Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 22

Chapter 223,908 wordsPublic domain

De Moskee, (er zijn er hier over de honderd), met een onuitspreekbaren naam, is de oudste, de grootste en verreweg de mooiste, die wij tot nog toe zagen. Deze Moskee, waarvan bij herhaalde branden stukken verloren zijn gegaan, doch die zooveel mogelijk steeds gerestaureerd werd, dateert van de 4e eeuw. De gekleurde vensters, de emailleering, de marmeren zuilen, getuigen alle van onberekenbare oudheid. Het geheele gebouw is met prachtige Perzische tapijten behangen en belegd. De geschiedenis van dit gebouw is te lang om er hier over te durven beginnen.

Wij hadden den geheelen dag tijd om de stad met hare vele mooie vruchtentuinen, haar interessante bazaar en hare vreemde bevolking goed op te nemen, daartoe waren wij van 9 uur 's morgens tot 6 uur namiddags op de been. Gaarne zouden wij hier eenige dagen langer gebleven zijn om de vele winkels met orientalische bijzonderheden wat beter te kunnen doorsnuffelen, maar de hoop, dat wij Zondag in Beirût een boot zullen vinden, die ons naar Port-Said terugbrengt, dreef ons Zaterdagmorgen om 7 uur reeds weder verder.

Bij ons bezoek aan de groote Damascus-fabriek van koperwerken, zagen wij treurige staaltjes van kinderexploitatie. Het ciseleeren en het bewerken van de koperen artikelen is alles handwerk en geschiedt door kinderen, bijna allen meisjes. Mannen teekenen met een zeker soort inkt de figuren op de stukken en de kinderen hakken de figuren uit, leggen er zilverplaatjes of zilverdraadwerk in, of bewerken ze op andere wijze. Er waren vele meisjes van 5 en 6 jaar onder, en het werk van een zesjarig kind werd ons als bijzonder knap werk getoond en de directeur roemde de handigheid en de smaak van het bleeke, holoogige kind. Op mijn vraag hoe lang dit kind reeds op de fabriek werkte, ontving ik ten antwoord "anderhalf jaar, maar in den regel nemen wij ze niet vóórdat de kinderen voluit vijf jaar zijn." Onder die kinderen waren er slechts enkele meisjes ouder dan 12 of 14 jaar. Ik informeerde waar de meisjes bleven, die het vak kenden en die den leeftijd van 12 à 14 jaar bereikt hebben. "O, die gaan in den regel een ander vak beoefenen, waarmede zij meer kunnen verdienen; sommigen er van trouwen," was het bescheid.

De kinderexploitatie in fabrieken is hier en overal in Arabië allerbedroevendst. Het is een vreeselijk land in menig opzicht.

Ons vertrek uit Syrië's hoofdstad gaf ons nog even een mooi gezicht op de stad, met zijne nu met herfsttinten getooide tuinen. De geheele route per trein van Damascus tot Beirût is een groot genot door de eenig mooie landschappen, die men onophoudelijk passeert. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij aan het station Reyak, waar wij onze reis onderbraken, om langs een zijlijntje een bezoek te brengen aan Ba'albek, het Grieksche Heliopolis. Hier zagen wij de prachtige ruïnen van de oude Acropolis, omringd door de groote tempels aan Jupiter, Bacchus en andere goden gewijd. Vooral de ruïne van de tempel van Bacchus, waarvan nog geheele stukken met prachtig beeldhouwwerk intact zijn gebleven, is een groote reis waard. Ook van den tempel van Venus is nog zeer veel in goeden staat, doch de hooge marmeren zuilen en de fijnere afwerking maken den tempel van Bacchus meer belangwekkend. Het geheele stadje Ba'albek, nu behalve deze ruïnes van geen beteekenis, geeft toch zeer sterk den indruk, dat hier eens een groote, prachtige, indrukwekkende stad moet geweest zijn. Men heeft uitgemaakt, dat in elk geval de Acropolis met de tempels reeds in de tweede eeuw na Christus daar gestaan moet hebben.

