Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 34
Met veel belangstelling zagen wij echter vandaag de plaats waar koning George in December j.l. aan alle personen van positie en rang in Indië audientie verleende, waar de duizenden en nog eens duizenden bezoekers in Delhi in tenten ondergebracht waren, waar alle Indische vorsten en de Begum van Bhopal allen met hun gevolg en olifanten en ander gedierte ieder hun afzonderlijk kamp hadden; hoe de ontelbare massa door dit kleine stadje, dat weldra een groote stad zal worden, gevoed en van water voorzien werd, en waar de koning en de koningin gehuisvest waren. Dat na afloop van de Durbar vele van de bezoekers ziek werden, verwondert ons, na hetgeen wij zagen, niet.
26 Februari. Vóór ik over vandaag ga schrijven, wil ik even de beteekenis van het woord Durbar geven. Er kunnen onder de lezers mijner brieven enkelen zijn, die even dom zijn als ik was, toen ik het woord voor 't eerst hoorde en naar de beteekenis moest vragen. Het geleerde woord beteekent niets anders dan eene groote openbare officieele receptie; het wordt meestal alleen gebruikt wanneer het een koninklijke receptie betreft.
Vandaag zagen wij van 9 tot 2 uur het fort en alles wat in Delhi meer de moeite van een bezoek loont. Binnen het fort is vooral het paleis, door Sjah Jehan gebouwd,--denzelfde, die ook de Taj Mahal bouwde--schitterend schoon. Die man paarde aan een artistieken smaak en lust om dien aan de wereld te toonen, ook de financieele macht om het te kunnen uitvoeren. Dit kasteel van wit marmer, geheel met kleurig bloemwerk ingelegd, waarvoor hij honderden werklieden uit Florence liet overkomen, is eenig in zijn soort. De private audientiezaal is zoo weelderig met goud en juweelen ingelegd en de pauwhaantroon, die thans in het museum in Kensington is, moet zoo overweldigend mooi zijn, dat de zoon van Sjah Jehan dacht, dat zijn vader krankzinnig was en hem daarom, toen dit alles voleindigd was, in zijn kasteel in Agra gedurende 7 jaren gevangen hield. Daar stierf de kunstlievende man in een van de torens, die hem uitzicht gaf op zijn grootste meesterwerk, de Taj Mahal. Deze gunst, om stervende dit werk van zijn geest voor oogen te mogen hebben, was de eenige, die hij zijn zoon in die 7 jaren gevraagd heeft.
Over de moskeeën en andere architectonische kunstgewrochten wil ik niet meer schrijven; Britsch-Indië biedt op dit gebied den bezoekers een onuitputtelijken voorraad, de grootste verscheidenheid en de hoogste kunstuiting aan.
Na de tiffin, zoo noemt men hier de lunch, gingen wij nog een paar uur in het stadje om wat winkels te bezichtigen en het ivoorsnijwerk, wat hier dezelfde kunsthoogte als in Japan bereikt heeft, te zien vervaardigen. Naderhand gingen wij, zooals wij in elke stad gewoon zijn te doen, naar een winkel, waar goede fotografieën van alle bezienswaardigheden te koop zijn. Ik had reeds eene goede collectie uitgezocht, toen ik den winkelier vroeg, of hij ook fotografieën van de bijzondere inboorlingen had. Eerst gaf hij mij toen een pak fotografieën van de mannen en vrouwen alhier in hun verschillend beroep of met verschillend huishoudelijk werk bezig, toen een groot pak met de portretten van alle regeerende Indische vorsten en van vele hunner vrouwen en toen.... de portretten van alle goden. Niet alleen waren Brahma, Vishnu, Siwa, Kreshna, enz. enz., niet als foto's van afgodsbeelden maar als portretten van menschen voorgesteld, maar er waren ook fotografieën van Mozes, Christus, Mohammed, en o, lezer, schrik niet.... ook van God. Voor die allen moeten levende personen geposeerd hebben. Mohammed was een zeer oud man, in een kleed van kemelshaar. Het portret van God stelde ook een zeer oud man voor, geheel naakt, zittende op zijn gekruiste beenen, met een langen, dunnen, grijzen baard, gedeeltelijk kaalhoofdig, gedeeltelijk met lange grijze haren. Er lag een verdrietige barre uitdrukking op het gelaat.
