Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen
Part 61
De indruk dien wij beiden van de Nanking'sche groep mannen en vrouwen kregen, was niet zoo gunstig als van die in Shanghaï. In Nanking waren wij meer in het midden van het land, waar de bevolking niet zoo veel als in Shanghaï met de Europeesche en Amerikaansche bevolking in aanraking komt. Het waren niet alleen de uiterlijke manieren, maar ook de omgang der mannen en vrouwen onderling, de dingen die wij zagen en hoorden vertellen, die ons dien indruk gaven. Wij zagen en spraken hier de mannen en vrouwen die in China opgevoed zijn en die nooit in vreemde omgeving vertoefd hebben. Dit waren de echte Chineezen. Intelligent zijn zij in hooge mate, maar in nog hooger mate onpractisch en idealistisch, voorzoover dit laatste niet synoniem is met het eerste. Van Europa weten zij zoo goed als niets, maar de stand van zaken in Amerika, waarvan zij de opgesmukte verhalen hunner daar vertoevende landgenooten gehoord en gelezen hebben, zweeft hen als een ideaal voor oogen. In hunne verbeelding, die zij naïef onder woorden brengen, zal China met Amerika de heele wereld hervormen; de Vereenigde Staten moet hen spoedig de hand reiken, dat is in beider belang, en dan kunnen de twee grootste Republieken der wereld door hun voorbeeld een vreedzame evolutie in alle andere landen tot stand brengen. Geen monarchieën meer, maar volksregeeringen overal. Wat zij evenwel onder een volksregeering verstaan is verder van daar verwijderd dan de constitutioneele regeeringsvormen in de meeste koning- of keizerrijken. Wat ons ook in Nanking in onze gesprekken met deze mannen en vrouwen zoo duidelijk bleek, was het totale gebrek aan vertrouwen onderling. In niet een van hunne groote mannen en leiders stellen zij een onbeperkt vertrouwen, volgens hen werkt elk voor eigen voordeel en naam en positie, het land komt pas in de tweede plaats. Om hunne meening te illustreeren, deelde men ons talrijke bijzonderheden mede uit het intieme leven van dr. Sun, president Yuan, vice-president Lu en tal van andere grootheden.
Maandagmorgen verlieten wij Nanking om per boot naar Hankow te vertrekken. Deze driedaagsche tocht over de Yang Tze rivier, in een mooie, zindelijke boot, met groote, comfortabele hutten en goede maaltijden, is een waar genot. De geheele reis gaat de boot langs groene oevers, met min of meer hooge heuvels en hooge bergen op den achtergrond, telkens stoppen wij even bij een dorpje of door een hoogen wal omgeven stadje, waarbuiten de hooge pagoden of kerktorens vroolijk uitsteken, dan weder zien wij een ouden, schilderachtigen tempel tusschen het groen te voorschijn komen en overal rondom ons zien wij het echte-ware Chineesche leven te water en te land. Wij hebben reeds de overtuiging gevestigd, dat een Chineesche tempel alleen geapprecieerd kan worden als men hem op een afstand en liefst op zich zelf staand kan zien. Hoe orthodox het Chineesche volk ook mag zijn, zij geven zich niet veel moeite om hunne tempels in zindelijken en goed onderhouden staat te houden. Dichtbij bezien, zien zij er allen onbeschrijfelijk vuil en oud en vermolmd uit.
De Yang Tze-rivier is op een na de langst bevaarbare rivier in de wereld. De tocht van Nanking tot Hankow is mooi, maar het schilderachtigst, romantisch-mooie gedeelte komt eerst eenige honderden mijlen verder dan Hankow.
Wij genoten drie mooie, kalme dagen aan boord van de "Luenyi", die wij noodig hadden. Sedert wij Hongkong hadden verlaten, was er geen rustig oogenblik voor ons geweest. De zenuwschokkende tijd aan boord van de "Persia", de angst, die wij gedurende de typhoon hadden doorstaan, en het onmiddellijk daarop in Shanghaï aan het werk gaan, met de daarop volgende drukke en indrukvolle dagen, begon zich te laten gelden in den vorm van slapeloosheid, lusteloosheid en afmatting. Toen wij echter Woensdagavond om tien uur Hankow bereikten, was alle moeheid geweken en gevoelden wij beiden ons weder frisch en gereed nieuwe indrukken te ontvangen.
