Reisbrieven Uit Afrika En Azie Benevens Eenige Brieven Uit Zwed

Chapter 13

Chapter 133,817 wordsPublic domain

Maandagmorgen om 8 uur, wij waren juist gereed, kwam de conducteur ons mededeelen, dat wij in Bulawayo waren en daar tot twaalf uur zouden blijven. Wij konden het nauwelijks gelooven. Niets had ons eenigszins kunnen doen vermoeden, dat wij een stad naderden en nog wel de hoofdstad van zoo'n groot grondgebied. Wij waren nog steeds in een woestenij en het houten stationsgebouwtje leek ook niet op wat wij verwacht hadden. Toch waren wij in Bulawayo en wij volgden den raad van den conducteur, om onze bagage stil in den waggon te laten,--hij zou dien afsluiten en er toezicht op laten houden--om rustig de stad in te gaan. Onze introductiebrief doet nog steeds wonderen.

Buiten het station stonden enkele dos-à-dos en andere kleine wagentjes gereed om de reizigers stadwaarts te brengen, doch wat ons het meest aantrok, dat waren de vele rickshaw's, voor één of twee passagiers bestemd, en met een kleurling als trekdier. Mrs. Catt en ik namen direct in een van deze voertuigjes plaats en onze beide andere medereizigsters volgden in een tweede. Dat was een nieuwe sensatie. Deze lichte wagentjes op caoutchouc wielen worden door kleurlingen zoo snel voortbewogen, dat een paard het bijna niet sneller doet. Die mannen springen meer vooruit dan dat zij loopen, en hun lichte tred voorkomt, dat er veel stof opwaait. Het heerschap, dat ons voertuig voortbewoog, droeg door elk oor een ongeveer tien centimeter lang houtje, waardoor het onderste oorlelletje sterk naar onder toe verlengd werd. Ringen van hoorn, koper en zilver droeg hij om zijn armen en beenen, en eenige strengen gekleurde koralen maakten zijn halsversierselen uit. Overigens had hij niet veel kleeren aan.

Wij stapten vóór 't Grand Hotel uit om daar ons ontbijt te nemen en wilden dan verder de stad zien. Als men in aanmerking neemt, dat er nog niet zoo heel veel jaren verstreken zijn sedert Lobengula met zijn vele vrouwen hier den scepter voerde en op de plek, waar nu groote koopmanshuizen en betrekkelijk groote hotels staan, de maïs groeide voor het onderhoud van den machtigen monarch, dan is alleen van uit dat oogpunt de stad reeds het bezichtigen waard. Maar alles verkeert er nog in een stadium van wording; alle winkelhuizen en kantoren en hotels waren, als het ware, zoo op een plek in de woestenij neergeworpen en alleen hier en daar een blok winkelhuizen duidt aan dat Bulawayo weldra een stad zal worden. Toch is er reeds een interessant museum....pje, een openbare bibliotheek, een theater......tje, een clubgebouw, een park, dat echter nog groeien moet, de aanleg is er, en nog het een en ander meer, wat een stad rijk moet zijn. In het midden van de stad staat een zeer groot bronzen standbeeld van Cecil Rhodes, vanwaar hij, zooals men zegt, "de wereld inkijkt." Hij staat daar met ongedekten hoofde, wat de bijgeloovige inboorlingen met vreeze heeft bezield, omdat zij meenen dat, zoolang Rhodes zonder hoofddeksel daar stond, Allah het niet zou laten regenen.

Wij hadden om twaalf uur van deze heete, stoffige stad genoeg gezien om ons plan op te geven hier op den terugweg eenige dagen over te blijven. Nog eens vier uren hier te vertoeven bij het teruggaan zal genoeg zijn om den indruk te vestigen, dat er eens in het midden van Rhodesia een groote stad zal verrezen zijn, waar men, de tropische hitte niet in aanmerking genomen, even genoegelijk en comfortabel zal kunnen leven, als in andere wereldsteden. Maar dat zal nog wel enkele jaren duren.

