Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 44

Chapter 443,663 wordsPublic domain

Bandoeng is een verrukkelijke stad; er is het geheele jaar door een temperatuur, die niets te wenschen overlaat. Het is er nooit te koud en het is er nooit te warm. Daarbij ligt het zoo te midden van een prachtige natuur, dat men er tal van heerlijke uitstapjes kan maken. Er wonen juist genoeg Europeanen om gezamenlijk wat kunstgenot te kunnen betalen en ook noodzakelijke, nuttige instellingen in het leven te houden.

Waarom vestigen alle groote lichamen hunne hoofdkantoren niet hier, inplaats van in het door de hitte bijna onbewoonbare Batavia? En waarom wordt de regeeringszetel niet naar hier overgeplaatst? Als ik het in Holland niet meer naar mijn zin vind, ga ik naar Bandoeng. Waarom gaan de menschen naar Italië, naar Zwitserland; wat men daar zoekt en slechts voor een deel van het jaar vindt, is hier onophoudelijk te genieten. Voor het onderwijs van de kinderen zoekt men die andere landen, maar bij genoegzame deelname zijn hier toch ook goede scholen te stichten. Als er ooit in Indië een universiteit komt, moet die in Bandoeng gevestigd worden, want hier kunnen de jongelieden met heldere koppen werken, hier behoeft hunne energie door de hitte niet verlamd te worden.

Wij rekten ons verblijf in Bandoeng zoolang wij konden, en bleven er tot na de Pinksterdagen. Dat waren bijzondere drukke dagen voor het stadje. Niet alleen hielden de kina-kultuurondernemers, de theeplanters en de koffie dito's er eene bijeenkomst of een congres in die dagen, maar er had nog een andere bijeenkomst plaats, die ten doel had de leden der gemeenteraden over heel Java tot een bond te vereenigen, om zoodoende de belangen der afzonderlijke gemeenten op betere wijze dan tot nu toe te kunnen behartigen. De bijeenkomst droeg den grootschen naam van "Decentralisatie-congres", en had plaats ten huize van den regent van Bandoeng.

Door middel van mijn perskaart kreeg ik toegang tot dit congres. Het vorige jaar kwamen door de bemoeiingen van het oud-Kamerlid Van Kol en op zijn initiatief, eenige heeren, allen deel uitmakende van de verschillende gemeentebesturen uit Nederlandsch-Indië, bijeen, die de wenschelijkheid gevoelden van de totstandkoming van een bond van gemeenteraadsleden met een eigen orgaan, zoodat de gemeentebelangen beter dan tot dusverre behartigd kunnen worden. Het is nog zoo kort, dat onze broeders in Indië de bevoegdheid verwierven de gemeentebelangen, voor een deel, zelve te mogen regelen. Vele gekozenen in de gemeenteraad schijnen hun taak ook met liefde en toewijding te vervullen, maar zij gevoelen zich als een beginnende schaatsenrijder, zij hakkelen nog wat in de kunst en weten nog niet goed of de rechter- dan wel de linkervoet voor moet gaan. Niets begrijpelijker dan dit. Wijsheid te putten uit de gemeente-handelingen onzer Nederlandsche groote steden helpt slechts weinig, omdat de toestanden hier zoo geheel anders zijn. Door elkaar voor te lichten met wat in de eene gemeente met goed resultaat tot stand kwam, of wat onvoorziene slechte gevolgen had; door groote belangen, die voor heel Indië konden gelden, samen te bespreken, kan men elkaar helpen en steunen en de gemeenten kunnen daarvan de goede vruchten plukken.

Den 26en en 27en Mei had nu de tweede bijeenkomst plaats, die echter het eerste congres moet worden genoemd, omdat nu voor het eerst eenige onderwerpen door verschillende sprekers zouden worden ingeleid, onderling besproken en over de daaruit voortgevloeide stellingen gestemd zoude worden.

Nadat de oude regent even alle aanwezigen in zijn woning had begroet, ging hij heen en werd het congres met een kort, passend woord geopend door den resident van Bandoeng, den heer Oudemans. Deze had, op verzoek, het presidium voor deze bijeenkomst aanvaard, omdat de aangewezen president niet tegenwoordig kon zijn en zijn plaatsvervanger de taak niet aandurfde. Benevens de resident waren ook nog de heeren Tollenaar, regeerings-vertegenwoordiger, en ons Eerste Kamerlid, Van Deventer, tegenwoordig. Verder was de opkomst bedroevend gering. Dat was zeer te betreuren, omdat de onderwerpen, die ingeleid werden, zeer belangrijk waren, en naar het mij voorkwam, zeer degelijk werden behandeld.