De trein, die ons van Hankow naar Peking zal brengen, vertrekt slechts eens per week en dat is des Vrijdagsmorgens. Wij hadden derhalve twee nachten, en een geheelen dag in Hankow door te brengen. Men had ons in Shanghaï geraden in Hankow de boot als hotel te gebruiken, als ten minste de boot zoo lang in Hankow bleef liggen. Dien raad hebben wij opgevolgd.
Hankow is eigenlijk een groep van drie steden, Wuchang, Hankow en Hanyang, die door de Yang Tze-rivier en de Han gescheiden zijn. Zij bezitten elk een afzonderlijk gemeentebestuur, maar vormen toch eigenlijk één groote, drukke stad, waar, zooals men zegt, het commercieele, financieele en industrieele hart van China klopt. Wuchang alleen bevat meer dan een half millioen zielen,--ik bedoel menschen; hier in China, waar elke man en vrouw drie zielen heeft, moet men dit woord correct gebruiken,--terwijl Hankow een bevolking telt van bijna 90.000. Voegt men hierbij de 400.000 van Hanyang, dan ziet men, van welke beteekenis deze stad, of groep van steden is. De Engelschen, Franschen, Russen, Duitschers en Japanners bezitten hier allen een stuk grond, te zamen 1 1/2 millioen vierkante meters groot, waar zij ieder hun eigen industrieele operaties uitoefenen.
Voor alle consulaten en voor alle fabrieken stond een vrij sterke troepenmacht van eigen militairen en een oorlogschip van elke vreemde natie lag in de rivier voor hunne bezitting. Overal in de stad vonden wij nog in 't oogloopend vele vreemde en Chineesche militairen, men voelde en zag dat de rust in de stad nog niet volkomen was teruggekeerd. Zooals men misschien weet, vormde Hankow het stormcentrum van de pas afgeloopen revolutie; de verwoesting, die nog overal in de stad zichtbaar is, gaf ons een klein beeld van den omvang en de beteekenis, die de opstand daar genomen heeft. De twee generaals, die pas geleden, op bevel van den president Yuan, zonder vorm van proces, zijn doodgeschoten, zijn van Wuchang afkomstig en de gemoederen zijn over deze daad nog lang niet tot rust gekomen. De kapitein van onze boot raadde ons Donderdagmorgen, om de stad niet in te gaan, alvorens wij bij onze consulaten inlichtingen hadden ingewonnen.
De Amerikaansche consul ontraadde ons ten sterkste, de Chineesche stad in te gaan, waar wij de Chineesche vrouwenkiesrechtclub zouden vinden; zelfs onder geleide, vreesde hij, dat ons onaangenaamheden zouden overkomen. De inboorlingen zijn nog te opgewonden, telkens breken er nog opstootjes uit; in het midden van de bevolking te gaan, was voor elke vreemdeling nog gevaarlijk. Teleurgesteld waren wij over dezen raad zeer zeker, maar wij hebben ons er toch maar aan gehouden. De consul gaf ons, om deze teleurstelling een beetje te vergoeden, zijn rijtuig dat hem juist naar zijn bureau had gebracht, om een toer langs de breede, mooie kade te maken, waar de verschillende naties hunne bezittingen hebben en noodigde ons uit daarna met hem in het clubgebouw te lunchen.
Van het platte dak van het sierlijke clubgebouw hadden wij een prachtig overzicht over de heele omgeving en zagen in vogelvlucht alle verwoeste gedeelten der stad. Menige bijzonderheid uit die gruwelijke, maar interessante dagen vernamen wij daar. Noch in Nanking, noch in Hankow hebben wij een Chinees met een staart gezien. Ik geloof niet, dat in een dier steden de dragers van dat voorheen algemeene herkenningsteeken nog een oogenblik veilig zouden zijn. Wij konden ons hier, meer nog dan in Nanking en Canton een goed denkbeeld vormen van den omvang en de ernst der afgeloopen revolutie. Na de lunch maakten wij nog een rijtoer door een ander deel der stad en daarna begaven wij ons maar weder naar de boot terug om het altijd vreemde en interessante leven te water in China gade te slaan. Geen Chineesch schipper vergeet, zoodra de zon ondergaat, om van zijn schip op de een of andere wijze zijne offers aan den watergeest of aan de geesten van afgestorvenen te brengen.