Om ruim twaalf uur zette onze trein zich weder in beweging, om ons nu regelrecht naar Zambesie te voeren, naar de plaats, waar zestig jaren geleden Livingstone de grootste watervallen van de wereld ontdekte. Het landschap veranderde nu een beetje. Er kwamen wat meer boomen op de geel verbrande grasvlakten. Hier en daar zagen wij wilde abrikoos- of perzikboomen in vollen bloei, mimosaboomen met bloemen, driemaal zoo groot als de gewone soort, wilde olijfboomen en nog tal van andere soort boomen, waarvan wij den naam niet kenden en de vruchten nooit gezien hadden. Ook daar weder overal inboorlingen aan den trein, die soms door hun woest geschreeuw ons reeds van verre verkondigden, dat wij in een kleurling-dorp aangekomen waren. De mandjes, lepeltjes, grillig gevormd aardewerk, stokken, etc., die zij te koop aanbieden, geven door hunne asymetrische lijnen en onregelmatige afwerking geen grooten dunk van hun ontwikkeling. Al deze inboorlingen behooren tot de Zambesie-, Matabele- of Barotsestammen. Ik zou wat gaarne eenigen tijd in deze buurten blijven om wat meer van deze volksstammen te weten te komen, maar dat zou veel te lang duren, want heel gauw vertrouwen deze menschen de witmenschen niet en zoo lang kunnen wij hier niet blijven, daarvoor zijn wij ook niet naar Zuid-Afrika gekomen.

Ook dien avond zagen wij weder, doch toen op grooteren afstand, groote boschbranden en vertelde men ons, dat die na zulke heete dagen bijna steeds voorkomen.

Dinsdagmorgen om 7 uur waren wij aan het doel van onze reis. Zambesie bestaat ook al weder uit niets anders dan het groote hotel, dat aan den Rhodesian Railway Co. behoort, eenige huizen van spoorwegemployé's en verder kleurling-hutten. Men spreekt echter altijd van de Victoria Falls en die maken dan ook wel de aantrekking van deze plaats uit.

Een blanke man met een paar dozijn kleurlingen maakte zich spoedig meester van onze bagage en van die van andere gasten en toen ging het door het mulle, roode zand, naar het op vijf minuten afstand gelegen hotel. In minder dan geen tijd hadden wij allen onze bagage in onze kamers en konden wij een verfrisschend bad nemen. Het personeel in dit hotel bestaat uit niets dan kleurling-mannen, geen vrouw doet er eenig werk. In de eetzaal zijn het Indiërs, die in nette, witte kleeding rondloopen, maar onze kamermeisjes zijn naakte jongens, enkel met een zwembroekje gekleed. Het zijn echter voorbeeldige kamermeisjes, zoo netjes doen zij hun werk, alleen voor het vasthaken van een vanachter sluitende japon of blouse niet goed te gebruiken.

Nadat wij ons ontbijt genomen hadden, waren wij allen frisch genoeg om onzen eersten tocht naar de wereldberoemde watervallen te ondernemen; onze verwachting was te hoog gespannen dan dat wij daarmede tot des middags konden wachten.

14 Sept. 1911.

DE VICTORIA WATERVALLEN.

De naam van deze watervallen, die inderdaad eenig in hun soort zijn, is eigenlijk Mosioatunya, zooals de inboorlingen ze gedoopt hebben, en dat beteekent: "rook, die geluid geeft". Deze naam ontleenen zij aan de vochtige wolken, die zij wijd en zijd om zich verspreiden en aan het geraas, dat de val van het water vergezelt. Zoowel voor mij, als voor de beide Amerikaansche reisgezellinnen, die de Niagara-watervallen kennen, boden toch deze watervallen eene verrassing. Zij zijn bijna twee keer zoo breed en twee en half maal zoo hoog als de Niagara-vallen. Zij beslaan ruim anderhalve kilometer lengte en vallen van een hoogte van bijna een honderd en vijftig meter naar beneden. Maar deze enorme breedte en deze vreeselijke hooge val geven alleen niet de schoonheid aan deze watervallen. Het is veel meer de buitengewoon woeste, schilderachtige omgeving, de damp of wolk, die door het uitspatten van het schuimend water veroorzaakt wordt en de verrassend schoone regenbogen die zij geven; dit en nog veel meer te zamen, doen den toeschouwer den adem inhouden en vol bewondering stil staan. Eene beschrijving van dit stuk natuurwerk waag ik niet te geven.

