Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 18

Chapter 183,859 wordsPublic domain

Dinsdagmorgen, na drie volle dagen en nachten in Mombasa geankerd gelegen te hebben, gingen wij verder. Den laatsten avond had nog een treurig ongeval op onze boot plaats. De zwarte jongens, met het laden van de vracht belast, hadden reeds 26 uren onophoudelijk--slechts kleine rustpoozen om wat te eten hadden zij gehad--doorgewerkt, toen een vracht met twaalf zakken ruw katoen uit de haak schoot, juist toen het in de lucht en boven het ruim zweefde. Twee van de daaronder werkende mannen werden er als het ware onder verpletterd. De een liep belangrijke kneuzingen op en de ander werd zieltogende naar boven gebracht. Een oogenblik werd er gevreesd, dat nu alle anderen het werk zouden neerleggen en weigeren door te gaan, maar dat gebeurde niet. Na een oogenblik wachten gingen allen onder diepe stilte weder aan het werk.

Wij hebben nu een langen tijd voor ons alvorens wij weder land zullen zien. Eerst na zes dagen komen wij in Aden, de eerstvolgende aanlegplaats. Wij zullen ons in Aden slechts zeer kort ophouden, misschien niet lang genoeg om er iets van te zien, maar wel lang genoeg om dezen brief aldaar te posten, die dan met een mailboot verder gaat en Port Said en daardoor Holland eenige dagen eerder dan met onze boot bereikt.

9 Nov. 1911.

TUSSCHEN MOMBASA EN PORT SAÏD.

Het waren zes lange dagen tusschen Mombasa en Aden, die weinig afwisseling boden. Er was niets te zien, niets te bewonderen, niets om je aan te ergeren, niets om je mede bezig te houden. De kleine, witte, vliegende visschen, die nu en dan in groote groepen vlak bij het schip opvlogen, waarschijnlijk nadat het schip ze onverwacht in het een of ander werk gestoord had, gaven alleen eenige afleiding. Onder de passagiers, die in Mombasa tot 38 eerste klasse passagiers waren aangegroeid, was letterlijk niet een de moeite van kennismaking waard. Het waren allen lieve, brave burgers of burgeressen van het land, waartoe zij behooren; ik hoop ze niet te krenken als ik zeg, dat er verder niets van hen te vertellen is, dat de moeite van neerschrijven loont. Van onze tafel waren de twee aangenaamste buren in Mombasa afgestapt en die plaatsen zijn onbezet gebleven; buiten ons vier zaten er nu nog een Deensche mijnheer, die in den Congo in Belgischen militairen dienst was en een Deensche dame, die in den Congo getrouwd was, beiden voor malaria naar hun land teruggestuurd en gedurende de reis telkens weder aan malaria lijdende, en twee Engelsche jonge mannen van 24 en 26 jaar oud, beiden van de grootste onbeduidendheid. Het waren evenwel een paar goede jongens, die ons nog al eens van dienst waren. Met een Amerikaanschen admiraal en zijne vrouw, die in Mauritius een getrouwde dochter bezocht hadden, en eene andere Amerikaansche dame, trachtte ik de avonden te dooden met het spelen van bridge en overdag konden wij lezen of praten. Romannetjes van onbekende schrijvers of schrijfsters, die in elk ander geval het oprapen niet waard zijn, gingen nu van hand tot hand en werden bediscussieerd, alsof de slecht gemarkeerde karakters, de ongemotiveerde handelingen en de onuitgewerkte problemen in die boeken, een vruchtbare discussie mogelijk maakten. Een door een sentimenteel juffertje geïmproviseerd bal mislukte geheel, doordat de heeren het te warm vonden om te dansen en er trouwens aan dek geen genoegzame ruimte voor was.