De heer D. de Jongh Wz. hield de zakelijke openingsspeech, waarin hij het doel van deze bijeenkomst schetste. Dat is samen te vatten in de volgende woorden: Dit congres moet de belangstelling wekken der gemeenteraadsleden en daardoor moet men komen tot een "Bond ter bevordering van gemeentebelangen".

Daarna sprak de heer Westerveld, Semarangsch gemeenteraadslid, over "Gemeentelijke grondpolitiek". Helder en goed gedocumenteerd was zijne voordracht, die gemeentelijk grondbezit aanbeval. De 6 stellingen, die ten slotte uit de voordracht getrokken, aan stemming onderworpen werden en met algemeene stemmen werden aangenomen, komen daarop neer: 1. dat de uitbreiding eener gemeente alleen mag geschieden volgens een door den gemeenteraad vastgesteld uitbreidingsplan. 2. Dat de gemeente de bevoegdheid deelachtig wordt om ten algemeenen nutte gronden te onteigenen. 3. Dat gemeentelijk grondbezit in de eerste plaats moet dienen tot verbetering der volkshuisvesting. 4. Dat bij overname van door particulieren aangelegde straten de voorwaarde wordt gesteld, dat de grond kosteloos aan de gemeente wordt afgestaan en tevens een grooter of kleiner deel van de gekapitaliseerde onderhoudskosten in de gemeentekas wordt gestort, en 5. Dat het gemeentelijk grondbezit afzonderlijk beheerd moet worden.

Daarna sprak de heer De Jongh over het Verkeersvraagstuk in de gemeenten. Ook deze spreker had zijn onderwerp goed bestudeerd en beschikte over de talenten om op aangename en duidelijke wijze zijne overtuiging bij zijne hoorders ingang te doen vinden. Hij is een groot voorstander van gemeente-exploitatie van tramwegen, doch zoolang dit uit gebrek aan middelen een ideaal moet blijven, wil hij de particuliere exploitatie aan zeer scherpe voorwaarden binden, voorwaarden, die het te allen tijde mogelijk maken, dat het bedrijf door de gemeente op niet al te nadeelige voorwaarden kan worden overgenomen. Ook deze spreker heeft zijne voordracht in stellingen samengevat, die ook eenparig werden aangenomen.

Dat in stemming brengen en aannemen van al de stellingen beteekent eigenlijk niets anders, dan dat het handjevol der daar aanwezige gemeenteraadsleden van slechts zeer weinige gemeenten in hoofdzaak met de denkbeelden van den voorsteller kunnen meegaan; verdere beteekenis mogen wij daaraan vooralsnog niet hechten. In beide deze voordrachten trof het mij, hoe de belangen van den inlander steeds nummer één werden gesteld, en hoe men er op voorbedacht is om de gemeentepolitiek in de eerste plaats dienstbaar te maken aan de belangen der inlandsche bevolking.