Toen ik dat portret in handen kreeg, waarop met Hindoestansche letterteekens den naam stond van wien het voorstelde, vroeg ik: En wie is dit?--Dat is de God der Christenen, was het antwoord. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, en vroeg of dat portret in den hemel genomen was. Met een medelijdende uitdrukking op zijn gelaat over zooveel domheid, antwoordde de Hindoe mij: De goden zijn niet altijd in den hemel, zij komen van tijd tot tijd op aarde als zij bevelen hebben te geven of iets anders hebben uit te voeren. En onmiddellijk liet hij mij een andere fotografie zien, waar God in een gemoedelijk praatje met Mohammed is afgebeeld. "Zie," zeide hij, "daar is God met den profeet Mohammed; bij zoo'n gelegenheid heeft men Hem gefotografeerd." Ik ben overtuigd, dat de man geloofde wat hij zeide. Voor zoo'n Hindoe, wiens goden in beelden zijn uitgedrukt, die hij niet alleen zien, maar zelfs betasten kan; die op geregelde tijden naar de rivier gebracht worden om gewasschen te worden; wien men voedsel brengt, enz., voor zoo iemand is het heel natuurlijk, dat een god een belichaamd wezen is, met menschelijke vormen en behoeften.
Toen wij van dezen tocht thuis kwamen, hebben wij snel onze zeven zaken weder bijeengepakt en nu zit ik te wachten tot het rijtuig voorkomt om ons met den nachttrein naar Lahore te voeren. Dit is het verste Noordoostelijke punt, dat wij gaan bezoeken.
28 Febr. Wij hebben ons de moeite gegeven naar Lahore te komen, niet om nog meer tempels en moskeeën en forten en paleizen te zien, maar om een van de steden van beteekenis in het Noordoosten van Indië te leeren kennen en het stadsleven daar te aanschouwen. Een dag oponthoud is genoeg om daarvan een indruk te krijgen, vooral als men dien dag geheel buitenshuis doorbrengt. Lahore is eigenlijk een stad, die men in drie afzonderlijke steden verdeelen kan; de Engelsche stad, waar de Engelsche bevolking woont en waar alle officieele gebouwen gevestigd zijn; de Indische stad, de oude stad, waar de inboorlingen wonen, en het deel waar de militairen in hunne kazernes en officierswoningen leven. Dit laatste deel is weinig belangrijk, alles ziet er frisch en nieuw en hygiënisch uit. De oude stad doet zeer sterk denken aan het oude Caïro, en deze overeenkomst wordt nog sterker, doordat ook in Lahore vele Mohammedanen zijn en deze menschen hier weder zeer streng de voorschriften van hun godsdienst volgen. Wij zagen hier een graftombe, Ranjit Singh's Mausoleum, wiens elf vrouwen levend met zijn lijk in het begin van de 19e eeuw verbrand werden. Op de graftombe is een groote marmeren knop met daaromheen elf gelijke kleinere knoppen aangebracht, vertegenwoordigende de asch van den vorst en zijn elf geliefden.
In Lahore behooren de Hindoe's die er leven, grootendeels tot de sekte der Sikhs, eene Hindoe-sekte, die bijna uitsluitend hier in het Noorden van het land voorkomt. Hunne tempels, waarvan wij hier twee zagen, zijn zeer eenvoudig, waarin wij weinig karakteristieks vonden.
Het deel van de stad waarin de Engelschen wonen en dat nog zeer ver kan uitgebreid worden, is mooi en maakt een zeer florissanten indruk. De woningen, alle met fraaie tuinen omgeven, zien er frisch en Europeesch uit; de officieele gebouwen, alle in half Hindoeschen, half Europeeschen stijl opgetrokken, verraden goeden smaak en zijn uit een royale beurs gebouwd. Hier bezochten wij de kunstnijverheidschool, 40 jaren geleden door den vader van Rudyard Kipling, den bekenden schrijver over Britsch-Indië, gesticht. Britsch-Indië bezit vier van deze scholen, doch deze in Lahore is de beste en levert de meeste goede artisten af. Wij zagen er het fijnste ivoorsnijwerk verrichten, dat men zich denken kan. Lahore wordt beschouwd als het groote centrum van oude en moderne kunst en ontwikkeling in Indië. Wij brachten ook nog even een bezoek aan het museum, een van de fijnste musea in Indië, waar onze landgenoot, de heer Vogel, het archaeologisch deel van gecatalogiseerd heeft.
Wij zouden heel graag van Lahore uit een uitstapje gemaakt hebben naar Kashmir, waar we dichtbij waren, maar dit was onmogelijk met het oog op onze verdere reisplannen.
