Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 37
Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet men dien tocht 's avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs en witte kabaja's, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen, hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of rijpaard er op na te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de geld- en handelswereld medegedeeld.
Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd, het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.
Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal geschoren zijn. Als men ze 's morgens vóór twaalf uur in de straten ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als 't kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen, overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.
Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en -nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.
Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over 't geen wij hier meer zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te vinden het een en ander mede te deelen, want 't is hier eigenlijk veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen.
BURMA EN OP WEG NAAR PENANG.
Ik zit nu aan boord van de "Dilwara", die ons van Rangoon naar Penang zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard, het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de positie der vrouwen betreft.
Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen, naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier afgaande, naar Rangoon terug.
Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op haar bed liggen, in Hindoe's costuum, zooals zij het geliefde te noemen en vast besloten "den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo'n hitte niet te verduren is". Ik toog er toen moedig alleen op uit en vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is, dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer wij het in Rangoon reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien tijd naar Penang ging.
Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma's vrouwen te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam energie te verzamelen om haar Hindoe's voor een geciviliseerd toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden, dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten, evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben, omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis, hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.
Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen is er 'n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche meisjes, die nu, voor zoover 't de hoogere en middenklasse der bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden een geheelen morgen 't onderwijs in de verschillende klassen van een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de hoofdleiding van 'n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen, zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.
Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken, hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door 'n eenvoudig huiselijk of familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma'sche priester den band tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes verdienen, ook in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is, gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder, keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde bedeesd: "Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben". Maar toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken dan de mond onder woorden kan brengen.
Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het over zielsverhuizing. Die les werd in 't Burmeesch gegeven, doch alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde, vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den geest der Hindoe's. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten afstand van de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah, of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht, die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht, die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje, het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.
Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes, met hunne poppige bébé's en de altijd vriendelijke en hulpvaardige mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer, dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs, dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen, en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook zoo heel veel van hen te leeren.
Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de "Dilwara". Dit is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt, het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen opeens heeft uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen, die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. 't Zijn allen natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein, geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten, drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden, geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander, geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.
Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. Een Engelschman houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd, dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman, wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande, zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met hem op de tonen der muziek "rond te zwieren", dan beproefde hij zijn geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen, dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo'n opgewekte toon, er was den geheelen dag zoo'n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding, dat de 2 1/2 dag omvlogen.
Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren, want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje, haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de "lady-doctor" werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen, doch toen bleek, dat zij niets meer dan een "trained nurse" is, die door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal te Penang genoten.
Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van pest onder de tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit schip gemaakt hebben.
PENANG EN MEDAN.
Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen en dezelfde soort villa's voor de Europeesche bevolking. Maar de inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen, Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen 's avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het, dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd, en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de Chineezen. Men vertelde ons, dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.