Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 53

Chapter 533,584 wordsPublic domain

De Philippino's die, zooals men weet, tot hetzelfde ras als onze Javanen behooren, en in uiterlijk zeer veel overeenkomst met hen vertoonen, staan in het algemeen genomen in geestelijke ontwikkeling veel hooger. Dit is in hoofdzaak het meest in het oogloopend het geval met de vrouwen. Hoogstwaarschijnlijk danken de vrouwen haar grootere vrijheid en hoogere ontwikkeling aan het feit, dat de Mohammedanen hier nooit grooten invloed gehad hebben, dat hier nooit polygamie is kunnen ingevoerd worden en dat de vrouwen zich nimmer hebben laten opsluiten of haar gelaat achter dichte sluiers hebben verborgen. Overal waar wij tot nog toe polygamie en opsluiting der vrouwen hebben aangetroffen, was de wettelijke en maatschappelijke positie der vrouw eene allerbedroevendste.

De vrouwen in de Philippijnen doen ons het meest denken aan de vrouwen in Burma, zooals wij die in Rangoon hebben aangetroffen. De vrouwen hier hebben echter in de laatste jaren van de goede Amerikaansche scholen kunnen profiteeren en daardoor staan de jongere vrouwen in de Philippijnen in geestelijke ontwikkeling boven hare Burmeesche zusters. Beiden zijn echter waardige vertegenwoordigsters van het Maleische ras, die zich niet door godsdienstprofeten de plaats hebben laten voorschrijven, waar de vrouw behoort te staan, noch "haar Roeping" door mannen hebben laten vaststellen; zij hebben haar eigen "Roeping" en eigen "Plaats" bepaald en die plaats is in de Philippijnen eene zoo in het oogloopende en een zoo goede, dat president Taft, toen hij in 1901 als gouverneur-generaal in de Philippijnen kwam, in zijn eerst uitgegeven rapport Over deze eilanden als zijne meening uitsprak, dat in alle eilanden hier de vrouwen superieurder waren dan de mannen en deze superioriteit zoowel bestond in geestelijke ontwikkeling, als in moreele levensopvatting en in energie en ijver.

Het is zeker vreemd, dat Spanje en de Katholieke kerk, welks macht hier ruim drie eeuwen gevoeld werd, nooit zoozeer hun stempel op de vrouwen als op de mannen hebben kunnen drukken; de vrouwen hebben veel meer den oorspronkelijken vrijen geest behouden dan de mannen. In de Philippino-revolutie van 1898, de opstand van dit Orientalisch volk, om zich van de Spaansche overmacht te ontdoen, omdat die macht hen niet tot verdere ontwikkeling liet komen, werd de rol, die de vrouwen daarin speelden, zeer sterk gevoeld en ofschoon de vrouwen meer een dicteerende rol achter de schermen hebben gespeeld, namen zij toch ook aan den wapenstrijd op menig eiland daadwerkelijk deel.

Wij waren ook een avond de gasten van de Spaansche heeren- en damesclub. Ook op dien avond maakte de gelegenheid tot dansen de hoofdzaak van het programma uit. Met vele Spaansche dames hebben wij toen kennis gemaakt, doch deze staan in geestelijke ontwikkeling niet op één lijn met hare Philippino-zusters. De tijd, dien deze laatsten gebruiken om zich wetenschappelijk te bekwamen en om zich in of buiten huwelijk economisch vrij te maken, gebruiken de eersten om allerlei Europeesche of Amerikaansche kunstjes aan te leeren en zich vooral zeer Europeesch voor te doen. Zij spreken bij voorkeur Fransch, kleeden zich bij Fransche modistes en leggen daarbij goeden smaak en groot weeldevertoon aan den dag. Toch kunnen zij hun Carmencita-natuur nu en dan niet geheel bemantelen. De Spaansche dames, zooals wij die hier ontmoet hebben, bezitten voor ons weinig aantrekkelijks.