Vanmorgen kwamen wij om 10 uur in Amritsar aan. Dit is de heilige stad van de Sikhs. Het is zeker de schilderachtigste stad van alle, die wij in Indië zagen. De gouden tempel, waarvoor de meeste toeristen hier een deel van den dag doorbrengen, is de heilige tempel der Sikhs. Deze tempel staat midden in een grooten vijver, die de poel der onsterfelijkheid genoemd wordt. Rondom dien vijver staan verschillende andere tempels van minder beteekenis dan de gouden en eenige oude paleizen. De Sikhs zijn thans in een feestweek: het feest der aanbrekende lente, dat acht dagen duurt en voornamelijk zijn uiting vindt in een bedevaart naar den gouden tempel. Mannen en vrouwen uit alle oorden van dit district, vooral de landbouwende bevolking, komen in deze week in Amritsar om hunne offeranden in den tempel te brengen en een goeden oogst af te smeeken. De trein, die ons van Lahore naar Amritsar bracht, bevatte honderden bedevaartgangers. Voor dit voorjaarsfeest is elkeen, mannen, vrouwen en kinderen, geheel in witte gewaden gekleed, die van boven tot onder met rose verf bespat zijn; sommigen hadden rose en gele verfvlekken. Grijsaards hadden zelfs hunne lange witte baarden ook rose geverfd en de witte turban eveneens.
De gouden tempel, een tempel van wit marmer met een koperen dak, dat in het zonlicht schittert als goud, en met vier massief zilveren deuren, is mooi, maar kan geen vergelijking doorstaan met hetgeen wij op dit gebied reeds zagen. Zoo midden in het water maakt hij echter een goed effect. Er was juist een dienst begonnen toen wij aankwamen. Alle priesters en geloovigen zaten in een kring op den grond; in het midden was een rood fluweelen doek uitgespreid, waarop ieder, die binnenkwam, zijne offerande gooide of legde, en dan tusschen de biddenden ging zitten. De offeranden, die wij zagen brengen, bestonden uit bloemen, mandjes met zoetigheden of uit geld. Een enkele gooide een enveloppe neer, alle anderen een kleiner of grooter geldstuk. Aan de vier punten van den doek lagen hoopjes graan voor de rondfladderende duiven en andere vogels, die daarvan gedurende den bidstond gretig kwamen snoepen. De geheele tempel was van binnen ook met witte doeken, waarop rose en gele verfvlekken waren, behangen.
De Sikhs dragen, evenals de Sinhaleezen, lang haar, dat echter in een knot boven op den kruin van het hoofd is vastgemaakt door een eigenaardig soort kam. Doordat zij echter turbans dragen, valt dit lange haar bij hen niet zoo sterk op als bij de Sinhaleezen. Doch ook de Sikhs hebben, niettegenstaande zij bijna allen baard en knevel dragen, en zeer sterk behaard zijn, zeer zachte vrouwelijke trekken. Dit is heelemaal niet in overeenstemming met hetgeen zij eigenlijk zijn. Wij passeerden namelijk de sedert eenige jaren bestaande universiteit der Sikhs, een universiteit, door hen zelven uit eigen fondsen gesticht. Wij gingen naar binnen; de cursus was echter juist geëindigd, alleen een tiental mannen, naar gissing tusschen de 25 en 30 jaar, die studenten bleken te zijn, waren nog aanwezig. Wij dachten, dat zij de leeraren waren en vroegen om eenige inlichtingen. Zij waren allen bereid ons de noodige inlichtingen te geven. Zij vertelden ons--allen spraken uitstekend Engelsch--dat de Sikhs geen eigenlijke sekte der Hindoe's waren, doch meer als een kaste beschouwd wilden worden. Zij waren een militaire kaste; zij noemden het een "Old Templars Knighthood". Hunne priesters dragen zwaarden, hetgeen wij reeds opgemerkt hadden. De lange haren moeten kracht uitdrukken. Wij vernamen van deze jonge mannen, die allen een intelligent, zacht uiterlijk hadden, veel dat onze belangstelling gaande maakte. Een van hen offreerde ons een klein Engelsch boekje, waarin wij het een en ander over hunne tempels, zeden en gebruiken en de geschiedenis van den gouden tempel kunnen vinden.
