intellectueele krachten wenschen dienstbaar te maken tot verheffing van haar Javaansche zusters. Bezoldiging, wat m.i. dien naam mag dragen, ontvangen zij niet. Het onderwijs strekt zich niet verder uit dan tot lezen en schrijven van het Javaansch en rekenen. Het sommetje, dat ik een van die kleine, aardige, bruine kindertjes zag maken, leek mij al heel practisch, het was direct ontleend aan het leven, dat haar weldra wacht Zij moest op het bord uitrekenen hoeveel zij te betalen zou hebben, als zij naar de Passar ging en kocht een flesch kokosnootolie van 32 cents, een paar sinaasappelen van 6 cents, en nog iets van 15 cts. Daarna moest zij uitrekenen, hoeveel zij moest terugontvangen als zij die zaken met een gulden betaalde. Het zeven- of acht-jarige poppetje, met haar opgestoken haar, en in een sarong en kabaai gekleed, als een heel mensch, schreef haar antwoorden zóó vlug op het bord, dat men overtuigd kan zijn, dat zij zich later als huisvrouw op de passar niet zal laten bedotten, maar die ook bij mij den wensch deed opkomen, om toch al deze kinderen wat meer onderricht te doen geven. Wat een macht van ongecultiveerde gaven ligt er voor ons land nog te oogsten, als wij de Javaansche vrouwen, evengoed als de mannen, de gelegenheid tot ontwikkeling openen.
Verder werd op die school handwerkles gegeven, in hoofdzaak in nuttige handwerken, zoodat de leerlingen later in staat zullen zijn haar eigen kabaaitjes te maken en hun kleeding netjes te verstellen.
Ook wasschen, strijken en koken werd er onderwezen. De kooklessen zijn er natuurlijk ook alleen op ingericht om de kinderen de Indische keuken te leeren. De rijsttafel met haar groote verscheidenheid van bijgerechten werd daar door de meisjes onder goede leiding klaargemaakt en later gezamenlijk opgegeten.
Als een uitvloeisel van deze school en onder dezelfde omstandigheden en op denzelfden voet werkende, is er nu een te Garoet opgericht, die het in een minimum van tijd tot 100 leerlingen bracht. Is er grooter bewijs noodig, hoezeer goede meisjesscholen hier een levensbehoefte zijn?
Op de school voor opleiding tot inlandsche ambtenaren trof mij het beschaafde en intelligente uiterlijk van de meeste jongelieden, die daar tot toekomstige ambtenaren worden opgeleid. Als deze jonge mannen als staalkaart mogen dienen van de inlandsche mannelijke bevolking op Java, dan staat die bevolking ongetwijfeld op een hoog standpunt. Het muziekkorps, door een der leeraren uit deze jongelui samengesteld, dat hij-zelf onderricht, gaf ook het bewijs, dat de muzikale ontwikkeling van den Javaan ver verheven is boven die van alle Oostersche volken, die wij tot nu toe zagen.
Op de Kweekschool voor Inlandsche onderwijzers waren twee meisjes. Het spijt mij te moeten zeggen, dat deze twee meisjes niet tot de besten onder hare zusters behooren. Dat zij slechts zeer moeilijk met de jonge mannen konden meekomen, was op de gezichten te lezen. Voor de meisjes geldt echter tot verontschuldiging, dat zij niet, evenals de jongens, een goede voor-opleiding hadden genoten. Het meten van krachten is ook hier onbillijk, omdat van den aanvang af niet dezelfde zorg aan de opleiding is besteed.
Iets moet ik nog vertellen, dat op de school van Raden Devi mij zeer pijnlijk trof. Op geen enkele school heb ik dat nog gezien. Als een van de meisjes daar voor het bord werd geroepen om iets uit te rekenen of op te zeggen, dan kwam zij kruipende uit haar bank tot voor de voeten van de onderwijzeres, boog dan haar hoofd tot bijna op den grond, raapte het stukje krijt van den grond en verhief zich dan om haar som uit te rekenen. Op diezelfde kruipende wijze ging zij ook naar haar bankje terug. Zelfs in de kook-afdeeling bewogen de kinderen zich kruipende achter ons om. Dat is de adat, werd mij geruststellend gezegd, maar het is een verderfelijke adat, die niet anders dan verkeerd kan werken en die liefst zoo gauw mogelijk verdwijnen moet.
