Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 2
Het eerst gaf zij het woord aan Helene Westermarck, uit Finland. Wie, die een beetje in de wetenschappelijke wereld bekend is, is deze naam niet eigen als van een goeden bekende. Hare ethnologische werken, vooral haar werken over "het huwelijk bij alle volkeren", hebben haar een onsterflijken naam bezorgd. Helene Westermarck sprak in het Fransch. Meesterlijk is zij die taal machtig. Na eene uiteenzetting van den toestand der vrouwen in Finland, met nadruk wijzende, hoe die verbeterd werd sedert de vrouwen aldaar alle politieke rechten bezitten, spoorde zij de tallooze menigte aan, om niet den strijd op te geven, alvorens de vrouwen in alle landen van de bevoogding der mannen bevrijd waren. Een eerbiedige hulde bracht zij aan al die vrouwen, die, ieder in eigen land, den moed hebben getoond, dezen strijd aan te binden en voor bespotting, verguizing en verkeerde beoordeeling niet teruggeweken zijn.
Na haar kwam de ook in ons land alom bekende en geliefde Rosika Schwimmer aan het woord. Zij bracht met haar luimige speech alle aanwezigen telkens in een uitbundig gelach. Zij begon met het verhaal, dat ganzenhoeders beweren, dat, wanneer zij de ganzen een zekere grens niet willen laten overschrijden, zij dan een lijn trekken bij die grens; de ganzen zullen dan nimmer over die lijn gaan. De vrouwen vergeleek zij bij zulke ganzen. De mannen hadden voor haar een lijn getrokken, waar het politieke leven begint en tot voor niet heel lang hebben de vrouwen gemeend, die lijn niet te mogen overschrijden. De reden, die de mannen daarvoor opgeven, komt in hoofdzaak daarop neer, dat in de politiek het rijk der logica heerscht en dat vrouwen niet logisch kunnen denken. Daarom hebben vrouwen eeuwen lang den kop omgedraaid, zoodra ze aan de lijn kwamen, waar het rijk der mannen, dat der politiek begint; in de laatste decennia evenwel hebben sommige vrouwen den hals gerekt en eens over die lijn gekeken en gezien wat daar in dat mannenrijk voorvalt. Spreekster behoorde ook tot die nieuwsgierigen en nu toont zij met verschillende voorbeelden aan, wat mannenlogica beteekent. Onbedaarlijk was het lachen toen zij vertelde hoe o.a. in een canton in Zwitserland niet alleen de onderwijzeres voor hetzelfde werk minder betaald wordt dan de onderwijzer, maar, daar bij het salaris ook begrepen is, jaarlijks een zekere hoeveelheid voeder voor de koe, die elke onderwijzer en onderwijzeres ontvangt bij de aanstelling, de koe van de onderwijzeres slechts het halve rantsoen krijgt van de hoeveelheid, die de koe van den onderwijzer ten deel valt.
Na Rosika Schwimmer sprak Selma Lagerlöv. Deze pas met den Nobelprijs voor letterkunde begiftigde vrouw, met een allerinnemendst, vriendelijk gelaat, eene feministe pur sang, schetste de vrouw in het gezin, beschreef den toestand in de gezinnen, waar de huisvrouw en moeder gemist moet worden, en vroeg den mannen, hoe zij ooit hebben kunnen meenen, dat het groote gezin van den staat goed beheerd kan worden, wanneer de vrouwen daar tot medezeggenschap niet worden toegelaten.
Wij hadden reeds vernomen hoezeer deze Zweedsche schrijfster door haar landgenooten vereerd wordt, en vooral, hoe lief het Zweedsche volk haar heeft; nu waren wij getuigen, hoe in de overvolle operazaal, waar op de gaanderijen het Zweedsche volk dicht opeengepakt zat en stond, de geliefde landgenoote werd toegejuicht, welk een storm van enthousiasme zij wist op te wekken.
Toen werd het woord verleend aan mevr. Philip Snowden, Engeland's groote redenaarster. Het is moeilijk te zeggen, wat bij deze spreekster het meest geroemd moet worden, de inhoud van haar speech of de wijze, waarop die werd voorgedragen. Ook zij eindigde met hulde en dank te brengen aan de pioniers in dezen strijd.