Vrijdagmorgen vertrokken wij per trein van Hankow naar Peking. Deze lijn is door een Fransch-Belgisch gezelschap aangelegd, doch is sedert vier jaar in het bezit der Chineesche regeering gekomen. Alle employees, voor zoover zij geen Chineezen zijn, zijn nog Franschen of Belgen; de wagons zijn van Belgisch maaksel en constructie, lang zoo goed niet als de waggons op de lijn Shanghaï-Nanking. Alleen de restauratiewagen was uitstekend en het opgediende boven allen lof. Men kan overtuigd zijn, dat in de keuken Chineesche koks het werk leverden.
Langs de geheele lijn, de afstand is 700 Eng. mijlen en wordt in 28 uren afgelegd, was bij elk station een sterke politiemacht geposteerd, die, zooals wij hoorden, niet overbodig is, omdat nog herhaaldelijk hier en daar treinen door zoogenaamde boksers overvallen worden, die de reizigers uitplunderen. Boksers is een mooie naam voor deze kerels, die niets anders dan brutale roovers zijn, roovers te land, neefjes of broertjes van de talrijke zeeroovers hier.
Het landschap bood niets bijzonders aan. Als men de in bijna elke stad en dorp aanwezige pagoden en tempels en de Chineezen zelf niet in aanmerking neemt, dan is het landschap vrijwel gelijk aan dat, wat men in elk bergachtig land vindt. Ik zou haast vergeten ook nog op te sommen onder de dingen, die men niet in aanmerking moet nemen, de overal verspreide Chineesche graftomben, die dan eens op een heuveltje, dan midden in een stuk bouwgrond, of op een stuk rots staan, en dan eens van meer, dan eens van mindere pretentie zijn.
Hoe meer wij Peking naderden, hoe meer staarten zagen wij. Er waren zelfs hier en daar soldaten, die dat Chineezenteeken nog lang en breed over den rug hadden hangen. In sommige dorpen droegen alle mannen, die wij zagen nog dit herkenningsteeken. Daar leek alles oogenschijnlijk zoo rustig, alsof de menschen heelemaal van een ommekeer in hun land niets afwisten, en die óf nooit gehoord hebben dat er reeds twee keer een regeeringsorder is gegeven, dat elke Chinees vóór begin September, later verlengd tot eind September, zijn staart moet hebben afgeknipt, óf die om zoo'n regeeringsbevel niet heel veel geven. Er is zelfs in het Noorden van China een beweging om de staart weder te laten groeien en men zegt, dat er een geheime vereeniging bestaat, die het dragen van den staart weder wil invoeren. Voor elken onzin heeft men hier geheime vereenigingen. Er is geen Chinees, die niet tot drie of vier geheime genootschappen behoort.
Om 4 uur bereikten wij Zaterdagmiddag Peking, de stad waar wij vanaf het begin van onze reis, ons voorgenomen hadden zeker heen te gaan, een voornemen, dat ons telkens ontraden en als onuitvoerbaar voorgespiegeld was, doch dat nu toch eindelijk in verwezenlijking was gekomen. Eén jaar lang hebben wij in zoovele verschillende landen gehoord: "naar China kunt gij niet gaan" en tot op het laatste oogenblik heeft men ons nog zoo sterk ontraden in China verder dan tot de kuststreken te gaan, dat wij ten laatste zelf waren begonnen te twijfelen of wij Peking wel ooit bereiken zouden. Maar wij zijn hier en wat wij in Peking hooren, zien en ondervinden, daarvan zal ik in een volgend schrijven vertellen.
14 Sept. 1912.
X.
Wij hebben niet voor niets gewenscht in Peking te komen. Peking is een merkwaardige stad, in menig opzicht afwijkend van alle andere steden. Door de herhaalde verwoestingen en 't telkens opnieuw opbouwen der stad, heeft zij het oude karakter verloren en is nu een moderne Chineesche stad geworden, die echter niets van haar oriëntalisch aspect verloren heeft en niet nalaat bij een eerste bezoek een diepen indruk te maken. De oude monarchale macht en grootheid spreken uit bijna elken tempel, woning, straat. Reeds bij het in den trein naderen der stad worden ongewone, vreemde indrukken gewekt. De hooge, zwaar gebouwde muur, die de geheele stad omgeeft, de verblindende kleuren der hemelhooge pagoda, het dooreengewoel van de altijd druk doende Chineezen, die hier, bijna zonder uitzondering hun staart behouden hebben, de overal opdoemende veelkleurige tempels, zijn zoo indrukwekkend, dat zeker niemand den eersten indruk vergeten zal, dien hij bij zijn eerste bezoek aan deze grootste der oriëntalische steden ontving, Alleen wanneer men in het hotel des Wagons Lits is gearriveerd, gelooft men zich een oogenblik in Europa. Dit hotel bezit alle deugden van een goed geleid Europeesch hotel, met het voordeel, dat de bedienden allen Chineezen zijn, die de beste bedienden vormen die men ooit in een hotel kan aantreffen.