Nog is niet uitgemaakt of deze prachtige rivierbedding door den eeuwenlangen val van het water ontstaan is, of dat door eene aardbeving plotseling dit natuurwonder tot stand kwam. Voor dat Livingstone, November 1855, de Victoria-vallen ontdekte, toen hij de Zambesie-rivier opvoer, had men er niet van gehoord en eerst nadat Cecil Rhodes met zijn Chartered Company den spoorweg door Rhodesia liet aanleggen, werden zij voor gewone toeristen bereikbaar. Thans worden zij het geheele jaar door geregeld bezocht, door Afrikanen, Engelschen en zulk soort menschen als waartoe ons clubje van vier behoort.

Den eersten morgen deden wij niet veel meer dan de watervallen rondloopen en van alle kanten bezien. Telkens waren wij door het veranderde aspect opnieuw verrast. Ook wisten wij soms niet wat meer te bewonderen was, de vallen zelf, of wel de grootsche omgeving waarin zij zich bevinden. Toen wij tegen half twee terug kwamen, was het te heet geworden om dien dag nog meer te doen, alleen tegen den avond, bij ondergaande zon en opkomende maan gingen wij nog eens een kijkje nemen. Heel lang vertrouwden wij ons toen niet te blijven, want de wilde beesten, die nog altijd in deze omgeving huizen, blijven bij dag wel op den achtergrond, maar of zij 's avonds niet eens een sprong naar een nieuwsgierig en indringerig witmensch zullen maken, durft men ons niet verzekeren.

Met een clubje van nog zes Engelschen--vier heeren en twee dames--huurden wij den volgenden dag het kleine electrische bootje af om een tocht op de Zambesie-rivier te maken en op een van de vele mooie eilandjes in deze rivier te picnikken. Van dezen tocht hadden wij ons veel voorgesteld en ik kan er direct bijvoegen, dat onze verwachting ruimschoots werd overtroffen. Buiten ons tiental waren er nog vijf man in het kleine bootje, de kapitein (een Engelschman), en vier zwartjes om voor onze lunch en bediening te zorgen.

Om tien uur staken wij van wal en om half een landden wij op een eiland met een onuitspreekbaren inlandschen naam, na twee en een half uur lang langs de schoonste, belangwekkendste en voor ons vreemdste oevers gevaren te zijn. Behalve hier en daar een paar inlanders zagen wij geen menschelijk wezen, doch een prachtige, weelderige plantengroei; de meest tropische boomen, die men zich denken kan, versierden de oevers van deze schoone rivier. Ook was het toeval ons gelukkig. Wel wisten wij, dat vele hypopotami dit water hier onveilig maken en menig keer de lichte kanoe's van de inboorlingen omver werpen, door er even een van hunne breede pooten in te zetten, maar het gebeurde toch maar al te dikwijls, dat zij zich op een afstand houden als een electrisch bootje met eenig geraas zich door het water, wat zij hun gebied achten, voortbeweegt. Vele reizigers zijn dan ook reeds bevredigd als zij de voetsporen van zoo'n beest op het eiland ontdekken, waar zij landen. Zoowel op onze heenreis als op onzen terugtocht zagen wij echter de monsterbeesten op eenigen afstand zich in het water voortbewegen en hun afschuwelijk leelijken kop boven het water uitsteken. Ook zagen twee onzer medereizigers een groote krokodil op een der vele rotspunten, die wij bijna rakelings passeerden. Daar deze beesten de kleur van de rots hebben, waarop zij zich bevinden, is het niet gemakkelijk ze te ontdekken, en alleen, wanneer zij zich bewegen, bemerkt men, dat er zich een levend gedierte op het stuk steen bevindt.

Terwijl de inlandsche jongens bezig waren het water voor de koffie te koken en onze lunch bereidden, begaven wij ons met den kapitein, als gids, rond het eiland, om als volgelingen van Robinson Crusoë te ontdekken, wat er op dit eiland te ontdekken viel en te zien of er geen onraad was. Wild gedierte en slangen zagen wij er niet, maar de kapitein raadde ons toch, niet door het hooge gras te loopen en vooral de voetpaden te volgen, die door de hoteldirectie daar waren aangelegd. Overal vonden wij de nu leege holen, waar een hypo of ander wild gedierte zijn nachtleger maakt.