Dr. Anita Augspurg, uit Duitschland, bepleitte het kiesrecht voor de vrouw op practische gronden. In Duitschland bleken er, na de laatste volkstelling, van de 30 millioen vrouwen, die dat land telt, 10 millioen vrouwen te zijn, die in eigen onderhoud voorzien. Trekt men van die 30 millioen alle meisjes en oude vrouwen af, dan blijkt, dat meer dan de helft van alle vrouwen productieven arbeid verrichten, en deze allen kunnen in de tegenwoordige omstandigheden, de tijd der sociale wetgeving, niet langer zonder invloed op de regeering blijven.
Tenslotte sprak reverend Anna Howard Shaw. Allen, die deze vrouw eens hebben hooren spreken, weten, dat het weergeven van den inhoud harer rede tot de onmogelijkheden behoort. Ik zal het ook niet beproeven. Zij sprak over het gebrek aan logica bij de mannen, en bouwde hare satirieke rede op over het feit, dat de mannen overal de vrouw de plaats willen aanwijzen, die zij moeten innemen, omdat God de vrouw voor die plaats zou hebben bestemd. Als dat zoo was, zegt rev. Shaw, dan zou God zelf er wel voor zorgen, dat zij binnen de grenzen bleef, waarvoor Hij haar bestemd had. Een hen is niet bestemd te zwemmen, daarom heeft zij ook geen zwemvliezen gekregen; nu zou het toch te dwaas zijn, om een wet te maken, waarbij hennen verboden werd te zwemmen. Zoo doen de mannen echter met de wetten voor de vrouwen. Gedurende geruimen tijd hield zij de hoorders geboeid en aan het slot werd zij van alle plaatsen met zakdoeken toegewuifd en dankte men haar door onder daverend applaus van de zitplaatsen te rijzen.
Het was een in elk opzicht vruchtbare avond voor de propaganda van het kiesrecht voor de vrouw; zeer zeker was er dien avond niemand in de zaal, die niet van de noodzakelijkheid van de invoering ervan overtuigd werd.
Woensdagavond was den talrijken vreemdelingen een feest bereid in Skansen, het openluchtmuseum en de bekende uitspanningsplaats van Stockholm. Ook dit was niet geheel een feestavond, omdat er om 7 uur eerst van twee spreekgestoelten de steeds talrijke bezoekers op een mooien zomeravond, werden toegesproken.
Onder de spreeksters was mevr. Drucker, uit Amsterdam, die haar rede over vrouwenarbeid in het Fransch uitsprak. Het was daar 'n recht genoeglijk feest, waarvan de gezelligheid verhoogd werd door de vele vrouwenstudenten, die ons op hun vele studentenliederen vergastten.
Vrijdagavond gaf de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zweden een diner in Hasselbacken en Zaterdagavond de afdeeling Stockholm in Saltsjöbaden.
Bij het eerste diner zat niet alleen de burgemeester van Stockholm, Carl Lindhagen, aan, maar ook de bisschop van de Luthersche kerk, baron Carl Bonde, benevens vele andere hooggeplaatste mannen, die aan de uitnoodiging gevolg hadden gegeven.
De bisschop opende de rij der sprekers en bleek een groot voorstander van vrouwenkiesrecht te zijn. Het was zijn diepgevoelde overtuiging, dat de tijd daarvoor reeds lang gekomen was en dat de regeeringen met deze hervorming in geen enkel land te vroeg, doch in veel landen wel te laat kunnen komen, Nederland behaalde dien avond een groot succes, doordat mevr. Goudsmit, die namens de Nederlandsche delegatie de tafelspeech hield, dit op zoo onverbeterlijke wijze deed, dat algemeen de meening werd uitgesproken, dat de Hollanders, als altijd op zulke congressen, de eer van hun land meesterlijk wisten op te houden.
Van het diner in Saltsjöbaden zal ik niets zeggen, maar ik moet even aanstippen den heerlijken terugtocht door de Saltsjön, de baai van de Baltische Zee. In drie booten werden de talrijke gasten om elf uur 's avonds huiswaarts gebracht. Een fantastisch, mooi avondlicht bescheen de, aan weerszijden met mooie villa's bebouwde, oevers. Het was een van die mooie, zoele zomeravonden, waarop een ongeveer anderhalf uur lange tocht op het water in een schilderachtig, mooie omgeving, een eenig genot is. Ook Zondag was het weder buitengewoon mooi, en waren er nog ruim 300 gasten, die, blijkbaar onvermoeid, nog deelnamen aan den boottocht naar het kasteel Gripssholm. Bij dezen tocht maakten wij kennis met de rivier Älar, en werden wij in drie uren langs een hoogst schilderachtigen weg naar het doel onzer reis gebracht.