Peking is een stad van hooge muren, waarbinnen zich kleine steden gevormd hebben. Elke vreemde legatie is door een hooge muur omgeven, waarbinnen dan een Italiaansche, Japansche, Engelsche, Amerikaansche of andere stad bestaat. Vooral de Engelsche stad is de moeite van een bezoek waard. Binnen de hooge muur, die heel Peking omgeeft, is in het centrum een tweede muur met vier groote poorten, waar in hoofdzaak de hooge officieele personen wonen. Dit deel, wordt de keizerlijke stad genoemd. In het centrum nu weder van deze keizerlijke stad bevindt zich weder een 30 voet hooge muur, waarbinnen de verboden stad gelegen is. Daarbinnen bevinden zich de keizerlijke paleizen, de regeeringsgebouwen en de woningen voor allen, die tot het keizerlijk hof behooren. Geen vreemdeling mag daar een voet zetten, zonder zeer bijzondere redenen. Op 't oogenblik huist daar nog de keizerin-weduwe, het jonge keizertje en de hofhouding. Reeds herhaaldelijk heeft de nieuwe regeering deze hooglieden doen weten, dat zij de verboden stad ontruimen moesten, en dat men het zomerpaleis, even buiten Peking gelegen, voor hun verblijf had afgestaan. Op al die sommaties antwoordt de keizerin-weduwe heel beleefd, dat zij het onthouden zal, maar telkens blijkt, dat zij geen enkelen maatregel getroffen heeft om van woonplaats te veranderen. Is het de regeering ernst om de poorten van de verboden stad te openen en daarbinnen de nieuwe regeering te vestigen, dan zal zij den een of anderen dag geweld moeten gebruiken om de keizerin en de geheele hofhouding van haar plaats te verwijderen. Nergens in China is ons nog zoo sterk opgevallen, hoe weinig kracht er van deze regeering blijkbaar uitgaat als hier in Peking. Een hof, dat stilletjes blijft, waar het zich thuis gevoelt, niettegenstaande herhaalde sommaties van de regeering. Eene bevolking, die ongestoord den staart blijft dragen, alsof er nooit een bevel is geweest om dit Chineezenteeken te verwijderen, de honderden en honderden Manchu's, die hier dagelijks door de straten wandelen en oogenschijnlijk verreweg het grootste deel der bevolking uitmaken.
De Manchu-mannen zijn van de andere Chineezen uiterlijk te herkennen, door hun veel krachtiger en mannelijker voorkomen en hunne forscher gestalten. Ook schijnen zij geestelijk hooger te staan. De Manchu-vrouwen zijn onmiddellijk herkenbaar door hare bijzondere en eigenaardige coiffures en doordat zij nooit de voeten gebonden hebben. Het haar dezer schoonen is hoog en breed uit, boven op het hoofd, opgemaakt en met frissche bloemen of papieren rozen versierd. Zelfs oude vrouwtjes met gerimpelde gezichtjes, vergeten niet in haar kunstig zwart gemaakte en vet-glanzende haarstrik, eenige hard-roode of gele--soms beide kleuren tegelijk--rozen te steken. Het schijnt bij haar dagelijksch toilet te behooren.
