Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 16

Chapter 163,892 wordsPublic domain

Daar Durban bijna geen Hollanders of Hollandsch sprekende bevolking telt, moest ik er natuurlijk in het Engelsch spreken. Ik begon met het verhaaltje van Thugater en knoopte daaraan een korte vrouwenkiesrechtspeech vast. Daarna kreeg Mrs. Catt het woord, die bijna anderhalf uur alle aanwezigen in de goed gevulde, prachtige, stedelijke gehoorzaal geboeid hield. Zij gaf voornamelijk een résumé van ons werk in Zuid-Afrika en de indrukken, die wij hadden opgedaan en knoopte daaraan de vooruitzichten vast voor een spoedige politieke ontvoogding voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen. Bloemen en vele openlijke bedankjes hadden wij beiden aan het einde in ontvangst te nemen.

Durban wordt in heel Zuid-Afrika de rozentuin van Zuid-Afrika genoemd. Wij zijn nu wel niet in den rozentijd hier, maar wij zien hier toch ook nu een zoo groote verscheidenheid van in bloei staande boomen en heesters en zoo'n schat van bloemen, dat ik mij best met dien naam kan vereenigen. Nergens ook in Zuid-Afrika kreeg ik zoozeer den indruk in een geciviliseerd tropisch land te zijn als hier. De temperatuur, de tropische boomen en vruchten,--vruchten, waarvan niet alleen ons Europeeërs en Amerikanen den naam en het bestaan onbekend waren, maar zelfs de Kaapsche en andere afgevaardigden hadden die vruchten nooit te voren gezien, omdat zij voor export ongeschikt zijn,--de huizenbouw, de kleederdracht der blanken etc. geven het tropenland aan. De vele kleurlingen, die nu weder geheel andere eigenaardigheden vertoonen met hunne vreemde, hoog opgebouwde coiffures, versierselen door neus en ooren, strootjes in hoofd- en baardharen gevlochten, en vooral de vele mooie Indische vrouwentypen en niet te vergeten--het meest gebruikte vervoermiddel--de rickshaw, verhoogen nog den indruk, dat wij in een tropenland zijn.

In Pretoria en Johannesburg is het niet fashionabel van de weinige daar in gebruik zijnde rikshaws gebruik te maken, maar hier in Durban zet iedere dame of heer zich onbeschroomd, zelfs 's avonds in het gekleedste avondtoilet, in een rikshaw en laat zich door den allerdwaast opgetuigden kleurling naar de plaats van bestemming brengen.

Waarom die rikshaw-mannen zich zoo raar optuigen, weet ik niet. In het begin kan men niet nalaten, die lui van kop tot teen op te nemen, later went men aan het gezicht en stapt men, zonder verder voor zich zelf opmerkingen te maken, in de eerste de beste rikshaw die zich aanbiedt. Dikwijls hebben die mannen hunne zwarte beenen wit geverfd, alsof zij witte kousen en schoenen aan hebben, dragen zij een soort van gekleurd rokje met roode of groene lange franje, soms hebben zij zich met een vol klatergoud beplakt damescorset getooid en op het hoofd zetten zij de dwaast denkbare dingen. Groote horens zijn zeer gewild en daaromheen allerlei hel gekleurde veeren of vogelpennen, of andere dingen. 't Is inderdaad niet te beschrijven hoe zot die menschen er uitzien, eenige photographische opnamen kunnen misschien eenigszins den indruk wedergeven, dien zij veroorzaken.

Durban wordt eigenlijk als een zeebadplaats beschouwd, doch wij zijn nu niet in het seizoen. Men zegt, dat het hier nu te heet is, doch wij vinden het lekker, aangenaam warm. Het frissche zeewindje maakt de 87 of 90 graden Fahrenheit in de schaduw heel goed te verdragen, vooral daar men hier niet loopt, doch voor elken kleinen afstand voor "een tikkie" (drie stuivers) in een rikshaw stapt. Hier is een mooi strand, een zeer mooi wandelhoofd, met groote, hooge palmboomen en een zeer lange wandelpier.

