Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 19

Chapter 193,816 wordsPublic domain

Baedeker zegt, dat men hier de Mohammedanen, Joden en Christenen aan hunne kleeding kan herkennen; dat is maar goed ook, want, volgens hun uiterlijk zou men ze zeker allen onder de zonen van Israël rangschikken. En wat de straten en die menschen er allen vies en vuil uitzien, dat is niet te beschrijven. De Batavierstraat en Uilenburg in Amsterdam zijn er met hunne bewoners heilig bij. Toch is dat alles schilderachtig mooi. Als men daar zoo'n karavaan kameelen, zwaar beladen, door zoo'n nauwe straat vol kleurig gekleede mannen en vrouwen ziet gaan, of een troep ezeltjes, ieder met een Mohammedaan er op, of oude huisvaders op hun laag stoeltje voor hun winkeltjes ziet zitten, dan blijft men staan en zou graag van dat alles een afbeeldsel nemen, maar een fotografie of teekening kan onmogelijk de kleurschakeering en levendigheid weergeven, die het in werkelijkheid bezit.

In ons hotel "Hotel Jeruzalem", hebben de kamers geen nummers, maar alle een bijbelsche naam. Mrs. Catt, die haar kamer naast de mijne heeft, logeert in Ruben en ik in Dan. De bijbelsche kennis van ons vier is niet toereikend om uit te maken waardoor mijnheer Dan zich beroemd gemaakt heeft, en terwijl ik vlijtig zit te schrijven, zitten mijne drie reisgenooten in den bijbel deze en dergelijke bijzonderheden na te pluizen. Het hotel is gelukkig zindelijk en goed en ligt in de buurt, waar de Duitsche bevolking woont, dat is in eene der voorname straten, als men ten minste dien term gebruiken kan.

Van het voornemen, om hier een dag rust te nemen, is natuurlijk niets gekomen. Den heelen morgen waren wij in de straten en op de markt en met een gids van hier hebben wij een contract afgesloten om ons door Palestina te voeren. Dat contract nam direct na de lunch een begin en om half twee waren wij dan ook reeds alle vier gereed, om per rijtuig de kolonie, door Rothschild uit Parijs dertig jaren geleden hier gesticht, te bezoeken. Deze kolonie is ruim acht mijlen buiten Jaffa gelegen en, ofschoon de weg allerbedroevendst was, bracht toch de geheele tocht ons een en al in verrukking. Het was heerlijk weder, niet te warm en niet te zonnig en daar zaten wij, met onzen Engelsch, Fransch en Duitsch sprekenden gids naast den koetsier om ons alles te verklaren, den geheelen weg over te genieten van alles, wat wij passeerden. Wij reden voorbij oude bronnen, groote oude graftomben, langs sinaasappelplantages; wij zagen uitgestrektheden land beploegen met 'n kameel of een os voor 'n ééntandsche ploeg bespannen; wij zagen Bedouïnen in hunne primitieve hutten, en licht en eenvoudig landbouwwerk verrichten; wij zagen kudden schapen en geiten, en menschen die zoo uit den bijbel in levenden lijve voor ons stonden; wij reden langs de vlakte van Sharon en zagen de vrouwen en meisjes water uit de bronnen halen en ezels en kameelen zich laven met het koele vocht; wij zagen de roos van Sharon in menigte bloeien en daarnaast de leliën van het veld en narcissen en irissen en dat alles eerst in mooi, helder daglicht en terugkomende in een prachtige avond-schemering. Nooit zag een van ons zoo'n mooien zonsondergang als hedenavond, waardoor de heuvels van Juda in een teer violette kleurschakeering gezet werden, waaraan wij ons oog niet konden onttrekken. Het was alsof wij in een sprookje leefden.

Maar in de kolonie Richon le Zion zooals die door Baron Rothschild gedoopt is, is alles werkelijkheid. Rothschild heeft hier ongeveer 30 jaar geleden ruim 600 hectaren bouwgrond gekocht en wat geld disponibel gesteld voor de Russische en Roemeensche Joden, die uit hun land verdreven werden.

Op dien grond en met dat geld zijn die menschen hier een wijndruiventeelt begonnen en hebben wijn gefabriceerd. Vier en twintig jaar geleden heeft Rothschild hen met geld geholpen om een wijnkelder te bouwen, geheel op denzelfden voet gebouwd en ingericht als die te Bordeaux, die de grootste en beste van de geheele wereld moet zijn. Deze hier volgt in grootte direct op dien te Bordeaux. De zaken gingen zoo goed, dat achttien jaar geleden Rothschild geheel kon worden afbetaald en alles nu aan de kolonie toebehoort.