Den tweeden dag werd door mr. Van Wijngaarden het vraagstuk van "Gemeenteraad en Inlandsche Gemeente" ingeleid, doch dit is zoo'n ingewikkelde juridische kwestie, dat ik daarvan den inhoud niet in een kort bestek kan samenvatten, ook al niet, omdat ik er niet genoeg van begrijp. Dit laatste was toch het geval met de meeste aanwezigen, waardoor dan ook de stellingen niet in stemming konden worden gebracht, doch men algemeen van oordeel was, dat dit vraagstuk grondig moest worden bestudeerd en in een ander congres opnieuw ter sprake worden gebracht. Daarna sprak de heer J. E. Stokvis, over Gemeenteraadscommissies. Onnoodig zeker te zeggen, dat hij een groot voorstander bleek te zijn van zulke lichamen, of lichaampjes, die in de gemeenteraden eigenlijk het practische werk verrichten. Toen deze besprekingen afgeloopen waren, werd de wenschelijkheid besproken van eene definitieve oprichting van eene "Vereeniging ter bevordering van gemeentebelangen", waarvan elkeen, ook niet-gemeenteraadsleden, die aan de behartiging dier zaken wil medewerken, lid kan worden. Uitdrukkelijk wordt in het reglement door den heer Stokvis samengesteld, uitgesproken, dat vrouwen, onder dezelfde voorwaarden als de mannen, lid dezer vereeniging kunnen worden. Dit is een zeer verstandige maatregel, want het zou mij niet verwonderen, als niet zeer spoedig zal blijken, dat de vrouwen hier meer belangstelling toonen in de gemeentebelangen dan tot dusverre de mannen deden, enkele zeer bijzondere gunstige uitzonderingen daargelaten. De vrouwen in Indië hebben nu gelegenheid van hare belangstelling te doen blijken, daarmede aantoonende, hoe bekrompen, en meer de traditie dan het belang der Indische gemeenten dienende, de uitsluiting der vrouw tot het kiezen van en verkiesbaar zijn voor gemeenteraadslid in Indië, in de Verkiezingsordonnantie van 19 Januari 1908 is geweest. Was er toen een gouverneur-generaal in Indië geweest met een helderen kop en met de moed zijner overtuiging, dan had hij, in het belang der Indische gemeenten, nooit het woordje "mannelijk" in artikel 2 van de Kiesordonnantie gelascht. De vrouwen, onder welke er vele zijn, die de gemeentebelangen begrijpen en ze wenschen te bevorderen, moeten nu eerst den strijd aanbinden om dat woordje uit artikel 2 verwijderd te krijgen, alvorens zij met vrucht haar werk ten nutte der gemeente kunnen aanvangen. Dat zij dezen strijd zoo spoedig mogelijk zullen aanbinden, daarvan zal ieder verzekerd zijn, die vele der flinke vrouwen hier heeft leeren kennen en waardeeren.

Tijdens mijn verblijf in Sindanglaja vond ik op de leestafel in het hotel aldaar "het Tijdschrift", een maandblad, dat sedert korten tijd hier in Bandoeng uitgegeven wordt, onder de bekwame leiding van den heer Douwes Dekker. Het toeval wilde, dat juist in het nummer dat in mijne handen kwam het program van de partij of de vereeniging, waarvan "het Tijdschrift" het orgaan moet zijn, ontwikkeld werd en dat ik daarin las, dat het doel kort en bondig daarop neerkomt: "Indië voor de Indiërs". Natuurlijk dacht ik, dus dan toch ook bij ons, evenals in Britsch-Indië, eene beweging tegen de overheersching der Europeanen, dus ook hier een begin van opstand, of ten minste eene poging om zich van den Nederlandschen invloed en Nederlandsche macht te bevrijden. Het was natuurlijk mijn eerste werk, toen ik in Bandoeng kwam, om mij te overtuigen van den omvang dezer beweging en van de reden, die de leden tot verzet noopt. Nu weet ik niet of ik teleurgesteld of blij moest zijn, toen ik vernam dat er van een dergelijke beweging in onze koloniën vooralsnog ten minste geen sprake is, dat de redacteur van "het Tijdschrift" een nog op zichzelf staand leider is van eene denkbeeldige vereeniging of bond, dat er wel hier en daar personen gevonden worden, die met zijne inzichten sympathiseeren (zou er wel ooit iemand eene meening geuit hebben, waarvoor niet hier en daar geestverwanten gevonden worden), doch dat er onder die personen nog geene organisatie bestaat. Het komt mij een versnippering van de intellectueele krachten van den heer Douwes Dekker (een achterneef van Multatuli, die eenige van de goede eigenschappen van zijn oudoom overgeërfd heeft) voor, om in onze koloniën deze Britsch-Indische beweging na te bootsen, ten eerste omdat de conditiën, waaronder onze inlanders en vooral onze Indo-Europeanen leven, zooveel gunstiger zijn dan die van dezelfde categorie personen in Britsch-Indië en ten tweede, omdat onze inlandsche bevolking bij lange na niet staat op denzelfden trap van ontwikkeling als de Britsch-Indische.

Als wij eens de onderlinge twistpunten, vooral uit verschil van godsdienst voortspruitende, buiten beschouwing laten, dan kan men gerust zeggen, dat Britsch-Indië zich zonder de hulp van Engeland zal kunnen staande houden en zich verder ontwikkelen. Ik bedoel niet tegenover vreemde mogendheden, maar als een volk op zichzelf. Zij beschikken over genoeg krachten om scholen te stichten en 't volk verder te ontwikkelen, terwijl ook hunne industrie op zeer voldoende wijze in de behoeften van het volk kan voorzien. Daarbij komt, dat de half-Europeaan, die aan een Europeeschen vader of moeder en een inlander zijn ontstaan dankt, daar onder de inlanders geteld wordt en het vooral deze zijn, die de beweging "Indië voor Indiërs" sterk steunen. Voor deze halfbloed inlanders in Britsch-Indië zijn de levensvoorwaarden uiterst slecht; geen wonder, dat dezen elk middel aangrijpen om tot betere omstandigheden te komen.