Een van de nieuwe middelen van bestaan, die hier een groote toekomst schijnt te hebben, is de walvischvangst. Vier jaren geleden is men daar voor het eerst mede begonnen onder leiding van den Noorschen heer Egeland. Dagelijks worden er gemiddeld tien tot vijftien van die beesten geschoten, zoolang het in het seizoen is en geoorloofd is ze te schieten. De heer Egeland, die ook als Noorsch consul fungeert, had de goedheid ons zelf rond te leiden en ons alles in de fijnste détails uit te leggen. Hoewel nu reeds zooveel mogelijk alles van het beest wordt gebruikt, de olie, de beenderen, het vleesch etc., krijgt men toch het gevoel, dat er nog veel verloren gaat en die dieren later nog wel winstgevender gemaakt kunnen worden. De huid gaat nog verloren; het uitgekookte vleesch wordt nog alleen voor meststof gebruikt, terwijl het een goed en smakelijk voedsel blijkt te zijn; de beenderen worden tot asch gebrand en dan ook tot meststof aangewend, terwijl men vermoedt dat ook die meer nut kunnen doen; een deel der kieuwen, of hoe die dingen mogen heeten, wordt nog alleen voor balein gebruikt, terwijl dat andere gedeelte verloren gaat en zoo meer. Men is echter nog niet ver genoeg gevorderd met deze industrie om het reeds in al zijne finesses te kennen. Toch wordt den aandeelhouders dit jaar 100 pCt. uitgekeerd en vinden 150 blanke, meest Noorsche, en ruim 200 kleurling mannen er een goed middel van bestaan door.

Den dag, die wij er waren, werden vier pas geschoten walvisschen binnengevoerd. De eerste was ruim 20 meter lang, en ongeveer 4 meter hoog. Het was een ellendig gezicht, dat groote dier met een meterlange harpoen dwars door den kop naar binnen gesleept te zien. Het wordt dan onmiddellijk in stukken gesneden en de olie er uitgekookt.

Hier zijn verder vele suikerplantages en enkele theeplantages. Tot eene bijzondere hoogte heeft zich de suikerteelt en theebouw echter niet ontwikkeld. De thee, die hier groeit, heeft geen smaak en geen geur en gaat niet verder dan de grenzen van het land en dan nog maar in de huizen der velen, die Indische of Chineesche thee niet betalen kunnen.

Over twee dagen gaan wij van hier en bijna op het laatste oogenblik werden wij in kennis gesteld met een heel leelijke verandering, die de Union Castle Co. voor onze reis gemaakt heeft. Dat men ons niet eerder met deze wijziging in kennis bracht, vindt een verontschuldiging, dat wij reizende en trekkende waren en de brieven ons niet altijd bereikten. Men zegt ons naar Bulawayo geschreven te hebben, doch daar wij, terugkomende van de Victoria Falls, niet in Bulawayo stopten, is die brief niet in onze handen gekomen. Men heeft eenvoudig voor de Dunvegan Castle, die Maandag zou gaan, de Avondale Castle in de plaats gebracht, een veel kleiner, ongeriefelijker en zeer oud schip. Nu heeft men, om ons tegemoet te komen, de vier dekhutten, elk een geheele hut, voor ons disponibel gesteld, maar de hutten zijn zeer klein en wij zijn geen van allen over deze wijziging te spreken. Er is echter niets aan te doen; eerst over een maand gaat er een andere boot van deze maatschappij en in Juli hebben wij in Londen onze plaatsen reeds genomen, zoodat wij niet met eene andere maatschappij kunnen gaan, zonder onze overtochtskosten te verliezen. Wij maken nu maar geen bezwaren, praten elkaar in, dat het nog wel zal meevallen, dat zoo'n kleine boot toch ook voordeelen heeft en wij hopen allen innig, dat onze voorspellingen zullen uitkomen.

Of mijne eerstvolgende brieven zoo geregeld elke week zullen komen, durf ik niet voorspellen, want wij gaan nu tot 18 November aan boord en ik weet niet, vanwaar ik de volgende brieven kan posten, zoodat zij wekelijks in Holland aankomen. Misschien is er aan de verschillende aanlegplaatsen daartoe gelegenheid.

21 October 1911.

AAN BOORD VAN DE AVONDALE CASTLE.

24 Oct. 1911. De laatste twee dagen in Durban, waarin zooveel uitstapjes voorgenomen waren en nog aan zooveel afspraken moest worden voldaan, vielen leelijk tegen, omdat wij door hevige onweersbuien, storm en stortregens het hotel niet konden verlaten en gebonden waren in onze kamers te blijven. Een goede gelegenheid om de koffers te pakken en ons voor de langdurige zeereis voor te bereiden.