Hoewel deze kolonie hoofdzakelijk uit Russen en Roemeniërs bestaat, zijn er toch ook enkele Duitsche, Fransche en Engelsche Joden onder. De kolonie bevat ongeveer honderd families. Zij werken coöperatief, dat is te zeggen, elke familie woont in eigen huis en bezit haar eigen stuk grond, dat groot of klein is.

De druiven worden in de fabriek bewerkt en naar gelang men inzendt, wordt men uitbetaald. In de fabriek werken losse arbeiders, die in loondienst zijn; dat zijn geen kolonisten, doch wel bijna allen Joden.

Eenige jaren geleden heeft de kolonie groote verliezen geleden, doordat zij voor haar wijn geen uitweg vond. In het land kon niet meer verbruikt worden en voor het buitenland had men geen afnemers. De kelder lag toen vol. In dien tijd zijn toen vele kolonisten begonnen hunne druiven uit te roeien en er sinaasappelen en amandelen en andere vruchten voor in de plaats te kweeken. Na de moeilijkheden, die de wijnfabricage het vorige jaar in Frankrijk ondervond, heeft Frankrijk allen wijn, die in voorraad was, van hier opgekocht en heeft ook voor dit jaar groote bestellingen gedaan. De geleden verliezen is men daardoor te boven gekomen en daar de nieuw aangekweekte vruchten ook een goeden oogst hebben geleverd en goed verkocht worden, hoopt men door het ongeluk nog tot meerdere voorspoed te komen. De wijnfabricage bedroeg dit jaar 35.000 hectoliter.

De kolonie, die een dorpje op zichzelf vormt, ziet er veel en veel zindelijker en beter onderhouden uit dan Jaffa. Ook zagen de kinderen en volwassenen er bijna zonder uitzondering frisch en gezond en flink uit. Wij hadden nog even gelegenheid de school te bezoeken, waar de kinderen degelijk onderricht genieten en waaraan ook een cursus voor mannen en vrouwen verbonden is. Wij zagen er de kinderen, jongens en meisjes, juist een les in tuinbouw ontvangen.

Er zijn hier in de buurt nog tal van Joodsche kolonies, die alle min of meer in denzelfden geest werken en die het ook allen goed gaat. De drie grootste hier zijn Duitsche nederzettingen. Zoo oppervlakkig beschouwd, is er nog plaats voor tal van Joden, die zich hier, dunkt mij, geheel tehuis moeten gevoelen. Er ligt nog zooveel vruchtbare grond onbearbeid, en als de grond hier bewerkt wordt, geschiedt dit op zoo'n primitieve wijze, dat er oneindig meer uit te halen moet zijn, dan er nu uitgehaald wordt.

Dinsdagmorgen waren wij reeds bijtijds gereed om direct na het ontbijt met onzen dragoman er op uit te kunnen gaan. Het eerst reden wij naar de laatst gevormde kolonie van Zionisten, waar ook het alom bekende Joodsche gymnasium gevestigd is. Deze kolonie, waarin Russen, Duitschers, Oostenrijkers, Roemeniërs, Engelschen, etc., etc. wonen, is nog maar 2 jaar oud. De huizen zijn geheel nieuw en zijn voor het grootste deel kleine of groote villa's. Het is duidelijk, dat de kolonie, "Tal Abib" genaamd, hoofdzakelijk uit welgestelde Joden bestaat. Zij is gelegen aan de zeekust; de grond is er vruchtbaar, alle bewoners zien er welvarend uit, voor zoover wij ze zagen. Zij zijn geen landbouwers of vruchtkweekers, zij werken ook niet coöperatief, zij hebben financieel niets met elkaar uit te staan. Het zijn kooplieden, die hun zaken in geheel Palestina of daar buiten drijven, bankiers, doctoren, leeraren en zulk soort menschen. Het meest interessante in deze kolonie, maar geheel onafhankelijk daarvan, is het Joodsche gymnasium. Deze mooie, hygiënisch goed gebouwde, groote school, die ongeveer 6 jaar geleden door den heer en mevrouw Moser, uit Engeland, gesticht werd, wordt nu door het geld van dezen en ongeveer 800 leden uit verschillende landen in stand gehouden. Ieder lid, ook in Holland zijn eenige leden, betalen jaarlijks 250 frcs. contributie. Voor ieder kind wordt van 60 tot 160 frcs. schoolgeld jaarlijks betaald, naar gelang hunne ouders welgesteld zijn. Voor ongeveer 10 pCt. der leerlingen wordt niets betaald. Elk lid heeft het recht voor zijn contributie een kind gratis te plaatsen.

