Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen
Part 49
Wij bleven juist twee volle dagen in Hongkong. Ons plan toch was om nog van het goede weder te profiteeren en zoo gauw doenlijk naar Manilla af te reizen, omdat wij in Hongkong toch terug komen. Wij gingen daarom Maandagmorgen direkt naar het kantoor van Cook om inlichtingen in te winnen omtrent de beste booten die deze week naar Manilla zouden vertrekken. Na de ondervinding die wij in de kantoren van Cook op deze onze reizen hadden opgedaan, zouden wij zeer zeker niet weder daar inlichtingen zijn gaan inwinnen, ware het niet dat wij een reçu van pl.m. £ 10 op Cook's office in Hongkong hadden van geld, dat wij in Rangoon voor kaarten hadden betaald die niet gebruikt waren. Dit geld was ons niet terugbetaald, maar wij konden er over disponeeren in Hongkong, met er andere biljetten voor in de plaats te nemen.
Op het kantoor werd ons verteld, dat er den volgenden dag een goed Engelsch schip zou vertrekken naar Manilla, waarop nog eenige goede hutten disponibel waren. Wij merkten op, dat wij Zondagmiddag een mooi Amerikaansch schip in de haven hadden zien liggen, en als dat schip nog deze week ging, dan zouden wij dat prefereeren. De heeren wisten ons onmiddellijk te vertellen, dat er geen Amerikaansch schip deze week naar Manilla ging; dat wij gezien hadden, was juist terug van Manilla en ging nu naar San Francisco. Bovendien, het schip de "Tean" was zoo'n bijzonder recommandabele boot, dat zij ons toch nog zouden raden, dat de voorkeur te geven. Wij lieten ons bepraten, doch 's avonds vernamen wij, dat het door ons geziene Amerikaansche schip wel degelijk op weg was naar Manilla en Woensdagmiddag zou vertrekken. Wij gingen daarop Dinsdagmorgen onmiddellijk weder naar Cook en vroegen onze kaarten alsnog te ruilen. Met een stalen gezicht werd ons verzekerd, dat zij dat in ons belang niet mochten doen, omdat wij de booten niet kenden en de "Tean" een honderdmaal betere boot was dan de "Saphiro", de Amerikaansche. Nogmaals werd ons verzekerd, dat de "Tean" door Engelsche officieren bestuurd werd en dat hutten, voedsel en al wat men op een boot verwacht, van eerste kwaliteit was. Wij waren stom genoeg, om geloof te slaan aan deze woorden, behielden onze kaarten en trokken 's middags tegen vier uur per stoombootje van het Hongkong Hotel naar de "Tean". Onze bagage was ons reeds voorgegaan.
Welk eene ontgoocheling! Wat een teleurstelling! De boot van de Messageries Maritimes, die ons destijds van Beirût naar Alexandrië vlak in de quarantaine had gevoerd, kon een waardig zusje van deze smerige boot zijn. Vuil, onordelijk, oud, vies, is alles wat men ziet en aanraakt. Het is bovendien een Japansche boot met Japansche bemanning en alleen een Engelsch sprekende kapitein. Een van het soort, dat zich aan ons voorstelde met de opmerking, dat in een heet klimaat whisky en soda de eenige aan te bevelen drank is en van Holland weet, dat men er zulke lekkere gin maakt. En op deze boot moeten wij tot Vrijdagmorgen elf uur vertoeven, dat zijn 67 volle uren. Er zijn er nu gelukkig reeds 31 van verstreken en de barometer voorspelt nog goed weder, zoodat de overblijvende 36 ook wel zonder ongelukken zullen voorbij gaan, maar anders.... Wij hebben ons direct voorgenomen, toen wij met den kapitein hadden kennis gemaakt, dat in geval van noodweer, wij den kapitein eerst over boord zouden zetten en dan met ons beiden de orders op de brug zouden gaan uitdeden, om ongelukken te voorkomen. Men moet zich in alle gevallen weten te redden en wij hebben op de "Tjimanoek" zooveel zeevaartkundige wijsheid opgedaan, dat wij met ons beiden er licht meer van weten dan deze kapitein. Hij is echter reeds vele jaren kapitein en op dit water bekend.
Wij zijn niet de eenige passagiers op deze boot, wij hebben hier nog twee lotgenooten. Als iemand een jaar lang gezocht had, dan had hij geen twee passender reisgenooten voor ons kunnen vinden. Eén onzer reisgezellen is een Roomsch-Katholiek priester, die alleen Spaansch spreekt. Hij is mijn tafelbuur.