Dat de vele Hollandsche vertegenwoordigsters zich hier bij al deze gelegenheden amuseerden en den vroolijken kant van onzen volksaard toonen, is door de ons steeds omzwervende verslaggevers der couranten niet onopgemerkt gebleven. Een der Zweedsche hoofdbladen berichtte althans, dat de aanwezige Hollandsche dames het levendigste en vroolijkste van allen en vlug als kwikzilver zijn.
Buiten de genoemde feestelijkheden gaven bovendien nog vele private familiën diners, teas en recepties, waarbij soms 75 gasten tegelijk werden uitgenoodigd.
Wij mogen hier niet verzuimen bij te voegen, dat op geheel onofficieele wijze de Nederlandsche gezant, baron Van Welderen Rengers, en zijn vrouw, alle Nederlandsche vertegenwoordigers eene uitnoodiging voor een tea ten zijnen huize zond, waaraan door de meesten onzer is gevolg gegeven.
Van de vele werkzaamheden, die gedurende deze week verricht werden, wil ik de voornaamste alleen vermelden. Het waren voornamelijk de bespreking van verschillende vragen. De eerste was: Hoe kunnen de vrouwen, die het kiesrecht reeds bezitten, beter dan tot nu toe, hare nog politiek onmondige zusters materiaal voor propaganda bezorgen, valsche courantenberichten over hare handelingen tegenspreken, en de internationale vrouwenkiesrechtbeweging steunen?
Fröken Vera Hjelt, de bekende inspectrice van den arbeid, uit Finland, gaf als haar meening te kennen, dat de vrouwen-parlementsleden na korte tusschenruimten een rapport moeten opmaken van alles wat door vrouwen-parlementsleden in hun respectieve parlementen is voorgesteld, op welke wijze het verdedigd werd en hoe die vrouwen spraken en stemden over voorstellen, door anderen ingediend. Zij zelf had zulk een rapport samengesteld over den parlementairen arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907-1911. Dit rapport stelde zij ten dienste van de internationale beweging.
Door Nederland werd, bij monde van mej. J. C. van Lanschot Hubrecht, voorgesteld, om, wanneer er in een land een wetsontwerp voor vrouwenkiesrecht in het parlement aanhangig is, dat dan de vrouwen, die het kiesrecht bezitten, hun respectieve regeeringen zullen verzoeken om, evenals de regeering van Australië tegenover Engeland heeft gedaan, van regeering tot regeering, de gevolgen van de invoering van vrouwenkiesrecht in dat land mede te deelen.
De vraag: Door welke werkwijze heeft men het snelste het doel bereikt en werd de propaganda het best gediend? gaf velen gelegenheid tot discussie. Het behoeft niet gezegd te worden, dat Engeland hierbij op de militante strijdwijze wees, die de Engelsche vrouwen nu weldra het kiesrecht zal bezorgen, terwijl van alle andere zijden op zachtere werkmethoden werd aangedrongen, doch bijna allen de overtuiging waren toegedaan, dat de propaganda moet gebracht worden naar buiten en zich niet moet beperken binnen vergaderzalen.
Over de vragen: Welk politiek werk hebben de vrouwen gedaan, in de landen, waar zij het kiesrecht bezitten? In welke verhouding staan zij tot de politieke partijen? Hoe worden zij door de politieke partijen behandeld? Welken raad hebben zij andere landen te geven? werd natuurlijk alleen het woord gevoerd door de vrouwen, die het kiesrecht bezitten, en vooral door de aanwezige parlementsleden uit Finland.
Na de beantwoording van de eerste vragen was de unanieme raad, dat de vrouwen, als zij het kiesrecht krijgen, zich voegen bij de bestaande politieke partijen der mannen, doch, dat zij daarnaast een of meer politieke vrouwenvereenigingen moeten, vormen, om de bijzondere belangen der vrouwen te behartigen. Eerst als in de landen volkomen gelijkstelling voor de wet van man en vrouw bereikt is, kunnen politieke vrouwenvereenigingen misschien overbodig worden; zoolang de gelijkstelling nog niet bestaat, moeten zij in het leven geroepen en in stand gehouden worden.