Toen wij gistermorgen moesten afreizen, was het weder nog niet weer bedaard en de hevige storm, die de zee recht woelig maakte, deed ons een beetje tegen de reis opzien. Maar er viel niet veel aan te doen, de boot zou om twaalf uur vertrekken en wij moesten mede. Wij hadden ons erg bang laten maken voor de Avondale Castle; het was een klein schip, een oud schip, niet zeewaardig schip en nog veel meer en enkele vrienden drongen er zelfs op aan, om ons vertrek uit te stellen, omdat men het gewaagd vond, met zoo'n schip een zoo groote reis te ondernemen. Het kon ons niet erg meer tegenvallen, hoewel de kleinheid van het schip en de nauwe, kleine hutten, ons toch een kleine schok gaven. Niettegenstaande men voor ons de vier beste hutten, en elk een geheele hut, gereserveerd had, moesten wij ons toch eerst aan het gezicht er van gewennen, alvorens wij er mede verzoend raakten. Zeer lastig was het al reeds, dat onze hutkoffers, in alle gewone booten in de hut passende, te groot waren voor deze hutten, zoodat wij onze bagage in onder- of bovenbed moesten opstapelen. Van eenige comfort was ook geen sprake. De Avondale Castle is een vrachtboot, die ook passagiers medeneemt. Het is jammer, dat de Union Castle lijn, als zij zulke booten onverwacht in de plaats van een goede boot stelt, niet de reiskosten er van verlaagt, zoodat de passagiers weten, waarvoor zij al de ongemakken te verduren hebben. Nu verbittert de omwisseling der booten menigeen aan boord en daarvan zal de Duitsch-Oost-Afrikalijn de rijpe vruchten plukken.

Het was te voorzien en iedereen had het ons ook voorspeld, dat wij het op deze geheele reis snikheet op de boot zouden hebben, zoodat wij alleen de dunste zomerkleederen gebruiken konden. Daarom hadden wij alle warme kleederen zorgvuldig weggeborgen. Het onweder, de regen en de storm heeft de temperatuur echter zoo afgekoeld, dat het er meer van heeft, dat wij ons op den weg rond de Noordkaap bevinden, dan in het warme seizoen in den Indischen Oceaan.

Spoedig na de lunch, gistermiddag, vonden al de met zeeziekte geplaagde menschen het raadzaam zich te bed te leggen, want nauwelijks waren wij in zee of de woeste golven deden ons kleine vaartuig op en neer en naar rechts en links slingeren en een enkele keer kwam zelfs een brutale golf ons opperdek geheel besproeien. Toch hielden mrs. Catt en ik het kranig vol in onze dekstoelen en lazen ieder een heel boekdeel uit.

Om eerlijk te zijn, moet ik evenwel bekennen, dat ik het theeuurtje liet passeeren en om 7 uur mijn diner maar boven liet brengen; ik waagde het niet naar de eetsalon te gaan.

Er zijn nog slechts weinige passagiers aan boord, omdat de meesten eerst in Lorenzo Marquez arriveeren, waar wij vanmiddag om vier uur landen. Een vlugvarende boot zou ons er eerder brengen, maar de Avondale Castle kon niet sneller tegen den wind inkomen. We zullen echter tot Woensdagavond in Lorenzo Marquez blijven, lang genoeg om van dit stadje eenige indrukken mede te nemen.

25 Oct. Het was half vier gistermiddag toen wij de Delagoabaai binnenstoomden, maar het werd toch vijf uur, alvorens wij in Lorenzo Marquez aan de aanlegplaats vastgemeerd lagen en ons aan wal konden begeven. Evenals in Europeesche havens bij het binnenkomen der booten steeds tal van stoere kerels staan, die niets anders dan ruwe arbeidskracht--een paar stevige armen en beenen--in ruil voor levensonderhoud hebben aan te bieden, zoo stonden ook hier eenige honderden groote, steviggebouwde Zulumannen gereed om aangemonsterd te worden voor het laden en lossen van het schip. Een klein deel kon maar gebruikt worden; sommigen bleven wachten of er misschien toch nog iets voor hen te verdienen viel, alle anderen dropen teleurgesteld af.

