Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 5

Chapter 53,955 wordsPublic domain

Toen wij Maandagmiddag om twee uur aan boord van de "Andenaes" stapten, ging juist de gong, die ons aan tafel riep. Ik ben geen gourmande, doch weet een goed diner te apprecieeren en daarom wil ik niet onvermeld laten, hoe buitengewoon goed dit diner en verder alle maaltijden aan boord van dat schip waren. Zoo hoog in het Noorden mag men geen groote aanspraken maken, vooral wat vruchten en groenten betreft, maar hier merkte men niet, dat al het genotene zeer zeker een groote reis achter den rug had. Ananassen en meloenen waren van dezelfde superieure kwaliteit als wij ze in Amsterdam zouden kunnen verwachten.

Daar wij tot Lödingen dezelfde fjord passeerden die wij juist twee keer achtereen waren doorgekomen, besloten wij na het eten een paar uur te gaan slapen, om daarna beter in staat te zijn van den avond te genieten. Toen wij tegen zes uur op het dek kwamen, was het koud en regenachtig. Wij waren in de nauwe Tjelsund, waar de grillig gevormde bergspitsen dicht genoeg bij waren om ze nog te kunnen bewonderen. De hoogste punten lagen echter in een dichte nevel.

Toen ik mij bij den kapitein beklaagde, dat er weder van een zonsondergang of van een middernachtzon niets te bespeuren zou zijn, begon hij te lachen en voorspelde met groote beslistheid, dat wij dien avond nog de mooiste zonneschijn te genieten zouden krijgen, die er te genieten valt.

Wij konden ondertusschen onze reisgenooten eens opnemen. Het was een vrij cosmopolitisch gezelschap. Amerikanen en Engelschen ontbraken natuurlijk niet. Verder vele Duitschers en Oostenrijkers, ook een paar Hongaarsche dames, die wij reeds in Stockholm op het congres voor vrouwenkiesrecht ontmoet hadden, Zweden, Noren, Russen en Finnen, en zelfs een paar Fransche heeren.

Ruim vijftig passagiers waren aan boord, die bijna allen deze reis uit belangstelling of "zum Erhohlung" maakten. Alleen een Amerikaansche moeder en dochter waren medegegaan, om wat overtollige tijd aan te vullen. Zij zouden eenige jaren in Europa reizende blijven en wisten eigenlijk niet goed, hoe en waar zij dien tijd zouden zoek brengen. Op dek zag men hen zelden; meestal zat mama te lezen en de dochter te borduren in de conversatiezaal van het schip. Toen op een gegeven oogenblik een der heeren het jonge meisje naar boven riep, om iets merkwaardigs te zien, dat wij passeerden, gaf zij lakoniek ten antwoord: "Thank you, I am satisfied. I only go to see the North Cape, I am told that is so beautiful". Wat er ook te zien en te bewonderen was, zij bleef kalm borduren of lezen, ging op bepaalden tijd naar bed en zat altijd op het vaste uur aan tafel.

Even voor half twaalf kwam de kapitein ons allen plotseling zeggen, dat de zon in alle pracht aan den hemel stond. Wij waren in volle zee, geen bergtop kon zich tusschen ons en de vuurroode kogel stellen, om ons het gezicht te benemen. Om ongeveer half twaalf was de bol het kleinst en stond het dichtst bij ons, daarna werd zij weder grooter en verhief zich hooger aan de horizon. Het lichteffect, dat daarmede gepaard ging was betooverend schoon. Lang bleven allen van dezen prachtigen zomernacht in het hooge Noorden genieten en eerst tegen den ochtend kon men besluiten naar bed te gaan.

Dinsdagmorgen was er geen haast om op te staan, want het was koud en regenachtig en tegen de bergwanden hing een dikke nevel, die er alle schilderachtigheid aan ontnam. Eerst tegen den middag klaarde de lucht wat op en na het middagmaal konden wij de sneeuw- en ijsbergen weer in hun verscheidenheid van vorm waarnemen. Het was echter te koud en er was te veel wind om lang achtereen op het dek te vertoeven, zoodat dan ook telkens heele groepen personen zich weder in de verschillende salons begaven, om even weder warm te worden. Het was op zulk een moment, dat de kapitein ons allen boven riep, omdat wij bij "de Vogelberg" waren aangekomen.