Bij de vraag, op welke wijze kan de meeste invloed op leden van het parlement uitgeoefend worden? gaf Engeland weder als zijn meening te kennen en wist dit meesterlijk te verdedigen, dat men de parlementsleden nimmer moest helpen in de Kamer te komen, want dankbaarheid kent zoo'n lid niet; maar, dat men de tegenstanders wel moest tegenwerken bij de verkiezingen, want vrees voor de tegenwerking der vrouwen werkt het best. Zweden wilde heel goedig de beloften van candidaten gelooven, en voor die het meest beloofden, het hardst loopen. Toch hebben de Zweedsche vrouwen bij de laatste verkiezing een invloedrijken tegenstander gewipt, door den heelen dag in zijn district met een grooten wagen rond te rijden, die geheel beplakt was met groote woorden: "Kiest mijnheer X. vooral niet."
Geen enkele vraag bracht echter zoovele tongen los als die: "Wat moet de verhouding zijn van de vrouwenkiesrechtvereenigingen tot de politieke partijen in hun land, daar waar zij het kiesrecht nog moeten veroveren?"
Eenstemmig was men van meening, dat elke vereeniging van vrouwenkiesrecht een volstrekt neutraal karakter moet dragen, vrouwen van alle politieke, godsdienstige en maatschappelijke overtuiging in zich moet kunnen opnemen en geen enkele politieke partij eenige voorkeur moet toonen.
Nadrukkelijk werd er door de politiek ontvoogde vrouwen op gewezen, dat men nog nergens het kiesrecht verkregen heeft van eene partij, doch, dat het altijd overtuigde mannen uit de verschillende partijen geweest zijn, die de invoering hebben mogelijk gemaakt.
Men was het er echter heelemaal niet over eens of niet de vrouwen individueel zich bij de bestaande politieke partijen moesten aansluiten en daar invloed trachten te verkrijgen. Werden aan den eenen kant de vrouwen-leden van politieke partijen als gevaarlijke mede-leden der vrouwenkiesrechtvereenigingen voorgesteld, omdat zij op een gegeven oogenblik 't partijbelang boven het belang der gemeenschap, dat snelle invoering van vrouwenkiesrecht eischt, zouden stellen, aan den anderen kant wees men juist op den invloed, die men op de mannen kon uitoefenen als mede-leden van een politieke partij, als de vrouwen maar wisten en nooit vergaten, dat vrouwenkiesrecht boven elk partijbelang moest gaan. Ook verkreeg men daardoor het voordeel, dat de mannen zich al vast begonnen te gewennen aan het medespreken der vrouw over politieke vraagstukken.
Het volgende congres zal in 1913 in Boedapest gehouden worden, doch er zal, indien Weenen dat verlangt, een klein na-congres, bestaande in een reeks van openbare vergaderingen in Weenen aan verbonden worden. Gedurende de zittingen van het congres kwam de mededeeling, dat in Zweden een Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht was opgericht, met aanvankelijk 40 leden, en den leider der liberale federatie en lid van het parlement, den heer Beckman, als president.
Tevens werd medegedeeld, dat de bestaande mannenbonden zich internationaal verbonden hebben tot 'n Internationalen Mannenbond, die de vrouwenvereenigingen op alle wijzen hoopt te helpen.
Op verzoek van de Bulgaarsche delegatie werd aan de regeering van Bulgarije 'n schrijven gericht, om bij de herziening van de Grondwet, waarmede 23 Juni 1911 zal worden aangevangen, den vrouwen van Bulgarije het kiesrecht, waarom zij vragen en waarvoor zij strijden, te willen verleenen.
Ook aan de regeering van Portugal werd het verzoek gericht, om alle andere vrouwen van Portugal, evenals dr. Angelo, politiek te ontvoogden.
Een voorstel, om een internationale deputatie naar minister Asquith te zenden, werd onder groote hilariteit afgestemd.
Maandag gaan nog vele leden een tocht naar Upsala ondernemen, waarvoor een extra-trein is afgehuurd. Daar zullen zij door de aldaar bestaande afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht worden ontvangen, en den geheelen dag haar gasten zijn. Dinsdag zal de laatste vergadering van het uitvoerend bestuur (de bestuursleden met de presidenten der aangesloten landen) plaats vinden en daarna vertrekken de meesten weder naar hun landen of gaan nog uitstapjes in Zweden maken, om de eigenaardige schoonheid van dit land nader te leeren kennen.