Vergelijk daarmede eens onze koloniën. Wanneer Nederland Java en Sumatra thans onafhankelijk maakte, afgezien van het feit, dat andere mogendheden spoedig en gaarne de voogdijschap zullen overnemen, dan zouden beide eilanden in minder dan geen tijd terugzinken tot het peil van beschaving, dat zij een eeuw of langer geleden bezaten. Het volk beschikt nog niet over genoeg financieele en intellectueele kracht om zichzelf verder op te heffen, terwijl de industrie nog heelemaal niet kan voorzien in de behoeften zelfs van den tegenwoordigen inlander. Voor het eenvoudigste werk heeft men hier de hulp van den Chinees noodig, en het zal nog heel wat tijd duren, aleer mannen als de heer Douwes Dekker zich zouden kunnen gelukkig gevoelen in een Java, geheel onder de macht der Javanen.

Maar dat is ook niet wat de heer Douwes Dekker bedoelt. Hij vat onder Indiërs samen, allen, die onze koloniën voor vaste woonplaats hebben gekozen, dus ook alle half-Europeanen, die in onze koloniën onder de Europeanen gerangschikt worden en wettelijk met hen zijn gelijk gesteld, en de Europeanen, die zich hier vestigen. Dan wil hij ook voorloopig nog niet de voogdij van Holland missen; eerst moet Nederland voor een voldoend aantal scholen zorgen, zoodat de inlandsche bevolking zich goed kan ontwikkelen; onder deze scholen zal ook eene voor Indië geschikte universiteit moeten verrijzen en industriescholen etc. Dan moet onze militaire macht hen voorloopig ook nog beschermen tegen uit- en inlandsche vijanden en als dit alles hen sterk genoeg gemaakt heeft om zichzelf te kunnen helpen, dan zou Nederland moeten zeggen: "kind, ik heb je groot gebracht, je kunt nu op eigen beenen staan, ga nu je gang". Uit een ethisch oogpunt valt daarvoor veel te zeggen, maar dan zouden ook alle Europeanen en half-Europeanen geweerd moeten worden en Java voor de Javanen, Sumatra voor de Sumatranen moeten blijven, anders zou het nog minder dan een halve maatregel zijn. Dit schijnt mij vrijwel een hersenschim. Ik gevoel veel meer om te streven naar eene andere richting en wel deze, die ook door Snouck Hurgronje in zijne vier bekende lezingen geuit werd, dat wij, evenals wij een Indo-Europeaan als Nederlander beschouwen, ook den Javaan, Maleier, etc. als zoodanig beschouwen en hun dezelfde rechten geven als wij zelf als Nederlanders bezitten en hen ook het gevoel geven, dat zij zijn in de eerste plaats Nederlander en daarna Javaan. Ik bedoel in dien geest: een Drentenaar of een Fries voelt zich toch ook eerst Nederlander en dan Drentenaar of Fries, zoo ook moet de Javaan en de Maleier zich gaan gevoelen. Het idee, dat wij, Nederlanders, hunne meerderen zijn, moet er uit; met de macht van het opvoedingswapen moet dat denkbeeld in de eerste plaats bij de Nederlanders, die in Indië wonen of er komen en dan bij de inlanders zelf bestreden worden. Er is geen reden te vinden, waaraan wij het recht ontleenen op den inlander neer te zien. Zij zijn een ander, wat van zelf spreekt, maar volstrekt geen lager soort menschen dan wij. Wij hebben hen noodig om het werk te verrichten, dat wij daar niet kunnen doen, zij hebben ons noodig om hun de ontwikkeling bij te brengen, waaraan zij thans behoefte gevoelen. Deze uitwisseling van diensten kan geschieden op den voet van gelijkwaardigheid, en als dat nu nog niet kan, omdat wij al veel in dit opzicht hier bedorven hebben, dan moet toch in die richting gestuurd worden. Ergerlijk is het dikwijls, hoe Europeeërs en.... Indo-Europeeërs, die intellectueel en moreel geen cent waard zijn, toch met een toon van meerderheid tegen den Javaan optreden en hem als een soort slaaf behandelen. Uit den mond van dezulken heb ik reeds de klacht vernomen, dat het een schande was, dat men den Javaan niet meer mocht slaan, als hij zijne plichten niet naar behooren vervulde. Het feit, dat alle hooger ontwikkelden hier onder de Europeërs en Indo-Europeërs met liefde en waardeering van den inlander spreken, heeft bij mij den indruk versterkt, dat de Javanen hooger staan dan men ons, nieuwelingen hier in Java, wel wil doen gelooven en dat zij door goed geleid onderwijs in eenige geslachten gebracht kunnen worden tot menschen, die wij met trots onze landgenooten zullen noemen.

