Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed
Chapter 17
30 Oct. Nadat wij de passagiers van Chinde kwijt waren, koos onze boot weder zee en begaven wij ons op weg naar Mozambique. Daar hopen wij morgen aan te komen en aan wal te kunnen gaan. De kapitein kon ons echter daarvan niets verzekeren, hij en de eerste officier, de scheepsdokter en eigenlijk de heele bemanning, doen de reis voor de eerste keer en op al onze vragen, krijgen wij steeds ten antwoord: "Ik kan er U niets van zeggen, 't is voor ons alles even nieuw als voor U". Wij zitten nu in afwachting wat de dag van morgen ons voor verrassing zal brengen.
31 Oct. Het was inderdaad eene verrassing, die dezen dag ons bracht. Direct na het ontbijt kregen wij Mozambique in het gezicht, dat daar lag, romantisch mooi onder den strak blauwen hemel en aan het witte strand. Van verre gezien, leek het een stad van kasteelen, allen pas nieuw gebouwd. Maar wij wisten, dat Mozambique, eens de hoofdplaats van Portugeesch Oost-Afrika, meer dan vier eeuwen oud is en dat de meeste groote gebouwen daar reeds eenige eeuwen staan. Eerst passeerden wij het eilandje St. George, met niets dan een bijzonder groote en vreemdgebouwde lichttoren er op. Al de huizen, die er eens gestaan hebben, zijn door de zee weggespoeld. Daarna naderden wij Mozambique, het eeuwenoude stadje, dat gebouwd is op een eiland van koraalrif. Wij wisten niet, wat meer was te bewonderen, het gezicht op de stad, of de prachtige kleurschakeering, die de zee rondom het eiland te zien gaf. De sterk groene en violette kleuren gingen ongemerkt in elkaar over en gaven een kleureffect, dat zelden overtroffen wordt.
Nog vóór het schip voor anker lag, waren wij door talrijke zeil- en roeibootjes omstuwd, die de passagiers aan wal wilden brengen of die vol geladen waren met de mooist gekleurde en zeldzaamste schelpen en stukken rood en wit koraalrif, die de passagiers voor enkele pennies konden koopen. Geheele manden vol werden door velen voor een shilling gekocht. Het was een gejoel en gekibbel daar beneden onder dat zwarte volkje, om het eerst naar boven op het schip te komen, en dit geroezemoes werd nog versterkt door de tallooze kleine zwarte joggies, die soms geheel van de wal kwamen aanzwemmen, om een in het water geworpen penny van den bodem op te rapen. Sommige van deze duikertjes kwamen in een zeer primitief bootje, een uitgehouwen boomstam, aanroeien. Het roeien deden ze met de handen en zoo vlug, dat zij een gewone boot konden bijhouden.
Wij hadden spoedig één van de bootjes aangeklampt om ons aan wal te brengen en ofschoon de zon fel door onze witte blouses brandde, stapten wij toch moedig aan land, om de bijzonderheden van dit stukje wereld in oogenschouw te nemen. Onze Amerikaansche reisgezellinnen gaven het echter spoedig op, tenzij zij een rickshaw konden krijgen. Dit was niet gemakkelijk omdat deze dingen er niet te huren zijn, een witmensch heeft zijn eigen rickshaw en verhuurt die niet. Wij, twee Hollanders, stapten door en nadat wij de stad en daarna de buurt, waar de inlanders wonen, door waren, stonden wij plotseling voor een zeer groot gebouw, uit witte en gele kalksteen opgebouwd, dat rondom door een tuin met groote palmboomen, cocosnootboomen, peperboomen, in vollen bloei, en andere tropische boomen, omgeven is. Het was het gouvernements-ziekenhuis; dat zag er zoo belangwekkend uit, dat wij besloten naar binnen te gaan. Allervriendelijkst werden wij er ontvangen en tot onze verbazing bemerkten wij, dat in dit eeuwenoude gebouw de tijdgeest toch was doorgedrongen en er zijn goeden hygiënischen invloed heeft uitgeoefend. De republikeinsche regeering van Portugal heeft hier de verpleegsters, Fransche nonnen, tot de Franciskanerorde behoorende, nog niet verdreven en door zoogenaamde wereldsche verpleegsters laten vervangen.
Wij ontmoetten in dit gebouw een Engelsch jongmensch, die behalve de moderne talen, ook Portugeesch en drie inlandsche talen sprak. Hij bood aan ons te vergezellen en ons de merkwaardigheden van het stadje te laten zien. Hij had bovendien ook een rickshaw en een paar zwarte bedienden, om ons te trekken.