Aan het station van Ba'albek woonden wij een interessant tooneel bij. Er werd een bruid afgehaald, een Mohammedaansch meisje uit een naburig dorp. Familie en vrienden van bruid en bruidegom waren allen in Zondagsgewaad aan het station. Toen het zwaar gesluierde bruidje uit den wagen stapte, werd zij met hare vrouwelijke, ook gesluierde, familieleden of vrienden op een eveneens mooi uitgedost kameel getild en daarna werden de andere versierde kameelen met dames en heeren en kinderen beladen. Soms zaten er zeven of acht op één kameel. De kameelen droegen allen gekleurde zijden kapjes, met gekleurde koralen afgewerkt, op hunne domme koppen en de geheele nek van de beesten was ook met koraalwerk en gekleurde koorden versierd. Het was voor ons een eenig mooi en grappig gezicht tevens.

Om half twaalf kwamen wij Zaterdagavond in Beirût aan, waar wij tot onze groote teleurstelling vernamen, dat wij niet vóór Dinsdagavond naar Port-Said kunnen vertrekken.

ALGEMEENHEDEN EN INDRUKKEN OVER ONZEN LAATSTEN TOCHT.

Voor menschen, die niet zoo heel ver van huis een echt orientaalsch, primitief volk willen leeren kennen en die tegelijkertijd van een eigenaardig natuurschoon willen genieten, is een reis, zooals ik die maakte, zeer zeker te recommandeeren. Men moet er dan echter wat meer tijd voor nemen, overal langer blijven en wanneer het reisgezelschap uit mannen alleen, of uit mannen en vrouwen bestaat, geen dragoman nemen. Deze menschen, die zich, wat van zelf spreekt, zeer gewichtig willen maken en den indruk willen wekken, dat men zonder hen geen voet in Arabië zou kunnen verzetten, maken niet alleen de reis onnoodig duur, maar maken de reizigers lui. "De dragoman vertelt het ons wel," "de dragoman weet dat wel," enz., doen den reiziger verzuimen, zijn Baedeker of andere reisgids na te slaan en zelf uit te vinden wat hij weten wil. Bovendien, neemt zoo'n man voor elken kleinen tocht een rijtuig, betaalt hooge fooien, zendt den reiziger naar de winkels en magazijnen, waarvan hij procenten trekt, alles op kosten en zeer hooge kosten van de reizenden. Wel maakt men tevoren met zoo iemand een contract, waarin alles staat, wat hij voor een zekere som te doen heeft, maar men vergeet natuurlijk honderden kleinigheden en die worden dan later nog eens extra in rekening gebracht. Met een dragoman ziet men in korten tijd veel meer dan anders het geval zou zijn, maar het geziene maakt niet zoo'n blijvenden indruk, omdat het te vluchtig gaat en niet verwerkt kan worden. Juist door eerst nauwkeurig na te lezen wat er in elke plaats voor belangrijks te zien is en dan zelf de wegen na te gaan, hoe er 't best te komen, is reeds oorzaak, dat men van alles veel meer geniet en beter in zich opneemt. Er worden dan wel eens fouten gemaakt en wel eens verkeerde wegen ingeslagen, maar die verhoogen dikwijls het genoegen van de reizigers.

Men moet niet denken, dat een dragoman zich als ondergeschikte van zijn gezelschap gevoelt, hij treedt veel meer als de leider, het hoofd van het gezelschap op. Onze dragoman, die een goede in zijn soort is, vertelde ons direct den eersten dag, dat wij hem niet als een gids moesten beschouwen, hem ook vooral niet zoo mochten noemen, maar, dat hij mr. Barakat was, die op zich genomen had ons door een zeker deel van Arabië te voeren, de hotels en rijtuigen voor ons te bestellen en ons te geleiden naar alles wat bezienswaardig is. En dat program heeft hij stipt uitgevoerd. Wij hebben dan ook geen oogenblik tijd gehad om hospitalen of scholen of andere sociale inrichtingen te bezoeken, waarin wij belangstellen, want die stonden niet op zijn program; als ik eens een morgen of een dag wilde uitbreken, om op eigen gelegenheid naar zulke inrichtingen te gaan, dan was het steeds, dat wij, volgens hem, dien morgen of dien dag het merkwaardigste van de heele reis zouden gaan zien en dat ik dat dan verzuimen zou. Zijn program eens te wijzigen, daarvan was nooit sprake, hij kende zijn les van buiten, draaide die achter elkaar elken dag af en mocht door onze abnormale wenschen niet in de war gebracht worden. Op Baedeker was hij heelemaal niet gesteld, en als ik nu en dan eens beweerde, dat Baedeker een andere verklaring gaf, dan was Baedeker verkeerd, dat boek wist er niets van, als ik Baedeker meer dan hem geloofde, dan had ik zonder dragoman moeten reizen, en vooral als zijn prijzen met die in Baedeker niet overeenstemden, dan was hij over "dat boek" heelemaal niet te spreken.