In het eerst bespeurden wij niets bijzonders, een enorme bergkolos, midden in zee, waar wij rakelings langs stoomden en waarvan de zwarte rotsblokken met duizenden en nog eens duizenden witte puntjes bezet waren.

Wij begrepen eerst de bijzonderheid van dezen berg niet en ik vroeg reeds: "waar zijn de vogels van de vogelberg?" toen door een pistoolschot plotseling een zwerm witte en bonte vogeltjes de lucht invlogen, die het effect maakten van een dichte sneeuwmassa. Vogeltjes, niet grooter dan kleine rijstvogeltjes en daar tusschen door grootere exemplaren. Het waren verschillende soorten meeuwen. Toen ook nog de stoomfluit zijne schrille tonen de lucht infloot, waren de arme beestjes geheel van streek en vlogen krijschend kris en kras dooreen, 't Was een merkwaardig gezicht zoovele duizenden vogels op die eene berg bijeen.

Toen wij van dit schouwspel genoten hadden, gingen allen spoedig in de salons terug om een beetje van de koude te bekomen. Dat duurde echter niet lang, want spoedig daarna kwam de kapitein ons weder zeggen, dat de Noordkaap in het gezicht was en dat daar de zon scheen. Ons aller verwachting was groot en elkeen rustte zich uit om den bergtop te beklimmen, om daar van de middernachtzon nog eens te genieten.

Door de drukte en de spanning, waarin allen verkeerden, vergaten velen zeeziek te worden, waartoe toch alle gelegenheid was, want wij waren in volle zee en die was vrij onstuimig. De eerste stuurman uitte tegen mij daarover zijne verwondering, "zoovele dames aan boord en hier niemand zeeziek, dat komt zelden voor."

Vóór wij nog de Noordkaap bereikten, bleef het schip een half uurtje stil liggen, om alle liefhebbers van visschen daartoe een oogenblik gelegenheid te geven en weldra zag men tal van heeren en dames met een meters en meters lange lijn over de verschansing van het schip aan het visschen. De eene kabeljauw voor, de andere na, werd naar boven gehaald en weldra had de hofmeester een groote bak vol, die hij ons den volgenden middag, heerlijk toebereid, voordiende.

Toen stoomde het schip voort en bereikte zeer voorzichtig om 9 uur 's avonds, den binnenkant van het hoefijzervormige rotsblok, dat Noordkaap heet. De wind was nog zóó sterk, dat het schip niet dichtbij genoeg kon komen om ons aan land te zetten. Een boot werd dus naar beneden gelaten, met twee matrozen en den eersten stuurman bemand, en op die boot zouden de reizigers aan land worden gebracht. Zeven heeren en vijf dames stapten het eerst moedig in, ofschoon het ranke bootje bijna niet dicht genoeg bij de trap van het schip kon gehouden worden, om gelegenheid tot instappen te geven.

Toen allen gezeten waren--'t was alsof op dat oogenblik gewacht was--begon plotseling een zóó krachtige wind op te steken, dat van voorwaarts komen geen sprake was. De twee matrozen en de stuurman, nog geholpen door twee inzittende jonge Duitschers, konden met hun vijven niet tegen de golven inroeien. Zij probeerden achter om het schip, langs de andere zijde te komen, doch dreven langzamerhand zoo ver af, dat de op het schip achtergeblevenen elk oogenblik dachten, dat het kleine vaartuigje met alle inzittenden, het volgende oogenblik tegen de rotsblokken te pletter zou worden geslagen. Spoedig werd een tweede boot, met enkel matrozen bemand, te water gelaten, die, aan het eerste bootje geketend, beproefde het voorwaarts te brengen, of het ten minste voor te pletter slaan tegen de rotsen te behoeden. Toen de storm al heviger werd en wij de twee bootjes dan eens op den top van een golf, dan weer er geheel onder, verder en verder in de open zee zagen afdrijven, ging de groote boot hen achterna en haalde weldra alle inzittenden veilig op het dek.

Vermakelijk was hierbij het gedrag van de twee Fransche heeren die mede in het bootje gezeten hadden. Van de inzittenden vernamen wij, dat zij hunne angst niet beter hadden weten te luchten, dan door onophoudelijk te vloeken tegen de matrozen en den stuurman, zonder hierbij, zooals de andere heeren deden, een hand uit te steken om de roeiers nu en dan een oogenblik af te lossen, om hen weder op adem te laten komen. Toen de groote boot hen te hulp kwam, stieten zij de inzittende dames op zij, om toch vooral het eerste de trap te bereiken om boven op dek te komen, doch toen zij eenmaal veilig daar waren, hadden zij beiden de meeste praats en vergaten geheel hun onbeschoft gedrag.