Een van de vele avonden, die wij hier doorbrachten, gebruikten wij om een voorstelling in een Indo-theater bij te wonen. Geisha, zou worden opgevoerd; wij zouden er wel niets van verstaan, maar wij kenden den inhoud van dit operettetje genoegzaam om te begrijpen wat gezegd en gezongen zou worden. Het was een heerlijke avond. Wij smaakten niet zoozeer muzikaal artistiek of simpel artistiek genot, maar gelachen hebben wij toch, zelfs, toen wij reeds lang den schouwburg verlaten hadden. Wat de vele inlanders--want wij tweeën waren waarschijnlijk de eenige niet-inlanders--in deze voorstellingen trekt, ben ik niet te weten kunnen komen; er schijnt het geheele jaar door genoeg belangstelling te bestaan in deze vertooningen, om avond aan avond volle zalen te trekken. Het was eigenlijk in elk opzicht een parodie. Het zwakke stemmetje van de prima-donna klonk net als het gemiauw van een veertiendaagsch katje, en de jeune-premier zong, alsof hij het met de geheele wereld aan den stok had. Neen, zoo zong hij eigenlijk niet, want het geluid, dat hij te voorschijn bracht, mag niet zingen genoemd worden.
Toen de prima-donna besloten had om naar Japan te gaan, om haar kinderen te zoeken, zag men op het tooneel een zee met grasgroene golven, die door bandjes op en neer werden bewogen en waar tusschen de prima-donna, de kapitein en een matroos het schip, waarop zij zich bevonden, voortrolden. Toen het schip van het eene eind van het ongeveer twee en een halve meter breede tooneel naar het andere eind was gerold, verscheen de juffrouw op 't tooneel vóór de golven en miauwde haar liedje, dat zij aan boord had moeten zingen.
Wij hebben het slot van deze zielverheffende vertooning niet bijgewoond en zijn er ook niet achter gekomen, of daar op het tooneel Javaansch, Maleisch of Soendaneesch gesproken werd.
Over een van onze mooie uitstapjes wil ik ook nog wat vertellen. Het betreft onzen tocht naar den krater van Prahoe. Wij hadden ons voorgenomen één van de vele kraters op Java te gaan zien en daar wij waarschijnlijk nergens zoo lang zullen vertoeven als in Bandoeng, besloten wij tot een bezoek aan Tangkoeban-Prahoe. Wij hadden alles den dag te voren besteld, zoodat wij nergens oponthoud behoefden te hebben en den heelen tocht in een halven dag konden doen. Direct na zonsopgang vertrokken wij in een gemakkelijke auto naar Lembang, alwaar wij nog voor half acht aankwamen. De weg van Bandoeng naar Lembang, die zacht bergopwaarts gaat, is verrukkelijk mooi. Overal die weelderige plantengroei, die bonte bloesems aan allerlei boomen, dat elegante bamboeriet, dat met zoo'n zwierigen draai zijn kop naar beneden keert, die kleurige meisjes aan het theeplukken en nog zooveel meer, dat het oog boeit. In Lembang stonden de beide tandoe's, elk met vijf koeli's (een om onderweg in te vallen) reeds gereed, zoodat wij direct uit de auto in den draagstoel konden overwippen en toen zonder dralen konden verder gaan. Ruim twee uur gingen de stevige kerels in flinken pas steeds steil naar boven, over een weg, zoo vol gaten en afgronden, dat wij blij waren, liever de veilige tandoe, dan een rijpaard voor dezen tocht gekozen te hebben. Eerst passeerden wij nog eenige theeplantages, hooger gekomen gingen wij door kina-ondernemingen, tot wij het laatste uur midden door een oerwoud trokken. Het was een hoogst interessante tocht. Om tien uur waren wij boven met den krater aan onze voeten. De rookkolommen, die van verschillende kanten opstegen, de sterke zwaveldampen en de nu en dan even opkomende borrelingen laten geen oogenblik twijfel bestaan, dat er in het binnenste van deze kolos nog steeds leven is en hij best den een of anderen dag eens weder flink aan het sputteren kan gaan. Wij troffen een zeer helderen dag, waardoor wij een prachtig vergezicht hadden. Toen wij uitgekeken waren, keerden wij terug. De schommelingen van de tandoe waren veel gemakkelijker te verdragen, doordat wij, door ondervinding wijs geworden, de koelies verzochten niet in de pas te loopen. Dat hielp.