Eerst toen wij Cap Guardafui naderden kwamen de gemoederen in beweging. Dit was niet alleen omdat de gevaarlijke bocht, die wij daar te maken hadden ons allen zenuwachtig maakte en wij meer dan anders de mogelijkheden bespraken om in geval van een ongeluk nog gered te kunnen worden; ook niet alleen het feit, dat dit scherpe punt zonder lichttorens elk jaar een of meer schepen ten gronde richt en tal van menschenlevens verwoest, maar de tragische geschiedenis van onzen armen deksteward hield ons bezig. Deze goedhartige jongeman, die aan boord ieders sympathie had, was voorheen steward op een der Australische booten. In Melbourne had hij een meisje leeren kennen, met wie hij een jaar geleden getrouwd was. Zijne omstandigheden hadden zich intusschen verbeterd en hij kon nu eene vaste positie aan wal in Engeland krijgen. Daar de scheepsreglementen niet toelaten, dat de geëmployeerden vrouw of kinderen op hetzelfde schip meenemen, was hij eerder uit Australië naar Engeland teruggekeerd en zijne vrouw met het pasgeboren kindje zou een paar maanden later komen. Dat schip nu, waarmede zijne vrouw van Australië naar Engeland kwam, heeft twee maanden geleden schipbreuk geleden aan de Cap Guardafui en een van de vier booten, waarin de passagiers waren ondergebracht en waarin vrouw en kind van onzen deksteward zaten, is nimmer terecht gekomen. Er wordt gevreesd, dat zij op Cap Guardafui geland waren, dat bewoond wordt door een zeer gevreesden zwarten stam, de Somali's, waarvan men vermoedt, dat zij kannibalen zijn.

Zeker weet men, dat zij alle witmenschen uitplunderen en vermoorden. Reeds twee keer is een boot van Aden uitgezonden om een onderzoek in te stellen, doch is telkens zonder eenig teeken van de verongelukten ontvangen te hebben, teruggekeerd. Toen het bericht van het ongeluk voor het eerst Engeland bereikte, en er nog niets anders bekend was, dan dat die boot zoek was, wilde de radelooze jonge man zelf op onderzoek uit en daarvoor gaf de Union Castle Mij. hem de gelegenheid, door hem als deksteward op de Avondale Castle aan te stellen. In de twee maanden sedert dat schip Engeland verliet, zijn de berichten gekomen van de vergeefsche pogingen, uit Aden ondernomen, om iets van de ongelukkigen te vernemen. Men vermoedt nu, dat de boot, waarin de tweede officier het commando voerde, toen deze zag, dat zij op Cap Guardafui landen, weder zee heeft gekozen en door een noodlottig toeval is gezonken. Dit zou de minst treurige dood zijn, die de ongelukkigen kon hebben getroffen en daarom wordt dit nu maar als het waarschijnlijkste aangenomen.

Tot even vóór wij deze rotsen in het gezicht kregen, bleef de deksteward trouw op zijne post en voerde de groote en kleine wenschen en bevelen der passagiers prompt uit; doch toen dit onherbergzaam oord, met zijn kale puntige rotsen en gloeiend heete zandvlakten vlak voor ons lag, werd het hem te benauwd en verdween hij en kwam den geheelen dag niet weder te voorschijn.

Als Italië, die de gelukkige bezitter van dit gevaarlijk en onherbergzaam stuk grond is, niet spoedig zorgt, dat er vuurtorens komen en dat menschenlevens er veilig zijn, dan vindt Engeland een zeer gegronde reden om handelend in te grijpen en dit stuk bij Britsch-Afrika in te lijven.