De storm bleef aanhouden en loeide onheilspellend in deze enge ruimte. Van aan land gaan kon geen sprake meer zijn. Hoog vlogen de golven op en verwekten door de toch hel schijnende zon prachtige breede en sterk gekleurde regenbogen, 't Was interessant, maar angstig benauwend.

Wij zouden vijf uur aan de Noordkaap blijven liggen, om den passagiers gelegenheid te geven de bergspits te bereiken, daar van de middernachtzon te genieten en in het daar aanwezige restaurant een glas champagne, de eenige drank die er geschonken wordt, te drinken. Natuurlijk moesten ook daar de talloze briefkaarten gepost worden, die in den loop van den dag door elkeen geschreven waren, om toch vooral het stempel van de Noordkaap te krijgen. Van dit alles kon nu niets komen, en ook de post, die onze boot aan boord had en die, welke vandaar moest worden medegenomen, kon niet gewisseld worden.

Toen de storm nog steeds heviger werd, besloot de kapitein, tot aller groote blijdschap, om terug te keeren. Geen onzer had nog lust naar boven te gaan, of te wachten of het weer zich ook zou verbeteren.

Het was ruim elf uur 's avonds, toen wij weder in volle zee waren en naar Hammerfest stoomden.

II.

Om vijf uur waren wij den volgenden morgen in de haven van Hammerfest aangekomen. Wij zouden er tot tien uur blijven liggen, om kolen in te nemen en den toeristen gelegenheid te geven aan land te gaan. Ik maakte natuurlijk ook van deze gelegenheid gebruik.

Hammerfest lag nog in diepe rust, alle winkels waren nog gesloten. Een goede gelegenheid om het bergje te beklimmen, van waar een mooi vergezicht over gletschers en sneeuwbergen en de naburige eilanden de moeite loont.

Hammerfest, een stadje van nog niet meer dan 2300 inwoners, is reeds meer dan honderd jaren oud. Van half Mei tot einde Juli is er nooit nacht, de zon staat dan onophoudelijk aan den hemel. Dat neemt niet weg, dat zij in dien tijd zich wel eens achter de wolken schuil houdt, en dat zij, om van dezen onafgebroken arbeid uit te rusten, van half November tot einde Januari vacantie neemt en het stadje in dien tijd in volslagen nacht laat. Gelukkig dat de bewoners electrisch licht hebben, waardoor zij zich eenigszins kunnen schadeloos stellen.

Tegen acht uur waren alle winkels open en deden wij in een goudsmids- en een bontwinkel eenige inkoopen. Het trof ons, dat een jonge man, die in een van deze zaken in volkomen goed Duitsch ons te woord stond en vier jaar in Leipzig op school was geweest, zich in dit kleine, stille stadje, zoo ver van de bewoonde wereld, volkomen gelukkig gevoelde en niet liefst Hammerfest voor welke stad ook ter wereld zou willen ruilen. De onaangename traanlucht, waarmede alles in dit stadje doortrokken was, bleef nog lang in onze neuzen hangen.

Na een dag stoomen met hetzelfde nooit vervelende uitzicht op afwisselend groene bergen, zwarte rotsblokken en sneeuwbergen, kwamen wij 's avonds om tien uur in Lyngseidet aan. Dit dorpje ligt in den uitersten hoek van Lyngenfjörd, vlak aan de zee, door hooge, groene bergen, die alleen op den top met eeuwige sneeuw bedekt zijn, aan drie zijden geheel ingesloten.

Na zoovele onherbergzame streken gepasseerd te zijn, leek dit dorp met weligen plantengroei eene verademing.

