Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 25
Niet alleen worden hier de studenten tot medische doktoren opgeleid, maar aan deze instelling is ook verbonden, de opleiding van verpleegsters en vroedvrouwen. Een allerdwaaste combinatie, die tot heel veel misstanden en immoreele verhoudingen aanleiding geeft en die door alle aan deze instelling verbonden leeraren, doktoren en verpleegsters om het zeerst wordt afgekeurd. De meisjes die hier worden opgeleid tot toekomstige verpleegsters en vroedvrouwen, moeten in het land voorzien in de behoefte der Mohammedaansche vrouwen aan medische hulp, vooral bij verlossingen. Een Mohammedaansche vrouw laat geen mannelijke dokter aan haar kraambed komen, zelfs niet in de allerzwaarste gevallen. Zij worden dan door oude vrouwen bijgestaan en maar al te dikwijls is een zeer pijnlijke dood het einde van een kraambed. Door de opleiding van deze vroedvrouwen hoopt de regeering de vrouwen uit het volk in dezen ter hulp te komen. Dat zou wel goed zijn, als die meisjes een zekere ontwikkeling bezaten, een bepaalden leeftijd moesten bezitten, vóór zij tot deze studie konden worden toegelaten en indien zij gekozen konden worden uit een moreel hoog staande klasse. Dat alles is hier niet het geval. Meisjes van 12, 13 en 14 jaar, ouderen zijn uitzondering, die niet lezen en schrijven kunnen, die niet uit toewijding, maar omdat zij geen tehuis hebben, zich voor dit doel in het hospitaal laten opnemen, komen hier, om in drie of vier jaar tijd als verpleegster en vroedvrouw het hospitaal te verlaten en hebben dan het recht, niet alleen in de gewone gevallen haar assistentie te verleenen, maar zelfs de forceps te gebruiken en keeringen te verrichten. Bovendien is de soort waaruit deze vrouwen gerecruteerd worden van dien aard, dat zij maar al te dikwijls prostitutie als bijvak uitoefenen, of de gezinnen waarin zij hulp verleenen, zeer immoreel beïnvloeden.
Deze menschen zijn in den regel kinderen, die reeds vroeg door hun vader aan een of ander man tot echtgenoot zijn gegeven of verkocht en die, na eenige weken huwelijksleven door den echtgenoot weer naar huis worden gezonden, alleen en dikwijls om geen andere reden, dan dat hij er genoeg van heeft. Neemt de vader haar niet weder in huis op, dan blijft er voor haar niets anders over, dan op straat een minder eerbaar leven te leiden of naar het hospitaal te gaan. Ook als een vrouw door haar man gedivorceerd wordt, dan behoudt hij de jongens, doch de meisjes worden met de moeder weggestuurd en daarvoor behoeft hij haar voor onderhoud niets te betalen. Zoodra zulke meisjes den 12-jarigen leeftijd bereikt hebben, stuurt de moeder haar dochter naar het hospitaal, om haar ten minste eten en onderdak te bezorgen. Nu worden wel alle mogelijke voorzorgen door doktoren en hoofdverpleegsters genomen, om deze meisjes, dertig in getal (meer kunnen er terzelfder tijd niet worden aangenomen) van de driehonderd studenten te scheiden, maar het menschelijk vernuft is scherp, vooral in zulke omstandigheden, en men weet maar al te goed, dat deze meisjes, zoo pas uit de afzondering van de harems in vrijheid gekomen, deze vrijheid niet beter weten te gebruiken, dan op de een of andere wijze één of meer van de jonge studeerende mannen aan zich te binden. Moeten zij bevallen en hebben zij het geluk een jongen het leven te geven, dan is de vader van het knaapje, eo ipso, met de moeder gehuwd, heeft voor haar en het kind te zorgen en het kind draagt zijn naam. Hij kan haar dan wel na een week weder wegsturen, maar het kind blijft het zijne. Tot de jongen zeven jaar oud is, moet hij de moeder wekelijks een som geven, tot onderhoud van het kind en zoodra het zeven jaar is, kan hij het tot zich nemen of voortgaan de moeder voor het onderhoud te betalen. Bevalt zij echter van een meisje, dan bestaat er tusschen haar en den verwekker van het kind geen verband en behoeft hij zich van het geheele geval niets aan te trekken.
Dat ook de omstandigheid, om zulke jonge meisjes op de ziekenzalen reeds allerlei soort werk te laten verrichten en haar bij verlossingen te laten assisteeren, haar te laten onderrichten door mannelijke doktoren in alles wat met het sexueele leven in verband staat, op velen geen goeden invloed uitoefent, is te begrijpen. Men moet deze meisjes niet met de onze vergelijken; zij zijn van te voren in groote afzondering van de mannenwereld grootgebracht; 't sexueele leven, zoo 't kan in 't huwelijk, is haar voorgesteld, als de eenige bron, waaruit en waardoor alles moet komen, wat zij voor levensonderhoud en misschien een beetje levensgeluk, noodig hebben. Daarop zijn al haar gedachten, al haar handelingen geconcentreerd en dit heeft bij haar natuurlijk een soort broeikast-ontwikkeling in deze sfeer ten gevolge gehad. Een der doktoren zeide mij dan ook, "men veronderstelt, dat wij jaarlijks een dertigtal vroedvrouwen afleveren, maar eerlijk gezegd, leveren wij voor twee-derde van dit aantal prostituees af!"