Er zijn op dit oogenblik 305 leerlingen, waarvan 206 jongens en 99 meisjes, terwijl er bovendien nog 40 leerlingen in een voorbereidende klasse zijn. Voor al deze leerlingen zijn 23 leeraren en leeraressen en een directeur. Veertig van deze kinderen zijn in Jaffa geboren, doch uit ouders, die naar Palestina geïmmigreerd zijn. Tachtig kinderen zijn elders geboren en met de ouders uitgekomen. Vijf-en-twintig kinderen komen uit andere kolonies, rondom Jaffa, en van vijf-en-zestig leerlingen wonen de vaders in het buitenland en zijn de moeders met de kinderen hier gekomen om hun een goede Joodsche opvoeding te geven. Deze laatsten zijn voor het grootste deel welgestelde Russen, die hunne kinderen in Rusland niet op goede scholen geplaatst kunnen krijgen. Verder zijn er op school nog een kleine honderd weezen uit verschillende landen, die bij families ondergebracht zijn. Men is echter nu bezig een mooi pension te bouwen, waarin 60 à 70 kinderen gehuisvest kunnen worden en dat uitgaat van de vereeniging of het comité, die de school in stand houdt.

Het leerplan is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de Zwitsersche scholen en ook van de leeraren en leeraressen zijn de meesten in Zwitserland gevormd. De leerlingen kunnen het op deze school tot aan de Universiteit brengen, daarna moeten zij naar Europa gezonden worden. Men denkt er evenwel over ook een Joodsche Universiteit te bouwen. In Haïfa wordt reeds een Joodsche Polytechnische school gesticht.

Behalve in alle andere wetenschappen, ontvangen de kinderen hier nog onderwijs in Arabisch, Turksch, Duitsch, Fransch en Latijn en Grieksch en al het onderwijs wordt in de Hebreeuwsche taal gegeven, zoodat zij ook deze taal grondig moeten kennen. Voor vele kinderen is dat echter te veel en daarom is het Fransch, Hebreeuwsch en Turksch of Arabisch obligatorisch gemaakt, terwijl de andere talen facultatief zijn gesteld. Natuurlijk wordt er niet alleen de Hebreeuwsche taal, maar ook de Hebreeuwsche philosophie, godsdienst en historie onderwezen; de kinderen ontvangen hier een zuiver Hebreeuwsche opvoeding. Onder de leerlingen waren er vele echt mooie Joodsche typen en allen zagen er even opgewekt en frisch en gezond uit. De geheele school met alle leeraren en leerlingen maakte een gunstigen indruk en 't is zeker, dat deze school een groote toekomst heeft. Wij alleen leerden bij dat bezoek veel en begrijpen de Zionisten en hunne drijfveeren beter dan ooit te voren.

Ik heb over deze school zoo uitgebreid geschreven, omdat het mij voorkomt, dat vele lezers daarin belang stellen en het hoogst waarschijnlijk een school is, die eenig is in de wereld.

Nadat wij deze school bezocht hadden, gingen wij naar de plaats waar Tabitha, ook wel Dorcas genoemd, gewoond heeft en hare graftombe nog bestaat. Er is nu een Russisch klooster, waar monniken en nonnen in vrede te zamen wonen. Zij behooren tot de Grieksche kerk.

Vandaar gingen wij nog even het huis zien, waar Simon, de looier, gewoond heeft, maar ik heb nog geen tijd gehad na te zien, waardoor deze heer zich beroemd heeft gemaakt. Mijne reisgenooten beweren, dat hij Jonas gastvrijheid verleend heeft, toen die door de walvisch uitgespuwd en aan land geworpen werd, maar dat komt met de tijdrekening niet overeen.