Als ik dezen tocht nog eens zou overmaken, dan zou ik het in het late voorjaar willen doen, in April, Mei of Juni, omdat dan het landschap oneindig veel zal winnen door de bloemenkleur en -geur, die er dan veel meer dan in het late najaar zullen zijn; dan zou ik vier of vijf weken er voor willen nemen en dan zou ik niet per rijtuig, maar te paard of op een ezel het land willen doorreizen. Voor dit laatste zijn de wegen beter geschikt en het is meer in overeenstemming met de omgeving.

Wij zijn nu veertien dagen in Arabië en in al dien tijd hebben wij niet kunnen uitvinden hoe de oorlogstoestand van het land staat. Nooit is een dag voorbij gegaan, waarin ik niet den een of anderen Turk gevraagd heb, of er berichten van het oorlogsveld waren, en steeds was het antwoord, dat meestal lachend gegeven werd: "Hoe zou ik dat kunnen weten". Couranten ziet men hier niet; de Europeanen die hier wonen, lezen Fransche of Engelsche bladen, die een paar weken oud zijn, en de hier en daar verschijnende Arabische courant schijnt zich met zulk een kleinigheid als de oorlogstoestand in eigen land niet op te houden. Waarom zouden zij ook zulke berichten opnemen, zij weten dat zij toch valsch of in elk geval schromelijk overdreven zijn. Het laatste bericht van het oorlogsveld dat in deze streken bekend werd, heeft overal in de dorpen zulk een opwinding teweeg gebracht, dat men ernstig gevreesd heeft, dat er hier 'n burgeroorlog tusschen Mohammedanen en Christenen zou door ontstaan zijn. Het was een bericht, nu drie à vier weken oud, waarin vermeld werd, dat de Italianen, geheel door de Turken verslagen zijn geworden, dat de overwinning der Turken ergens, ik weet niet waar, want wij krijgen hier ook geen couranten onder de oogen, een volkomene was en dat de Italianen bij duizenden door de Turken in de zee gezwiept zouden zijn. Het bleek natuurlijk later, dat dit bericht geheel onwaar of in elk geval buiten de perken van welvoegelijk liegen overdreven was. Beter geen berichten dan zulke berichten, zegt onze dragoman, die zich trouwens van den geheelen oorlog niet veel aantrekt.

Toen wij gisteravond met den trein vele dorpen passeerden, waar overal een ongewone drukte heerschte, vernam ik, dat de vele jonge mannen, die allen trachtten met den trein mede te komen, jonge Christen-Turken zijn, die hals over kop naar Amerika vertrekken, om de kans te ontloopen, naar het oorlogsveld gestuurd te worden. In Arabië, in dit deel van Turkije, is de oorlog met Italië niet populair en wordt meer beschouwd als een oorlog tusschen Christenen en Mohammedanen. Zou Turkije de overwinnaar zijn, dan zou daardoor de toestand der Christenen in Turkije wel eens hachelijk kunnen worden, zoo vreest men. Vroeger dienden in 't leger alleen Mohammedanen, de regeering van Turkije heeft echter nu ook de Christenen en Joden opgeroepen om in het leger dienst te doen.