Zondag 12 November kwamen wij in Aden aan. Het was reeds zes uur in den avond, wij hadden dus geen gelegenheid iets van de stad te zien. Slechts eenige uren zouden wij er liggen blijven om eenige honderden balen vracht in te nemen. Wij konden wel aan land gaan en verschillende passagiers deden dit ook, maar de stad Aden ligt 4 à 5 mijlen landwaarts, daar konden wij in dien korten tijd niet heen en de eeuwenoude watertanks, het eenige wat Aden voor een vreemdeling belangrijk maakt, waren in het avondduister niet te zien. Wij bleven dus aan boord en vermaakten ons met de wanhopige pogingen aan te zien van de tallooze Arabieren en Somali's om aan boord van het schip te komen. Zij waren allen met hunne koopwaren in primitieve roeibootjes komen aanzetten en schreeuwden en riepen in hunne door ons onverstaanbare taal, dat zij aan boord iets te verrichten hadden. De kapitein wilde hen echter niet aan boord hebben, omdat zij niet alleen kooplieden, maar bijna zonder uitzondering dieven zijn en er aan boord voor hen niets veilig is. In een verschrikkelijk geroezemoes van geluiden, want het laden van 't schip ging onderwijl ook zijn gang, werden nu van uit de bootjes touwen naar de kijkende dames en heeren op het schip geworpen, en zoodra wij het uiteinde van zoo'n touw te pakken kregen, aan het andere uiteinde koopwaar gebonden en naar het schip opgeheschen. Een tienmaal te hooge som werd daarvoor geëischt en dan begon het vragen en bieden op schreeuwende wijze van over de scheepsrailing naar de daaronder vertoevende zwarten in de bootjes. Somalimandjes, waarvoor vijf en zes shilling werden geëischt, werden voor één shilling en later zelfs voor six-pence gekocht. Vooral de kooplieden met Abyssinische struisveeren hadden groote nering en een zeker soort cigaretten vond bij de heeren gewillige koopers. Later op den avond klommen de slanke, vlugge jonge Somali's bij de dunne, aan boord vastgehouden touwen zelf naar boven en eenmaal boven, werden zij door de passagiers genoeg beschermd om dat handjevol durvende kereltjes met hunne, achter hen aankomende koopwaren, boven te houden. De uren vlogen om en toen om tien uur het schip Aden weder verliet, waren wij het er allen over eens, dat wij eenige zeer amusante en interessante uren hadden doorgebracht.

De groote gebouwen in Aden, die van af het schip konden gezien worden, waren reeds gedeeltelijk versierd voor het te wachten bezoek van den koning en de koningin van Engeland op hun doorreis naar Engelsch-Indië.

Toen eenmaal Aden achter den rug was, was ook de eentonigheid van de reis gebroken. In de Roode Zee hadden wij nog onophoudelijk aan één van beide zijden wat te zien. En als het bloote oog ons de stadjes en kooldepôts en de voorbij stoomende bootjes niet deed onderscheiden, dan gingen de vele goede kijkers van hand tot hand en gunden ons op die wijze een blik op hetgeen wij passeerden. Een boot van de Nord-Deutsche Lloyd, waarschijnlijk op weg naar Australië, die ons voorbijvoer zonder een vriendschappelijken groet te wisselen, wekte de verontwaardiging der Britten. De haat tusschen die twee natiën moet vroeg of laat in een oorlog een weg vinden om zich te uiten.

Een schandelijke daad doet Turkije op dit oogenblik. Omdat het in oorlog is met Italië, heeft het in alle Turksche kustplaatsen, en op alle gevaarlijke rotsen de lichten in de lichttorens doen dooven. Langs den geheelen weg van Aden tot Suez was 's avonds en 's nachts in geen enkele lichttoren, die op Turksch grondgebied staat, een licht te zien. Tegen de internationale wetten op scheepvaartgebied en tegen elke opvatting van welvoegelijkheid in stelt hier Turkije de schepen van alle natiën bloot aan het gevaar om op een zijner gevaarlijke rotspunten te stranden, omdat het met Italië oorlog voert. Zullen de verschillende mogendheden niet spoedig moeten protesteeren tegen dit feit, alvorens er ongelukken door ontstaan zijn?

Woensdagmorgen om acht uur lagen wij in de haven van Port Soudan. Deze haven is nog slechts achttien maanden oud en is door de Britten geheel up to date ingericht. De matineuse menschen, die van halfzeven reeds het binnenkomen bespieden, hadden een zeer loonend gezicht op het land. De zee had aan de kust een zuiver smaragd-groene tint, daarachter de oneindige witte zandvlakte en geheel aan den gezichtseinder staken de tallooze prachtige bergtoppen hunne grillige koppen tot in de wolken omhoog. Dit landschap geleek op een stuk Egypte, zooals wij dat van platen en prenten kennen. Toen wij wat dichterbij kwamen en de morgenschemering voor vol daglicht had plaats gemaakt, werd dit gezicht nog meer Egyptisch, doordat wij toen de vele Egyptenaren, Grieken, Arabieren en Inlanders van verschillende stammen, die zich op den weg bevonden, konden onderscheiden.