Lorenzo Marquez is een aardig Portugeesch stadje, dat een vroolijker, vriendelijker en meer afgewerkten indruk geeft, dan alle andere steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het is klein, heeft ongeveer 10.000 inwoners, waarvan zoowat de helft blanken zijn, maar het vertoont eene levendigheid in winkeluitstalling, openlucht-café's en straatverkeer, dat het den indruk maakt, alsof het minstens tienmaal zooveel grooter bevolking heeft.

Wij gingen eerst de stad doorkruisen, om een algemeenen indruk te krijgen en vanochtend, direct na het ontbijt, gingen wij weer de bijzonderheden zien. Wij begonnen met een tramrit door en rondom het stadje en zagen toen de talrijke mooie villa's met prachtige tuinen. Daarna begaven wij ons naar den stadstuin, die tegelijkertijd een botanischen tuin is. Daar zagen wij een groote verscheidenheid van voor ons de vreemdste bloemen en planten, allen met de latijnsche namen gemerkt, zoodat wij tenminste de familie konden vaststellen.

Het schilderachtigste en amusantste was de marktplaats. Het was een gedeeltelijk overdekte hal, waar vleesch, visch, groenten, vruchten, bloemen en planten en bovendien alles, wat onze Nieuwmarkt oplevert te koop werd aangeboden. Het waren bijna allen kleurlingen die er kochten en verkochten. Om ongeveer elf uur kwam er plotseling een groote levendigheid op het open gedeelte van de marktplaats, door de aankomst van eenige dozijnen Zuluvrouwen, velen met een kind op den rug gebonden, doch allen voorzien van een groote ijzeren pan vol eten en eenige tinnen borden en een soort van houten lepels, die veel van platte houtjes hadden. Deze vrouwen zetten zich in een ronden kring op hare hurken neder en begonnen den inhoud van den ijzeren pot aan den man te brengen. Het was gekookte rijst of maïspap of vruchtenbrei, dat voor een of twee pennies een bordvol aan de mannen verkocht werd. De moedertjes hadden drukke nering en elken keer als een der mannen zijn bord geledigd had en verzadigd was, werd het bord door het moedertje eerst met haar voorvinger en daarna met haar rooden tong zorgvuldig schoongelikt, alvorens het opnieuw gevuld en het maal te koop aangeboden werd. De volgende kooper liet zich echter door deze wijze van reiniging niet afschrikken en hapte de pap of brei met groote smaak op.

Vroeger dan wij verwacht hadden, verlieten wij hedenmiddag de Delagoabaai weder. De lading was reeds om twee uur gelost en er viel niet veel in te laden, zoodat wij met een bijna geheel leeg schip de reis voorloopig moeten voortzetten. Even vóór den Johannesburgtrein om vier uur binnen kwam, die verscheidene passagiers voor ons medebracht, brak plotseling zulk een hevig onweder los, als wij in ons land zelden bijwonen. Van twee kanten zette het vuur van den hemel ons telkens in een lichtgloed en de daarop volgende donder barstte met zoo'n geweld vlak boven onze hoofden los, dat het ons allen in zenuwachtige spanning hield, en de regenvloed, die met dit onweder vergezeld ging, bracht al de nieuwe passagiers drijfnat aan boord. Niettegenstaande wij vastgemeerd lagen, bracht toch de storm de zee zóó in beweging, dat het schip onophoudelijk heen en weer bewoog. De storm was zóó hevig, dat de kapitein het veiliger vond vooralsnog de haven niet te verlaten, doch wij hoorden, hoe de loods hem wist over te halen toch maar te gaan, omdat het toch minstens twee uren zou duren, alvorens wij de baai uit waren en tegen dien tijd zou het weder reeds lang bedaard zijn.

26 Oct. De storm was echter na twee uur niet bedaard en was na afloop van het diner nog zóó hevig, dat alles, wat niet vastzat, van het dek af vloog, als het niet tijdig door de stewards in veiligheid was gebracht. De golven sloegen onophoudelijk over het schip en het was voor ons, die op het opperdek huisden, onmogelijk van de eetkamer naar onze hutten te komen zonder door een stortzee drijfnat gegooid te worden. Niet alleen de deuren, maar ook de raampjes van onze hutten moesten gesloten blijven, omdat de golven zelfs daardoor naar binnen ploften. Het schip hield zich onder deze omstandigheden, zooals een klein, bijna ongeladen schip zich in zulke omstandigheden gedragen moet, het--om het poëtisch uit te drukken--dobberde op de baren.

