Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 36
Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en Syrië doorreisd hebben om te weten wat een "vuil land" is. Als men vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn, waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel, dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er 'n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet, den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude, afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren, en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden 's avonds overal ontstoken en de "oude plunje" daarop verbrand. Deze enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is, en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen, vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen, die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.
Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het land gemaakt heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde, ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd ook deze streken onder handen genomen worden.
Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay, Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw, evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen zeer bekwame doktoren gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.
Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.
Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel woord wijzen op 't vele goede, dat hier door particulier initiatief geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land als dit, wil ik wijzen.
Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs in het kleinste stadje, een Lady Dufferin's hospitaal, waar alleen zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten, maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met het geheele beheer belast.
Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand, die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te laten komen en zijn lichaam te laten beroeren.
Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar, in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd, dan zijn zij voor 't geheele leven weduwen, want een ander huwelijk mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie, zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in Indië zoogenaamde "homes" voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.
Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien hoeveel beter Java door Nederland behandeld wordt dan Britsch-Indië door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden, is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering niet hard gevallen te worden.
Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling van Indië is voor hen een "native" en wordt door hen met de grootste minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting, wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen wij tweeën eens voor 'n kleinen afstand onze plaats in den trein niet gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is.
IN BURMA.
De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen, die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd, waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen, zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie staande. Het is voor 'n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.
Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van Calcutta en eerst om vier uur 's middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende, starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur, alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen en wij aan wal konden gaan.
Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig vernamen wij, dat deze "gharries" de Burmeesche rijtuigen waren en wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame uitwerking.
Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt, een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog, die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen, die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij, die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.
Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan zijn slechts 80.000 Burmeezen.
De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.
Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de Boeddhistische monniken 't sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon, deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk soort omstandigheden in eene familie doen zij geen dienst. Als de hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt, dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht, daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel, dat door de jonge priesters 's morgens is opgebedeld. Zoo luidt tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men 's morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten, tot de monniken komen aanloopen.
Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik koel drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was, die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het handje gestopt, om aan Boeddha's voeten neer te leggen. Al de pagode's zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne offeranden--altijd bloemen en niets dan bloemen--brengen, knielen dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet, doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is, alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen dat geleerd heeft.
De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren, rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten, die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling's hart doen gloeien voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood, over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een Boeddhist alles waarmede hij zoo'n geest meent te kunnen dienen.
Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode's; dan krijgt men het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen om daar boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert, en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha's lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg, dat ons des avonds had bezield.