Toen moesten wij naar huis om te lunchen en ons haasten om nog den trein van één uur naar Jeruzalem te halen. Onze dragoman vergezelt ons daarheen en zorgt voor alles. Ik zit nu in den trein dezen brief te vervolgen; een zeer comfortable eerste klasse waggon, waarin wij alleen met onzen dragoman zitten. Op onzen weg passeeren wij allerlei interessante plaatsen en bovendien is de geheele tocht belangrijk door de mooie bergpassen. Nadat wij Jaffa achter den rug hadden en de vele sinaasappelkweekerijen voorbij waren,--ik hoorde, dat er jaarlijksch 700.000 kisten sinaasappelen, iedere kist 12 dozijn stuks bevattende, alleen uit Jaffa uitgevoerd worden,--zagen wij heele akkers met olijfboomen. De olijven, die van deze boomen komen, zijn klein en alleen geschikt om er olie uit te persen en zeep van te maken. Daarna werd ons reeds spoedig de plaats aangeduid, waar de Philistijnen gewoond hebben en de plek waar David Goliath met een steen doodde. Op die plek liep nu een jong schaapherdertje achter een groote kudde schapen en geiten en die zag er uit alsof hij vergeten had dood te gaan en er nog stond van uit den tijd van David. Toen zagen wij de plaats waar Samson geboren is en waar hij begraven werd en later de cave--ik weet op het oogenblik het Hollandsche woord niet--waarin Samson in liefde ontvlamde voor Dalila. Samson en Dalila zochten hunne liefde hoog, want die cave is boven in een heel hoogen, rotsigen berg, die moeilijk te bereiken is. De holte schijnt echter nog al diep te zijn, want de kruisvaders hebben er later een heele kerk in gebouwd; nu dient zij voor een schuilplaats voor herders.

Zoo zou ik wel kunnen doorgaan met alle oud-testamentarische gebeurtenissen te vermelden, waarvan wij de plaatsen zagen waar zij voorgevallen zijn, maar dat wij door 't land van Juda en daarna door het land van Benjamin togen en nog zooveel meer, komt mij weinig belangrijk voor. De geheele afstand tusschen Jaffa en Jeruzalem, die ongeveer 54 mijlen bedraagt, is vol van deze merkwaardigheden.

Iemand, die Palestina bezoekt, moet van een goede dosis goed vertrouwen in de verhalen, die men hoort, voorzien zijn, wil men genieten van hetgeen men ziet en hoort. Wij hebben ons voorgenomen om aan de waarheid van geen enkel verhaal te twijfelen en voor vast aan te nemen, dat de ons aangewezen plaatsen en het feit, dat er zou zijn voorgevallen, onvoorwaardelijk de ware zijn. Onze dragoman is in groote bewondering voor ons kinderlijk vertrouwen en meent ons nu en dan eens te moeten waarschuwen, dat men omtrent deze of gene plaats of dit of dat feit niet de volle zekerheid heeft.

Om ongeveer half zes bereikten wij Jeruzalem, waar wij nu eens niet in een hotel onzen intrek gaan nemen, maar in de stichting van Mrs. Spafford, de Amerikaansch-Zweedsche kolonie, die in Selma Lagerlöf's boek "Jeruzalem", zoo phantastisch beschreven is. Ook dr. Abraham Kuyper schijnt, zooals ik juist hoor, over deze kolonie geschreven te hebben in zijn reisbeschrijving door dit land, maar ik heb dat boek niet gelezen. Eigenlijk is het station een weinig buiten de stad gelegen en moesten wij eerst het dal van Hinnom passeeren en de hoogte van Zion bestijgen, alvorens wij de Jaffapoort bereikten, waarmede wij in Jeruzalem waren. De Amerikaansch-Zweedsche kolonie ligt even buiten de stad. Onze ontvangst was daar zeer hartelijk en weldra waren wij in onze gezellige en comfortable kamers geïnstalleerd, waar ik dezen brief nu zit te voleindigen. De afspraak met onzen dragoman is om morgenochtend zes uur af te reizen naar Jericho en de Doode Zee, vanwaar wij dan Donderdagavond hier in deze woning terugkeeren. Deze tocht gaat geheel per rijtuig en wij hebben nu nog prachtig weder, vandaar dat wij zoo'n haast maken. Men kan in Jeruzalem nooit lang achtereen zulk mooi, zonnig weder verwachten, meestal regent het hier in dezen tijd van het jaar.