Namen in 1906 in Kopenhagen nog geen politiek ontvoogde vrouwen aan het congres deel, bij het congres, in 1908 te Amsterdam gehouden, waren reeds vrouwen uit Finland, Noorwegen en Australië aanwezig, die het politieke kiesrecht bezitten. In Londen waren in 1909 eenige leden van gemeenteraden en zelfs eene vrouwelijke wethouder onder de gedelegeerden, doch nu, in 1911, telde het congres reeds vele vrouwen onder de afgevaardigden, die in hun land lid van het parlement zijn. Een volgend congres moet ten minste een vrouwelijke minister brengen, wil de climax voortgaan. Professor Reuterskjöld, in Zweden, die van meening is, dat de vrouwenkiesrechtbeweging reeds lang haar hoogtepunt bereikt heeft en in alle landen in kracht en omvang afneemt, zal zeker door dit congres wel van zijne kortzichtigheid overtuigd zijn geworden.
NAAR DALECARLIË.
Mijne beide reisgezellinnen, die met mij de reis van Holland naar Zweden maakten, en ik, kwamen spoedig tot de ontdekking, dat wij de week, die wij reeds vóór het congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in Zweden doorbrachten, moesten benutten om de verder afgelegen provinciën van Zweden te bezoeken, omdat wij gedurende de congresweek genoeg gelegenheid hadden van Stockholm en de naaste omgeving te genieten, en wij direct na het congres eene reis door Lapland en een tocht om de Noordkaap op ons program hadden. Wij kwamen overeen, om naar Dalecarlië te gaan, om daar de schoone natuur, de Zweedsche origineele kleederdrachten en het Zweedsche boerenleven met eigen oogen te aanschouwen. Het lezen van de boeken van Zweden's grootste romanschrijfster, Selma Lagerlöf, de in Stockholm overal uitgestalde plaatjes en prentbriefkaarten van Dalecarlië's bevolking en de reclame, die er door de bureaux voor vreemdelingenverkeer van dit deel van Zweden gemaakt wordt, spoorden ons niet weinig tot dit bezoek aan. Daar wij eerst den avond vóór Pinksteren in Stockholm aankwamen en men ons inlichtte, dat vooral de Zon- en feestdagen in Dalecarlië voor vreemdelingen interessant zijn, omdat dan alle boeren en boerinnen in hunne veelkleurige Zondagscostuums zijn en in hunne vol menschen geladen booten en bontgekleurde wagentjes naar de kerken gaan, besloten wij zoo spoedig mogelijk naar Rättvik, de meest aanbevolen plaats, af te reizen. De afstand van Stockholm naar Rättvik is slechts 262 kilometer; wij dachten dus den eersten Pinksterdag, in den loop van den dag, daarheen te vertrekken. Toen wij echter Zondagsochtends in het Grand-Hôtel de noodige inlichtingen inwonnen, bleek al heel spoedig, dat wij dien dag Rättvik niet meer konden bereiken, omdat de eenige doorgaande trein des morgens om 10.20 van Stockholm vertrekt. Alleen indien wij bereid waren met den nachttrein te gaan, zouden wij er nog den tweeden Pinksterdag vroeg kunnen aankomen. Wij bleven toen maar den eersten Pinksterdag in Stockholm en vertrokken den tweeden 's ochtends om 10.20. Wel had de portier van het Grand-Hôtel ons zoo terloops gezegd, dat wij 's avonds om 6.40 in Rättvik aankwamen, doch dat hadden wij voor een vergissing gehouden. Het was immers een sneltrein waarmede wij gingen, dat was ons herhaaldelijk verzekerd, en hoe zou die dan meer dan acht uur kunnen zoekbrengen op een traject van 262 kilometer.
De Zweedsche spoorwegen wisten dit echter klaar te spelen. Hoewel wij van Stockholm naar Upsala, ruim 60 kilometer, in ongeveer vijf kwartier aflegden, besteedden wij inderdaad meer dan zeven uur voor de overblijvende 200 kilometer. Na elken kilometer hield de trein stil; geen dorpje of gehuchtje mochten wij passeeren, en het oponthoud was somtijds lang genoeg, om van de meestal schilderachtige omgeving even een paar fotografische opnamen te maken. Het was evenwel dikwijls moeilijk om uit te vinden, hoe lang het oponthoud in de verschillende stations was, want wij hadden geen goeden reisgids van Zweden kunnen bemachtigen. De eerste, dien men ons in de handen gestopt had, bleek een verouderde gids te zijn, en de tweede bleek een opgave van alle hotels, tot zelfs van die in de kleinste dorpjes van Zweden, te bevatten. Wel sprak eene der reisgezellinnen Deensch, maar voor deze mystificatie had zij ons toch niet kunnen behoeden en ook de vriendelijke hoofdconducteur, die in den trein alle moeite deed om ons de noodige inlichtingen te verschaffen, werd door onze Deensch sprekende vriendin slechts ten halve verstaan.