Port Soudan is natuurlijk nu nog een stadje van kleinen omvang, maar de vele groote officieele gebouwen met de Britsche vlag op het dak, zagen er allen zoo massief en kolossaal uit, dat het niet betwijfeld behoeft te worden, dat Engeland zich hier blijvend heeft gevestigd en van Port Soudan spoedig een groote stad zal maken. Van uit dit stadje gaat een spoorweg, die in 24 uur Karthoum bereikt en waardoor het ook met Kaïro verbonden is. Daardoor kan het alle vracht van uit het binnenland komende, van daar gemakkelijk verschepen. Het geheele stadje maakt een zeer hygiënischen indruk. De rioleering, watertoevoer, goede harde wegen, ruime, frissche woningen, electrische verlichting, dit alles toonde de goede zorg van de Britsche regeering.

Wij hadden vlug ons ontbijt genuttigd en ons aan wal begeven om in de drie uur, die wij in Port Soudan vertoeven zouden, zooveel mogelijk in ons op te nemen. Nadat wij het Europeesche gedeelte doorgegaan waren, waar de Engelschen en Grieken wonen, begaven wij ons naar de Kraals, waarin de verschillende inboorlingen leven. Allerlei stammen wonen er. Op ons maakten vooral de Wadi-Wadi's, met hunne lange wolharige coiffures en hunne woeste blikken een diepen indruk. Zij behooren eigenlijk in de bergtoppen tehuis en komen alleen naar beneden om handel te drijven. Een eigenaardig soort bokken en schapen telen zij en die brengen zij ter markt. Wij zagen die rare beesten in groote massa op de markt. Het was soms moeilijk uit te maken of het een geit of een schaap was. Van die Wadi-Wadi's wordt verteld, dat zij een zeer aristocratisch volk zijn, dat zich voor werken te hoog acht en waarvan niet een enkele in dienst van blanken te krijgen is. Zij zijn zeer oorlogszuchtig en leven van veeteelt en van wat zij op eerlijke wijze door oorlog zich toeëigenen. Zij hebben hun eigen vorst en worden tot dusver nog door elke natie ontzien.

Wij zagen er vrouwen met gouden ringen door den neus zoo groot en breed als een flinke bracelet; wij zagen er de markt met alles wat er te koop is en die vele verschillende kleurlingmannen en vrouwen, om van dat alles te koopen en wij zagen er verschillende café's en restaurants, waar het geheele menu, in tallooze potjes en pannetjes aan den weg bereid en gekookt werd. Wij zagen er nog tal van opmerkenswaardige dingen meer, maar wij zijn aan dat kleurling-leven reeds zoo gewoon geraakt, dat veel wat wij zien in het geheel geen blijvenden indruk meer maakt.

Het was reeds twaalf uur, alvorens het schip geladen was en wij de reis konden voortzetten.

De vijf dagen in de Roode Zee waren warm, maar voor ons in de hutten op het bovendek wel uit te houden. Overdag koelde het zeewindje genoeg af om het niet benauwd te hebben als wij maar rustig op het dek bleven zitten en 's nachts hadden wij het ook niet te warm. Zij, die in de andere hutten vertoefden, hadden het 's nachts dikwijls te heet en meestal lagen de canapé's van de dames- en heerensalon en het geheele opperdek 's nachts vol passagiers, die het in hunne hutten niet langer konden uithouden.

Zoo'n lange zeereis oefent op de gezondheid van vele passagiers een gunstigen invloed uit. Velen was dit duidelijk aan te zien. Zelfs de scheepsdokter, die er in den beginne zoo holoogig en mager en spichtig uitzag, had ronde wangetjes en een frissche kleur gekregen.

Naarmate wij Suez naderden en het duidelijk werd dat wij niet voor Zaterdagavond in Port Saïd zouden landen, begonnen wij ongerust te worden, dat wij dien nacht geen onderkomen zouden vinden. Er waren over de twintig passagiers van de eerste klasse, die daar aan land gingen, hetzij om evenals wij naar Palestina te gaan, hetzij om een week in Port Saïd over te blijven om de aankomst van den koning en de koningin van Engeland aldaar bij te wonen. Maandag 20 November worden die hooge gasten in Port Saïd verwacht, en in Soudan hadden wij reeds vernomen, dat alle hotels in Port Saïd daardoor geheel bezet waren. Wel hadden wij van uit Suez een telegram gezonden om vier kamers voor ons disponibel te houden, maar dat telegram kon niet vóór Zaterdagmorgen verzonden worden.