Gaarne maakten wij van dat vriendelijke aanbod gebruik en de paar zeer aangename uren in zijn gezelschap doorgebracht, hebben hem tot onzen vriend gemaakt.
Wij zullen de vriendschap met hem onderhouden, door hem op zijn verzoek, van tijd tot tijd geïllustreerde tijdschriften toe te zenden, om hem een beetje met de beschaafde wereld in contact te doen blijven.
Het meest interesseerde ons het oude kasteel, dat in het begin der 16e eeuw daar was nedergezet, en waarvan elke steen op de toen primitieve booten van Lissabon moest worden aangevoerd. Op architectonisch gebied moge dit stuk bouwwerk een meesterstuk zijn, de historische herinneringen er aan verbonden, strekken het land echter niet tot eer. Alleen 't gezicht van de plek, waar de slaven nog niet zoo heel lang geleden verkocht werden, en de ondergrondsche gangen, waar zij, aan ketenen gebonden, wachten moesten tot zij voorgevoerd werden, veroorzaakten bij mij eene huivering op dezen snikheeten morgen. Nu wordt deze plaats gebruikt voor de zoogenaamde misdadigers, allen zwarte, dikwijls jonge mannen, die de wetten overtreden hebben, door ons witmenschen ingesteld, waarvan zij onmogelijk de beteekenis kunnen vatten en de waarde kennen.
Toen wij 's middags door onzen jongen, sympathieken geleider aan boord teruggebracht waren, was 't inladen van het schip afgeloopen en kon de reis worden voortgezet. De lading bestond hier in honderden tonnen copra, een stof uit cocosnoot verkregen en voor de bereiding van zeep gebruikt. Verder boonen, waaruit ricinus-olie geperst wordt, die hier aan struiken in het wild groeien, koffieboonen en ruw katoen. Katoenboomen komen hier overal in menigte voor.
Onwillekeurig vraagt men zich af, wanneer men dit smalle streepje grond, dat Portugal hier aan Oost-Afrika's kust bezit, bekijkt en dat voor Duitschland en Engeland, die er rondom hunne bezittingen hebben, toch begeerenswaard lijkt, "hoe lang zullen deze twee groote mogendheden Portugal nog in het bezit er van laten?" Het antwoord, dat ik op die vraag kreeg, is nog al karakteristiek. Het was een Britsch officier, die het mij gaf: "Zoolang dat plekje grond Portugal nog geld kost, kan het gerust in het bezit er van blijven, zoodra het winstgevend kan gemaakt worden, zullen Engeland en Duitschland over de verdeeling er van wel tot overeenstemming komen."
Op het oogenblik wordt dat grondgebied door een Engelsche mijncompagnie grondig onderzocht of er iets van waarde uit den grond of van de bergen te halen is. Het komt mij voor, dat het te hopen is, dat er niets gevonden wordt. Het goud en de diamanten, in Zuid-Afrika gevonden, hebben rijkdom, aan enkelen, doch ellende aan onnoemlijk velen gebracht.
1 Nov. Wij zijn nu op weg naar Zanzibar, de meest interessante van alle havenplaatsen, die wij aandoen. Wij hopen er morgen te landen.
De hitte op het schip was vandaag zeer groot.
IN ZANZIBAR EN MOMBASA.
Den 2en November arriveerden wij op den vastgestelden tijd in Zanzibar. Reeds om ongeveer twee uur kregen wij de oevers van dit wereldbekende eiland in het gezicht. Hoe dichter wij het naderden, hoe belangrijker het ons geleek. Om ongeveer drie uur kwamen wij zoo dicht langs de oevers, dat wij met het bloote oog de huizen en de verschillende boomen gemakkelijk onderscheiden konden. Het meest belangrijke gebouw met zijne prachtige omgeving was het zomerpaleis van den jongen sultan, dicht aan den oever gelegen. Weldra volgde eene interessante ruïne, van wat eens een kasteel van de favorite van een der oude sultans was. Nog een eindje verder en daar lag het stadje Zanzibar in al zijn schilderachtige schoonheid voor ons. De gewitte en gegeelde huizen gaven het geheel weder een aanzien, alsof alles nieuw was, doch nauwelijks waren wij aan wal, of wij zagen de eerwaardige oudheid van alles. Vlak voor het paleis van den sultan met de twee groote bijgebouwen, waarin de 100 vrouwen van den jongen sultan huizen, wierp onze boot zijn anker neder, en wij vieren waren de eersten die met een van de vele onmiddellijk aan boord komende gidsen, een contract hadden gesloten, en die daarna met hem in eene der roeibootjes aan wal gingen.