De andere is van het hout, waarvan men Engelsche zendelingen snijdt, die in Shangai zijn kruit schijnt verschoten te hebben en nu op weg is naar Manilla. Zoodra hij aan tafel komt, gooit hij steeds zijn linkerbeen over de linker stoelleuning, leunt dan op zijn rechter elleboog en tracht zoo, dwars zittende, zijn eten naar den mond te brengen. Ik geloof het was de heer J. F. die eens in een reisbrief een Engelschman aan tafel beschreef en die constateerde dat een Engelschman van netjes eten een heele studie heeft gemaakt en alles correct verorberde; onze Engelsche tafelgenoot zal echter met die studie nog moeten beginnen. Onsmakelijker, femelender, ongesoigneerder vent is niet denkbaar.
Maar wij hebben nog drie andere tafelgenooten. Het zijn drie kleine Japannertjes, die tot de bemanning van het schip behooren. Zij zijn aan tafel op zijn ongegeneerdst gekleed, spreken alleen onderling en hebben zich reeds de gewoonte om met mes, lepel en vork, in plaats van met stokjes te eten, eigen gemaakt. Wel gebruiken zij deze attributen in den regel voor doeleinden waarvoor zij juist niet bestemd zijn, maar dat hindert op dit schip heelemaal niet. Ook zitten zij steeds met den rechter of linker arm zoo om het bord heen geslagen en hun hoofdje zoo vlak boven het bord, dat het voor elken indringer onmogelijk is ook maar een stukje van dat bord weg te kapen. Het kan echter zijn dat dit om andere reden geschiedt.
Gelegenheid om wat beweging te nemen of ergens comfortabel te zitten, biedt dit miserabel schip zijn passagiers niet. Het is dan ook geen wonder dat mijn lieve reisgezellin, die anders alle tegenspoeden zoo philosophisch kalm opneemt, thans soms radeloos om zich heen blikt en mij reeds eenige malen verzekerd heeft, waarbij hare zachte, vriendelijke oogen van bloeddorst schitteren, dat zij, als zij in Hongkong is teruggekeerd, direkt naar Cook's Office wil gaan "to kill all the men", die zij daarin zal aantreffen. Zij zweert nu nog meer dan voorheen bij Hollandsche booten en bij "the Dutch captains".
Gelukkig hebben wij op heel Java geen kantoren van Cook aangetroffen, maar bij het aldaar toenemend toeristenverkeer, is het niet onmogelijk dat zij weldra ook daar zullen trachten zich te nestelen. Laat men er toch voor waken dat die inlichtingsbureaux er nooit komen, wij hebben er nooit anders dan ellende van ondervonden op allerlei wijze.
IN DE PHILIPPIJNEN.
I.
De kapitein had ons gezegd dat wij Vrijdagmorgen niet vroeger dan elf uur in Manilla zouden zijn, daarom maakte ik 's morgens geen haast om vroeg uit mijn bed te komen. Om 7 uur werd ik echter wakker gemaakt door een bijzondere drukte aan boord van het schip en merkte ik dat wij stil lagen. Ik sprong gauw uit de veeren en begaf mij naar de badkamer. Nauwelijks was ik daar toen er flink op de deur gebeukt werd en gevraagd of Mrs. dr. Jacobs daar was. Op mijn bevestigend antwoord kreeg ik tot bericht dat ik boven op het dek verwacht werd, waar een heer was die mij wenschte te spreken. Ik antwoordde dat die heer een poosje moest wachten, want dat ik juist in het bad was gegaan, maar 't was mij toch een raadsel wie mij daar, aan die rotsige punt van het eiland Luzon, wenschte te spreken. Geen tien minuten verliepen toen er opnieuw geklopt werd, nu met een dringende eisch dat ik boven moest komen, 't Was mij een raadsel. Ik deed spoedig wat kleeren aan en vertoonde mij in mijn kimono in de salon. Tegelijkertijd kwam ook mijne metgezellin voor den dag, evenzoo gekleed en evenzoo gealarmeerd. Wij zonden een "jongen" naar boven om te zeggen dat de dames in de salon wachten en niet genoeg gekleed waren om boven te komen. Weldra verscheen een vriendelijk uitziend blond jongmensch, die zichzelf als dr. Nielssen voorstelde. Het was een Scandinavisch Amerikaan. Hij vertelde ons dat de haven van Hongkong voor pokken besmet was verklaard en alle van daar komende passagiers hier in Mariveles eene vijfdaagsche quarantaine hadden door te maken. Wij keken elkaar eens even aan en in dien blik gaven wij elkaar genoegzaam te kennen dat wij daartoe niet zoo gemakkelijk zouden overgaan. Ik stelde mij als zijn collega voor, vertelde hem dat wij beiden gevaccineerd en gerevaccineerd waren, dat wij Hongkong slechts als doorgangsstation hadden aangedaan etc.etc. Doch al spoedig bleek dat wij niet zooveel te redeneeren behoefden. Hij had reeds uit Manilla bericht ontvangen dat hij ons beiden even zoude onderzoeken, zoo noodig revaccineeren en dan moest laten doorgaan. Ik had in die revaccinatie niet veel zin, maar mijn reisgenoote stak heel gelaten haar armen uit en liet zich op beide eenige prikken geven. Dit geschiedde niet door den doctor, doch door een inlandschen vaccinateur, die het echter zeer hygiënisch en handig deed.