Maar ook van de cholera in Jaffa weet men hier niets. Wij weten nu na een week niets meer dan toen wij Jeruzalem verlieten, dat er toen vier gevallen van cholera geconstateerd zijn en dat daarvan drie personen overleden zouden zijn. Ook wisten wij toen, dat Jaffa daarna besmet is verklaard en de booten, die naar Port Saïd gaan, Jaffa niet aandoen en er niemand van uit Jaffa vertrekken kan, zonder in het naastbijliggende dorpje of stadje een vijfdaagsche quarantaine te ondergaan. Nergens heeft men ons verder iets naders van den toestand in Jaffa kunnen berichten en zelfs wist men ons hedenochtend in de verschillende kantoren van de stoomvaartlijnen hier, in Beirut, geen nader bericht te geven dan dat van een week oud. Of de cholera zich in Jaffa uitgebreid heeft, of dat het bij die vier gevallen gebleven is, men weet er hier niets van, en toen ik vroeg of men dan geen telegrafische berichten verspreidde, om het land op de hoogte te houden van den werkelijken stand van zaken, vertelde men mij, dat, toen er eenige maanden geleden in sommige streken van Arabië de cholera heerschte, het gebleken is, dat de berichten, die men uit die streken kreeg, geheel valsch waren. Zoo waren in een dorp twee mannen belast met het begraven der cholera-lijken, waarvoor zij per stuk betaald werden. In één week hadden zij drie lijken begraven; dat vonden de heeren te weinig, om te reclameeren, en zij brachten driestweg twintig gevallen in rekening. Er werd nu bericht, dat er op zooveel zieken twintig sterfgevallen in één week voorgekomen waren, en, alvorens de valschheid van deze opgave geconstateerd was geworden, had het onware bericht reeds binnen- en buitenland bereikt. Deze weinige staaltjes geven een kleine illustratie van de geloofwaardigheid van het volk en tevens wat men van berichten uit zulk een land gelooven kan.

Men kan Arabië niet bereizen zonder zich vooraf voorzien te hebben van een goede hoeveelheid insectenpoeder. Alle hotels schijnen alleen bewoonde bedden te kunnen aanbieden. Al ziet alles er op het oog nog zoo zindelijk uit, dan moet men toch niet vast erop rekenen, dat men zijn bed niet met eenige andere levende wezens te deelen heeft. Over het geheel genomen staat het hotelwezen hier nog op een zeer laag peil. De weinige goede hotels, die er zijn, of laat mij liever zeggen, die goed zouden kunnen zijn, zijn toch slecht, omdat men zich er bedient van inboorlingen-bedienden, die geen flauw begrip van zindelijkheid en goede bediening hebben, en die er zelf altijd even onappetijtelijk uitzien. Nu kan men hier in den zomer of in het late voorjaar zeer gemakkelijk met eigen tenten reizen en daardoor de hotels vermijden, en dat wordt door Cook's gezelschappen en andere zulke reizigersgroepen ook meestal gedaan.

Het onderwijswezen der Turken staat ook op een zeer laag standpunt. Ik geloof niet, dat de regeering zich hier reeds bewust is, dat de opvoeding der jeugd een regeeringszaak is. Het aantal analphabeten onder de Mohammedanen is zeer groot. Ik weet niet of er statistische opgaven van bestaan, maar ook, al zouden die bestaan, dan weten wij vooraf, dat die ongeloofwaardig zijn. Toch zijn op vele plaatsen scholen, soms zelfs goede scholen, doch die zijn door Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen of Italianen gesticht. De meeste van die scholen hebben een godsdienstig karakter en de onderwijs-gevenden staan niet onder regeeringscontrôle. Iedereen kan hier een school openen. Hier, in Beirût, is zelfs een Amerikaansch instituut voor hooger onderwijs, dat na een vierjarige opleiding een doctor in de medicijnen kant en klaar aflevert.

Een ding moet ik niet vergeten mede te deelen, ofschoon het ergens anders misschien beter tusschen geplaatst zoude zijn. Wij zagen herhaaldelijk in verschillende plaatsen in den bazaar, dat is de plaats, waar alles verkocht en gekocht wordt, op de straat, of in open winkeltjes, meel, boonen, erwten, enz. koopen; waren, die per maat verkocht worden. De kooper mag dan zelf de maat vullen, er zooveel in doen als hij er bij mogelijkheid kan instoppen, en dan wordt met een rol de oppervlakte geëffend, zoodat die niet boven den rand van de maat uitsteekt en daarna afgeleverd. Ze vertrouwen elkaar dus ook niet heel erg, maar zijn zeer beleedigd, tenminste volgens onzen dragoman, als vreemdelingen zeggen, of toonen, dat zij de Turken niet erg vertrouwen. Men kan hier in geen winkel iets koopen en den prijs betalen, die er voor gevraagd wordt. Minstens 50% moet steeds worden afgedongen.