Met het schip hadden wij ons langzamerhand verzoend. Het voedsel was tamelijk goed, de bemanning vriendelijk en voorkomend en de kapitein deed alles om het den passagiers naar den zin te maken.

Ook hadden wij na Mombasa onophoudelijk goed weder en het schip was daar goed vol geladen, zoodat het zonder schommelingen vrij rustig vooruit schoof. Wat konden wij meer verlangen.

Vrijdagavond om ongeveer tien uur kwamen wij in Suez aan. Daar werden wij nu eens echt door een Turkschen dokter aan een onderzoek onderworpen. Het heele onderzoek kwam daarop neer, dat wij een voor een den dokter passeerden, hij zag dan met zijn wetenschappelijken blik, dat wij zonder gevaar Turkije konden binnentreden. Niettegenstaande het nachtelijk uur, waren toch nog tal van kooplieden aan boord gekomen, die ons doosjes met Turksche noga en met andere Turksche zoetigheden, benevens cigaretten, koralen en bovenal eenig mooie Turksche shawls te koop aanboden. Deze laatsten vonden tal van koopers en vele van de kooplieden gingen huiswaarts met een lichtere vracht aan goederen, doch met een goed gevulde beurs.

Zaterdag in het Suez-kanaal hadden wij ruimschoots gelegenheid om van onze medepassagiers afscheid te nemen en met velen nog eenige oogenblikken een luchtig gesprek te voeren. Zoo'n vaart door het Suez-kanaal is heel geschikt om menschen geduld te leeren. Zoo nu en dan eens een paar uur stil te blijven liggen om een reeks andere schepen te laten passeeren en daarna weer heel langzaam een eindje op te schieten, is voor reizigers van de twintigste eeuw niet meer geschikt. Maar al de passagiers op onze boot lieten zich er niet door uit hun humeur brengen, wat meer zegt, wij allen zegenden elk oponthoud dat zich voordeed. Eerstens was het een prachtigen dag, vol afwisselingen en ten tweede konden wij in geen geval vóór zes uur aankomen, zoodat de naar Caïro vertrekkenden niet zouden kunnen afreizen en nu was van allen de hoop, dat het schip niet vóór tien uur in Port Said zou aankomen, dan konden wij den nacht nog op het schip doorbrengen en konden Zondagmorgen afreizen, of hadden gelegenheid een hotel te zoeken. Het was een allervroolijkste stemming den geheelen dag op het schip en zeer zeker was het een aangenaam einde van een zoo interessante reis. Wij vieren en alle medepassagiers, waarmede wij dien dag spraken, betreurden het, dat wij het schip moesten verlaten, waarop wij zoo'n gelukkige maand hadden doorgebracht en ik zal zeer zeker steeds met de aangenaamste herinneringen aan dezen tijd terugdenken.

Maar het schip kwam vóór tien uur in Port Saïd aan en nu moesten wij dus 's avonds nog het schip verlaten. Het Eastern Exchange Hotel had gelukkig voor dien nacht plaats voor allen en het was een goed hotel, maar voor Zondag waren alle kamers genomen. Om twee uur den volgenden dag vertrok een boot naar Jaffa en daarop hebben wij plaatsen besproken en hopen een dag of tien in Palestina door te brengen, alvorens wij Egypte verder ingaan.

Hier in Port Saïd is alles in vroolijke stemming. Den geheelen nacht was er muziek en zang en dans door de geheele stad en 's morgens had het in de straten meer van een vroolijke kermisstemming dan van een ernstigen Zondagmorgen.

IN PALESTINA.

Wij hadden niet veel rust in Port Saïd genoten, want, nadat wij Zaterdagavond omstreeks middernacht in ons hotel waren aangeland moesten wij het Zondagmiddag om twee uur reeds weder verlaten. In dien tusschentijd moesten wij de verschillende kantoren afloopen om geld op te nemen, (onze credietbrieven geven bijna in elke stad voor ieder van ons een verschillend kantoor op); moesten wij onze vice-consuls over onze paspoorten spreken, moesten wij onze koffers bij Cook onderbrengen en moesten mrs. Catt en ik onze plaatsen bespreken voor een in Januari naar Colombië vertrekkende boot. Wij waren dan ook dood moe, toen wij op de boot aankwamen die ons naar Jaffa zou voeren, en wij namen ons voor in Jaffa een dag rust te nemen, alvorens wij onze pelgrimstocht door Jeruzalem zouden aanvangen. Wij zouden niet in zoo'n haast zijn afgereisd als niet de boot, die Zondagmiddag vertrekken zou, ons bijzonder was aanbevolen en een volgende boot van die lijn, de Khedivian lijn, eerst dagen later zou gaan.