Wat echter in hooge mate onze belangstelling gaande maakte, dat waren de wonderlijkste vruchten en zaden, die wij er vonden. Jammer, dat noch de kapitein, noch iemand in het hotel ons ook maar bij benadering kon zeggen wat soort vruchten het waren en waarvoor zij door de inlanders gebruikt worden. De domheid op dit gebied maakte ons boos. Toen wij den directeur van het hotel, die hier reeds jaren woont, vroegen, welke vrucht dit was, een vrucht, met een bast als mahoniehout en nog veel harder, waarin prachtige, vuurrode boonen zich bevinden, die ook als steenen zoo hard zijn, antwoordde hij: "O, weet u, dat is een vrucht, die groeit hier in menigte aan boomen, die gij hier heel veel zult vinden." Dat was al de wijsheid, die hij in al die jaren van de vruchten uit zijne omgeving had opgedaan.

Tot drie uur 's middags amuseerden wij ons op dit belangrijk plekje grond, waar wij echter geen van allen een wandeling op eigen houtje durfden ondernemen, doch steeds in groepjes samenbleven. Toen aanvaardden wij den terugtocht. In mijne wakende droomen zie ik reeds over eenige eeuwen dit nog bijna onbewoonde gedeelte van het donker Zuid-Afrika door tallooze Europeanen bewoond en overal aan de oevers van de Zambesie-rivier villa's, met prachtige tuinen, de plaats innemen, waar nu nog het wild gedierte alleen huist en er de menschen op den achtergrond houdt.

De inlanders, die wij op onzen terugtocht op de rivier ontmoetten, gebruiken nog de primitieve uitgeholden boomstam als kanoe, die zij met hun breede, korte roeispanen, waarmede zij als het ware het water wegslaan, pijlsnel voortbewegen.

Een heel interessanten dag brachten wij in "het regenwoud" door. Dit boschgedeelte ligt aan de overzijde van de watervallen en door den altijd-durenden val en 't uiteenspatten van het water, waardoor op zeer grooten afstand steeds een fijne stofregen valt, verkeert dit woud in de gunstigste of ongunstigste omstandigheid om steeds beregend te worden. Daardoor zijn er eeuwig-groene boomen, doch alleen zulke boomen, die onder zulke omstandigheden kunnen groeien. Voor oudere dames is het beste zich voor een wandeling in dit interessante regenwoud in een Mackintosh-mantel, met capuchon, en een paar hooge laarzen, met overschoenen, te kleeden, maar 't jongere volkje loopt er 't aangenaamst in een badkostuum, sandalen en 'n gummikapje op het hoofd. Men wordt er door en door nat, maar het gezicht op de watervallen, de prachtige plantengroei, de vreemde bloemen en vruchten, houden den wandelaar onophoudelijk in spanning. De drie uren, die wij voor deze wandeling bestemd hadden, waren om nog eer een onzer er aan dacht.

Nog tal van kleine onderzoekingstochten naar verschillende andere eilandjes werden door ons ondernomen in de kleine kanoe's der inlanders, doch wij waren voorzichtig genoeg, steeds een witmensch als gids mede te nemen en ons op de eilandjes door een paar inlanders vooraf te doen gaan. Telkens werden wij op zulke tochten verrast door 't geen wij er aan vreemdsoortige planten en vruchten vonden, die geen onzer thuis kon brengen. Van wilde beesten zag ik niet anders dan drie wilde bokken--bush-buck--zooals de gids ze noemde, en een heele boom vol spelende aapjes. Natuurlijk ook allerlei soorten vreemde en bont gekleurde vogels.

Een avond, toen wij juist allen aan tafel wilden gaan, werden wij geroepen, dat er een heele groep oerang-oetangs in den tuin van het hotel aan het spelen waren, die echter door 't naar buiten vliegen van de hotelgasten verschrikt geworden, hals over kop het hazenpad kozen.

De dagen, bij de Victoria-watervallen doorgebracht, waren voorzeker hoogst interessant, en ieder, die er geweest is, geeft toe, dat hij deze tocht niet gaarne uit zijn leven zou willen missen. Maar men moet er iets voor over hebben. Het is niet alleen de drie dagen lange benauwend heete reis, maar ook het verblijf aan de Zambesie is afmattend, tengevolge van de gloeiende hitte gedurende den dag en doordat men in de lange avonden en nachten, wanneer men een beetje van de hitte van den dag zou kunnen bekomen, binnenshuis moet blijven voor het gevaar dat de wilde beesten opleveren. Men bekomt er eigenlijk niet. Niemand rekt zijn verblijf er dan ook langer, uitgezonderd diegenen, die er juist voor de wilde beesten-jacht komen, dan noodig is, om alles goed in zich op te nemen. Twee keer in de week, des Dinsdags en Zaterdags, kan men er per trein weder vandaan.