Morgenochtend gaan wij van hier in eens door naar Djokjakarta. Wij zijn verplicht Garoet uit onzen tocht door Java uit te schakelen. Toen reeds onze geheele route was vastgesteld en overal de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht waren bepaald, kwam Magelang nog achteraan, om ook een vergadering te willen hebben. Daardoor moest nu Garoet vervallen om dien tijd aan Magelang te kunnen besteden.
Met ons vertrek uit Bandoeng, verlaten wij ook de Preanger Regentschappen. Ik ben hier reeds zoo gewend aan de vraag: "of ik de Padangsche Bovenlanden mooier vind dan de Preanger Regentschappen", dat ik mij verbeeld, daarop hier nu ook een antwoord te moeten geven. Naar mijne meening zijn de Padangsche Bovenlanden en de Preanger Regentschappen beide zeer mooi, doch met elkander niet te vergelijken, omdat zij beide zoo geheel iets anders zijn. Van beide kan men zeggen, dat zij liefelijk mooi zijn, doch beide missen een grootsche natuur.
In de Preanger mist men de schilderachtige Sumatra'sche huizen met hunne poppige rijsthuisjes, die zoo'n goed effect maken tusschen het veelkleurige groen; daarentegen vindt men in de Preanger de in helle kleuren gekleede vrouwen, die aan de omgeving de levendigheid geven, die ze anders zou missen. De Preanger schoonen durven zich in bonte kleederen steken. Zij vertoonen daarbij echter niet altijd goeden smaak. Soms ziet men een jong meisje met een blauwe sarong, een groen baaitje en een paarse slendang. En de kleuren zijn hard en leelijk. Hier en daar vertoonen de meisjes neiging om zich Europeesch te kleeden. Waar ik ze zag, kon ik den smaak der jonge meisjes niet bewonderen. Het is nog te onbeholpen. Maar waarom zouden zij niet? Onze Hollandsche dames loopen soms den geheelen dag in sarong en kabaai en zien er dan dikwijls ook lang zoo goed niet in uit als de Javaansche vrouwen, waarom zouden deze nu niet, als zij mooi willen zijn, onze kleederdracht overnemen? Ik zag hier een Javaansche huwelijksstoet door de straten trekken, bruid en bruidegom en naaste familie in drie auto's voorop, alle genoodigden in verschillende soort rijtuigen achteraan. Bruid en bruidegom in Europeesche kleederen en ook verschillende der genoodigden. Ik geloof echter niet, dat iemand zich in het ras vergissen zal. Zoo'n Javaansche kop is niet gemaakt voor een Europeeschen hoed, of omgekeerd. Nabootsen is altijd leelijk, onverschillig of het door Europeanen of anderen geschiedt.
29 Mei 1912.
VI.
Van Bandoeng naar Djokjakarta is een lange, warme, stoffige reis in de overigens comfortabele wagens van de Staatsspoorwegen. De overgang van de Padangsche Regentschappen in de Vorstenlanden kenmerkte zich op meer dan eene wijze. Vooreerst toch onderscheidt zich de Soendaneesche bevolking opvallend van de Javaansche. De Soendaneesche vrouwen en mannen, hoewel, althans volgens mijne Europeesche begrippen, ook niet bedeeld met uiterlijk schoon, zijn toch nog Venussen en Adonissen, vergeleken bij hunne Javaansche zusters en broeders. De Javanen, ik bedoel natuurlijk dat soort, dat wij op de wegen zien, zijn niet alleen leelijk, doch bezitten ook een minder geciviliseerd voorkomen dan wij tot dusver van de andere inlandsche bevolking in onze koloniën gezien hebben. De vrouwen dragen hare dikke, lange haren niet netjes gekamd en opgestoken, hare sarongs en kabajaas zien er donker en onfrisch uit en de dikke siripruim tusschen de lippen voltooit den echt onbeschaafden indruk, dien zij verwekken. De mannen staan uiterlijk niets hooger.
Een ander groot verschil tusschen de Soendaneesche en de Javaansche vrouw is ook, dat deze laatste werkt. Men ziet hier in midden-Java minstens even zoovele vrouwen op het land werken als mannen. Ook op de passars treft men de vrouwen als verkoopsters en koopsters en op de wegen ziet men even zoovele zwaar-bepakte vrouwen als mannen. Het is duidelijk, dat hier weder mannen en vrouwen beiden werken. Mij werd verteld, dat de Javaansche vrouw, ook de gehuwde, in eigen onderhoud voorziet.