Beter hebben wij ons geamuseerd toen wij in een vooravond de gasten waren van de 180 Philippino-meisjes-studenten, die allen van buiten Manilla komen en gezamenlijk in een van de dormitories door de regeering gehuisvest zijn. Alle meisjes, die geen ouders of familieleden in Manilla hebben en een van de inrichtingen van middelbaar of hooger onderwijs hier bezoeken, worden door de regeering in groote pensions ondergebracht, waar zij kosteloos voeding en huisvesting ontvangen. In de grootste dezer, waar, zooals ik schreef, 180 meisjes bijeen zijn, hadden de meisjes, met goedkeuring van de directrice, ons uitgenoodigd te komen. Er waren leerlingen van de normaalschool, aanstaande onderwijzeressen dus, studenten, in de pharmacie, medicijnen, rechten en philosophie, leerling-verpleegsters en studenten in allerlei afdeelingen van kunst.

De versnaperingen ons dien avond aangeboden waren alle door de meisjes zelven bereid, andere meisjes maakten muziek of dansten de native-dansen voor ons en ten slotte vroegen zij ons om haar iets te vertellen van meisjes-studenten uit Amerika en Holland. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat wij in Holland geen vrouwelijke professoren hebben en dat wij eigenlijk niet veel verder zijn dan de Philippino-vrouwen, en nog hooger steeg hare verwondering, toen ik mededeelde, dat ons land met de ontwikkeling van 't Javaansche meisje, dat met het Philippino-meisje zooveel punten van overeenkomst bezit, pas kort geleden een begin heeft gemaakt en dat verreweg het grootste aantal Javaansche vrouwen nog niet lezen of schrijven kan. Dat de Mohammedaansche godsdienst, die op Java beleden wordt, die de vrouwen en meisjes binnen de perken der woning houdt, grootendeels hiervan de schuld is, heb ik getracht haar duidelijk te maken, zoodat onze regeering geen al te poover figuur in dezen naast die van Amerika maakt.

De Philippinoos houden van muziek en plezier maken, elke gelegenheid wordt daartoe aangegrepen. Begrafenissen zijn hier familiefeesten. Met de vroolijkste en soms allerzonderlingste muziek worden hier de lijken grafwaarts gedragen en na de begrafenis keeren de treurende familieleden en vrienden naar de woning van den overledene terug, om er den heelen dag te smullen en den avond, soms tot den volgenden morgen, in dans en muziek door te brengen. Als men zoo'n woning passeert, gelooft men eerder dat er een bruiloft dan een begrafenis gevierd wordt. De kerkhoven zijn hier ook zeer eigenaardig. Men begraaft de lijken niet in den grond, maar in de nissen van dikke muren. Zoo'n Philippino-kerkhof bestaat uit een klein Katholiek kerkje. Daaromheen zijn cirkelgewijs drie of vier dikke wallen gebouwd, muren die een dikte hebben van een man's lengte. De muren zijn vol nissen en elke nis bevat een lijk. Het lijk wordt uit de kist genomen en zoo in de nis geduwd. De sluitsteen van de nis bevat den naam etc. van den gestorvene. De huur van zoo'n nis bestaat in 5 pesos per jaar en moet voor 5 jaar tegelijk voldaan worden. Wordt na afloop van dien termijn de huur door de familieleden niet vernieuwd, dan werden, vóór de Amerikanen hier kwamen, de overblijfselen eenvoudig uit de nis genomen en buiten de muren op een hoop gesmeten; thans, onder Amerikaansch regime, worden ze gecremeerd. Op die wijze zijn er altijd nissen vrij om nieuwe bewoners te ontvangen en maakt de kerk een goed zaakje van de sterfelijkheid der Philippinoos.

Een allergekst contrast vormt de lawaaierige manier, waarop een lijk naar de begraafplaats gebracht wordt en het totale gebrek aan formaliteiten waarmede het in de nis geduwd wordt, zoodra het op het kerkhof is aangekomen. Geen priester om daarbij een laatste woord of een gebed uit te spreken is aanwezig, geen huilende of treurende familieleden doen zich gelden, de kist wordt eenvoudig voor de nis neergezet, geopend en het lijk er door een man uitgenomen, die voor het verder werk zorgt. Met de ledige kist, die voor zoo'n gelegenheid gehuurd wordt, aanvaardt men den terugtocht.

Het aanhoudende natte weder, dat ons zooveel binnen de muren van het hotel houdt, heeft toch ook wel eens zijn aangename zijde en bezorgde ons een dezer dagen een avontuurtje, dat ons steeds als wij er aan terugdenken, zal doen lachen en vroolijk stemmen. Door het vele tehuis zijn hebben wij langzamerhand met de meeste toeristen in het hotel kennis gemaakt en toen wij een avond vertelden van de verschillende bals, die wij hier bijgewoond hebben, vroeg een der heeren ons of wij dan niet ook eens kennis moesten maken met de bals, die er alle avonden op verschillende plaatsen buiten Manilla gehouden worden en waarop de Amerikaansche militairen zich met de Philippino-meisjes vermaken. Wij waren een groep van zeven, vier dames en drie heeren, en allen dachten, dat het zeer interessant zou zijn daar eens gezamenlijk heen te gaan. Het was tien uur 's avonds, de mooiste tijd, die men voor zoo'n bezoek uitkiezen kon; de groote auto van het hotel kon 7 personen bevatten, er was dus geen reden om niet onmiddellijk de daad aan het woord te verbinden. De auto kwam voor en zooals wij daar zaten in onze lichte avondtoiletten en met dunne schoentjes stapten wij in. Eerst gingen wij naar de balzaal in St. Anna, welke door de militairen van het fort Mc.Kinley gefrequenteerd wordt. Het ging er geanimeerd toe. De dansmeisjes zitten rechts, de danslustige heeren links van de zaal. Alleen als de muziek begint mogen de heeren zich van links naar rechts begeven, om een meisje uit te zoeken, doch meestal treden de schoonen hen reeds halverwege tegemoet. Dan wordt gedanst, vier minuten lang, en dan scheiden de paartjes zich voor één minuut, doch niet voordat de cavalier uit zijn broekzak 20 centavos (ongeveer een kwartje) opgediept heeft en die aan zijn schoone ter hand gesteld. De helft van die som behoudt het meisje, de andere helft heeft zij aan den eigenaar van het lokaal af te dragen. Voor eene goede orde van zaken houdt de politie een oogje in het zeil. Zoo moeten de dames en heeren als er niet gedanst wordt elk in eigen afdeeling blijven, is het streng verboden alcoholische dranken te gebruiken en wanneer een dansend paartje al te zinnelijk zich voortbeweegt, worden zij door de politie uit elkaar gezet. In de balzaal kan er dan ook niets onbehoorlijks gebeuren, maar het brengt de jeugd van beiderlei kunne in nauw kontakt en als resultaat van zoo'n kennismaking volgt dikwijls eene voortzetting buiten de balzaal en uit deze intiemere verhouding wordt het aantal mestizos sterk vermeerderd.

Na dit bezoek zouden wij nog naar een andere dergelijke gelegenheid gaan, aan de andere zijde van Manilla gelegen. Weldra zaten wij weder in de auto en voort ging het in een stortregen en in het middernachtelijk uur. Manilla was in een oogenblik bereikt, wij stoven door de stille, nauwe straten van de oude stad en waren heel gauw aan de andere zijde er weder uit. Een dorp of voorstad gingen wij door, 't was er zoo stil of het geheel was uitgestorven, toen een langen modderigen landweg over, door een ander native-dorp en daarna sloegen wij een zijweg in. Hier begon het. De auto begon te schudden alsof zij ons wilde uitwerpen, hokte, met rare, sissende geluiden en ging op eens niet verder. Het was alsof wij ons op een zinkend schip bevonden, dat van achter af langzaam naar beneden zakt. Eerst sprongen de heeren uit. Zij zonken tot aan de knieën in een dikke modderlaag en waren volstrekt niet zeker, dat zij toen op vasten bodem stonden. Met behulp van den chauffeur werd geprobeerd de achterwielen te lichten, doch er was geen beweging in het zware voertuig te brengen. Toen moesten wij er uit. Het zeildoek, waarmede de kap van den auto bedekt was, werd los gepeld en op den grond uitgespreid en daarop zouden wij gaan staan. Eerst was ik aan de beurt. Alleen op het zeildoek staande en de lichtste van de partij zijnde, hield het mij goed, ik zonk niet te diep in en stond droog. Toen kwamen mijne lotgenooten. Elken keer als er een mijn standplaats kwam deelen, zonken wij dieper en ten slotte kwam de modder aan alle kanten over de randen heen loopen en stonden wij tot aan de knieën in de natte massa.

De pogingen van de heeren om toen de auto te lichten, mislukten en eindelijk moesten wij van de sterke armen van een paar Philippinoos, die waren komen kijken, gebruik maken, om ons naar den hoofdweg terug te dragen en ons daar op een droog plekje neer te zetten. Doch hoe konden wij naar Manilla terug komen? Wij waren vijf mijlen van ons hotel verwijderd, geen voertuig bevond zich meer op den weg en de beide mannen, die ons gedragen hadden, waren de eenige personen die wij in het dorpje zagen. Deze mannen verstonden geen woord Engelsch en wij verstonden niets van 't geen zij spraken. Ten slotte werd hun toch aan het verstand gebracht, dat wij rijtuigen moesten hebben en na eenig wachten kwamen zij dan ook, elk met een wagen, waarop zij in den morgen groenten naar de markt brengen, met een sukkelpaardje er voor, aanzetten. Op deze beide wagentjes verdeelden wij ons, voor den regen overdekt met de heerenjassen en groote palmbladen en toen ging het in een sukkeldrafje naar Manilla terug. Onderwijl zaten wij aanhoudend in angst, dat het paardje het niet halen zou, zoodat telkens de heeren uitstapten om te loopen, doch zij durfden ons toch midden in den nacht met deze mannen niet alleen te laten. Om twee uur kwamen wij eindelijk in het hotel terug, nat van boven en van onder, nat door de modder, waarin wij gestaan hadden, door den regen, die op ons neergekletterd had en door het transpireeren dat wij onder de heerenjassen gedaan hadden. In de wagentjes, waarin wij gekomen waren, zijn eenige werklieden met de noodige instrumenten teruggezonden, om den chauffeur te helpen zijn wagen te lichten om terug te kunnen keeren. Eerst tegen den morgen was die arme man komen aanzetten.

Van alles wat wij hier zien en beleven zal ik natuurlijk geen getrouw verslag kunnen geven, maar ik zou toch een onvergeeflijke fout maken, als ik brieven uit Manilla zond en met geen enkel woord gewaagde van datgene waardoor deze stad in ons land het meest bekend is. Ik durf wedden, dat er vele landgenooten zijn, die van Manilla niets anders afweten, dan dat er Manilla-sigaren vandaan komen en die nooit iets anders uit Manilla gelezen hebben dan "La Flor de la Isabela" op den binnenkant van sigarenkistjes. De bevoorrechten, die Manilla-sigaren kunnen rooken, kan ik de geruststelling geven, dat zij onder de uiterst hygiënische voorzorgen alhier gemaakt worden en dat de Amerikaansche regeering bij geen ander verbruiksartikel zoo'n groote mate van zorg ten toon spreidt als in de surveillance der sigarenfabrieken. Er is een afzonderlijke wet, gebaseerd op hygiënische voorschriften, waaraan de sigarenfabrikanten hebben te gehoorzamen. Al de groote fabrieken hebben dan ook hun eigen dokter, die dagelijks honderden werklieden surveilleert en onmiddellijk elk verdacht ziektegeval uit de gelederen verwijdert. Alleen de in elk opzicht gezonde jonge mannen en vrouwen kunnen in de fabrieken als werklieden aangenomen worden en deze zijn verplicht om zich twee keer in elke maand opnieuw aan een medisch onderzoek te onderwerpen. Bovendien nemen alle werklieden, vóór zij het werk aanvangen, telkens een desinfectiebad en doen een schoon pak kleederen aan. In de badkamers, de W. C., de gelegenheden waar de lunch gebruikt wordt, overal heerscht de uiterste zindelijkheid en met zware boete wordt elkeen gestraft, die met lippen of tong een sigaar aanraakt of die iets anders voor de bevestiging van het dekblad gebruikt dan het daarvoor bestemde vocht. Eenige doktoren, door de regeering aangesteld, hebben ten allen tijde het recht, elke sigarenfabriek binnen te gaan en den een of anderen sigarenmaker lichamelijk te onderzoeken, met het oog op zijn gezondheid. Wordt zoo iemand ziek bevonden, dan wordt de fabrikant beboet, eene boete die hooger wordt naarmate het meermalen voorkomt en zelfs, wanneer blijkt, dat bij zoo'n fabrikant geen voldoende toezicht uitgeoefend wordt, in gevangenisstraf kan worden omgezet. Geen wonder, dat Manilla-sigaren duur betaald moeten worden. In de meeste fabrieken geschiedt het sigarenmaken zoowel door mannen als vrouwen; voor zoover deze dezelfde taak te verrichten hebben, is de belooning ook dezelfde. In de fabriek, die wij hier bezochten, worden elken dag van het jaar eenige millioenen sigaren vervaardigd.

VI.

Die nu meent, dat na al het goede, dat de Amerikanen hier tot stand hebben gebracht, de Amerikanen hier geliefd zijn, dat de Philippino's zich gelukkig gevoelen uit de Spaansche macht in die van de Vereenigde Staten te zijn overgegaan, heeft het heelemaal mis. De Philippino's haten de Amerikanen meer dan zij ooit de Spanjaarden hebben gedaan en van de belofte, om hen tot zelfregeering op te voeden, gelooven zij niets. Zij meenen trouwens, zooals ieder buitenstaander zou meenen, dat zelfregeering insluit onafhankelijkheid, doch in Amerika heeft men geen plan hen onafhankelijk te maken, alleen om hen homerule te geven.

Er zijn hier twee groote politieke partijen, die natuurlijk zooals overal, rechtsche en linksche vleugels hebben. De eene, verreweg de grootste en die ook alle gestudeerde Philippino's onder hare leden telt, is de Nationalistische partij, die streeft naar onafhankelijkheid in den kortst mogelijken tijd. Deze partij heeft ook allerlei radicale hervormingen in haar program. Vele vrouwen maken deel uit van deze partij. De andere is de progressieve, zoo genoemd, niet omdat zij progressieve maatregelen wil trachten in te voeren, maar wijl haar streven is, langs progressieven weg tot zelf-regeering te komen. Uit deze partij kiest de Amerikaansche regeering steeds de Philippino-leden van de Commission, het lichaam, dat werkt als een Eerste Kamer, het lid, dat de Philippijnen in het Congres in Washington vertegenwoordigt, den burgemeester van Manilla, (den eenigen burgemeester door de Amerikaansche regeering aangewezen) en andere officieele personen. De progressieve partij bestaat voornamelijk uit (laat men niet vergeten, dat ik inlichtingen heb van leden der Nationalistische partij) groote grondeigenaars en strevers, menschen, die de huidige omstandigheden gebruiken om vooruit te komen. Onder het volk bezitten zij weinig aanhangers en in de Assembly zijn zij bijna in het geheel niet vertegenwoordigd. Hun partij is zoo zwak, dat, toen in 1911 er twee nieuwe vertegenwoordigers in het Congres gekozen moesten worden, waarvan, zooals ik in een vroeger schrijven uiteenzette, één door de Assembly gekozen en één door de Commission wordt aangewezen, doch die beiden de goedkeuring van Assembly èn Commission moeten hebben, de aangewezene door de Commission niet alleen niet de goedkeuring van de Assembly kon verwerven, doch hij kon daar, bij een 5 maal herhaalde stemming in verschillende zittingen, zelfs geen enkele stem op zich uitgebracht krijgen. Op eene vergadering, samengesteld uit een commissie van vijf uit de Assembly en eene van drie uit de Commission, waarvan ik het stenografisch verslag las, werd toen geprobeerd tot een vergelijk te komen, doch de waarnemende gouverneur-generaal, mr. Gilbert, bleef op zijn stuk staan om den door de Commission gekozene vertegenwoordiger en geen ander naar Washington te zenden, waarop de heer Osmena, de president van de Assembly, in onbewimpelde termen uiteenzette waarom deze man nooit de vertegenwoordiger van de Philippino's kon zijn en waarom de Amerikaansche regeering verkeerd handelde met uit deze soort mannen hare medewerkers te kiezen. Als men het verslag van deze vergadering leest, dan krijgt men den indruk, dat daar staatsmanswijsheid en staatsmansrechtvaardigheid en welsprekendheid meer zetelde aan den kant der Philippino's dan aan die der Amerikanen. Het gevolg was, dat geen der beide candidaten gekozen werd en de ouden nog voor twee jaar werden gehandhaafd. In 1913 zal dezelfde verkiezing weder gehouden worden en men vreest eene herhaling van het gebeurde.

Een andere groote grief, die de Philippino's tegen de Amerikanen hebben, is het opdringen van de Engelsche taal en Engelsche gewoonten. Niet alleen wordt op alle scholen en zelfs in de gevangenis het onderricht uitsluitend in de Engelsche taal gegeven en verbiedt men den kinderen zelfs zich onderling van eigen taal te bedienen, maar reeds was een besluit uitgevaardigd, dat in 1912 de Engelsche taal de officieele taal moest zijn in alle vertegenwoordigende en openbare lichamen. In den aanvang van dit jaar werd dit besluit verlengd met 1 1/2 jaar, zoodat nu in het eind van 1913 de Engelsche taal hier officieel overal zal worden ingevoerd. Proclamaties, die dit besluit inhouden, ziet men elke week in alle groote bladen en verder aan alle officieele gebouwen geplakt. Het verplicht ontblooten van het hoofd, zoodra het Amerikaansche volkslied gespeeld wordt, is mede, nu het niet vrijwillig geschiedt, een oorzaak, waardoor kwaad bloed gezet wordt. Tal van zulke, op zich zelf beschouwd kleinigheden, doch in gezamenlijk verband groote kwesties, geven den Philippino's de overtuiging, dat de Vereenigde Staten nooit van plan zijn hun goedwillig de vrijheid terug te geven, maar dat zij trachten hun alle zelfstandigheid te ontnemen en hen tot Amerikaantjes op te voeden.

Om de slechte verstandhouding, die hier tusschen de Philippino's en de Amerikanen bestaat, gaande te houden, werken de hier verschijnende dag- en weekbladen zeer sterk mede. Er is ononderbroken een opzettelijk verkeerd weergeven van soms de nietigste gebeurtenissen in beiderlei pers. In de Amerikaansche bladen wordt het eenvoudigste misdrijf of de kleinste verkeerde handeling van de zijde van een Philippino met schelle kleuren geschetst, met de sterk in het oogloopende strekking, somtijds zelfs in zoovele woorden gezegd, dat dit het karakter van een Philippino toont, of dat zulke menschen nog in geen drie generaties voor zelfregeering geschikt zijn. De een of ander fout begaan of dwaze redeneering gehouden in een of ander plattelands-gemeentebestuur wordt wekenlang in de Amerikaansche pers met allerlei vermakelijke commentaren vermeld, met geen andere bedoeling, dan de onrijpheid der Philippino's aan te toonen en hen tot spot der zooveel wijzere Amerikanen te laten dienen. Van de zijde der Philippino's wordt evenzoo gehandeld. Ook zij overdrijven alles wat de Amerikanen doen en zeggen, schrijven aan elk hunner handelingen kwade bedoelingen toe en wakkeren een wantrouwen tegen hen aan, waaruit op den duur niet veel goeds kan komen. In plaats van tegen de Amerikanen op te zien als een boven hen staand volk, zooals zij tegenover de Spanjaarden deden, zien zij met een zekere dédain op de Amerikanen neder en toen ik eens in een gezelschap van Philippino's vroeg, waarom zij de Amerikanen van uit de hoogte beschouwen, antwoordde een hunner, dat de Spanjaarden een natie vormen met een mooi verleden, maar de Amerikanen behooren tot geen natie, zij zijn een samenraapsel van het schuim van alle andere natiën.