Het is goed gezien, dat de treinen, die teruggaan, juist dat gedeelte van den weg bij dag doen, hetwelk bij de komende treinen bij nacht is afgelegd, zoodat de reizigers tenslotte de heele weg door Rhodesia overzien kunnen. Laat mij er direct bijvoegen, dat zij dan weten, dat heel Rhodesia, beneden de Zambesie-rivier, niets anders dan één groote, woeste vlakte is, bewoond voor het overgroote deel door inboorlingen, en dat het als het ware wacht op energieke blanken, om het tot ontginning te brengen.

Wij passeerden nu weder andere kafferdorpen, zooals men hier alle plaatsen noemt, waar de inboorlingen wat meer opeengehoopt wonen, en konden hun oorspronkelijke nijverheidsproducten bewonderen en koopen. In een dorp werden werkelijk goed gesneden, houten figuren aangeboden, die alle wilde beesten voorstelden. Giraffes, leeuwen, olifanten, aardvarkens--deze laatsten vooral waren uitstekend nagebootst en voor six pence te koop. Alles kostte eigenlijk six pence, dat is waarschijnlijk het eenige geldstuk dat zij kennen. Zij hadden ook menschen gemaakt. Mannen en vrouwen, allen naar eenzelfde model. Wat opvallend was, was het model, dat zij zich gekozen hadden. Niet zichzelf of gewone toeristen hadden zij nagebootst, maar alle manpoppen waren zendelingen in lange, zwarte soepjassen, witte beffen en uitgestreken gezichten, (met alle respect voor het misschien nuttige werk wat deze mannen daar hopelijk verrichten), en alle vrouwpoppen waren nonnen of zusters, die met de zendelingen daar werkzaam zijn, om van deze natuurmenschen Christenen te maken. Niets was aan deze poppen vergeten; wij moesten de opmerkingsgave, zoowel als de gave, om het geziene weer te geven, bewonderen.

Als men bedenkt, dat in heel het groote, uitgestrekte land Rhodesia thans slechts 17.000 blanken en meer dan 300.000 inboorlingen wonen, die tot verschillende stammen behooren, en allen nog onder hun eigen opperhoofd staan, dan begrijpt men, dat deze menschen, als zij zich hun macht bewust en niet zoo goedaardig van karakter waren, die weinige witmenschen niet zoo onderdanig zouden dienen. Nu maakt men mijnwerkers, huisbedienden, winkelknechten, etc. van hen en betaalt hen bijna niet, want, zoo heet de verontschuldiging, die menschen kennen geen behoeften en door ze meer te geven, zou men ze maar bederven.

Toen wij weder wat dichter de bewoonde wereld naderden, verloren de inboorlingen, die wij aan de stations zagen, voor ons alle bekoring. Zij waren nu weder, zoo te zeggen, gekleed, en "a dressed native is not nice", zooals Mrs. Catt, daarbij de neus optrekkend, opmerkte. Onze mooie, slanke, naakte mannen en vrouwen, met hun glad gepolijste, ebbenhouten huid, alleen met koraalsnoeren gekleed, waren oneindig interessanter.

Ten langen laatste, na drie, bijna niet door te komen, nachten, en drie en een halven dag arriveerden wij in Pretoria, vier dagen vroeger dan men ons er verwacht had.

IN PRETORIA.

Nu moet ik beginnen met een bekentenis. Niettegenstaande al onze voorzorgen om niet ziek te worden, door al het water door ons gebruikt eerst zelf te koken, zelfs het water, dat wij 's morgens gebruikten voor tanden en mond, nooit ongekookte melk te gebruiken en van de maaltijden alleen dat te nemen, wat wij als volkomen onschuldig beschouwden, was ik toch de eerste, die door een koortsbaccil geïnfecteerd werd en had ik den laatsten dag in Victoria Falls een vrij hevigen koortsaanval te doorstaan, gepaard met maag- en ingewandlijden. Het idée om in Zambesie ziek te liggen, waar alle comfort ontbrak en waar geen dokter te krijgen was, benauwde mij zoozeer, dat wij gebruik maakten van den eersten trein den besten, dat was die, welke den volgenden morgen van mijn ziek-zijn vertrok, om regelrecht door naar Pretoria te reizen. De zorg van de beambten van den trein en van den restauratiewagen gedurende deze reis kan ik slechts roemen, zij deden alles om de reis zoo min mogelijk vermoeiend voor mij te maken.