Toen wij Zaterdagavond laat in Beirût aankwamen, vernamen wij reeds spoedig, dat de booten van de Khedivian-lijn, die Haïffa en Jaffa aandoen, doch alleen om de mail af te geven en op te nemen, geen passagiers in Port Saïd mogen landen, dat die tot Alexandrië meegenomen moeten worden en daar een tweedaagsche quarantaine moeten ondergaan. Dat er Dinsdagavond echter een boot van de Fransche lijn van hier vertrekt, dat die in bovengenoemde havens niet stopt en de passagiers in Port Saïd alleen een medisch onderzoek hebben te ondergaan en daarna aldaar aan wal kunnen gaan. Daar wij allen onze groote bagage in Port Saïd hadden laten staan en enkelen van ons ook om andere redenen in die haven wilden landen, besloten wij, tot Dinsdagavond hier te blijven, Beirût te zien en een paar rustige dagen te hebben, alvorens wij in Egypte weder groote, nieuwe indrukken opdoen.

Beirût is een zeer geschikte stad om eenigen tijd rustig door te brengen. Het ligt aan de Middellandsche Zee en bezit een zeer zacht en prettig aandoend klimaat. De zon is hier niet zoo heet als aan de Riviera, maar ook is het hier niet zoo koud in de schaduw als daar. De omgeving van de stad is schitterend mooi, alles ademt rust en kalmte. Voor menschen en vooral voor kinderen met een zwakke gezondheid is het verblijf in den winter hier, naar mijne meening, weldadiger dan aan de Riviera. Blijft men aan den zeekant, dan is er geen stof te duchten, alleen de landwegen zijn stoffig, maar niet zoo erg als in de reeds genoemde streek. De stad is min of meer Europeesch, men ziet hier bijna geen oriëntaalsche kleeding. Ook in de meeste winkels kan men zich met de Fransche of de Engelsche taal verstaanbaar maken.

Wij gebruikten de paar dagen gedwongen rust om achterstallige correspondentie af te doen en om verfrischt en krachtig aan boord van het Fransche stoomschip te komen. Ofschoon wij wisten, dat de boot eerst 's avonds om zes uur zou vertrekken, begaven wij ons toch direct na de lunch reeds aan boord, om op de boot rustiger nog dan in de stad van het mooie landschap rondom ons te profiteeren.

Als wij nu morgen vroeg geen oponthoud in Port Saïd hebben en men ons zonder kunsten aan wal wil zetten, dan komen wij vroeg genoeg om onze bagage uit het depôt te halen en nog denzelfden dag naar Caïro te vertrekken. De geheele maand December blijven wij in Caïro.

6 December 1911.

IN QUARANTAINE.

Ik was mij niet bewust, toen ik den vorigen brief op het schip van de Messageries Maritimes zoo plotseling eindigde, omdat Port Saïd in het gezicht kwam en ik mij gereed moest maken om aan wal te gaan, wat mij boven het hoofd hing. Wel had ik 's morgens tot een mijner medereizigsters de opmerking gemaakt, dat op een zoo vuil schip, waarop eerste, tweede, derde en vierde klasse passagiers broederlijk en zusterlijk op het dek dooreenwandelden, er slechts een verdacht ziektegeval onder één van de lagere klassen behoeft voor te komen om ons allen in quarantaine te doen gaan. Maar ik dacht er niet aan, dat dit werkelijk het geval zou worden. Smeriger booten dan die Fransche booten kan men zich niet voorstellen. Voor de eerste klasse passagiers was alleen de eetzaal gereserveerd; maar daar vlak daarboven een hal was, waar elkeen kon komen, heerschte er den geheelen dag een drukkende, bijna niet uit te houden atmosfeer. Maar boven op het dek was het heelemaal niet te zijn, daar lagen en zaten in alle hoeken en gaten, op alle banken en stoelen, de geurige en kleurige Arabieren, die met hun heele hebben en houden op weg waren om van vaderland te verwisselen. De onschuldige kindertjes van deze natuurmenschen vermaakten zich met kinderlijke spelen en deponeerden tusschen de bedrijven door kleine plasjes en vaster bestanddeelen op de plekjes, die zij daarvoor geschikt vonden.