Maar ook hier, evenals op Sumatra, moeten scholen komen, vele en goede. Onze beste onderwijskrachten in Nederland kunnen hier een mooie en dankbare taak vinden. Vooral goede onderwijzers en onderwijzeressen moeten uitgezonden worden, want de taak, die deze hier te vervullen krijgen, is eene meer opvoedende en meer verantwoordelijke dan die in Holland, en alleen de beste krachten zijn daarvoor geschikt.

O, daar heb ik mij laten verleiden tot een ontboezeming, die ik had willen vermijden, omdat zoovele menschen, die lang in Indië wonen of gewoond hebben, heelemaal met mij van meening zullen verschillen en ik tevens vrees door kortheid tot onduidelijkheid te zijn gekomen en nu een hoop tegenspraak (die ik misschien niet onder de oogen krijg) te wachten heb. Ik beschik echter niet over genoeg tijd om alles nog eens te wijzigen, want ik heb over Bandoeng nog meer te zeggen en daarom gaat het maar ongewijzigd de wereld in.

V.

Door de Bandoengsche kiesvereeniging was den 22en Mei een vergadering uitgeschreven, waarin ik over het vrouwenkiesrecht-vraagstuk sprak. De Bandoengsche kiesvereeniging, hoewel niet aan politiek doende, bestaat toch uit zeer vooruitstrevende menschen, die op de hoogte van hun tijd staan. Hoewel de vrouwen hier, in Indië, evenals haar zusters in het moederland, van kiesrecht en verkiesbaarheid verstoken zijn, heeft toch de kiesvereeniging van Bandoeng uitdrukkelijk in haar statuten gestipuleerd, dat ook vrouwen lid van de vereeniging kunnen zijn en doordat de vereeniging de candidaten kiest voor den gemeenteraad en deze candidaten tot nog toe steeds tot gemeenteraadslid gekozen zijn, kunnen dus de Bandoengsche vrouwen indirect invloed uitoefenen op deze keuze. Mrs. Catt had zich onttrokken om op deze vergadering te spreken, omdat zij zooveel achterstallig internationaal werk had te doen en er slechts weinigen onder het publiek zouden zijn, die haar goed zouden kunnen volgen. Een zeer groote opkomst van het Bandoengsche publiek toonde, dat het vrouwenkiesrecht-vraagstuk tegenwoordig overal belangstelling wekt en dat deze belangstellenden voorstanders worden, zoodra zij over deze belangrijke kwestie tot nadenken worden gebracht.

Na afloop der vergadering bleek, dat meer dan 60 van de aanwezigen de lijsten geteekend hadden om lid der vereeniging te worden en dat een keur van vrouwen zich beschikbaar stelde om de Bandoengsche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te leiden. Als presidente werd gekozen mevrouw Reitsema--Brutel de la Rivière, die door haar kranige artikelen in de "Preangerbode" het bewijs reeds heeft geleverd, dat zij het vrouwenkiesrecht-vraagstuk kent en op waardige wijze weet te verdedigen. Onder haar kundige leiding zal hier zeker vruchtbaar werk geleverd worden. Als vice-presidente liet mevrouw Lovius, leerares aan een school alhier zich benoemen; een passende aanvulling van de presidente; mevrouw Willy Berton werd eerste en mejuffrouw Becker tweede secretaresse. Ieder, die mevrouw Berton in de Amsterdamsche afdeeling aan het werk heeft gezien, zal zich overtuigd gevoelen, dat het secretariaat in haar handen, met de hulp van mejuffrouw Becker, onderwijzeres, alleszins goed geplaatst is, en met mevrouw Doyer tot penningmeesteres en mevrouw Douwes Dekker en mevrouw Gramberg tot adviseerende leden van dit bestuur, zal er een kracht van kunnen uitgaan, waarvan de goede gevolgen door de vereeniging in Nederland zeer zeker gevoeld zullen worden.

