Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 33

Chapter 333,811 wordsPublic domain

De Taj Mahal is een wereldberoemd Mausoleum, dat door sommige schrijvers het fijnste en best uitgevoerde architectonisch kunstwerk wordt genoemd, door anderen als het prachtigst Mausoleum van de wereld wordt beschreven. Het was in 1652 voltooid, nadat er gedurende 22 jaren door 20.000 arbeiders aan gewerkt was. Met dat kunstwerk werd het hoogtepunt van kunstuiting in Indië bereikt. Voorafgaand daaraan was in Agra het nog steeds beroemde fort en daarin gelegen paleis, het Paleis van Akbar, voltooid. De van 1628 tot 1658 regeerende vorst, Shah Jehan, wilde zijn meestgeliefde vrouw, Arimand Banu, bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, (de trots van het Paleis), bij haar leven een graftombe schenken, zoo mooi en zoo kostbaar, als nergens in de wereld bestond. Daarin wilde hij, na zijn dood, alleen met haar rusten. Als Mohammedaansche vorst bezat hij meerdere vrouwen. Nog vóór het voleindigd was, stierf de vrouw in het kraambed van haar achtste kind. Haar lijk werd zoo lang naast de tombe bewaard, tot die gereed was.

Hoewel men het geheele kunstwerk, dat zich hoog boven zijne omgeving verheft, den geheelen weg over, als men er heen rijdt, voor zich ziet, en het zoo de aandacht trekt, dat men geen oog heeft voor den mooien weg, die er heenvoert, staat men toch op het oogenblik, dat men aankomt en het geheele gebouw door de prachtige poort voor zich ziet, langen tijd ademloos. Daar staat het in al zijn pracht en grootheid en het effect is overweldigend. Het zuiver-wit marmer, waaruit het geheel is samengesteld, komt machtig mooi uit tegen den blauw-azuren hemel en 't groen van de pijnboomen, die 't op eenigen afstand omgeven. Zoo van verre ziet men nog niets van de détailuitvoering, als fijn kunstwerk uitgevoerd, en van de schittering en verscheidenheid der ingelegde juweelen. Alles is in harmonie met het fijne, witte marmer, waarin het is uitgevoerd. Hoewel aan dit kunstwerk niets gespaard is, wat de waarde er van verhoogen kon, krijgt men toch geen oogenblik den indruk, dat het overvoerd is. De kosten ervan worden op 31.000.000 rupees geraamd. Zooveel geld voor een graftombe kon natuurlijk alleen besteed worden in een tijd, waarin de vorst van zoo'n land een jaarlijksch inkomen genoot, grooter dan dat, wat jaarlijks in de Britsche schatkist binnenkomt, een inkomen, waarvan hij geen kostbaar leger en nog kostbaarder vloot had te onderhouden, waarvan niets afging voor onderwijs of voor andere sociale doeleinden. In den democratischen tijd, waarin wij thans leven, kunnen zulke kunstproducten niet meer worden gebouwd. De menschen, die thans over zoovele millioenen hebben te beschikken, bouwen zich op andere wijze graftombes, waardoor zij zich eveneens onsterfelijk maken, doch waarvan op andere wijze door de navolgende geslachten genoten wordt. Een graftombe, zooals Carnegie, in Amerika, zich bij zijn leven bouwt, of een zooals Nobel, in Zweden, zich na zijn dood oprichtte, valt meer in onzen geest en is meer in overeenstemming met den tijd, waarin wij leven.

Hoewel ik met de Taj Mahal (wat niets anders beteekent dan de graftombe van Mahal) dezen brief begon, is toch het fort met het zich daarin bevindende Paleis van Akbar en de Paarl Moskee in Agra niet minder belangrijk en bewonderenswaardig. Het geheele fort is in rood zandsteen opgetrokken. Dit fort met paleis en moskee werd door Shah Jehan's voorganger, den Molog Akbar, gebouwd.

De Paarl Moskee, die haar naam ontleent aan de in haar soort volmaakte schoonheid, dankt die schoonheid vooral aan de harmonie, waarin het geheel is uitgevoerd en het prachtige materiaal wat er voor gebruikt werd. Hoewel alle moskeeën een zekere gelijkheid vertoonen, is toch deze, geheel uit marmer gebouwd, door zijn sobere décoratie en zijne volmaakte lijnen, iets geheel bijzonders.

Ook het paleis van Akbar, Mogol Akbar beteekent de groote vorst, met zijn Jasmijntoren, zoo genaamd om de jasmijnbloemen, die op den geheelen toren, van boven tot onder zijn aangebracht; zijn Gem-moskee, een moskee, waarin alleen de koning en zijn liefste vrouwen mochten komen, om te bidden; zijn spiegelpaleis, een zaal waarin de vrouwen van den koning zich vermaakten en dat geheel met spiegelglas ingelegd is; de badkamers van den vorst en die zijner vrouwen, waarin het geurigste rozenwater door glazen pijpen binnenstroomde; het gouden paviljoen en nog zoovele bijzonderheden meer, houden den bezoeker een geheelen morgen in spanning. Meer dan dat, men zou hier weken willen vertoeven om er elken dag eenige uren te kunnen verwijlen.

Nadat men het paleis van Akbar, de paarl-moskee en de Taj Mahal gezien heeft, moet alles tegenvallen wat men verder hier te bezichtigen krijgt. De Vrijdag-moskee, schoon in haar soort, waar elken dag vele, doch Vrijdags talloos velen van de hier wonende Mohammedanen zich in allerlei lichaamskrommingen op den grond werpen om op hunne wijze hunne dankbaarheid voor het genotene in het leven uit te drukken en om te bidden voor meer, was nu het bezichtigen niet waard. Onwillekeurig maakt men een vergelijking bij het even te voren genotene en dan valt alles tegen.

Toen wij tegen den avond huiswaarts keerden, zagen wij op een dak een paar opgesmukte, van bordpapier of iets dergelijks vervaardigde reuzenpaarden. Goud- en zilverpapier, rood, groen en geel gekleurde ornamentage bracht een schitterend effect teweeg. Op één van de paarden zat een houten mannetje, op een ander een dito vrouwtje. Spoedig daarna passeerden wij eene woning, waar in plaats van paarden, een paar dito gefabriceerde en opgesmukte olifanten stonden. De koetsier deelde ons mede, dat dit teekens waren, dat in beide woningen een Hindoe-bruiloft plaats vond. Kort daarna passeerde ons, of liever wij passeerden een optocht van vele mannen, van trommelslag en blaasmuziek begeleid, met in hun midden een 7- of 8-jarig jongetje op een armoedig wit paard. Paard en jongen waren ook erg met groote lappen en klatergoud behangen, het kleine ventje had zelfs een goudpapieren kroon op zijn hoofd. Hij was de bruidegom die naar het huis van zijne bruid geleid werd. Wij gaven den koetsier order dezen stoet stapvoets te volgen. Voor het huis met de bordpapieren olifanten hield de optocht stil. De bruidegom werd van het paard getild, hem werd een soort zwaard in de hand gedrukt--het was misschien ook van papier--en daarmede moest de jonge held een stuk hout doorhakken om in de woning van zijne bruid te kunnen komen. Het stuk hout viel reeds in twee stukken nog voor hij ver genoeg was om het te kunnen aanraken. Hij had nu de veste veroverd waarachter zijne bruid verborgen was en mocht haar in zijn bezit nemen. Het werd ons veroorloofd binnen even een kijkje te nemen. Het bruidje was ongeveer 6 jaar, precies weten de Hindoe's hun leeftijd nooit op te geven, zij was even zoo mooi en bont aangedaan als haar toekomstige heer en meester. Zoo'n Hindoe-bruiloft duurt vele dagen lang en gaat met tal van formaliteiten gepaard. Als alles afgeloopen is keert bruidegom en bruid elk naar hun eigen ouderlijk huis terug en vangt het kinderleven weder aan alsof er niets bijzonders met hen heeft plaats gegrepen. Deze kinderen, met hunne groote zwarte oogen, die veel grooter en zwarter lijken dan zij in werkelijkheid zijn door de brutaal zwart geverfde oogleden en wimpers, beseffen natuurlijk volstrekt niet, dat daar door hunne moeders--het zijn meestal de moeders die de huwelijken bekonkelen,--over hun geheel toekomstig leven is beschikt. Het bruidje moet nu voortaan de helft van het jaar bij hare schoonmoeder doorbrengen om die als eene slavin te gehoorzamen. Zoodra zij huwelijks-fähig is, hebben er nieuwe ceremoniën en feestelijkheden plaats, dan wordt zij in werkelijken zin uitgehuwelijkt en behoort den jongen man toe.

22 Febr. Gisteravond ontmoetten wij in de eetkamer mr. en mrs. Sydney Webb uit Londen, met wie wij overeenkwamen, dezen dag gezamenlijk door te brengen. Wij spraken af gezamenlijk naar Fatehpur-Sikri te gaan. Wij huurden een automobiel en vertrokken vanochtend om 8 uur van hier. Fatehpur-Sikri beteekent de stad van Victorie, doch is inderdaad een verlaten stad. Zij ligt op 23 mijl afstand van Agra.

De geschiedenis van deze stad luidt in het kort: Ruim 300 jaar geleden werd zij door de grootste mogol van Indië, Mogol Akbar, de voorganger van Shah Yehan, gebouwd. Vorst Akbar verkeerde in groote droefheid door den dood van zijne tweeling-kinderen, die zijn liefste vrouw Mariam Zamana hem geschonken had. Op een dag kwam hij door het armoedige dorp Sikri, waar een beroemde Mohammedaansche priester, Sheik Salim Chisti, in groote afzondering leefde. De vorst vroeg dezen priester raad hoe hij aan een troonopvolger kon komen en de priester antwoordde: "Kom en leef in Sikri". De vorst volgde dien raad op en negen maanden later beviel Mariam van een zoon. Uit dankbaarheid maakte Akbar toen Sikri tot de hoofdstad, bouwde er een prachtig fort, een ongeëvenaard koninklijk paleis, een paleis voor Mariam en paleizen voor zijne andere vrouwen, een prachtige moskee, een hospitaal, scholen, woningen voor zijne bedienden, kortom alles wat een wijs en vooruitstrevend en artistiek aangelegd man, die onbegrensd over geld en arbeidskrachten te beschikken had, maar kon bedenken en noodig vond. Na 17 jaren, even vóór het geheel voleindigd was, verliet hij dit lustoord weder. De geschiedenis zegt, dat de ware reden waarom Akbar Fatehpur-Sikri verliet, nooit aan iemand is medegedeeld geworden. Sommigen gissen, dat het om gezondheidsredenen was, door gebrek aan goed water; anderen meenen, dat de heilige Sheik te veel gestoord werd in zijne heilige overpeinzingen door de rumoerige en overdadige feesten aan het hof van Akbar. Hoe het zij, thans verrijst daar midden op een groot plateau, ver boven zijne omgeving uitstekende, als het ware midden in de wildernis, een volmaakte stad, waarvan elk deel nog een bezoek overwaard is, een stad die thans geheel is verlaten. Alleen onder aan den voet van den berg zijn nog enkele huisjes door eene armoedige bevolking bewoond, die voornamelijk leven van den afval der bezoekers. Den geheelen dag brachten wij in die stad in gezelschap van die twee interessante kennissen uit Londen door en keerden 's avonds dood vermoeid, doch zeer voldaan over onzen dag, huiswaarts.

24 Februari. Wij hebben een paar vermoeiende dagen achter den rug. Reeds vroeg zaten wij gistermorgen in het rijtuig, omdat wij, alvorens Agra te verlaten, eerst een bezoek wilden brengen aan het Mausoleum, dat koning Akbar voor zichzelf en zijne vrouwen gebouwd had. Hij, de groote vorst, ontegenzeggelijk de meest bouwlievende en artistieke man van zijn tijd, die gedurende zijn leven eerst een heele stad bouwde, een stad die thans nog om haar schoonheid en architectonische waarde algemeen geroemd wordt, die daarna deze stad verliet en zich in Agra een fort en daarbinnen paleizen en een moskee liet bouwen, eenig mooi in alle détails, die had natuurlijk ook een mausoleum gebouwd, dat de bezichtiging waard was. Even voorbij het dorpje Sikandra, op zes mijlen afstand van Agra, verheft zich het reeds in de verte schitterende Mausoleum. Rondom, op grooten afstand, is het door een rood zandsteenen, geheel opengewerkte muur omgeven, waarin op vier tegenover elkaar liggende zijden vier koninklijke poorten toegang geven tot het terrein, waarin de overblijfselen rusten van den grooten man en van de vrouwen die hij lief had. De graftombe is in drie hooge etages gebouwd, elke etage geeft een uitzicht, dat hoe hooger men komt steeds grootscher wordt, over de geheele omgeving. De koning moet hier zeker gedurende zijn leven veel en gaarne vertoefd hebben. Het geheel is ook weder uit rood zandsteen opgebouwd, doch geheel met wit en geel marmer ingelegd, wat een zeer mooi effect geeft. De ronde daken van de verschillende domes (ik weet niet of dat het meervoud is van dome), zijn alle met paarlemoer ingelegd, wat beschenen door de Oostersche zon, een schitterend kleureffect geeft. De kleine moskee, die hier bij een mausoleum nooit ontbreekt, is een juweel van eenvoud en schoonheid. Het geheele groote terrein buiten is nu met eeuwenoude waringinboomen begroeid en daartusschen bloeien en groeien nu een ontelbare menigte oranjeboomen, die aan de geheele omgeving kleur en geur geven. Wij kwamen juist in het hotel terug om gauw de bagage op te laden en meteen naar het station te rijden, waar de trein voor Gwalior reeds gereed stond.

Gwalior was eigenlijk niet in onze reisroute opgenomen, onze rondreiskaart loopt ook niet over dit deel van Indië. Het is een der vorstendommen en ligt geheel in het centrum van het land. Wij hadden Agra wat vlugger afgewerkt dan wij ons hadden voorgenomen en wilden den dag dien wij daardoor wonnen voor dit uitstapje gebruiken. Gaarne zouden wij op deze spoorlijn nog wat verder zijn gegaan om een der andere vorstendommen, Bhopal, te bezoeken, dat sedert ongeveer een eeuw steeds door eene vorstin geregeerd wordt. De Begum of Bhopal (Begum beteekent vorstin), die het bewind in handen heeft, wordt als zeer verstandig en zeer vooruitstrevend geroemd. Zij was reeds verscheiden keer in Europa, bezocht dan niet alleen Engeland, maar ook Italië, Frankrijk en Turkije en gaf over hare Europeesche reizen eenige zeer belangrijke boeken uit. Over hare laatste reis naar Engeland, tijdens de kroning van koning George, schreef zij eenige tijdschriftartikelen, waarin zij niet nalaat met veel enthousiasme te schrijven over den laatsten grooten optocht van de Engelsche vrouwen, ter verkrijging van vrouwenkiesrecht.

Als monarch is zij natuurlijk gekant tegen elk recht der burgers om invloed uit te oefenen op de wijze waarop een land geregeerd wordt, maar zij is van oordeel, dat overal waar dit recht aan mannen gegeven is, men het den vrouwen niet mag onthouden. Mrs. en mr. Sydney Webb, die eenige dagen haar gasten waren, vertelden ons zeer veel van haar. Maar een bezoek aan Bhopal zou voor ons alleen waarde hebben als wij met de vorstin in aanraking konden komen en hoewel dat zeer gemakkelijk tot stand was te brengen door de introducties die wij bezitten, is de tijd die dit alles in beslag neemt te lang om ons dit te vergunnen. Het begint reeds overal zeer warm te worden, midden op den dag is het buiten reeds bijna ondragelijk. Willen wij voor Calcutta en van daar voor Rangoon het niet veel te heet vinden, dan moeten wij hier en daar onze reis bekorten en nergens langer blijven dan strikt noodig is.

Om vier uur kwamen wij in Gwalior aan, de stad die den naam van den staat draagt. De trein voerde ons door een zeer barre streek, die nog vol leeuwen en tijgers en andere wilde beesten is. Voor Engelsche sportliefhebbers die hier in den jachttijd veel zijn, om van te watertanden. De leeuwenjacht is ook een groote liefhebberij van den tegenwoordigen Maharatja. Tot voor korten tijd waren de toeristen die Gwalior bezochten en eene introductie van eigen consul konden vertoonen waarin wordt verteld, dat zij behooren tot de "distinguished" mannen of vrouwen van hun land, de gasten van den vorst van Gwalior. Deze had, toen koning Edward in 1876 hem als prins van Wales bezocht, een mooi gebouw laten zetten, waarin de Engelsche koningszoon met zijn gevolg kon wonen, zoolang hij in Gwalior vertoefde. Sedert dien tijd gebruikte de vorst dit gebouw om zijne gasten, toeristen met eene aanbeveling, te herbergen. De tegenwoordige jonge vorst heeft er echter een gewoon hotel van gemaakt met een Europeeschen manager aan het hoofd, waarin nu elke toerist voor acht rupees per dag een buitengewoon goed onderkomen en een uitstekende tafel vindt.

Vanwege het mooie, sterke fort, dat nu evenals andere forten die wij hier zagen, voor het Engelsche leger gebruikt wordt, wordt Gwalior het Gibraltar van Indië genoemd. Doch daarover later.

Nadat wij ons door een goed kop thee verfrischt hadden, begaven wij ons onmiddellijk op weg om voor het te donker werd nog het een en ander te zien. Het eerst reden wij door den mooien tuin, waarin ook het hotel is gelegen van den Maharatja en kwamen zoo voor zijn mooi nieuw paleis. Wij lieten het rijtuig stil houden om het geheel beter te kunnen overzien en direct kwamen er acht verschillende bedienden uit het paleis snellen, waarvan één, aan zijne kleeding te oordeelen, de voornaamste, ons met velerlei eerbiedige buigingen, in een onverstaanbare taal, de Hindoestansche taal, aansprak. Ik gaf hem te beduiden, dat wij geen Hindoestani verstonden en vroeg of er niet iemand was die Engelsch of Fransch sprak. Na korten tijd kwam er een jonge man uit 't paleis, meer of min Europeesch gekleed, die als tolk kon dienen. Ik vertelde hem, dat wij vreemdelingen waren, veel van den Maharatja gehoord hadden en heel graag zijn paleis wilden zien. Toen dit aan de bedienden vertolkt was, snelde een naar binnen en kwam spoedig daarna terug met het bericht, dat wij welkom waren. Wij zagen echter den Maharatja niet, wel zijn enorm groot, nieuw paleis, dat half Oostersch, half Europeesch in constructie en meubileering is. Het geheel verraadde goeden smaak en de beschikking over een zeer groot inkomen. Toen wij het paleis gezien hadden, sprong een der bedienden naast den koetsier op den bok en bracht ons rond. Eerst naar de stallen, waar een keur van mooie Arabische en Australische paarden stond; toen naar de 20 olifanten, waarvan een eenige dagen geleden de gelukkige moeder van een lieftallige spruit was geworden. Het jonge olifantje, even schalksch en speelsch als alle jonggeborenen, zag er zoo snoezig uit, dat ik het haast als een schoothondje zou hebben geliefkoosd, maar de jaloersche moeder liet een al te nauwe aanraking met haar kind niet toe. Daarna bracht de bediende ons naar den rozentuin en naar de allée, waarin de vorstin het liefst rondrijdt. Ook nu ontmoetten wij haar in haar rijtuig, doch de gordijntjes waren neergelaten, zoodat wij alleen konden zien, dat er twee dames in dat rijtuig zaten. Deze arme vorstin is op het oogenblik diep te beklagen. Zij is kinderloos. De vorst, die een troonopvolger moet hebben, voelt zich verplicht een tweede vrouw te nemen in de hoop daarbij kinderen te krijgen. Binnen eenige weken zal de dochter van den vorst van Baroda zijn tweede vrouw worden.

Deze vorst, Maharatja Sir Madeno Rao Sindhia staat als een ontwikkeld en vooruitstrevend man bekend. Hij doet veel voor de ontwikkeling van zijn volk. Er zijn in zijn rijk staatsscholen voor elementair en vakonderwijs, waarin het onderwijs gratis gegeven wordt. Wij zagen een school voor technisch onderwijs, waarin de leerlingen in smidswerk, goud- en zilverwerk, weven, horlogemaken en in andere vakken onderwezen worden. Wij zagen hier ook een gevangenis. Dit gebouw en de wijze waarop de 500 gevangenen er behandeld worden, heeft al de verschrikkingen van dit soort inrichtingen verloren. Ik had hier gaarne langer vertoefd en van een der hoofdpersonen meer bijzonderheden vernomen, doch wij kwamen reeds laat in den middag aan en hadden geen tijd te wachten tot de directeur ons te woord kon staan. De gevangenen waren nergens opgesloten in cellen, het waren allen frissche open ruimten, waarin licht en lucht vrijen toegang hebben. Alle gevangenen werkten. Het voornaamste bedrijf, dat zij leeren en daar tot een wonderbare hoogte uitvoeren is het maken van tapijten, een soort Smyrna-tapijten. Een der gevangenen leest hardop het patroon af en vijf of zes gevangenen die allen hetzelfde patroon verwerken, zeggen 't na onderwijl zij uitvoeren wat de eerste opgelezen heeft. Zoo wordt voorkomen, dat er onderling gesprekken gevoerd worden, terwijl toch allen hunne stemmen kunnen laten hooren. Geen veroordeelde verlaat de gevangenis die niet grondig dit vak heeft leeren beoefenen. Ook allerlei andere vakken worden er onderwezen en in praktijk gebracht.

Vanmorgen waren wij reeds om 7 uur op weg om het beroemde fort van Gwalior met de zich daarbinnen bevindende paleizen, tempels, moskeeën, en andere oudheden te zien, die hier reeds van de 9e en 10e eeuw dateeren. Voor dit doel moesten wij weder van olifanten als vervoermiddel gebruik maken, die nog steeds door den vorst gastvrij ter beschikking van de reizenden worden gesteld. Wij waren nu reizigsters met ondervinding en oefening in dit vervoermiddel en maakten met meer gerustheid van dit rijpaard gebruik, hoewel de gevolgen voor maag en ingewanden vrijwel dezelfde bleven als bij den eersten keer. Het merkwaardigste, dat wij dezen morgen zagen waren de in de rotsen uitgehouwen afgodsbeelden, enkele van 15 tot 20 meter hoogte.

Maar ook de stad was zeer de bezichtiging waard en gaf ons opnieuw een beeld van de wijze, hoe de welgestelde Hindoes en Mohammedanen vroeger hun welstand ten toon spreidden. Ik kan daarover echter nu niets vertellen, want het is middernacht. Ik zit nu in Delhi, en ik verlang naar mijn bad en bed.

VAN DELHI TOT EN MET LUCKNOW.

25 Februari. Delhi, eens de hoofdstad van Indië, waar de Mohammedaansche regeering gevestigd was, en dat thans weder tot hoofdstad en zetel der tegenwoordige regeering verheven, is; Delhi, waar reeds drie keeren eene koninklijke Durbar is gehouden en dat slechts twee maanden geleden alle Indische vorsten met hunne vrouwen en gevolg, benevens duizenden belangstellenden en nieuwsgierigen heeft geherbergd; Delhi, dat in de Indische en Britsch-Indische geschiedenis zoo'n groote rol speelt en waar in 1857 de muiterij, die zoovele Engelschen het leven kostte, haar oorsprong nam; die stad had bij ons verwachtingen gewekt, waaraan Delhi niet heeft beantwoord. Wij dachten hier het culminatiepunt van Indische grootheid en belangrijkheid te zullen vinden, maar hierin zijn wij teleurgesteld.

Delhi is op het oogenblik niets anders dan een klein, vuil stadje, waarvan de Britten zullen trachten een stad van beteekenis te maken. Voor den gewonen toerist bezit het fort met de zich daarbinnen bevindende tempels, het paleis en de moskeeën de grootste aantrekking, doch dit was heden niet te bezichtigen, omdat het Zondag is. Wij begonnen daarom onzen dag met een rit door de stad en omgeving. De stad en omgeving bieden vooral den Britten vele historische bijzonderheden. Overal vindt men nog overblijfselen van den grooten opstand, een halve eeuw geleden. Oude tempels zijn toen ten deele verwoest, graftomben van vorsten en heiligen tot ruïnes gemaakt, machtige paleizen naar den grond gehaald. Neemt men de moeite om tot op den top van den "herinneringstoren aan de muiterij" te klimmen, dan overziet men het geheele veld, waar de opstand plaats vond en waar de slachtoffers grootendeels zijn gevallen. Deze herinneringstoren steekt sterk af bij de Kutab Minor, ook een herinneringstoren, den toren van victorie, 900 jaren geleden door de Mohammedanen gebouwd uit de steenen van verwoeste Hindoe-tempels, om hunne overwinning te vereeuwigen. De Kutab Minor, zoo indrukwekkend door zijn hoogte en elegantie, wordt beschreven als de schoonste in zijn soort in de geheele wereld. Een mijner boeken over Indië noemt het de zuiverste uitdrukking van krijgshaftige energie, evenals de Taj Mahal het symbool is van liefde en hartstocht, en de graftombe van koning Akbar majesteit en wijsheid uitdrukt,

Den geheelen weg over naar Kutab Minar, waar wij vandaag ook een bezoek brachten, is als bezaaid met overblijfselen van moskeeën en graftomben. Een paar bezichtigden wij nauwkeurig, maar voor het meerendeel hadden wij geen oogen meer. Wij zijn voorloopig over-verzadigd met deze dingen en alleen indien het fort ons morgen iets zeer bijzonders op dit gebied te genieten geeft, zullen wij in staat zijn het nog in ons op te nemen.