Wij kwamen nu bijna een week vroeger in Pretoria aan dan men ons daar verwacht had. Dit gaf mij gelegenheid om rustig uit te zieken, mijn medereizigsters om van de vermoeienissen en schrik, die zij door mijn plotseling ziek worden gehad hebben, te bekomen, maar het bracht onze goede gastvrouwen in Pretoria een beetje in de war met haar program. Zij hadden zich voorgenomen om ons aan het station te komen begroeten, de beide dochtertjes van Lady van Boeschoten, de vrouw van den burgemeester van Pretoria, zouden ons daar bouquetten aangeboden hebben, een toespraak en zang van een koor jonge meisjes zouden wij in ontvangst hebben te nemen en dien dag zouden wij de gast geweest zijn van den heer en mevrouw burgemeester van de stad.

Door de goede zorgen van dr. Mary Hannan en een verpleegster, in een luchtige, rustige kamer van 't Grand Hotel en door den goeden ziekenkost, die mij eenige keeren daags door onze vroegere stadgenoote, en mijne oude vriendin, mevrouw Bal van Lier, gezonden werd, kon ik den 6en dag reeds weder het bed verlaten en den volgenden morgen voor een deel aan den lunch deelnemen, die ons in het Grand Hotel door een veertig dames van Pretoria, waaronder alle vrouwen van de verschillende ministers en lady Methuen, de vrouw van den oppersten militairen autoriteit, werd aangeboden.

Maar ik zal over het program, 't welk wij gedurende ons verblijf in Pretoria uit te voeren hadden, nog niet beginnen, doch eerst wat van Pretoria zelf schrijven. Pretoria is de hoofdstad van Transvaal en de stad waar na de totstandkoming van de Unie van Zuid-Afrika, de regeering zetelt. Wel houdt het parlement zijn zittingen in Kaapstad, maar de premier, de gouverneur en alle ministers wonen in Pretoria, daar worden de audiënties gehouden en het werk verricht. Nu was Pretoria oorspronkelijk een kleine stad, gebouwd in een dal, aan alle kanten door heuvels en verder door vrij hooge bergen omgeven, doch de stad breidt zich thans met groote snelheid naar buiten uit en is bezig ver over de heuvelketen zijn straten te verlengen. Een geregelde verbinding met zeer goede electrische trammen maakt het doenlijk vrij ver buiten het centrum te gaan wonen. Midden in de stad heeft men door het sloopen van eenige huizen en--o gruwel--, ook door het sloopen van een Hollandsche kerk, een flinke ruimte verkregen, die men bezig is tot een plein met een park te vervormen en waaromheen reeds nu eenige zeer fraaie monumentale gebouwen gebouwd zijn. Vooral het Paleis van Justitie, vlak tegenover het Grand Hotel gelegen, munt uit in eenvoud van vorm en mooie lijnen. Ook het Gouvernementsgebouw is een sieraad voor dit plein.

De stad schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te bezitten, die voor ons, tijdelijke bezoekers, nog niet te verklaren is; elkeen, die wij hier ontmoeten, onverschillig of zij in Pretoria geboren zijn en de stad reeds van hare opkomst kennen, of dat zij hier nog slechts kort of zeer lang wonen, zeggen hetzelfde, dat zij Pretoria lief hebben en er niet aan zouden denken, de stad anders dan nood gedrongen te verlaten. Toch is het leven hier duur; alles in de winkels is veel duurder dan in Kaapstad en in de andere steden, die wij in Zuid-Afrika bezochten, en door de vrouwen wordt hier een vrij groote luxe in kleeding en sieraden ten toon gespreid. Nergens nog zagen wij in Zuid-Afrika zulke up-to-date toiletten en hoeden als hier, terwijl de winkeluitstallingen met vele groote Europeesche steden kunnen wedijveren.