Het lijkt vreemd, dat men in zoo'n klein plaatsje een gids noodig heeft, en ook wij dachten eerst dat het een overbodige zorg was om een gids te engageeren, maar een medepassagier, die reeds eenige keeren deze reis gedaan heeft, en steeds in Zanzibar was afgestapt, zagen wij hetzelfde doen, waardoor wij van de noodzakelijkheid overtuigd werden. En toen wij eenmaal aan wal stonden, begrepen wij onmiddellijk, dat dit de eenige zekerheid is om weder op het schip terug te komen. In dien doolhof van enge straatjes moet ieder vreemdeling verward raken.
Doch wat een wonderbaar schouwspel levert dit stadje op. Het is gewis de vreemdste plaats die ik ooit in de wereld heb aanschouwd. Orientalischer oord is, dunkt mij, niet denkbaar. Het geheele eilandje is niet grooter dan 14 mijl in omtrek en daarop huizen ongeveer 70.000 inwoners, voor het overgroote deel allen in het stadje opeengehoopt. Van deze 70.000 menschen zijn er slechts 250 Europeanen en Amerikanen, alle anderen zijn Arabieren, Britsch-Indiërs, Turken, Swahili's, Sinhaleezen en Duitsch West-Afrikaners, de laatsten er als slaven heengevoerd, doch sedert Zanzibar onder Britsche protectie staat en de slavernij langzamerhand wordt afgeschaft, vrij levende en vrij werkende menschen. Al deze menschen leven er naar hunne eigen zeden en gewoonten en dragen geen kleederen, of hun eigen dikwijls zeer vreemd, doch ook dikwijls zeer schilderachtig costuum. Wat een verscheidenheid van Orientalische menschen ziet men soms op een oogenblik in een der nauwe straten bijeen.
Wij waren het er over eens, dat wij de drie uren vóór het diner gebruiken wilden om het stadje in alle hoeken te doorkruisen en een algemeenen indruk op te doen. De gids, een Arabier, die goed Engelsch sprak, moest ons natuurlijk alles verklaren, wat wij tegenkwamen, dat niet voor zich zelf sprak. Wij zagen echter zooveel dat onze grootste verbazing wekte. In dit antieke stadje met straten als nauwe stegen, ontmoetten wij alle denkbare middelen van vervoer. Rijtuigen met paarden of muildieren bespannen, die net tusschen de muren der huizen door kunnen en waarvoor, om ze te laten passeeren, de voetgangers in eene deuropening moeten gaan staan; rickshaws, kameelen, rijwielen, motorrijwielen, automobielen en een tram. En toen het donker begon te worden, zagen wij de straten en menig huis en winkel electrisch verlicht. Maar dat is ook al het moderne wat er te zien is.
De hooge, kalksteenen huizen hebben geen van allen vensters, maar hier en daar groote, vierkante openingen met zware, ijzeren tralies, die licht en lucht toegang geven. De deuren der woningen, die bijna steeds open staan, zijn groot, zwaar, met koper beslagen en in vele gevallen prachtig oud-Arabisch gebeeldhouwd. Sommige gevels der huizen zijn met gekleurde tegels ingelegd, wat een mooi bont geheel vormt.
De Sinhaleezen, die uit Ceylon naar hier zijn overgekomen, en de Britsch-Indiërs hebben bijna allen hunne winkels en werkplaatsen binnenhuis, doch met wijd openstaande deuren, zoodat men naar binnen kan gaan, de mooie Japansche ivoorwerken, de Indische borduurselen en andere fraaie kunstwerken kan bewonderen, zonder een kooper te willen zijn. De Arabieren en andere volkeren oefenen hun heele bedrijf op straat uit en daar liggen ook alle te koop aangeboden zaken. En wat daar niet te koop wordt aangeboden! Herhaaldelijk moest de gids ons eene uitlegging geven van hetgeen wij zagen.
In eene nauwe straat, het was de barbiersstraat, zagen wij eene heele rij oude mannen, Arabieren, die elk een geknielden man, een Swahili, voor zich hadden, die zij hoofd en gezicht scheerden. De Swahili's gaan allen geheel geschoren.