Onze oude, stadgenoot, dr. Westhoff, was zoo vriendelijk mij persoonlijk in zijn mooi ziekenhuis en blindeninstituut rond te leiden. Deze beide inrichtingen zijn zeer zeker een bezoek overwaard. Het ziekenhuis voor ooglijders voldoet aan alle redelijke eischen, die men aan zoo'n inrichting heden ten dage mag stellen, het voorziet bovendien in een behoefte, zóó groot, dat onwillekeurig de vraag in ons opkomt: is het wel voldoende in onze koloniën slechts één zoo'n inrichting te hebben? Hoewel gelukkig op Java en Sumatra niet zoovele oogziekten voorkomen als in de tropische landen, die wij vóór dezen bezochten, wij hier slechts bij uitzondering een blinde tegenkomen, terwijl in Jeruzalem, Egypte, Ceylon, Britsch-Indië, die stumpers overal op onzen weg te vinden waren, toch zijn hier nog genoeg van deze ongelukkigen, die misschien bij doelmatige behandeling hun lot hadden kunnen voorkomen, zoodat het gerechtigd schijnt de vraag te uiten: zou ook in Oost-Java niet een oogziekenhuis nog voldoende vruchtbaar werk vinden? Hoe keurig netjes, hoe hygiënisch en hoe practisch zag alles er uit, wat tot het oogziekenhuis behoort; vele menschen ontvangen er gratis een doeltreffende behandeling! Ook het blindeninstituut mag zich laten zien. Met de grootste menschlievendheid worden de blinden er behandeld en de beste zorgen worden aangewend, om deze ongelukkigen, die anders zichzelf en anderen tot last zijn, tot bruikbare menschen in de maatschappij te maken. Niet alleen wordt hun allerlei handwerk geleerd, waarmede zij later, als zij weder aan de maatschappij worden afgeleverd, voor zichzelf den kost kunnen verdienen, maar de geestelijk hooger ontwikkelden ontvangen zooveel onderwijs, dat zij het onderwijzersexamen kunnen afleggen of het tot pianostemmer of muziekonderwijzer gebracht hebben. Ook voor goede voeding en uitspanning van deze stumpers wordt uitstekend gezorgd. Hier vindt dr. Westhoff, bij zoovele Amsterdammers nog zeker in vriendelijke en dankbare herinnering, een hoogst belangrijken werkkring. Niemand, die deze inrichtingen bezichtigt, kan een gevoel van dankbaarheid onderdrukken voor dezen man, die met het in het leven roepen van beide gestichten, de menschheid hier een niet te hoog te schatten dienst bewees. Moge het heerlijke klimaat van Bandoeng, dat oude menschen jong maakt en elkeen levenslust en werkkracht geeft, nog heel lang zijn heilzamen invloed ook op onzen oud-stadgenoot uitoefenen.

Met mevrouw Oudemans, de beschermvrouwe van de school, bezocht ik hier de school voor inlandsche meisjes. De oprichtster en leidster van deze school is Raden Devi, de vrouw van een inlandschen onderwijzer. Zij-zelf heeft slechts tot haar twaalfde jaar school gegaan en verder onderricht, eerst van haar moeder, die een hoogstaande vrouw moet geweest zijn, en later van haar man, genoten. Acht jaren geleden, zij was toen reeds moeder van eenige kinderen, gevoelde zij zich geroepen om van de weinige kennis, die zij bezit, doch die toch hemelsbreed boven de kennis staat van de meeste Javaansche vrouwen, zooveel in haar vermogen is aan andere vrouwen mede te deelen. Zij bracht toen zeven of acht meisjes bijeen en begon die te leeren lezen en schrijven. Spoedig kwamen andere meisjes vragen, of zij ook mochten komen, en dat getal breidde zich zóó snel uit, dat thans deze school 230 leerlingen telt. De echtgenooten der opeenvolgende residenten hebben Raden Devi gesteund in haar pogen door een vereeniging tot stand te brengen, waarvan de geïnde contributie der leden de school ten goede komt. Daardoor kon een uiterst primitief lokaal voor schoollokaal worden ingericht, konden schoolbehoeften worden aangeschaft en een paar onderwijzeressen worden aangesteld. Ook het schoolgeld der kinderen helpt een beetje de lasten dragen.