De studenten, die later doktoren hopen te worden, hebben een vierjaarlijksche opleiding. Het eerste jaar in hoofdzaak anatomie en physiologie en de twee laatste jaren aan het ziekbed. Dan kunnen zij hun eindexamen afleggen en zijn gerechtigd de geheele medische praktijk uit te oefenen. Een groot aantal echter gaat tot completeering van hun studie alsdan naar Parijs, Londen, Weenen, Berlijn of Amerika en vestigt zich later als specialiteit in een of ander onderdeel der medische wetenschap.
De studie is hier zeer goedkoop. Boeken, microscopen en alle andere studiebenoodigdheden worden door de universiteit verstrekt; die niets betalen kan, betaalt ook geen studiegeld en voor de anderen is het 15 pond jaarlijks. Verder kunnen de studenten hier zeer goedkoop leven, zoodat slechts weinigen om financieele redenen van de studie in de medicijnen zijn uitgesloten. Toch bestaat het meerendeel der medische studenten uit jonge mannen uit de gegoede kringen.
Het pathologisch anatomisch laboratorium van deze universiteit verschilt van vele andere, omdat het zoovele exemplaren bevat uit den voor-historischen tijd. Ik zag er schedels en beenderen, zelfs intacte inwendige organen, die toebehoord hebben aan menschen van drie- en vierduizend jaren vóór de Christelijke jaartelling. Hoewel de mummies alle ontdaan zijn van hunne inwendige organen, is toch bij vele een deel van de genitaalorganen mede gemummificeerd en in de sarcophaag nedergelegd. Hiervan waren eenige zeer goed gebleven exemplaren in het laboratorium aanwezig.
Ook zag ik er de mummie van een man, die ongetwijfeld aan tuberculose gestorven moet zijn en bij wien de opgedroogde tubercelbacillen onweerspreekbaar gevonden zijn. Deze man was 3600 jaren vóór onze jaartelling gestorven. Ook is het duidelijk, dat kanker in dien tijd reeds voorkwam, ook daarvan waren enkele gevallen aanwezig. De syphilisbaccil, waarnaar zoo geregeld gezocht wordt, werd tot dusverre nog niet gevonden. Hieruit kan men natuurlijk nog niet vaststellen, dat deze ziekte bij de oude Egyptenaren niet voorkwam. Ik durf niet door gaan met het opsommen van alles wat ik hier voor merkwaardigs zag, dit deel van mijn brief zou dan voor vele lezers ongenietbaar worden. Zelden was ik in een inrichting van onderwijs, waar professoren en leeraren zich zooveel moeite geven om den leergierigen bezoeker zoo ten volle op de hoogte te stellen en zij deden dit op zulk een aangename, gentleman-like wijze, dat zij nog den indruk verwekten, alsof het voor hen een aangename taak was.
IV.
O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk, dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen zoo'n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige, levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou men er dagen in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische dagen van voorheen.
Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen, maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen, Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid eene bijzondere vermaardheid bezat.
Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen, die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld.
Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term luidt, "Caïro aan zich laat voorbijtrekken", dan ziet men inderdaad zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven, buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone voorbijgangers,--Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding, ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel om op te noemen, niet medegerekend,--eerst een begrafenis voorbij trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van den doode. Zoo'n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag, vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot; een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.
Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter liepen twee mooi versierde kameelen, elk bevracht met minstens een half dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen, die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden, waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden, waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.
Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in 't Arabisch, wat beteekent "maak ruimte" of "ga uit den weg".
In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro's straten reed, was lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze, waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van 't hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende prinsessen maken niet zoo'n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding, een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze dames het gesluierd gaan opvatten.
Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er verscheidene, maar 't is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der Hindoe's interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied, te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen, maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.
Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein, fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden met de diamantjes in z'n ooren; gekleed in 'n lang, laat mij zeggen, kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond zeer bescheiden: "Great Student of Vedant Philosophy". Hij kwam van Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen; zij hadden andere zaken te bespreken.
De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn naam is en in 't Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land, predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te komen en--naar men mij mededeelde--boeit hij zijne hoorders soms vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!
Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te geven in 't maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en den dank voor 't geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.
Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar ongeveer om dezen tijd plaats vindt, 't Was de ceremonie van "het heilige tapijt". Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude, dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten, meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee, van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder mede terug te nemen.
Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte, tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht zou worden.
Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven; de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote afgesloten ruimten, waar de auto's en rijtuigen met hunne inzittenden een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.
Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg, was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het heilige beest te amuseeren.
Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja's, de koninklijke familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen, eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw, waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten om het uitgeleide te doen.