Reeds den eersten dag, dien wij in Peking doorbrachten, was direct een vrij drukke en vermoeiende dag voor ons. Bij het ontbijt vernamen wij dat dien dag het zomerpaleis voor vreemdelingen te bezichtigen was. Dit paleis wordt slechts eens in de tien dagen voor dat doel opengesteld. Elke vreemdeling moet echter een bewijs van eigen ambassade vertoonen om toegelaten te worden. 't Was Zondag, de bureaux derhalve gesloten, onmogelijk dus voor ons om zoo'n bewijs te bemachtigen. Wij vroegen den directeur van het hotel om raad. Een Engelschman, die ons gesprek hoorde, bood ons onmiddellijk zijn kaarten aan. Hij had voor zich en zijne dames den dag te voren toegangsbewijzen aan zijne legatie gehaald, maar nu was een zijner dames ziek geworden, waardoor hun tocht was uitgesteld; hij vroeg of wij van zijne kaarten gebruik wilden maken. Met deze valsche papieren gewapend zetten wij ons ieder in een rickshaw en lieten ons twee uren lang in aanhoudenden draf voorttrekken. Wij moesten voor dezen tocht de stad doorkruisen van het eene uiteinde tot het andere en daarna nog meer dan een uur ver buiten de stad. Het straatleven in Peking verschilt van dat wat wij in Nanking, Canton en andere Chineesche steden gezien hebben juist zooveel als het leven overal elders in een groote stad verschilt van dat in een provinciestad. Het was iets geheel anders, maar toch in zijn wezen op en top Chinees. Even buiten de stad zagen wij hier onophoudelijk kleine karavanen volgeladen kameelen, maar nog meer ezeltjes, de beesten, die men overal ziet waar kameelen zijn. Maar een Chinees op een ezel of op een kameel gezeten levert een geheel ander beeld dan een Arabier, die een dier beesten voor een rijpaard gebruikt. Ook ontmoetten wij langs den weg tallooze blinde bedelaars en de vreemd uitgedoste blinde bedelares, die zingend de wereld haar nood klaagt. Op onze heen en terugtocht passeerden wij tevens twee keer een bont toegetakelden bruiloftstoet en een nog gekker opgemaakte begrafenis. Bij deze laatste werd een oorverdoovend concert gegeven van trommels, bekkens en bellen. Ik heb nog in geen land een lijkstoet gezien, waarbij zoo weinig ernstige of medelijdende gedachten bij mij opgewekt werden als hier in China. Men maakt zich onwillekeurig vroolijk over dat vreemde gedoe en den weinigen ernst, die de deelnemers in den stoet zelven vertoonen. Het gemaakte, rumoerige gehuil der vrouwen, een gehuil dat is voorgeschreven en niet uit het gemoed komt, wekt lachlust en soms weerzin op. Maar wij waren op weg naar het zomerpaleis en daarvan moet ik het een en ander vertellen.
Dit paleis werd in het eind der 17e eeuw gebouwd door den keizer Kang-hsi, die het voor zijn eigen privaat gebruik inrichtte, wanneer hij zich geheel van de wereld wilde afzonderen. Het is een prachtig, weelderig ingericht paleis met vele even sierlijke bijgebouwen, maar vooral aan den tuin, waar een eeuwige zomer moest heerschen, is bijzondere zorg besteed. Van de heuvels en dalen, te midden waarin het paleis gelegen is, is een gelukkig gebruik gemaakt. De wild groeiende bloemen en planten heeft men daar tot een ongekende hoogte ontwikkeld. Overal heeft men daar de natuur door de kunst geholpen, tot ten slotte deze geheele omgeving eenig in haar soort is geworden. Het wordt met recht een aardsch paradijs genoemd. Het van wit marmer gemaakte groote schip, in den grooten vijver gelegen, en over een marmeren brug te bereiken, daarvan is de bezichtiging alleen de moeite van den vermoeienden tocht waard. Maar ook de vele tempelvormig gebouwde paviljoens, vanwaar steeds een mooi vergezicht te genieten valt, verdienen bewondering. Als inderdaad de hofstoet dit paradijs zal gaan innemen en dit dan waarschijnlijk voor het publiek gesloten zal worden, zal dit een groot verlies zijn. Het behoort tot het mooiste wat Peking ter bezichtiging aanbiedt.