In twee booten, de eene met den kapitein, de andere met den eersten stuurman aan boord, werden wij aan land gebracht. Vele passagiers brachten toen gezamenlijk een bezoek aan het op ruim een half uur afstand gelegen Lappenkamp, Langzaam stijgende, langs een mooien landweg, kwamen wij tegen ongeveer elf uur bij de Lappen aan. Rendieren, oude en jonge menschen, en zelfs de wiegekinderen, waren nog in volle fleur en schenen van den tijd van den dag geen Ahnung te hebben. 't Is ook mogelijk, dat onze komst verwacht werd en zij hoopten, nog iets aan die nieuwsgierige vreemdelingen te kunnen verdienen. Dan is hun hoop verwezenlijkt, want ik geloof, dat niet een der bezoekers vertrok, zonder voor een of meer kronen van de kunstig uit rendier-bestanddeelen gemaakte en zeer billijke souvenirs gekocht te hebben. Deze Lappen waren zeer beslist van eene hoogere ontwikkeling dan die wij in Zweden gezien hadden. Hun uiterlijk was veel meer menschelijk, de jonge vrouwtjes zagen er in 't geheel niet zoo afzichtelijk en vuil uit en hun haren waren behoorlijk onder het Lappenmutsje weggestreken. De wiegekindertjes zagen er zelfs blank uit.

De wiegjes waren geheel van een rendiervacht gemaakt, met den lederen kant naar buiten, en hadden een vorm, het best te vergelijken met dien van een grooten houten klomp. Alleen van achteren was dan de opening nog met een kap overtrokken. Het viel mij op, hoezeer de vorm van deze wiegen overeenkomt met dien, welken ik door de roodhuiden in Amerika zag gebruiken.

Terwijl wij naar de Lappen stonden te kijken en hen van alle zijden opnamen, werden wij wederkeerig aangegaapt door de van heinde en ver toegestroomde dorpelingen. In open rijtuigjes waren zij ons op onzen weg gevolgd en een tiental van die wagentjes stonden en haie geschaard, toen wij het kamp verlieten. Toen ik dan ook eens onze bonte groep overzag, waarvan enkele heeren in sportcostuum, met kuitbroeken, anderen in lichte zomerpakken, waarover een bontjas voor de nachtelijke koude, dames in gekleurde tricot-mantels, gummi jassen, bontmantels of avonddoeken, met een verscheidenheid van hoofddeksels, kwam ik tot de conclusie, dat wij het bekijken voor deze eenvoudige menschen even zoo goed waard waren als de Lappen voor ons.

Om twaalf uur waren allen weder aan boord en werd de reis voortgezet. Maar niemand toonde lust om naar bed te gaan; het was nog te mooi op het dek van het schip. Dorstige kelen en hongerige magen konden nog gelaafd worden; het bedienden-personeel was nog voltallig in functie.

Donderdagmorgen om zes uur waren wij in Tromsö geland en konden wij allen tot negen uur aan land gaan. Tromsö is een zeer oninteressant stadje van 8000 inwoners. Het ziet er uit als honderden havenstadjes van diezelfde grootte. Op de vischmarkt, die in vollen gang was, zag ik enkele visschen, waarvan ik den naam niet kende. Het antwoord, dat ik op mijn vraag er naar kreeg, was van dien aard, dat ik er niet wijzer door werd. In de talrijke winkels, zelfs groote rijwielwinkels, zag ik niets uitgestald, dat mij bijzonder Noorweegsch leek. Dezelfde zaken, die men in elk land vindt, waren hier voor tamelijk hooge prijzen uitgestald.

Lang vóór negen uur waren dan ook reeds alle passagiers aan boord terug, eenstemmig van oordeel, dat Tromsö niets eigenaardigs vertoont en evengoed midden in Frankrijk, Duitschland, Engeland of Nederland kon gelegen zijn.

Nadat wij aan boord het ontbijt genuttigd hadden, gingen wij op het dek, want nu ging verder den heelen dag de weg door vele mooie fjörden. De zon scheen en maakte het dus mogelijk op het dek te blijven, zoodat wij niet onophoudelijk naar binnen behoefden te gaan om ons te verwarmen. Om 8 uur 's avonds waren wij in Lödingen. De passagiers voor Narvik moesten daar de boot verlaten, omdat die tot Throndjhem doorging. Om elf uur arriveerde daar een goederenboot, die om twee uur naar Narvik zou stoomen en ons beiden meenemen kon.

Vrijdagmorgen om acht uur waren wij in Narvik terug. In bijna vier dagen hadden wij dus de Noordkaap-toer gemaakt Was het loonend? Die vraag, die mij zoo dikwijls gemaakt wordt, wil ik hier openlijk beantwoorden.

Indien men, zooals wij, op een mooien, zonnigen dag een toer van uit Narvik om de Lofoden heeft gemaakt, met een kleine boot, die klein genoeg is, om ook door het Trollfjörd te stoomen, dan heeft men aan natuurschoon meer gezien, dan de lange reis om de Noordkaap te genieten geeft. Daarbij moet men op die groote reis heel wat koude lijden en steekt men ook met het mooiste weder van wal, de mogelijkheid, ik geloof te mogen zeggen, de waarschijnlijkheid, dat men toch onderweg slecht weder zal krijgen, is niet uitgesloten. Bij slecht weder is het nergens aangenaam, zeer zeker dus niet op een boot, die er eigenlijk geheel op is ingericht, om onophoudelijk goed weder te hebben. Bovendien zijn de prijzen, die men den passagiers laat betalen, onbehoorlijk hoog.

In Narvik teruggekeerd, vernamen wij weldra, dat de trein, die ons naar Stockholm zou terugbrengen, niet voor Zaterdagavond van daar vertrok. De Lapland-express gaat n.l. maar drie keer 's weeks. Bovendien gaat er elken morgen om ruim acht uur een treintje, dat alle tusschengelegen stationnetjes aandoet.

Wij kwamen overeen, om Zaterdagmorgen het boemeltreintje te nemen, dat ons om twee uur in Kiruna zou brengen. Wij konden daar dan de ijzermijnen bezichtigen en te middernacht de express oppikken, om Maandagochtend in Stockholm te arriveeren.

Er was evenwel in het zeer goede hotel Phoenix in Narvik geen kamer vrij en ook de minder goede hotels waren overvol, zoodat wij op raad van een der hotelhouders besloten den stationschef te verzoeken, aan een van de leeg terugkeerende treinen met ijzerertswagens een wagon te laten haken, waarin wij tot Abisco konden reizen.

Het kostte eenige moeite en vriendelijk aandringen om dit gedaan te krijgen, doch eindelijk werd toch een derde klasse wagon aan den trein van half twaalf gehaakt, waarin wij met ons beiden konden meegaan. Alleen de machinist, die meters ver van ons af was en door tientallen van ledige ijzerertswagens van ons gescheiden, en een man, die als opzichter over de wagens dienst deed, waren onze medereizigers. Overal op den weg hield het treintje stil, zonder dat er iets in- of uitgeladen werd. Er was trouwens ook niets uit te laden, dan wij twee nietigheden, die gezegd hadden tot Abisco te willen gaan.

In den trein kwamen wij tot het inzicht, dat Abisco en Abiskojokk twee verschillende stations zijn en wij in het laatste het gastvrije dak van het toeristenhotel zouden vinden. Wij moesten er dus op bedacht zijn, dat wij in Abiskojokk, waar wij eerst zouden arriveeren, onmiddellijk met onze bagage uitstapten, om niet te ver te worden meegenomen. 't Was echter anders voorbeschikt. Niettegenstaande wij elke minuut gestopt hadden, stoomden wij om vijf uur met een behaaglijke vaart Abiskojokk voorbij, om kort daarna in Abisko stil te houden, waar onze wagon werd afgehaakt.

Daar stonden wij nu, met een station en eenige houten huisjes voor ons, maar geen hotel of herberg. Wij togen onmiddellijk naar den stationschef, die geen woord anders dan Zweedsch sprak en verstond, en die onze jammerklachten met een schaterlach beantwoordde. Wij begonnen er ook het komische van in te zien en met drie woorden Zweedsch, een paar Hollandsche, Duitsche en Engelsche woorden, regen wij zinnen aaneen, die den steeds lachenden man aan het verstand moesten brengen, dat wij met onze bagage in Abiskojokk moesten zijn. Hij had ons gelukkig begrepen en uit zijn rollenden woordenstroom begrepen wij dat onze bagage daar kon blijven, dat hij die met den avondtrein naar Abiskojokk zou zenden, en dat wij den terugweg te voet moesten afleggen. Wij stelden voor, ook tot den avondtrein te willen wachten, maar daarop antwoordde hij steeds: "Nei, nu marsch", zoodat wij ten slotte maar midden over de rails, want een weg was er niet, den terugweg aanvaardden, en om zes uur eindelijk in het toeristenhotel aankwamen. De avondtrein bracht onze bagage prompt mede.

In het toeristenhotel werden wij door vele oude kennissen verwelkomd, kennissen, die wij bij ons vorig bezoek gemaakt hadden; en ook nieuwgekomenen, die wij van het internationaal congres te Stockholm kenden.

OP DEN TERUGWEG VAN LAPLAND.

Van Abisko naar Kiruna was slechts een paar uur sporen. Wij stapten daar tegen den middag uit den trein, alhoewel daartoe eenige moed behoorde, want de regen viel bij stroomen neder. Kiruna is nog een zeer jong stadje, hoogstens 10 jaren oud. Men vertelt dat de Lappen daar het eerst het groote ijzergehalte van de omliggende bergen ontdekten en reeds jarenlang groote rotsblokken, met de hulp van hunne rendieren, naar beneden brachten en voor geringe sommen verkochten.

Het waren ondernemende Engelschen en Schotten die het aandurfden de exploitatie van deze bergen op zich te nemen en die eene enorme uitgestrektheid grond rondom Kiruna van de Zweden kochten. Om het ijzer uit deze bergen echter te kunnen vervoeren, moesten zij eerst den spoorweg aanleggen, die van Kiruna naar Narvik voert, waar het de booten vindt, die het verder over de wereld verspreiden.

Al deze bergen bevatten van 70 pCt. tot 90 pCt. ijzer. In den regel wordt het ijzer in ijzermijnen aangetroffen; in Kiruna doet zich de eigenaardigheid voor dat daar ijzerbergen zijn en alle arbeid boven den grond plaats vindt.

De rotsblokken worden, evenals dat in ondergrondsche mijnen geschiedt, door dynamiet in stukken geslagen; doch door het groote ijzergehalte zijn deze stukken dan nog te zwaar om vervoerd te kunnen worden. Het werk der arbeiders bestaat nu hierin, dat zij met zware hamers deze stukken in kleinere brokken verdeelen en op de wagens laden, waarin zij naar de schepen in Narvik gebracht worden. Niets anders dan ruwe spierkracht is voor dit werk noodig. Toch zijn er geen Zweden genoeg te vinden, die dit werk willen verrichten. Het overgroote deel der werklieden bestaat uit Finnen, die door armoede hiertoe gedreven worden.

Het gemiddelde loon van deze mannen is 30 tot 36 kronen (20 tot 25 gulden) in de week, terwijl men de uitgaven voor een gezin van man, vrouw en drie schoolgaande kinderen op ongeveer 20 kronen in de week beraamt. Maar het zeer zware werk, het ruwe klimaat,--Kiruna heeft beslist 9 maanden winter en de drie zomermaanden zijn ook nat-koud,--en de slechte voeding, omdat groenten en vruchten bijna niet te krijgen zijn, maken dat de meeste mannen het werk na eenige jaren moeten opgeven, omdat dan hunne krachten zijn uitgeput en zij eerst langen tijd in gezonder omgeving moeten doorbrengen om de oude krachten te herstellen.

Er wordt door de directie wel voor de werklieden gezorgd. Zij werken in drie ploegen, elk van acht uur. In hun vrijen tijd vinden zij op twee plaatsen in het kleine stadje een bibliotheek, met goede boekwerken, dagbladen en tijdschriften. Op de scholen, waar de kinderen tot hun 14e jaar blijven, wordt door zeer goede en goedbetaalde onderwijskrachten, meest vrouwen, onderricht gegeven, ook in vreemde talen. Er zijn avondcursussen voor de volwassenen, waaraan elke werkman gratis kan deelnemen. Ook op hygiënisch gebied worden er goede voorzorgen genomen. Toch keeren de meeste werklieden na vijf of zes jaren, met vrouw en kinderen, en een kleinen, spaarpot, weder naar hun land terug.

Het stadje Kiruna ziet er precies uit als een westersch-Amerikaansch stadje; woningen, straten en winkels zien er uit alsof zij in een gauwigheidje zijn opgetrokken en de bewoners volstrekt niet van plan zijn er voor goed hun leven in door te brengen. Alles is er zichtbaar provisorisch ingericht.

Wij waren blijde toen het 's avonds elf uur was en de Lapland-expres ons mede nam. De te voren bestelde bedden in den trein vonden wij reeds netjes voor ons gespreid. In twee nachten en een langen dag, bracht deze trein ons in Stockholm terug. Wij hadden daar juist tijd genoeg om onze achtergelaten bagage uit het Grand Hotel te halen, eenige noodzakelijke inkoopen te doen en zelfs nog om met een auto de nieuwe overdekte tennisbaan in oogenschouw te gaan nemen en daar de noodige inlichtingen over in te winnen, (iets wat wij eenige tennisliefhebbers in ons land beloofd hadden), om nog met den avondtrein de reis naar Holland door te zetten.