Onder onze medepassagiers is er tot dusver slechts één de vermelding waard. Het is een nog betrekkelijk jongmensch, die reeds vijf keer de heele wereld doorreisde, in alle vijf werelddeelen was en die grondig doorzocht. Hij is reizend agent voor eenige groote Engelsche huizen, voor zoover hij met zijn reizen zijn levensonderhoud verdient, maar voor zijn persoonlijk genoegen bestudeert hij verschillende sociale toestanden in de verschillende deelen van de wereld. Het is een genot met dien man te spreken en daar hij aan tafel mijn buurman is, maakt hij elken maaltijd tot een geestelijk genoegen. Hij voorziet Mrs. Catt en mij voor onze verdere reis van de meest waardevolle inlichtingen. Jammer, dat hij ons in Mombasa reeds verlaat, omdat hij van daar per trein naar Nairobi wil, om Centraal Afrika te bestudeeren en dan in Mombasa terugkeert, om van daar naar Britsch-Indië te gaan.

Met vele onzer medereizenden maken wij niet eens kennis, omdat er velen onder zijn, die gerangschikt kunnen worden onder "vlottende bevolking". Zij komen in de eene haven aan boord en verlaten ons in de volgende weder.

27 Oct. Vanmorgen, om tien uur, kwamen wij voor de baai van Beira aan, doch door den lagen waterstand konden wij de baai niet opvaren. Het anker werd uitgeworpen en daar lagen wij doodkalm te wachten tot de vloed zou opkomen, die ons vergunde verder te gaan. Om ruim vier uur kwam de loods aan boord en bracht ons toen weldra veilig tot dicht voor Beira. Doch het was reeds zeven uur, voor den Portugeeschen dokter en de Portugeesche politie zich overtuigd hadden, dat alles "wel was aan boord" en dat wij geen contrabande binnensmokkelden.

Deze kalme dag gaf al de zeezieken aan boord gelegenheid om te bekomen, en daar wij morgen niet eerder kunnen vertrekken, vóór de vloed ons weder ruim sop geeft, valt er voor hen in elk geval nog op een kalmen dag te rekenen. 't Is te laat, om vanavond nog aan land te gaan, daarom vermaken wij ons maar met het gezicht op de lichten van Beira, het Portugeesche stadje, dat van verre zoo vlak en onbeduidend lijkt.

Toen zoo even ons orkestje, dat uit vijf personen bestaat, die ook als kellner, schoenpoetser, koperpoetser en meer dienst doen, zijne valsche tonen de lucht inzond, kwamen op die muziek tal van roeibootjes met zwarten bemand, van de landzijde aanroeien, en is nu het schip totaal omsingeld met stil luisterende negers.

28 Oct. Vanochtend gingen wij direct na het ontbijt, met een van de electrische bootjes, die onophoudelijk om het schip ronddolen, naar land om een kijkje in Beira te nemen. De zon stond reeds hoog aan den hemel en ofschoon het op het schip aangenaam frisch was, was het in het stadje toch snikheet. Beira is een heel eigenaardig Portugeesch stadje met nog geen 4000 inwoners, waarvan ongeveer het vierde deel Europeanen zijn. De inboorlingen gaan hier weder geheel naakt, alleen een broekje of, in de meeste gevallen, een sarong, dragende. Het zijn meerendeels groote, mooie, stevig gebouwde mannen; vrouwen zagen wij bijna niet. Al deze zwarten maken een bijzonder goedaardigen indruk en doen al het zware en vuile werk, dat hen door de witmenschen, voor zoo goed als geen betaling wordt opgedragen.

Waar zij die zwarten niet voor durven gebruiken! Wij passeerden hier en daar een kantoor, waarin eenige blanken zaten te schrijven. Boven hunne hoofden hingen een soort van zware gordijnen, die door een daaraan bevestigd touw, dat door een opening in den muur ging, door buitenstaande zwarte mannen heen en weder werd bewogen, zoodat op die wijze de kantoorheeren een koeltje wordt toegewaaid, zonder dat zij de geur, die de zwarte mannen verspreiden, in hun kantoor krijgen.