De thee- en vooral de kina-ondernemingen, die wij in de Preanger zoo veelvuldig zagen, missen wij in de Vorstenlanden. Zij hebben plaats gemaakt voor uitgestrekte velden met suikerriet, die in uitgestrektheid wedijveren met de rijstvelden. Het schijnt juist tijd te zijn van het overplanten der rijst, een eentonig, ongezond werk, dat bijna uitsluitend door vrouwen geschiedt. De fijne rijstsprietjes, die eerst op een beperkt veld in dichte bossen opschoten, worden nu een voor een op een kleinen afstand van elkander onder water in de voren geplant. De vrouwen staan daarvoor voorover gebukt tot over de enkels in het water, in de eene hand een bos sprieten houdende, met de andere een voor een het sprietje zijn plaats gevende. Ook als de rijst rijp is, wordt zij door vrouwenhanden geplukt.
In Djokja werden wij door mevrouw Ter Horst--De Boer aan het station ontvangen, die voor goede kamers in het hotel Mataram gezorgd had. Eenige leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hadden voor ons ieder een vaas geurende orchideeën in onze kamers geplaatst. Ik moest den volgenden morgen eerst naar Magelang, alwaar mevrouw Schriecke, toen de sociëteitszaal voor dat doel werd aangeboden, een vergadering voor vrouwenkiesrecht voor dien avond had uitgeschreven. Magelang is voornamelijk bevolkt, voor zoover het de Europeesche bevolking betreft, door militairen, en aangezien wij voor de zaak, waarvoor wij strijden, van de zijde der militairen slechts bij uitzondering instemming vinden, was de verwachting van de opkomst van het publiek en van het winnen van leden voor de vereeniging niet bijster groot. Ik had evenwel gemeend, dat ik de zoo laat tot mij gekomen uitnoodiging toch niet mocht afslaan, in elk geval moest probeeren ook in Magelang een paar zaadjes te strooien, in de hoop, dat er vroeg of laat hier of daar nog wel een tot groei en ontwikkeling kon komen. De vergadering was dan ook niet druk bezocht, doch het gelukte toch, niettegenstaande den sterken tegenstand door een debat van hardnekkige anti's, nog ongeveer dertig aanwezigen te overtuigen, dat spoedige invoering van vrouwenkiesrecht noodzakelijk is en zij van die overtuiging konden doen blijken door als leden onzer vereeniging toe te treden, waarmede zij ons in onze taak in Nederland steunen.
Ik moest den volgenden morgen reeds weder vroeg afreizen en kon om die reden niet meer helpen de afdeeling Magelang in elkaar te zetten, doch mevrouw Schriecke heeft die taak op zich genomen en in betere handen kon ik die gewis niet achterlaten
Onder mijn gehoor in Magelang bevond zich ook de Regent van daar. Deze hoogst-beschaafde en zuiver Hollandsch sprekende man liet zich na de vergadering aan mij voorstellen. Hij vertelde mij, 't geen ik reeds meer gehoord had doch steeds was het weder tegengesproken, dat de Javaansche vrouw het kiesrecht onder dezelfde voorwaarden als de man bezit. Beiden oefenen dit recht echter alleen uit bij de verkiezing van dessahoofden. Het is verbonden aan grondbezit. Nu zijn de meeste vrouwen op volwassen leeftijd gehuwd en hebben dan geen eigen bezit, zoodat vrouwelijke kiezers zeldzaam zijn, maar toch komen zij in bijna elke dessa voor. De Regent had in zijn dessa twee vrouwen die kiezers waren en die bij eene verkiezing nooit ontbraken. Dus ook de Javaansche vrouw is hare Nederlandsche zusters in dezen voor! Wordt het niet beschamend?
Hoe gaarne had ik den volgenden morgen even een bezoek gebracht aan het Instituut van den heer en mevrouw Van der Steur, dat in Magelang gevestigd is. Hoe verdienstelijk die menschen zich maken, door de opvoeding van vele honderden kinderen op zich te nemen, kinderen van Europeesche vaders en inlandsche moeders, kunnen alleen zij beseffen die hier 'n beetje zich hebben vertrouwd gemaakt met de ongelukkige positie waarin die arme slachtoffers van de in concubinaat levende ouders verkeeren. Door de opvoeding van die kinderen, waarvan anders niets zou terecht komen, op zich te nemen, verplichten zij de maatschappij op onbetaalbare wijze aan zich.