Ik word nu verzocht beneden te komen om een concert bij te wonen, dat eenige kolonisten hier geven. Ik hoop over deze kolonie ook mijne indrukken te schrijven, die natuurlijk geheel persoonlijke indrukken zijn en wel hemelsbreed zullen verschillen van die door dr. Kuyper hier opgedaan. Zeker is reeds, dat alles hier in werkelijkheid geheel anders is dan Selma Lagerlöf met haar groote phantasie en prachtigen stijl er van gemaakt heeft.

II.

Het was vanochtend, 22 Nov., nauwelijks half zeven, toen de twee rijtuigen, ieder met drie paarden bespannen, reeds voor de deur stonden om ons naar Jericho te voeren. Het daglicht brak juist door en alles voorspelde weer een prachtigen dag. Wij hadden een langen tocht voor ons en de weg is niet alleen zeer bergachtig, maar ook steenachtig en vol gaten en andere ongerechtigheden. Toch klaagden wij over niets, want wij hadden te veel te zien, dat onzen geest bezig hield. Langs den geheelen weg passeeerden wij steeds troepen Muzelmannen, die met hun beladen kameelen en ezels, soms te voet, doch meestal op kameelen of ezels gezeten, hun tarwe, rogge, vruchten of andere producten naar Jeruzalem voerden. Zij kwamen van het Oosten van den Jordaan en hadden een tweedaagsche reis achter den rug. Op verschillende plaatsen zijn open vlakten, die tot rustplaatsen voor de beesten en hun geleiders dienen; daar werden dan voor een poosje de dieren ontladen, de kleurig gekleede mannen strekten zich op den grond uit en de kameelen volgden het voorbeeld van hunne meesters of deden als de ezeltjes, die poogden om met de distels tusschen de rotsen hunne magen te vullen.

Onder die Muzelmannen waren enkele vrouwen, maar het is voor ons nog heel moeilijk om van deze menschen de mannen van de vrouwen te onderscheiden. Van één ding zijn wij zeker: als zoo iemand een broek draagt, dan is zij een vrouw; draagt het mensch rokken, dan is het meestal een man, maar kan ook wel een vrouw zijn. De snor of baard moet dan de oplossing geven, hoewel ook daarnaar niet altijd valt te oordeelen.

Met den Olijfberg links, passeerden wij rechts spoedig het graf van de Heilige Maagd, waar nu de Grieken een kerk hebben. Een eindje verder, aan de andere zijde, is de tuin van Gethsemané, waar nu Franciskaner monniken wonen. In dien tuin staan nog acht oude olijfboomen, die er reeds stonden in den tijd van Christus. De olie uit de olijven van deze heilige boomen wordt door de Franciskaners voor zeer hoogen prijs verkocht en over de geheele wereld geleverd. Daarna kwamen wij in Bethanië, een geheel Muzelman-dorp, met een menigte olijf-, vijge-, amandel- en sinaasappelboomen. Hier staat een ruïne van het huis, waarin Simon de lepralijder gewoond moet hebben. Vlak daarbij is de graftombe van Lazarus. Deze beiden worden door de Muzelmannen als heiligen beschouwd. Een eindje verder is de steen, waar Martha Jezus ontmoette, en zoo gaat het den geheelen weg door, vol van heilige steenen, bergpunten, ruïnes, enz.

De ruïne van de woning van den goedhartigen Samaritaan wordt nu als een schuilplaats voor schaapherders gebruikt. Dat deze Samaritaan een armen broeder, die ziek was, op zijn ezeltje liet rijden en in zijn hut wat te drinken gaf, heeft hem toch wel wat goedkoop eene eeuwigdurende vermaardheid bezorgd. Ieder van ons, die in de wildernis van Judea een armen zieken broeder of zuster zou tegenkomen, zou toch natuurlijk hetzelfde gedaan hebben, en dan zou er in geen enkele courant melding van worden gemaakt.

Maar ook, afgezien van al deze bijbelsche bijzonderheden, was hetgeen wij zagen, prachtig. Die kale bergen, met hunne diepe ravijnen en grillige vormen, namen bij elke bocht in den weg een ander aspect aan. In een van die diepe ravijnen is een Grieksch monnikenklooster, dat als een soort van gevangenis voor ondeugende monniken dienst doet. Alleen bij wijze van straf worden ze daarheen verbannen. Het is wel heel mooi en zeer interessant van boven van den weg af er op neer te zien, maar om er te moeten wonen, al was het ook maar voor eenige weken, lijkt mij een zware straf. In de daar dichtbij zijnde holten in de bergen wonen hermieten, die, zoo zegt men, van vier druiven per dag leven.

Toen wij van boven af op de vlakte van de Jordaan neerzagen, waar Jericho met hare vruchtbare tuinen gelegen is, was het duidelijk, dat Mozes, toen hij van de andere zijde van den berg Moab dit dal overzag, moet hebben uitgeroepen, dat dit het land van belofte was. Het was na zoo'n langen tocht door een wildernis, op welks rotsachtigen bodem van plantengroei niets te bespeuren is, eene verrassing opeens op zoo'n mooi vruchtbaar dal neer te zien. Het is echter duidelijk, dat Jericho nooit zooals de Bijbel te verstaan geeft, zoo groot als Jeruzalem kan geweest zijn. Het is nu wel heel klein, maar zelfs wanneer vroeger dit geheele dal bebouwd en bewoond is geweest, dan nog zou het kleiner dan Jeruzalem geweest moeten zijn, want het dal laat geen grootere uitbreiding toe.

Nadat wij in Jericho nog eerst even het waterreservoir hadden bezichtigd, waaruit nu de tuinen van Jericho besproeid worden, maar waar vroeger Eliza het zeewater in zoet water veranderde, kwamen wij in ons hotel aan, juist tijdig genoeg, om nog aan de lunch te kunnen deelnemen. Onmiddellijk na de lunch stonden de rijtuigen alweer gereed, om ons naar de Doode Zee en vandaar naar de rivier de Jordaan te voeren.

Ik had mij steeds voorgesteld, dat het water van de Doode Zee er zwart en vies zou uitzien, maar, ten minste vandaag, zag het heele meer er prachtig blauw en helder uit. Het water is niet zoo bijzonder zout, er is een sterk alcalische smaak aan. De Jordaan is een heel mooie rivier, of liever de oevers zijn heel mooi, maar het water ziet er vies, heel vies uit. Wij hebben natuurlijk een boottochtje op die rivier genoten en mijne Hollandsche reisgezellin heeft eenige fleschjes met het heilige water gevuld, waarmede zij eenige landgenooten wil gelukkig maken.

Ik geloof, dat ons gezelschap nog niet in de juiste stemming verkeert, waarin men dit land moet bereizen. Het landschap en de bevolking, met hare eeuwenoude gewoonten, kleeding, zeden en gebruiken, oefenen op ons nog een grootere aantrekking uit dan de reliquiën der heiligen. Wij doen echter ons best, om in de vereischte stemming te komen, en daar wij morgen weder naar Jeruzalem terugkeeren en onzen intrek weder in de Amerikaansch-Zweedsche kolonie nemen, hebben wij alle kans, dat het ons daar wel zal gelukken.

Het was nog nacht, de sterren stonden nog helder aan den hemel, toen wij vanmorgen Jericho weder verlieten. Wij waren blij, dat wij dat vuile stadje, waaraan zoovele belangrijke historische herinneringen verbonden zijn, "gedaan" (zooals de Amerikanen zeggen) hadden. Behalve de twee hotels, waarvan het grootste gesloten was, omdat het reisseizoen is afgeloopen, zijn er in Jericho woningen voor nog 'n 300 menschen, meest allen Bedouïnen en eenige Muzelmannen van zeer gedegenereerd type. De degeneratie zou een gevolg zijn van de groote hitte, waaronder deze menschen in den zomer leven. Het is te begrijpen, want zelfs nu, in de tweede helft van November, nu het ook hier laat najaar is, was de zon gistermiddag zoo heet, dat wij 't, zittende in het rijtuig, bijna niet konden uithouden.

Nog tot voor twee jaren gingen de vreemdelingen Jericho bezoeken onder militair geleide, omdat het volkje er niet te vertrouwen is en er menigmaal vreemdelingen totaal uitgeplunderd werden. Zij staan nu onder controle.

De weg naar Jeruzalem terug was dezelfde als dien wij gisteren gekomen zijn, met dat onderscheid, dat wij nu aanhoudend bergopwaarts gingen en de rijtuigen meestal stapvoets moesten gaan. Wij wilden tegen de lunch in Jeruzalem terug zijn, vandaar dat wij reeds om zes uur in de rijtuigen zaten. Ook nu weder passeerden wij onophoudelijk groote kudden geiten en schapen, met Jozef of David als herder, en karavanen kameelen en ezels, op weg naar Jeruzalem.