Hoewel in de winkels der Indiërs en Sinhaleezen vele artistiek bewerkte ivoren, zilveren, gouden en zijden artikelen te koop worden aangeboden, staat toch de kunstnijverheid op het eiland op een zeer laag niveau. De bewoners kunnen alleen de primitiefste dingen zelf maken. De kunstwerken worden alle uit Britsch-Indië, Ceylon, Java, China en Japan ingevoerd om aan de vele vreemdelingen verkocht te worden.
De Sinhaleezen zijn rare heeren. Zij zien er heelemaal uit als vrouwen, alleen de snor geeft sommigen iets mannelijks. Hun lang, zwart haar hangt soms in lange krullen over hunne schouders, doch is meestal in een wrong achter op het hoofd saamgebonden en met schildpad haarnaalden en een schildpad kam bijeengehouden. Hunne kleeding bestaat uit een sarong en kabaai, de sarong heeft soms veel van een lange, nauwe rok en de witte kabaai is prachtig geborduurd. Zij hebben ook in stem en gebaren iets onuitstaanbaars sentimenteels.
De Britsch-Indische vrouwtjes zien er snoezig uit. Wij zagen ze om zes uur in groote menigte naar de kerk gaan, allen in dunne, zijden doeken van hoofd tot voeten kunstig gedrapeerd. De verscheidenheid van mooie, zachte kleuren vormde een mooi bont geheel. De Indische vrouwen mogen naar de kerk gaan, alhoewel hun kerk geheel afgescheiden is van die der mannen, en natuurlijk van binnen en buiten lang zoo mooi niet. Dat hebben zij voor bij de meeste andere Oostersche vrouwen. De Mohammedanen, de meeste secten ten minste onder hen, houden niet van biddende vrouwen; zij gelooven niet dat God zich verlaagt om een vrouw aan te hooren, en zij zijn vast overtuigd dat een vrouw nooit in den hemel kan komen. De weinige Mohammedaansche secten die een vrouw toestaan te bidden, laten haar toch niet naar de kerk gaan, en zij zijn vast overtuigd dat als er zoo iets als belooning hiernamaals voor eene goede vrouw bestaat, dan is het ergens in een apart hoekje daar boven, ver gescheiden van den hemel der mannen.
Terwijl wij bovenstaande wijsheid stonden op te doen, trok een voorbijgaande groep van drie personen onze bijzondere aandacht. Het waren twee groote, stevig gebouwde mannen, waartusschen een heel klein ventje liep, niet grooter dan een jongentje van vijf jaar, doch met een omvang van een volwassen man. Het was een allerdwaast, ongeproportionneerde verschijning. Het kereltje met zijne beide trawanten werd door elkeen met eenig ontzag den weg gebaand. Het was de dwerg, de clown van den sultan, die, zooals wij dat nog uit onze kinderverhalen weten, als levensdoel heeft den sultan met zijne grimassen te amuseeren.
De sultan, een jonge man van 27 jaar, is op het oogenblik in Europa. Hij is eigenlijk meestal in Europa, waar hij zich beter schijnt te kunnen amuseeren dan op zijn klein eiland. Hij heeft zijne opvoeding in Engeland gehad en schijnt zich daar goed ontwikkeld en vele moderne begrippen opgedaan te hebben. Als hij op reis gaat, laat hij meestal zijne honderd vrouwen tehuis; hij schijnt zich in Londen en Parijs op moderne wijze te kunnen amuseeren. Zijne twee echte vrouwen zijn Arabieren, de acht en negentig anderen zijn Swahili's. Nu is het een jongmensch, al is hij ook zelf van moederszijde een Swahili, die eene Engelsche opvoeding genoot en Europeesche vrouwen heeft leeren beminnen, niet kwalijk te nemen, dat hij zijn harem onaangeroerd laat, want tusschen eene Swahilische schoone en een baviaan is net zoo'n groot verschil als tusschen een villa en een buitenverblijf.
Sedert 1840 heeft Engeland hier een consulaat en van dien tijd af is ook langzamerhand de slavenhandel er onderdrukt, die echter eerst twaalf jaren geleden geheel werd afgeschaft, toen Zanzibar geheel onder Engelsch protectoraat kwam. De marktplaats, waar de slaven geveild werden, staat er nog alsof hij morgen weder in gebruik kan worden genomen en onze gids zeide doodkalm, toen wij een groepje West-Afrikaansche vrouwen voor ons zagen loopen, "twaalf jaren geleden hebben elk van die vrouwen twee pond opgebracht."