Toen ik om tien uur met den trein in Moentilan aankwam, stond mrs. Catt mij daar reeds met een auto te wachten, waarmede zij van Djokja was gekomen en waarmede wij nu samen 'n bezoek zouden brengen aan den tempel van Boro Boedoer en aan dien van Tjandi Mendoet.
Het is mij onmogelijk om van de Boro Boedoer, dit eeuwenoude monument eene beschrijving te geven. Elke beschrijving van dit meesterstuk van beeldhouwkunst uit de 8e eeuw, dat ons een beeld geeft van wat de Javaan in dat voor hem gouden tijdperk op kunstgebied vermocht, zou aan de waarheid te kort doen. De Buddhistische of Hindutempel overtreft in grootte en schoonheid alle dergelijke tempels in Ceylon en Britsch-Indië. Deze soliede, pyramidale tempel, uit blokken lavasteen gebouwd, waarbij noch cement, noch pilaren of bogen gebruikt zijn om het geheel samen te houden, is een van de wonderen der wereld. Het is vreemd dat dit toonbeeld van menschelijk kunnen niet door aardbevingen of door de beeldverwoestende Mohammedanen verwoest is geworden, zooals toch bijna overal elders de Hindu en Boeddhatempels door de Mohammedanen verwoest werden, zoodra zij er de macht toe kregen. Zou ook vroeger hier het Mohammedanisme reeds doortrokken zijn geweest van Hinduïsme en Boeddhisme?
Maar niet alleen de tempel is imposant, ook de omgeving waarin hij staat. Toen ik boven op den top van dezen kolossus zat en mijn blik liet dwalen over het uitgestrekte panorama, toen had ik een stuk Oostersch leven voor mij, zoo imponeerend, dat het mij onwillekeurig aan het droomen bracht. Het voerde mijn geest terug naar de interessante tijden van het verleden. In mijne verbeelding zag ik daar die duizenden pelgrims over de, tot aan den top met palmen begroeide bergen komen, om steeds weder op nieuw de hulde en dankbaarheid te betuigen aan de honderden steenen afgodsbeelden, waarvan elk een zittenden Boeddha voorstelt, den man die hun gebracht heeft innerlijken vrede.
Na de Boro Boedoer vallen, als van zelf sprekend, alle andere ruïnes van tempels, die wij op onzen tocht bezochten, zeer in de schaduw en toch is de tempel van Tjandi Mendoet, op eenige mijlen afstand van de Boro Boedoer gelegen, ook een zeer merkwaardig monument en een bezoek overwaard. Van de tempels in het laagland van Parambanan gelegen, die wij den volgenden morgen een bezoek brachten, is door aardbevingen en door den tand des tijds te weinig intakt gebleven om door gewone stervelingen nog genoegzaam geapprecieerd te kunnen worden. Er is juist zooveel van staan gebleven, dat men nog even den indruk krijgt van de groote macht van het kunnen in dien tijd en van de groote offers in geld en tijd en geestelijke en lichamelijke inspanning, die deze menschen voor hunne godsvereering over hadden. Ook al die tempels waren opgebouwd uit blokken lavasteen, die eenvoudig op elkaar gestapeld werden, zonder dat zij door eenig cement aan elkaar verbonden waren.
Een bezoek aan een pandjeshuis in Djokja, door een Chinees gehouden, deed ons nog eens sterk sprekend de waarde beseffen van den regeeringsmaatregel om langzamerhand al deze instellingen in onze koloniën onder Gouvernementsbeheer te brengen. Wat een enorm verschil in onkosten, doch vooral in zekerheid voor den inlander, dat hij zijne pandstukken terug krijgt, bestond tusschen deze Chineesche onderneming en een dergelijke onder Gouvernementsbeheer.