Want ook hier zijn weder tal van tempels, de een merkwaardiger dan de andere, maar die bezitten noch artistieke, noch architectonische waarde. Er is een tempel des hemels en een van de aarde, een voor den landbouw, en een voor den regen, een Lama-tempel en een gele tempel en nog tal van andere tempels, waarvan wij trouw de voornaamste bezichtigd hebben, doch die alle een sterk onbevredigd gevoel bij ons achterlieten. Wij bezochten ze meer om den geest, die de menschen bezielt, die er hun gemoed komen uitstorten, beter te kunnen doorgronden, dan om ons kunstgevoel te streelen. Geeft het iemand geen denkbeeld van de geestelijke ontwikkeling van een volk, als men in den tempel des hemels o.a. verneemt, dat daar twee keer in het jaar de keizer zijn offeranden komt brengen in den vorm van het verbranden der lijken van menschen, die te voren geëxecuteerd zijn? Het zijn de onthoofde lijken van misdadigers, of wat men in China misdadigers gelieft te noemen. Tegelijk met het verbranden der lijken, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van eenige reuzengroote gevulde urnen verbranden. De inhoud bestaat uit stukjes papier, waarop de naam en alle bijzonderheden van den verbranden persoon geschreven staat, zoodat men daarboven precies weet wiens geest komt aanzeilen, benevens papiertjes, waarop vermeld is, welke misdaad hij bedreven heeft en het verzoek hem in den hemel niet nogmaals voor de daden te laten boeten waarvoor hij op aarde reeds zijn straf ontving. Die papiertjes, die misschien nog wel meer boodschappen inhouden aan dengeen, die in den geest der Chineezen boven de wolken de lakens uitdeelt, worden verbrand, opdat de daarop geschreven opdracht met den rook hemelwaarts zal stijgen. Ook paarden en andere waardevolle beesten worden bij zulke gelegenheden verbrand, doch men vertelde ons, dat alle levende wezens eerst behoorlijk gedood worden.
In de Confuciustempel,--Confucius wilde geen tempels en geen priesters, maar zijn volgelingen waren met dien eenvoud niet tevreden,--worden eigenlijk meer de boeken van Confucius bestudeerd, dan dat er veel aan verheerlijking van zijn persoon gedaan wordt. Toch zagen wij ook daar groote bronzen urnen. Deze tempel staat in een grooten tuin, waarin vele eeuwenoude cederboomen; er heerschte daar zulk een rust en vrede, te midden van de woelige stad, dat het de Confucionisten in Peking daar onwillekeurig tot nadenken en studie moet brengen.
De Lama-tempel, waaraan een monnikenklooster verbonden is, met ruim 1200 jongentjes-leerlingen, kinderen, die allen tot een leven van nietsdoen worden groot gebracht, was natuurlijk een Buddhistentempel. Maar de Buddha der Chineezen lijkt al heel weinig op den Buddha der Burmeezen.
Er was juist een offerdienst, toen wij dezen tempel en al wat daarbij behoort, bezochten. Buddha ontving groote bakken vol rozebladeren, maar ook eenige manden appels, een paar schalen koekjes en twee bakken vol versch vleesch. Met een enorm leven van tromgeroffel en bekkenslag en het eentonig gedreun van die honderden jongentjes, die altijd door hetzelfde uitschreeuwden, werd dit alles den reuzengrooten, van hout gemaakten, Buddha aangeboden.
In één opzicht zijn al deze tempels aan elkaar gelijk. Zonder uitzondering zijn zij vuil. Het is, alsof er in geen jaren schoonmaak is gehouden. De vuile Chineezen, die de tempeldeuren voor je openen, grijnslachen, als men ze vraagt, of niemand met den schoonmaak van deze heilige plaats is belast. In de Hall der klassieken, oorspronkelijk gebouwd als een instituut voor onderwijs, maar later ook als plaats voor heilige doeleinden gebruikt, is zelfs een keizerlijke troon met houtsneewerk, dat zoo schitterend moet zijn, dat het als het grootste kunstwerk in China wordt beschouwd en ook die was zoo onder stof en spinnewebben begraven, dat wij van het mooie niets konden zien.
In de trom- en beltoren moet men de enorme groote koperen bel bewonderen. De legende, die aan het maken van die bel verbonden is, is waard overgebriefd te worden. In de 15e eeuw, onder de regeering van den keizer Yung-Loh, een Ming, werd een der hofbedienden, bekend voor zijne bedrevenheid in het mengen en gieten van metaal, belast, om een bel voor dien toren te maken, die een bijzonderen glans moest vertoonen en een mooi geluid moest geven. De pogingen om dit keizerlijk bevel uit te voeren, mislukten twee malen. De keizer was daarover zeer gebelgd, hij liet den armen man bij zich komen en vertelde hem, dat, als de derde keer weer mislukte, hij onthoofd zou worden. Die arme man bezat een zeer schoone dochter met amandeloogen, die in de zon schitterden en appelkleurige wangen en nog allerlei moois meer. Bij al haar schoonheid bezat zij ook alle huiselijke deugden en zij kon dichten. Alle jonge mannen waren verliefd op haar.