Om ruim twee uur verlieten wij ons hotel en ofschoon de boot, die ons zou herbergen, geen tien minuten van ons hotel verwijderd lag, duurde het toch ongeveer een uur, alvorens wij er waren aangeland. Even moeilijk als men in Port Saïd binnenkomt, met even-zoovele moeilijkheden heeft men te kampen om er uit te komen. Even goed als wij den vorigen avond eerst in twee verschillende bureaux onze namen in een boek moesten inschrijven, daarmede verklarende, dat wij gezond zijn, geen contrabande invoeren en brave menschen zijn, doch daarna toch nog bij de douanen gevisiteerd werden, omdat men ons op onze eerlijke gezichten en op ons woord en handteekeningen niet geloofde, zoo moesten wij nu al diezelfde formaliteiten weder ondergaan, maar nu om het bewijs te leveren, dat wij niets uit het land uitvoerden. Goed dat wij een dragoman bij ons hadden, want wij zouden met ons zuiver geweten en in kinderlijke onschuld recht door naar het schip zijn gegaan. Voor het bewijs, dat wij gezond zijn en niets te verbergen hebben, moesten wij ieder vier stuivers betalen.

Op de boot troffen wij een ander soort passagiers dan op andere booten. Niet zoozeer onder de eerste klasse passagiers, die waren voor een deel toeristen als wij, voor een ander deel mannen en vrouwen, zendelingen en handelslieden. Maar onder de derde klasse en bovendeks- en tusschendekspassagiers was een groot verschil. Onder de eerstgenoemde was een heele bezending Turksche dames, waarvan geen stukje van het lichaam te zien was, zoo dicht waren zij van het puntje van hun hoofd tot aan de teenen in zwarte doeken gehuld. Dan waren er Bedouïnen en Fellahinen, Syriërs, Armeniërs en nog meer van dat soort in groote hoeveelheid.

Wij hadden op de boot een beter diner dan wij in lang genuttigd hadden en alles was er even zindelijk en goed. Om 7 uur hedenochtend landden wij in Jaffa, dat wil zeggen, zoo dicht bij als de boot ons brengen kon, want daarna moesten wij in roeibooten aan land gebracht worden. Het was gelukkig prachtig weder en de zee zoo stil, als men zich maar wenschen kan en toch is die landing in Jaffa niet geheel en al ongevaarlijk. De rotsige ondergrond, rotsen, waarvan de vinnige punten een halven meter hier en daar boven de zee uitsteken en de bijna steeds aanwezige branding hebben al menigen passagier het leven gekost. Wij hebben dan ook al vastgesteld, dat wij alleen bij kalm weder van hier zullen vertrekken en in geval van storm liever eenige dagen langer zullen blijven.

Wij hebben in de laatste weken veel gezien en ondervonden en toch, hetgeen wij vanmorgen zagen, toen wij van de landingsplaats naar het hotel gingen, heeft ons geheel in verbazing gezet. De indrukken, die ik in dezen eenen dag opdeed, zijn zoo vele en zoo intens, dat ik niet weet, waarover het eerst te moeten schrijven. De algemeene indruk is, dat het mij voorkomt, dat elke predikant of priester of rabbi, eerst naar Palestina gezonden moet worden en hier eenigen tijd moet doorbrengen, alvorens zijne opleiding als voleindigd beschouwd zal kunnen worden. Eén dag hier doet den bijbel beter begrijpen, dan jaren van studie doen. Het heele oude testament staat op eens levendig voor je geest. Een andere algemeene indruk is, dat de afstammelingen van Abraham, Izaak en Jacob in die meer dan 5000 jaar niet veel van uiterlijk zijn veranderd en dat de achter-kleinkinderen van de twaalf zonen van Jacob er uitzien, alsof zij nog in staat zijn hun broertje Benjamin voor een ezelsvel--of was het wat anders--te verkoopen.