Op onzen tocht door de stad zagen wij hier weder tal van heiligen, die in zelfkastijding of in heilige overpeinzing de zaligheid hiernamaals hopen te verwerven, of misschien wel een goed leven op aarde. Een betrekkelijk jonge man, met lange zwarte haren, zat geheel naakt tusschen vijf houtvuren, ver genoeg van hem verwijderd, om hem niet te kunnen verbranden, maar dicht genoeg om hem een warm lichaam te bezorgen. Rondom hem zaten tal van eenvoudige zielen in heiligen ootmoed te luisteren naar de woorden van wijsheid en bezieling, die van de lippen van dezen dwaas vloeiden.
Een eind verder zat een grijsaard met haren, die ver over den grond vielen. Dichtbij gekomen bleek het echter, dat er een soort vlas tusschen de haren gevlochten was, waardoor het zoo lang leek. Die man zat met een strak gelaat te staren in het verre verschiet. Hij zat in heilige overpeinzing en mocht niet gestoord worden. Naast hem stond een koperen bedevaartsnapje, waarin de voorbijgangers eene offerande konden werpen, als zij deze heilige wenschten te eeren. Men moet een bepaald aantal dagen of weken zichzelf gekastijd hebben, of heilige overpeinzingen hebben gehouden, alvorens het publiek iemand heilig verklaart.
Op dezen tocht in het Noordoostelijk deel van Indië zagen wij weder een geheel ander type van menschen, dan wij te voren gezien hadden. Vooral in Amritsar zagen wij, doordat de feestweek zooveel boeren en anderen uit Peshawar, Afghanistan, Kashmir en andere buurten naar den gouden tempel had gelokt, tal van nieuwe typen en ook geheel andere kleederdrachten. Hoevele verschillende turbans wij vandaag opmerkten, is niet te tellen.
29 Febr. De nachttrein bracht ons hedenochtend vroeg in Lucknow. Dit mooie provinciestadje biedt den gewonen toerist weinig belangrijks. Uit een geschiedkundig oogpunt is Lucknow natuurlijk zeer belangrijk. Hier was in 1857 het centrum van de muiterij en een geheelen dag kan men zoek brengen om alle punten te bezoeken, die nog de kenteekenen, van den gevoerden strijd dragen. Een rilling kan men niet onderdrukken als men de kelders ziet, waarin de vrouwen en kinderen maanden lang voor hunne veiligheid ondergebracht zijn, doch waarin zij door de hitte, benauwde atmosfeer, slechte voeding en nog slechter water als sneeuw voor de zon wegteerden. De begraafplaats, waar meer dan 2000 vrouwen, kinderen en grijsaards in dien tijd begraven werden, duidt maar te duidelijk aan, dat de sterfte onder deze beschermden grooter was dan onder de deelnemers aan de verdediging.
De native town in Lucknow kan ook op niets bijzonders bogen; een vergelijking met wat wij in Lahore en Amritsar zagen, is zelfs niet te treffen.
Wij zullen hier dan ook niet langer dan een dag vertoeven en vertrekken morgenochtend naar Benares. Het hotel--voor het eerst een werkelijk goed hotel in Indië, dat door een Duitsche eigenaar beheerd wordt,--lokt ons tot eenige dagen langer verblijf, enkel en alleen om wat uit te rusten. Wij durven ons die weelde echter niet veroorlooven.
BENARES.
Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe's. Benares is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was, had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa's hemel opgenomen te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen, Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe's is mij niet recht duidelijk.
Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners, ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde Hindoe's bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië komt, om aan alle goden offeranden te brengen en te bidden in de 1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen; hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft weinig tijd beschikbaar.
Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe, overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de schrijvers over Indië te citeeren: "geen andere stad in Indië, die zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt", toch verwekt deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.
De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid, die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges, hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier, het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over heel Indië verspreid werden.
Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet men 's morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij lieten ons op een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen, dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende, in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich, die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.
Van 47 ghats--plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier meestal breede, hooge, steenen trappen--komen de tallooze mannen en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken, sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen het eerste gebed. Dit luidt vertaald: "O, Ganges, ik groet uwe twee voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten slotte verlichting aan allen". Dan spoelen zij den mond met het heilige water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op het andere been staande, en ten slotte laten zij zich neerploffen in het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van de oudste gebeden in de wereld: "Laat ons ootmoedig neerknielen voor de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen geest verlichten". Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring, onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban (zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn, brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd, en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke plaats aangewezen.
Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers--twee mannen--aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst--want nu kan de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede verteerd--wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden, en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs--wij zagen het niet--worden heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd.