Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 32
De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren en tot vrienden van Great-Britain te maken.
Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af, en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.
VAN BOMBAY TOT JAIPUR.
14 Februari. Toen wij gisteravond aan het station aankwamen, stond de trein reeds gereed en de waggon, van onze namen voorzien, voor ons gereserveerd. Dat is hier door geheel Indië het geval. Als men tevoren opgeeft met welken trein men wil vertrekken, dan wordt een compartiment gereserveerd, van buiten en ook van binnen duidelijk met de namen voorzien van degenen, voor wie de wagen gereserveerd is, zoodat geen vergissing kan plaats vinden. Verzuimt men vooraf een plaats aan te vragen, dan is men volstrekt niet zeker, met den trein mede te komen; er schijnen niet meer eerste-klasse wagens mede te gaan, dan er plaatsen zijn aangevraagd.
Er zijn in Indië verschillende spoorwegmaatschappijen, die tegen elkander concurreeren in het verschaffen van comfort in de waggons. Wij troffen het gisteravond al bijzonder goed. De waggon was nl. wel anderhalf maal zoo breed en lang als onze waggons en maar voor twee ruime, gemakkelijke slaapgelegenheden bestemd, had flinke groote spiegels, goede verlichting, waarbij men gemakkelijk kon lezen, een electrischen waaier om verkoeling aan te brengen, vier soorten afsluitingen van de vensters, gewone glazen, houten jalouzieën, ijzergaas en rieten gordijnen, en bovendien een goede badkamer met alles wat daartoe behoort. En voor dit alles werd geen extra-betaling vereischt; onze gewone spoorkaart--wij hebben een rondreisbiljet door Indië--deed daarvoor dienst. De spoorwegmaatschappijen concurreeren hier nog goed; daarvan profiteeren de reizigers, want ook de prijzen voor de biljetten worden laag gehouden.
Men reist hier bij voorkeur bij nacht, omdat het overdag te heet is en er niet veel is uit te zien. Doch toen ik vanmorgen wakker werd, nadat het daglicht juist was doorgebroken en ik naar buiten keek, zag ik boomen vol apen en ook vele groote apen, die dicht bij den trein kwamen om zich aan de versnaperingen, die passagiers naar buiten wierpen, te goed te doen. Ruim een uur lang, tot wij in Ahmedabad aankwamen, zagen wij steeds geheele horden van deze beesten, die tamelijk mak bleken te zijn. In een land als hier, waar geen beest iets kwaads geschiedt, zijn alle beesten bijzonder mak. Wij verwonderen ons er al niet meer over, dat de vogeltjes overal vrij in de huizen rondvliegen, in een schoollokaal op den rand van het zwarte bord gaan zitten en in de hospitalen op de randen van het bed der zieken komen. Hier in Ahmedabad--de stad staat er voor bekend--zijn overal in de stad een soort van vogelhuizen op hooge palen gebouwd, allersierlijkste gebouwtjes, die steeds van voedsel en drinken voorzien zijn, waarvan echter niet alleen de vogels, doch ook de eekhorentjes en ander boomgedierte gebruik maken.
Wij bleven in Ahmedabad een dag over, voornamelijk omdat dit de stad is waar de Mohammedanen en de Jains in hoofdzaak wonen en hunne tempels hebben. Maar ook omdat dit stadje nog geheel Indisch is en op twee na het mooiste stadje van Indië wordt genoemd. Wij zijn hier nu weder in het midden van een Mohammedaansche omgeving, doch de Mohammedaansche vrouwen, die hier opvallend kleurig gekleed gaan, loopen allen ongesluierd. Wel wordt ons verteld, dat de vrouwen uit de rijkere kringen zich nooit op straat bevinden, omdat het hier te warm is om gesluierd te gaan en zij zich niet ongesluierd willen vertoonen. Die wel op straat komen, zijn terstond van de Hindoe-vrouwen te onderkennen, doordat zij de broek dragen, de zoogenaamde harembroek, zooals wij die ook in Syrië en Egypte zagen.
De moskeeën van de Mohammedanen zijn hier geheel anders dan die wij in Arabië zagen. Hier zijn zij van heel mooi beeldhouwwerk voorzien. De minarets zijn soms van onder tot boven gebeeldhouwd. Ook de graftomben zijn hier mooier. De Indische Mohammedaansche vorsten hebben bij het bouwen der tempels en graftomben blijkbaar over meer geld en goeden smaak kunnen beschikken dan hunne Arabische en Egyptische geloofsgenooten.
Voor het eerst zagen wij nu de tempels der Jains. Dat is een Hindoe-sekte, die echter niet Siwa aanbidden. Ik ben er nog niet achter kunnen komen wat de Jains eigenlijk gelooven. De boeken, die ik over Indië las, gaven er geen voldoende beschrijving van en Hindoes, die het konden weten, gaven mij steeds op mijne vragen alleen ten antwoord, dat het eene sekte van de Hindoes was, met een zeer gecompliceerd geloof. In hunne tempels--een er van hier is zeer mooi--zagen wij de beelden van Boeddha en Brahma verheerlijkt. Wij kregen den indruk dat het een mengsel van Boeddhisme en Brahmisme is. Overal in de tempels der Jains staan offervaten, waarin de geloovigen 's morgens hunne offeranden, in den vorm van een handjevol rijst of een paar amandelen, soms zelfs een kokosnoot, komen brengen en dat daar bijeengegaard wordt. Al de arme moedertjes, zelfs te arm om eenmaal daags zelf een beetje rijst te eten, trachten toch een handjevol elken morgen bijeen te krijgen, om het den beelden van Boeddha en Brahma te offeren.
Hier worden nog enkele industrieën in den ouden vorm beoefend. Wij zagen zijde, met goud en zilver doorwerkt, met de hand weven. Heel mooi en hoogstwaarschijnlijk ook heel duurzaam, maar zeer kostbaar. Prachtige sarongs werden op deze wijze door mannen gemaakt, sarongs, die van 60 tot 100 gulden kosten. Ook zagen wij hier nog den goud- en zilverarbeid, alles met de hand en met zeer primitieve werktuigjes verrichten. Doch vooral het houtsnijwerk van Ahmedabad is door heel Indië bekend.
Achter den tuin van het hotel is een groote open vlakte, een kleine woestijn. Des avonds komen daar de apen bij honderden om versnaperingen te halen, die de toeristen hun aanbieden. Zij zijn zoo mak, dat zij vlak bij ons komen; een paar hadden zelfs den durf de nootjes en koekjes uit onze hand te komen nemen en vlak voor onzen neus te gaan zitten om ze op te eten. Moeder-aapjes, met hare poppige jongen in den arm, kwamen zoo vriendelijk om een versnaperinkje bidden, dat men een steenen hart zou moeten hebben om 't ze te weigeren.
15 Febr. Vanochtend vertrokken wij om negen uur uit Ahmedabad en kwamen te ongeveer twee uur in Abu Road aan. Dit gedeelte, bij dag afgelegd, heeft ons toch niet berouwd. Wij hadden onophoudelijk wat te zien, al was het dan ook niet natuurschoon, wat te bewonderen viel. Wij zijn hier in het apenland en deze beesten trekken nog steeds onze belangstelling. Waren er geen apen, dan waren er kameelen of olifanten, die wij in menigte in de velden en bosschen zagen. Ook de massa armoedige dorpen met de armoedige en verdierlijkte bewoners, in uitgestrekte dorre velden, vielen ons op. Om ongeveer 12 uur hielden wij stil in het dorp Unjha, in een landbouwdistrict, waarvan de bewoners tot eene Hindoesekte behooren, die maar eens in de elf jaren een algemeenen trouwdag hebben, waarop alle meisjes beneden de elf jaren, ook als ze pas een week oud zijn, uitgehuwelijkt worden. Zijn er niet genoeg mannen te vinden, dan wordt een man omgekocht, die voor de leus met al de meisjes trouwt, voor wie geen echtgenoot beschikbaar was. Deze meisjes moeten dan later weder uitgehuwelijkt worden, ten voordeele--soms ook wel eens ten nadeele--van den man, aan wien zij voor het eerst waren gekoppeld.
Toen wij om twee uur in Abu Road aankwamen, hadden wij nog 17 mijlen af te leggen alvorens wij in Mount Abu, het doel van ons oponthoud, waren. Wij hadden naar het hotel getelegrafeerd om een automobiel aan den trein te zenden, om ons af te halen, doch in plaats daarvan stond er een zeer primitief wagentje, dat voor ons bestemd was. De automobiel was in reparatie, zoo heette het en daarom zond de hotelier een tonga. Het was een heel laag boerenkarretje, waarin wij weder van achteren met de beenen naar buiten moesten zitten. Er waren echter een paar vurige paardjes voor, die op dien afstand van 17 mijlen zesmaal werden verwisseld. De weg ging sterk naar boven--Mount Abu ligt ruim 1500 meter hoog--en het ging steeds door in galop. Het verwisselen van de paarden kostte geen minuut tijd: de koetsier lichtte even de stang op, de paardjes liepen dan van zelf uit het zadel en de nieuwe, die reeds klaar stonden, namen onmiddellijk hunne plaats in; zij werden even vastgemaakt en dan gingen wij weder verder. De tocht naar boven is zoo mooi en biedt zooveel bijzonders aan, dat vele reizigers, alleen om naar boven te gaan, een nacht hier overblijven. Ik zou er ook veel meer van genoten hebben, als het steil naar boven gaan het rijtuigje niet zoo sterk achterover had doen hellen, waardoor wij op onze achterbankjes steeds er op verdacht moesten zijn, om ons op onze plaatsen te handhaven. Toen wij ongeveer halfweg waren, zagen wij op eenigen afstand boven ons weder een geheel naakten man op één been staan. Zijn geheele lichaam was weder met heilige asch ingesmeerd. Heilige asch wordt gemaakt door het verbranden van koemest. Deze man stond daar op een rotspunt, met geen ander oogmerk dan zelfkastijding, want de weg wordt niet druk begaan en velen konden passeeren zonder hem op te merken. Hij deed het dus niet om bewonderd te worden, of om aalmoezen te krijgen. De koetsier vertelde ons, dat hij daar reeds in diezelfde positie stond, toen hij vier uren geleden met de tonga naar beneden reed.
Mount Abu is een druk-bewoond stadje. Door de hooge gezonde ligging zijn er vele scholen, waarin de kinderen van Engelsche ambtenaren onderricht ontvangen. Ook zijn er tal van sanatoria. Vele Maharatja's hebben hier kasteelen, waarin zij een groot gedeelte van het jaar wonen.
Toen wij om half zes boven kwamen, stonden er reeds twee rickshaws voor ons gereed om ons naar een zeker punt te brengen, om den eenig mooien zonsondergang hier te aanschouwen. Eer wij nog goed wisten waar men ons heen voerde, waren zij reeds onderweg en keerden eerst om half acht huiswaarts. Morgen gaan wij hier de oude Jainstempels zien en dan morgennacht verder naar Jaipur.
16 Februari. Vóór wij vanochtend naar de Jainstempels gingen, lieten wij ons eerst door het stadje en naar het Gem-meer brengen, waaraan het stadje gelegen is. Toen wij aan het Gem-meer arriveerden, vroegen wij ons een oogenblik af, of wij niet in een sprookjeswereld verkeerden. Wonderschoon ligt dat meer daar, rondom door kunstig gevormde hooge rotsblokken omgeven, waarop hier en daar juist in deze omgeving passende kasteelen zijn gebouwd of ruïnes van oude tempels zich bevinden. Op verschillende punten van het meer kwamen de kleurig gekleede Mohammedaansche en Hindoesche vrouwen, met haar blank geschuurde koperen waterkannen op het hoofd, water halen. Tal van groote watervogels zaten op de rotspunten, die uit het ondiepe meer opstegen; olifanten, ossen en andere viervoeters kwamen er hun dorst lesschen en groote en kleine apen speelden aan den waterkant. Het was een plek om er een geheelen dag te vertoeven om het bonte leven gade te slaan.
Nergens vond ik ooit in mijn leven zooveel rotsblokken, die een diervorm vertoonen. Reuzenkikvorschen, leeuwen, olifanten, de kop van een ratelslang en nog meer zijn duidelijk in deze door de natuur gevormde rotsen te zien. Het verklaart een beetje de geest, die de Jains vroeger moet bezield hebben, toen zij aannamen, dat niet alleen al wat leeft een ziel heeft, maar ook boomen en planten, delfstoffen en mineralen. Daarin vindt ook hunne boom- en rotsvereering eene verklaring.
De Jainstempels zijn alleen een bezoek aan Mount Abu waard. Wij zagen er drie. Alle zijn in de elfde en twaalfde eeuw gebouwd. Zij zijn geheel van wit marmer en men beweert, dat het fijne beeldhouwwerk en de prachtige detailuitvoering ervan nergens in de wereld geëvenaard worden. Hier vonden wij voor al de Boeddha-beelden en voor de afbeeldingen van Parswanatha, de vrouw van Brahma en de godin der schoonheid, kwistig kruidnagelen als offerande gestrooid.
17 Februari. Om half vijf kwam de tonga gistermiddag reeds voor, om ons weder naar beneden te voeren, omdat de weg, die aan den eenen kant langs rotswanden, doch aan den anderen kant steeds langs een steilen open bergwand voert, waardoor men onophoudelijk een prachtig vergezicht geniet, in donker gevaarlijk is. Wij konden in het station nog iets te eten krijgen en wijl onze slaapwagen reeds gereed stond, konden wij er na het eten al vast gebruik van maken. Wij beiden lagen reeds in diepen rust toen wij om elf uur aangehaakt en met den sneltrein medegevoerd werden, die ons vanmiddag om één uur in Jaipur bracht.
Toen wij vanochtend ontwaakten, stond de trein stil in Ajmer, waar den reizigers gelegenheid gegeven wordt om te ontbijten. Vóór wij echter klaar konden komen om ons fatsoenlijk in het restaurant te vertoonen, zette de trein zich weder in beweging. Wij keken elkaar eens aan en troostten ons toen met ons een eigen ontbijt te prepareeren. Onze mand, die alles bevat om ons in zulke omstandigheden uit den brand te helpen, werd voor den dag gehaald, ons spiritustoestel in de badkamer in werking gesteld en met de thee, die wij in de theeplantage op Ceylon present hadden gekregen, een heerlijk kopje thee gezet, beter dan wij het in lang gedronken hadden. Met de biscuits, Haagsche beschuitjes en St. Nicolaasjes, die ons op de "Prinses Juliana" uit Holland waren gezonden, genoten wij een ontbijt, dat lekkerder smaakte, dan wat wij in het restaurant gemist nebben. Alles werd weder huiselijk afgewasschen en weggeborgen, om ons in tijd van nood weder te kunnen dienen.
Jaipur maakt een allerverrassendsten indruk. Het is de hoofdstad van Rajputana. In 't midden van de stad woont de vorst van dat verheven land, met zijne duizend vrouwen, honderden bedienden en levende liefhebberijen. Het is de dwaaste stad, die men zich kan voorstellen. Alle straten zijn zoo breed en zoo goed geplaveid, dat men er in de grootste wereldstad naar zou watertanden. Alle huizen zijn hard-rose geverfd en zijn bijna zonder uitzondering grappig en bont beschilderd. De eenvoudigste hebben bloemschilderingen, het liefst bloempotten met een plant, die bloemen van verschillende kleuren, zelfs van geheel verschillende familie, bevatten. Bont opgetuigde olifanten, ossen en ezels zijn ook geliefde onderwerpen. De mooie en groote huizen vertoonen geheele geschiedenissen in prent gebracht in groote afmetingen op de muren. In de drukke straten ziet men allerlei vervoermiddelen zooals wij ze nergens hebben gezien. Heele karavanen kameelen en drommedarissen, alsof wij in Egypte zijn, loopen hier rustig naast volgeladen, mooi beschilderde olifanten en de apen loopen hier in de druk bevolkte straten, alsof zij er even goed als de menschen hunne boodschappen te verrichten hebben.
Jaipur levert voor ons weder een geheel nieuw gezicht, zooals wij nog nooit te voren gezien hebben, en dat ook met niets te vergelijken is. Om half vijf gingen wij vanmiddag naar het paleis van den vorst, die het op aanvrage van een toegangsbiljet voor vreemdelingen ter bezichtiging stelt. Even dwaas als de stad, even dwaas is ook dat reuzenpaleis. Het was meer vreemd dan mooi. Zoo ook de tuinen. Deze vorst is een groot liefhebber van vrouwen en dieren. Zooals ik reeds schreef, bezit hij duizend vrouwen; met drie er van is hij wezenlijk getrouwd, de 997 anderen zijn er maar, om hem in trieste oogenblikken wat op te vroolijken. Voor dat doel bezit hij ook een vijver met krokodillen en schildpadden, reuzenbeesten in hun soort, die allen zoo mak zijn dat de bedienden ze met een stuk rauw vleesch en door ze bij hun naam te noemen en een liedje te zingen, alle op het droge kunnen laten komen. Maar de grootste afleiding zoekt de vorst in het temmen van panters en tijgers, waarvan hij er eenige dozijnen bezit, die nu en dan, als hij op zijn staatsie-olifant, of staatsie-kameel een wandeltochtje onderneemt, met hem mede mogen wandelen, losjes aan een koord vastgehouden. Er was in dat kasteel en in die tuinen van alles te zien. Zelfs de 120 uit sandelhout gemaakte en met zilver belegde kisten, die alle als reiskoffers medegaan, wanneer zijne excellentie naar Engeland of ergens anders in Europa reist. Maar als men bedenkt, dat deze vorst een Hindoe is, en niets mag eten wat door iemand die geen Hindoe is, is aangeraakt, en hij dus al zijn voedsel en de gereedschappen waarin het bereid en opgediend moet worden, moet medenemen, dan zijn 120 zulke groote kisten nog niet zoo heel veel.
Toen wij tegen het vallen van den avond uit het paleis naar buiten kwamen, en nog eerst met het rijtuig de drukbevolkte straten van de stad doorgingen, toen leken al die framboze-ijs gekleurde huizen in de avondschemering alsof zij van albast waren en de feërique bevolking bracht mij Pierre Loti's uiting over schilderachtig Jaipur te binnen: "tout l'Orient des féeries, processionnant à grand spectacle dans l'imaginable cadre de camaieu rose".
18 Febr. Wij waren vanochtend reeds vroeg op weg om een bezoek te brengen aan Amber, op 8 mijlen afstand van Jaipur. Amber, de oude hoofdstad van Jaipur, bezit een prachtig paleis en levert een prachtig vergezicht over een groot deel van Rajputana, zoodat de vorst, toen hij nog daar woonde, bijna zijn geheele gebied overzien kon. Amber is nu grootendeels verlaten, het mooie marmeren kasteel, veel mooier en smaakvoller dan wat de vorst nu bewoont, staat leeg en doet alleen nog dienst om het door vreemdelingen te laten bewonderen. Zes mijlen van dezen weg kan men in een geciviliseerd rijtuig afleggen, maar de twee laatste mijlen moet men afleggen boven op een olifant. Vroeger werden deze lieve beestjes door den vorst voor de vreemdelingen beschikbaar gesteld; aan den voet van den bergtop, waarop Amber met zijn mooi paleis gebouwd is, stonden zij den reizigers dan het eerste welkom toe te balken; tegenwoordig moet men voor dit vervoermiddel, als voor anderen, betalen. Maar een olifantsrug is breed en kan een massa dragen. Met twee andere Engelsche dames in het hotel waren wij overeengekomen, samen zoo'n lief dier te huren. Nadat het zich netjes op zijn buikje had neergevleid, door eerst de achterpootjes naar achter uit te strekken, daarna zijn voorpootjes te buigen, werd er een ladder bij zijn body geplaatst en klommen wij zoo een voor een naar boven. Dat was heel niet moeilijk; wij zaten er als branies; maar toen het beestje daarna probeerde zijn beentjes weder recht onder zich te trekken en daarbij sterk naar achter en naar voren overhelde, konden wij toch eenige vrouwelijke gilletjes niet onderdrukken. Lezers, als gij nog nooit vier mijlen op den rug van een olifant hebt afgelegd, dan kan ik u moeilijk uitleggen, welke gewaarwordingen zoo'n rijtoer verwekt. Ik had achterna een heelen tijd noodig om al mijne inwendige organen eerst weder op hun gewone plaats te krijgen, ik had het gevoel alsof er niet één zat waar het wezen moest. Ik ben moedig genoeg, maar toch geloof ik, dat door deze schudding mijn hart een beetje naar der schoenen kant gezakt was.
Maar het bezoek aan het kasteel met zijn prachtige vergezichten was zoo loonend, dat wij ook onzen olifantentocht er voor over hadden. Hier in het hartje van Britsch-Indië, waar de bevolking een geheel andere is dan in het zuidelijk deel, komt ons de Hindoe-bevolking lang niet zoo weerzinwekkend voor. Dit is een veel flinker ras menschen, goed gebouwde mannen en vrouwen, die werken. Door de groote schaarschte aan water in de geheele omgeving heeft het volk zich steeds meer door nijverheid dan door landbouw en veeteelt gehandhaafd. De Jaipur-industrie, door geheel Indië bekend, heeft een groote hoogte bereikt. Vooral de geweven tapijten en gordijnen, het geëmailleerde goud- en zilverwerk, en het geciseleerde koperwerk zijn artistiek en in vergelijking van wat men voor zulk werk in andere landen zou moeten betalen, zeer billijk. Wij zagen verschillende werkplaatsen, waar dit werk werd uitgeoefend en waar.... o, schrik... kinderen van zes, zeven en acht jaar, allen bleekneuzige, holoogige jongetjes, werkzaam waren.
Van de naïeviteit der Hindoes moet ik toch even een staaltje vertellen. Wij passeerden een Hindoetempel en hoorden daarin zingen, mooier en anders dan wij van de Hindoe's gewoon zijn te hooren. Al lang heb ik opgemerkt, dat alles hier een beteekenis heeft; zoodra ik iets hoor of zie waarvan ik niets gehoord of gelezen heb, vraag ik daarom de beteekenis daarvan. Wij waren den tempel binnengegaan, denkende dat er misschien dienst was, doch vonden er alleen één zingenden man. Ik vroeg wat die man daar deed en kreeg ten antwoord: "Zingen". Ik zei dat ik dat wel hoorde, maar hij was alleen in den tempel, voor wien zong hij dan? "O", was 't antwoord, "hij is niet alleen, Siwa is daar; deze man is door de geloovigen aangesteld, omdat hij zoo mooi zingt, elken dag twee uur in den tempel te zingen om Siwa te amuseeren." O, heilige onschuld.
Wij zagen vandaag weder verschillende mannen op straat zichzelf kastijden of in heilige overpeinzing onder een boom zitten.
De Maharatja van Jaipur wordt geroemd om zijne vrijzinnige denkbeelden. Hij doet verschillende dingen om zijn onderdanen te ontwikkelen. De zoölogische tuin en het museum van oudheden en hedendaagsche kunst en nijverheid, die voor elkeen openstaan, worden zeer druk door de Jaipursche bevolking bezocht. Het museum vooral is zeer interessant door zijn mooie verzameling oud-Indische kunst. In de school van schoone kunsten, die wij ook even een bezoek brachten, waarin de leerlingen ook alle onderricht, vrij van schoolgeld, ontvangen, wordt getracht de Jaipursche nijverheid weder op de hoogte te brengen waarop zij vroeger stond. Door voor de markt te gaan werken was zij in de laatste jaren sterk achteruit gegaan.
Hoewel wij nog gaarne een paar dagen in Jaipur waren gebleven, ook omdat het klimaat hier koel en aangenaam is, meenden wij toch ons verblijf niet langer dan twee dagen te mogen rekken. Daarom vertrekken wij nog heden, den 19en Februari, naar Agra, de trots van geheel Indië.
VAN AGRA TOT DELHI.
21 Febr. Sedert twee dagen zit ik nu in Agra, de stad waarvan ik, zoolang ik in Indië ben, heb hooren gewagen. Bij elke goed- of afkeuring over 't geen ik hier zag, bij elke waardeering van het een of ander, of geringschatting van iets anders, gaf iedereen, die in Indië bekend is, er gereisd heeft, steeds tot antwoord: "Wacht tot ge in Agra komt". Mijne verwachting was dus hoog gespannen, de boeken, die ik er over gelezen had, hadden die spanning niet weinig verhoogd, ik vreesde derhalve zeer voor eene teleurstelling. Teleurgesteld ben ik echter niet.
De stad zelf, met ongeveer 20.000 inwoners--liefelijk aan de Jumna-rivier gelegen--is een niet zeer opvallende Indische stad. Maar de paleizen, moskeeën, graftomben en vooral en bovenal de Taj Mahal, geven haar eene bijzondere beteekenis.