Het eiland Zanzibar dankt zijne wereldbekendheid niet aan zijne mooie ligging, zijne schilderachtige schoonheid of zijne interessante bewoners, maar aan het feit, dat dit klein stukje grond voor 90% de heele wereld voorziet van kruidnagelen. Een deel van het eiland is geheel met kruidnagelboomen beplant en deze en de copra zijn de voornaamste artikelen, die van hier over de geheele wereld verzonden worden. Het geheele jaar door geschiedt de uitvoer van kruidnagelen, omdat de boomen terzelfder tijd bloesem, bloem en vrucht opleveren. Elken dag kunnen de rijpe vruchtjes geplukt worden.
Wij spraken met onzen gids, die den romantischen naam Romeo draagt, af, om voor den volgenden morgen een rijtuig voor ons te bestellen, dat ons naar de kruidnagelplantages zou brengen. Om 8 uur liep Romeo den volgenden morgen reeds op het dek van ons schip rond, om ons op te wachten en direct na het ontbijt volgden wij hem naar het aan land gereed staande rijtuig. Eerst gingen wij, zooals wij dat overal deden, waar er gelegenheid toe bestond, naar de marktplaats, om de groenten, vruchten, koopers en verkoopers in oogenschouw te nemen. Het was een kleurige, woelige, druk pratende en nog drukker gesticuleerende menigte, waaronder vrij wat lepralijders en menschen, die met vieze huid- en oogziekten rondwandelden. Wij zagen een school waar de kindertjes Arabisch en Indisch leeren; de leerlingen waren allen kleine jongens; of de meisjes naar afzonderlijke scholen gaan, of niet onderricht worden, hebben wij niet vernomen. Het zou mij niet verwonderen, dat hier nog de leer gehuldigd wordt, dat "een wetend wijf brengt groot gekijf", en dat met vrouwen te leeren schrijven, de onzedelijkheid in de hand gewerkt wordt. Zij zouden dan maar die kennis gebruiken om den minnaars briefjes te zenden.
Door een mooie allee van manga- en cocosnootboomen, dadel- en banaanpalmen en langs verschillende groepen van woningen, waarin de een of andere Indianenstam zich opeen gehoopt had, kwamen wij in Bububu, de plaats, waar de kruidnagelplantages zijn. Het zijn vrij groote boomen, met bladen, die in vorm, kleur en geur aan laurierbladeren doen denken. Deze mooie, groenbladige boomen, met de roode bloesem, bloem en vrucht, leveren onder dien strakblauwen hemel en met de blauwgroene zee op den achtergrond een schitterend effect. Alleen door de goedkoope arbeidskracht der zwarten kan deze specerij zoo goedkoop aan den man worden gebracht. Mannen, vrouwen en kinderen plukken de vruchtjes, spreiden ze op doeken in de zon uit, om ze te drogen, dan eerst worden zij zwart, en dan zijn zij gereed om verpakt en verscheept te worden. Elk jaar, tusschen Maart en Mei, het regenseizoen, worden nieuwe boompjes geplant, die dan eerst na tien jaar vruchtdragend zijn. Op die wijze wordt gezorgd, dat er steeds nieuwe boompjes in aanplant zijn.
De uitvoer van kruidnagelen, copra en andere artikelen, een beetje tabak, rubber, tropische vruchten en groenten, is blijkbaar belangrijk genoeg, om hier van bijna alle landen een consulaat te vinden, alleen een Nederlandsche consul was er niet te ontdekken, hetgeen mij daarom verwonderde, omdat de invoer van Javaansche producten er nogal belangrijk is.
Kort voordat het schip het anker ging lichten keerden wij van Zanzibar terug. Wij hadden er gaarne nog langer gebleven en zeer zeker zal ik het bezoek aan dit eiland nimmer vergeten. Om Zanzibar alleen is het de moeite waard, de reis naar of van Zuid-Afrika langs de Oostkust te maken.
Om vijf uur 's middags zette het schip zich in beweging en zonden wij dit eiland onzen laatsten afscheidsgroet. Toen wij den volgenden ochtend onze oogen openden passeerden wij vlak langs de oevers van Mombasa. Zij gaven ons een beteren indruk van wild Afrika dan wij tot dusver gehad hebben. Echte wilde, ongecultiveerde bosschen en vlakten gingen aan onze blikken voorbij.