Er waren 1228 passagiers aan boord; daarvan waren er bijna 1000 tusschendekspassagiers, allen op weg naar Amerika. Ongeveer 150 van dezen moesten in Port Saïd aan wal gaan, om daar van schip te verwisselen, de anderen gingen tot Marseille door om daar overgescheept te worden. Deze menschen, die in eigen land en in eigen woning niet het minste begrip van zindelijkheid hebben, vertoonen natuurlijk nog smeriger uiterlijk op een overvulde boot, liggende kris en kras dooreen in de maag van het schip, zonder gelegenheid zich te reinigen, etende hun eigen meegebracht voedsel, en liggende op eigen meegebrachte lompen. Maar dat dezulken onze reisgenooten zouden zijn, wisten wij niet toen wij in Beirût aan boord gingen. Elkeen had ons zoo vaak verzekerd, dat de "Messageries Maritimes" ongehinderd Port Saïd zou kunnen binnenstoomen, dat wij aldaar alleen een medische inspectie hadden te ondergaan, dat wij niet twijfelden aan de geloofwaardigheid van deze inlichtingen.

Even over twaalf uur, het vastgestelde landingsuur, stoomden wij langzaam de haven van Port Saïd binnen, passeerden wij het mooie standbeeld van De Lesseps en wierp het schip zijn anker uit op eenige meters afstand van de landingsplaats. Wij stonden allen gepakt en gezakt om direct aan wal te gaan, doch men vertelde daar, dat wij te wachten hadden op den dokter, die nog niet aan boord was gekomen. Het was een Tantalus-kwelling voor de lieve echtgenooten, broeders en andere familieleden, die in kleine bootjes ons schip reeds waren tegemoet gekomen en steeds om ons heen bleven dobberen, en die op eenige armenlengten van het liefste wat zij bezaten verwijderd waren, en toch noch bij ons aan boord mochten komen, noch de lang verwachten over de verschansing heen bij zich in het bootje mochten tillen en meevoeren. Wachten, wachten, was steeds het antwoord, dat wij kregen als wij het eene kwartier na het andere zagen verstrijken en permissie vroegen om weg te gaan.

Om half twee begon de medische inspectie bij de eerste klasse. Wij moesten ons in de eetzaal verzamelen, en, als onze naam werd afgeroepen, den dokter voorbij de zaal verlaten. Dat kostte ons elk 2 shillings. Toen kwam de tweede klasse; ook dat ging goed. Daarna de derde klasse, en gelukkig werd ook daar alles goed bevonden. Het was toen reeds over drie uur en wij vroegen of wij nu niet aan wal mochten gaan, maar eerst moest de vierde klasse nog geïnspecteerd worden. En daar gebeurde het! Alles tengevolge van de stommiteit van den Franschen scheepsdokter.

Des nachts had een oude vrouw van 70 jaar, uit de 4de klasse passagiers, die met hare kinderen naar Amerika wilde vertrekken, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld; hoogstwaarschijnlijk door de slechte atmosfeer en de voorafgaande vermoeienissen en emoties van de reis, eenvoudig gesuffoqueerd. Dat kwam den inspecteerenden dokter verdacht voor en toen later ook onder het scheepsvolk een jonge man ontbrak en de dokter riep: "waar is die zieke jongen?", scheen de argwaan te vermeerderen. Toen ten slotte de boy gevonden was en deze opgaf, dat hij weder heelemaal beter was, alleen een beetje....., was de maat vol. De dokter wilde geen toestemming tot vertrek geven, hij vroeg een consult met een collega. Eerst kwam één, toen nog een dokter aan boord, die allen heel gewichtige gezichten zetten en nadat men ons tot zes uur in het onzekere had gelaten, kwam toen het positieve bevel; "Niemand mag aan wal gaan, allen moeten mede naar Alexandrië!" Het lijk van de oude vrouw, alsook de zieke jongeling, werden aan wal gezet en men verzekerde ons positief, dat wij in Alexandrië, na nog een medisch onderzoek, allen daar aan wal konden gaan. Den wachtenden echtgenooten werd vergund aan boord te komen om de mogelijke ballingschap met hunne vrouwtjes te deelen.

Ons clubje troostte zich in het lot, wij pakten den boel maar weder uit en vlijden ons na een gezelligen avond maar weder in onze scheepshutten ter ruste. Het was echter voor een massa passagiers een groote teleurstelling en veroorzaakte hun groote moeilijkheden. Er waren moedertjes met drie, vier en meer kinderen, die in Port Saïd thuis behooren, en die nu zooveel meer onkosten hebben, zooveel langer met die schapen onderweg moeten zijn en dood-vermoeid dezen tocht opnieuw, ondernamen.