Op de kweekschool van inlandsche onderwijzers, waarvan de vóór-opleidingsschool vooral eene model-inrichting mag genoemd worden, zaten ook twee Javaansche meisjes. Deze twee schrander uitziende persoontjes, konden niettegenstaande hare gebrekkige vóór-opleiding en de minder gunstige voorwaarden waaronder zij het onderwijs mochten volgen, toch zeer goed met de mannelijke leerlingen wedijveren. Ook hier weder ontvangen de jongens onderwijs, kost en inwoning--en dit laatste zeer goed--vrij, benevens eene maandelijksche toelage van f 10,-, terwijl de meisjes voor dit alles zelf moeten zorgen. Ik haast mij echter hieraan toe te voegen, dat onder dezen directeur van onderwijs met dit meten met twee maten langzamerhand gebroken zal worden en de toekomstige meisjesleerlingen ook tegemoetkoming in de te maken kosten zullen ontvangen,
Een groote teleurstelling trof ons hier. Er zou Zondagavond een gamelan en dansavond in de Kraton plaats hebben, door den sultan gearrangeerd voor den resident en zijne logees. De resident was goed genoeg om ook ons in deze uitnoodiging te betrekken, maar op den dag, dat het feest zou plaats vinden, sterft een van de 153 kleinkinderen van den sultan. Als men bedenkt dat deze oude sultan achtereenvolgens drie wettige vrouwen heeft gehad en een bescheiden aantal bijwijven, die hem te zamen eenige honderden kinderen schonken, waarvan nog over de 70 in leven zijn en dat die kinderen hem nu reeds met 153 nog in leven zijnde kleinkinderen vereerden, dan is het licht te begrijpen dat Kratonfestiviteiten nog al eens in de war gestuurd worden door den onverwachten dood van een dier nakomelingen. Ik vond het heel jammer, dat die prinses op zoo'n ongelegen oogenblik het leven verliet, een leven echter, dat voor een in de Kraton geboren prinses, naar onze Westersche begrippen althans, niet anders dan een doelloos, monotoon en in vele gevallen hoogst treurig bestaan kan zijn geweest.
Geheel anders als het leven in de Kraton voor de daarin geboren prinsessen, is het leven van de vrouwen in het huis van den Prins Paku Alam. Ik verheug mij zeer dit interessante gezin te hebben leeren kennen. Niet alleen de prins en zijn oom, doch ook alle prinsessen, zuster en nichten van den prins spreken onberispelijk Hollandsch, benevens eenige vreemde talen. Zij konden zich even goed met mrs. Catt in het Engelsch, als met mij in het Hollandsch onderhouden. In deze jeugdige prinsesjes begroette ik de moderne Javaansche vrouw, meisjes van het slag van Karthini, die niets liever zouden willen dan zichzelf te ontwikkelen, om deze ontwikkeling dienstbaar te maken tot verheffing harer Javaansche zusters. Zou de schrijfster van Hilda van Suylenburg wel gedacht hebben, dat zij hier, in het midden van Java, zulke lieve, jonge, hooge vereersters vindt in de prinsessen van het huis van Paku Alam?
Niet weinig was ik verrast, toen ik Maandagavond in de vergadering voor vrouwenkiesrecht, die door een zeer talrijk publiek werd bijgewoond, onder de aanwezigen ook den prins met vier prinsessen aantrof en dat ik met mijne voordracht ook het hart dezer lieve hoorsters trof. Behalve de vier prinsessen waren ook de beide Javaansche adspirant-onderwijzeressen van de kweekschool onder mijn gehoor, voor wie ook, hetgeen zij hoorden, niets bovennatuurlijks was. Ook deze meisjes betuigden mij later hare instemming met het gehoorde. Dat het Indische publiek ontvankelijk is voor rechtvaardigheid en gaarne genegen is de strijd voor vrouwenkiesrecht in Nederland te helpen steunen, getuige wel, dat na mijne voordracht 81 der aanwezigen als leden tot de vereeniging toetraden. Nog deze week zullen deze leden een bestuur uit hun midden kiezen en de Djokja'sche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht gaan vormen. Aan de flinke voorbereiding van deze vergadering, door de dames Ter Horst en Lokhorst, is dit prachtig resultaat voorzeker te danken.
Mevrouw Ter Horst maakt zich op velerlei wijze verdienstelijk in Java. Een van de meest sprekende is wel de permanente tentoonstelling van vrouwenarbeid, waarmede zij een tweeledig doel bereikt. Eensdeels houdt zij daarmede de oude Indische kunstindustrie staande en anderdeels verschaft zij daarmede aan vele vrouwen werk, omdat de zaken, op die tentoonstelling aanwezig, alle aangekocht kunnen worden. In dit artistiek ingerichte lokaal zagen wij menig stuk zeer mooi batikwerk, houtsnijkunst, leerbeschildering, graveerwerk, enz.