Beira lijkt in geen enkel opzicht op de kleine of groote steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het heeft zijn eigen en eigenaardig aspect. De huizen, bijna allen houten gebouwen, zien er met hunne open voorgalerijen min of meer Oostersch uit en de heele stad is langs de wegen en op open plekken ruimschoots beplant met allerlei soort tropische vruchtboomen. Vooral de vruchtdragende cocosnootboomen, die wij hier voor het eerst opmerkten, trokken bijzonder onze aandacht. Verder tal van andere vruchtboomen, waarvan ik te voren het bestaan niet kende en van welks vruchten men eerst aan de smaak moet gewennen, om ze goed te kunnen waardeeren. Vele van de vruchten die wij hier aan den weg vonden, en die bij de maaltijden op het schip op de tafels verschenen, zijn zeer smakelijk, doch zij bezitten geen marktwaarde, omdat zij niet verscheept kunnen worden en niet te bewaren zijn. Zoodra zij rijp zijn, moeten zij genuttigd worden.

De groote eigenaardigheid van Beira is, dat het geene bestrating heeft; alleen een smal trottoir vlak langs de behuizing. Overigens bestaat de grond uit droog, wit zand, waar men tot over de enkels inzakt als men den weg wil oversteken. Het eenige middel van vervoer in de heele stad is een soort trolley, die door inlanders voortbewogen wordt. In elke trolley kan slechts één of twee menschen vervoerd worden. Door de heele stad zijn vierdubbele, smalle rails gelegd, waarover de trolleys gerold worden. Elke Europeaan heeft zijn eigen trolley en een jongen om hem voort te bewegen. Alleen van de hotels kan men soms één of meer dier dingen huren. Wij moesten natuurlijk van dat voor ons nieuwe vervoermiddel gebruik maken, alvorens wij tevreden waren en daarom stapten wij naar het hotel in Beira en verzochten ons voor eenigen tijd zoo'n ding te verhuren. Voor goed geld werd aan ons verzoek voldaan en weldra trollieden wij, twee aan twee, door Beira's straten. Nadat wij op die wijze het stadje aan alle kanten hadden doorkruist, in eenige winkels waren afgestapt, om wat curiositeiten te zien en te koopen, lieten wij ons naar de haven brengen, waar wij weldra het bootje vonden, dat ons weder veilig naar onze boot terugvoerde.

Om vier uur was de lading binnen, die voor een deel uit rubber en voor een ander deel uit ruwe katoen bestond; dit laatste met de bestemming naar Rotterdam. Om vijf uur stoomden wij weg, nu door mooi weder begunstigd. Het kleine briesje is juist sterk genoeg, om het op het schip aangenaam koel te maken. Van overgroote hitte hebben wij tot dusverre aan boord nog geen last.

29 Oct. Toen ik vanochtend mijn hoofd voor het eerst naar buiten stak, lagen wij tot mijn groote verrassing, midden in zee, zooals het scheen, voor anker. Ik had er niets van gemerkt en door al de daaraan verbonden geluiden heen geslapen. Wij waren voor Chinde aangekomen. Het bootje van de Duitsch-Oost-Afrikalijn (die maatschappij schijnt meester van deze haven te zijn) bracht ons een paar nieuwe passagiers aan boord en kwam de passagiers afhalen, die voor Chinde bestemd zijn. De kapitein van dit scheepje kwam echter de mededeeling doen, dat de vertrekkende passagiers niet voor 's avonds onze boot konden verlaten, omdat het onmogelijk was Chinde te bereiken, alvorens de vloed weder opgekomen zou zijn. Wij waren nog vijf mijlen van Chinde verwijderd, door den lagen waterstand was het onmogelijk, nader bij dit plaatsje te komen en zelfs het kleine, Duitsche bootje moest blijven liggen tot de vloed hoog genoeg was, om het terugkeeren mogelijk te maken.

Daar lagen wij nu, doodstil, en dat nog wel op een Zondag op een Engelsche boot. Er zijn onder de passagiers echter nog al veel Amerikanen, Belgen, Denen en Noren, zoodat de Zondagsheiliging niet zoo heel strikt wordt genomen. De Engelschen vormen eigenlijk hier een kleine minderheid. Het was toch een volmaakt rustige dag, zooals ik er langen tijd geen doorbracht.

Om acht uur werden eindelijk vanavond de vertrekkende passagiers overgeladen in het Duitsche bootje. Dat gebeurde op een voor mij geheel nieuwe wijze. Bij groepjes van twee en drie werden zij in een groote mand uit onze boot geheschen en in de kleine boot neergelaten. Net hoopjes pakgoed!