Dat reizen in een land, waarvan men de taal niet kent, bracht ons reeds spoedig kleine teleurstellingen. In Krylbo, waar wij tegen ruim één uur aankwamen, werd ruimschoots tijd gegeven, om aan het buffet van het stationrestaurant een middagmaal te bemachtigen. Maar daar wij niet verstonden, wat de conducteur ons mededeelde, begrepen wij eerst later, waarom alle medereizigers waren uitgestapt. Toen spoedden ook wij ons naar de welvoorziene tafels van de restauratiekamer, om voor de eerste maal nu eens op zijn Zweedsch te eten. Van bediening was namelijk geen sprake, elkeen voorzag zich van een bord, die op hooge stapels aan de hoeken der tafel stonden, nam zich vork en mes, en laadde toen van de vele gerechten visch, vele soorten warm en koud vleesch, allerlei groenten, etc. op zijn bord, wat hem of haar het meest aantrok. Dan nam men aan een van de lange, of een kleine tafel plaats en trachtte zoo snel mogelijk de grootste hoeveelheid naar binnen te werken. Uit een hygiënisch en vooral ook uit een aesthetisch oogpunt zijn deze soort Zweedsche maaltijden niet voor navolging aan te bevelen. Hadden wij tijd genoeg gehad om dat diner wat minder gehaast te nemen, dan zoude voorzeker de prijs, die er voor betaald moest worden, bespottelijk laag geweest zijn; nu wij echter achterna tot de slotsom kwamen, dat wij door dit eerste experiment wel veel geleerd, doch niet veel substantieels ontvangen hadden, was de prijs van 1 1/2 kroner, ongeveer een gulden, toch nog hoog genoeg.
Een tweede tegenvallertje wachtte ons. Tot Krylbo waren wij op de lijn der staatsspoorwegen en tot zoover liep mijne kaart. De andere dames bezaten een kaart, die direct tot Rättvik ging. Van Krylbo tot Rättvik moest ik dus een plaatskaart bijnemen. De stationschef verstond een beetje Duitsch en was goedmoedig genoeg om den trein nog een minuutje langer te laten wachten en mij eerst van een verder plaatskaartje te voorzien, waarvoor ik 4 1/2 kr. moest betalen. Toen de trein echter in vollen gang was, beduidde de conducteur ons, dat mijn kaartje naar Insjön voerde, een ander dorpje aan het meer Siljan, doch vanwaar ik 's avonds niet meer naar Rättvik kon komen. Met Deensch, met Duitsch, met Engelsch en met Fransch brachten wij den conducteur aan het verstand, dat ik toch naar Rättvik zou reizen, het mocht kosten wat het moest. Later op den middag kwam hij, vergezeld van een Zweedsch gentleman, die hij uit een ander coupé had gehaald, weer bij ons terug en met dezen vriendelijken man als tolk werden wij het spoedig eens. Ik kon medegaan naar Rättvik en de daar aangestelde stationschef, die goed Duitsch sprak, zou voor ons de zaak wel verder in orde maken.
Wat moeten Engelschen en Amerikanen, die in den regel maar één taal kennen, zich toch dikwijls in moeilijkheden bevinden en weinig van hunne reizen profiteeren, door het gebrek van op hunne vele reizen nooit de taal van het land machtig te zijn. Bij onze aankomst in Rättvik had ik het te weinig betaalde aan te vullen en daarmede was dit incident afgeloopen.
Het had ons echter in nauwer verbinding met den daar aanwezigen vriendelijken stationschef gebracht, die ons van eene goede reisgids en vele goede inlichtingen en raadgevingen voorzag.
Nadat wij ons in het hotel, dat inderdaad een eerste rangs hotel in de bergen kan genoemd worden en dat ons den wijd bekenden, doch dikwijls niet verdienden naam van "Hollandsche zindelijkheid" op de lippen bracht, wat opgefrischt hadden, begaven wij ons op weg om nog zooveel mogelijk van den Zondag aan het meer Siljan te genieten.