Ook het eiland Mombasa ligt op een koraalrif, waardoor de groei van vruchten en groenten beperkt is. Het is echter door een spoorweg met het binnenland verbonden, zoodat er veel kan worden aangevoerd. Deze spoorweg, de Uganda-spoorweg, die tot Nairobi doorloopt, geeft Mombasa zijne belangrijkheid. Hierdoor toch staat het met Centraal-Afrika in verbinding en alles wat van daaruit verscheept moet worden, moet vooralsnog zijn weg door Mombasa vinden.
Ook Mombasa is een aardig, oud-Arabisch stadje, al is het dan ook lang zoo schilderachtig niet als Zanzibar. Wij vinden er dezelfde nauwe straatjes, dezelfde soort huizen, dezelfde soort winkels en een ongeveer gelijke markt, maar alles is er kleiner, armoediger en onbelangrijker. Het eenige middel van vervoer is de trolley en de rickshaw. Paarden komen er niet voor. Men zegt, dat paarden er niet kunnen leven, omdat de tetsemug [1] er existeert. Er zijn ook slechts heel weinig koeien, weinig ezels (tenminste, die op vier beenen gaan) en eenige muildieren. Van deze laatsten zouden er niet meer dan vijf op het heele eiland zijn.
Door de weinig in Mombasa wonende Europeanen is buiten het stadje, naar den zeekant toe, een aardige streek gebouwd, waar zij wonen en dat in vergelijking met het stadje een gezond oord kan genoemd worden.
De uitvoer van ivoor van hieruit is een zeer belangrijke en voor 7/8 deel gaat dit alles naar Amerika. Heele hoopen olifantstanden, voor een groot deel komende van het oostelijk deel van den Congo, alle met "New-York" gemerkt, vindt men in de havenplaats opgestapeld. Ons schip moest hier een onnoemlijk aantal zakken maïs en ruw katoen en eenige schuiten vol huiden laden.
Mombasa is nog niet opgewassen tegen het drukke verkeer en den drukken uitvoer, die de aanwezigheid van den spoorweg heeft meegebracht. Als er, zooals wij het treffen, eenige schepen tegelijkertijd in de haven liggen, die lading moeten innemen, dan kan Mombasa geen arbeidskrachten genoeg leveren. Het handjevol Swahili's, die de lading in ons schip moeten brengen, zullen ons lang aan de praat houden. Wisten wij maar vooraf hoe lang wij hier bleven liggen, dan hadden wij met den trein eenige honderden mijlen landwaarts kunnen gaan en zien wat daar te leeren valt. Elk oogenblik kan echter een der andere schepen gereed komen en de arbeidskrachten naar onze boot overgeplaatst worden en dan schieten wij sneller op en zijn tot verder gaan gereed, alvorens wij terug zouden zijn.
Mombasa is rijk voorzien van zendingshuizen. Protestanten en Katholieken kampen hier om den voorrang om deze eenvoudige Mohammedaansche of andere bevolking een ander geloof te geven. Heel Afrika is bezaaid met deze instellingen, die over het algemeen weinig geliefd zijn. Overal hoort men dezelfde appreciatie, dat zij zeer veel kwaad en weinig goed stichten. Het is heel moeilijk uit te maken, waarom het beter is, dat deze eenvoudige menschen den God der Christenen dan hun eigen God aanbidden, en waarom het Protestantsche of Katholieke geloof beter zou zijn dan het Mohammedaansche. Het laatste leeraart tenminste nog geheelonthouding van alcoholische dranken en eenvoud in voeding en levenswijze. Eenige missions hier, in Mombasa, drijven hun opvoedenden en veredelenden invloed tot in 't potsierlijke. Zij voeden hun volgelingen niet alleen op, om onze zeden--die zoo hoogst beschaafd zijn--en gewoonten over te nemen, maar ook om zich Europeesch te kleeden. Verbeeldt u, hier, in dat woeste, heete klimaat, vlak bij de Equator, waar elke rechtgeaarde Europeaan benijdend neerziet op de doelmatige naaktheid der bruine broeders, en wat graag in dat toilet zou willen verschijnen als onze beschaving ons niet geleerd had dat dit onzedelijk is, hier die eenvoudige menschen te leeren, hun mooie, bruine ruggen te bekleeden en zich des Zondags naar de kerk te begeven, gehoed en gelaarsd, in witte overhemden en blouses, is toch wel het toppunt van stomme kortzichtigheid en blinde ingenomenheid met eigen gebruiken en gewoonten.