Onze medepassagiers waren allen aan wal gezet en daarvoor in de plaats kwamen nu een aantal reizigers, die daar 5 dagen geleden in quarantaine gebracht waren en nu verder konden reizen.
Mariveles had drie eeuwen geleden een anderen naam. Dit rotspuntje, wat nu een bloeiend dorpje is, dankt deze mooie naam aan een Philippino-meisje uit Manilla, Maria Velez genaamd, die met den gloed van hare mooie zwarte oogen het hart van een jongen priester tot kookhitte had gebracht. Deze jonge priester gooide zijn heilig gewaad van zich af en vluchtte met het 17-jarig meisje, tot zij op dit uiterste punt van Luzon aangekomen waren. Hier leefden zij vele jaren een leven van liefde en weldoen onder de nog vrijwel geheel natuur-bevolking, tot zij eindelijk ontdekt werden. De jonge priester werd voor zijn menschelijke misdaad gestraft met verbanning naar het meest onbewoonbare eiland van de Philippijnen, waar hij zijn verder leven onder de geheel wilde bewoners moest doorbrengen, geheel afgescheiden van de beschaafde wereld. Het mooie meisje werden de lange zwarte haren afgeknipt en zij werd uiterlijk zoo geschonden, dat geen man meer in de verleiding kon komen door haar zijne plichten te vergeten. Zij bleef echter onder de bevolking, op alle mogelijke wijze weldaden verspreiden en werd zoo geacht en vereerd dat men na haar dood het dorpje naar haar noemde en zoo heet het nu reeds 300 jaren Mariveles.
Tegen ongeveer tien uur 's morgens passeerden wij Cavite, de plek waar in 1898 de Spaansche vloot door de Amerikanen in den grond geboord werd, waarna zij toen als overwinnaars Manilla introkken.
Precies om elf uur stoomden wij de Manilla-baai in en weldra lag onze boot vlak voor den steiger, waarlangs wij van dit ongewenscht logies verlost zouden worden. Verschillende heeren en dames stonden reeds van verre met tooneelkijkers naar ons uit te zien, waaronder mrs. Catt weldra vele oude vrienden en kennissen uit Amerika onderscheidde. Een der heeren-compagnons, die thans de zaak van haar man dreven, kwam het eerst aan boord om ons te verwelkomen en de zorg voor onze bagage overnemen. Door zijne bemoeiingen ontkwamen wij aan de lastige Amerikaansche douane-formaliteiten, die hier al even erg zijn als in Amerika. In twee groote automobielen werden wij door de ons verwelkomende heeren en dames naar het nieuwe "Manilla-hotel" gebracht, alwaar men twee ruime, gezellige kamers voor ons in gereedheid had laten brengen.
Dit nieuwe hotel is nog slechts 6 weken geopend. Het is een echt Amerikaansch hotel, met alle luxe en comfort aan die inrichtingen eigen. Het is gebouwd aan de "Luneta", een inham in zee, zoodat het van drie kanten door de zee omgeven is. De kamers zijn allen groot en luchtig, met warm en koud water en met geriefelijke badkamers. Op elke kamer is een telefoon en in mooie nikkelen kannen staat steeds frisch ijswater.
Toen onze koffers gebracht en met behulp van een aardigen Philippino-jongen ontpakt en beredderd waren, verkleedden wij ons spoedig en gingen naar beneden om te lunchen. Daar wachtte ons niet alleen een echte Amerikaansche lunch met ijswater, verfrisschende dranken, in ijs afgekoelde vruchten, cocktails en allerlei Amerikaansche gerechten, maar daar waren ook tal van dames en heeren om ons welkom te heeten in Manilla en die ons voor allerlei bijzonderheden hunne diensten aanboden. Ook de waarnemende Gouverneur-Generaal, mr. Gilbert, was onder hen, die ons allervriendelijkst toesprak, zijn vrouw verontschuldigde die verhinderd was te komen, en die ons zijn hulp aanbood bij alles wat wij gaarne wilden zien en leeren kennen.
Na de lunch gingen wij het reuzengroote hotel in oogenschouw nemen, door den directeur persoonlijk rondgeleid. De leeszalen, conversatiezaal, groote en verschillende kleine eetzalen, kappers- en barbierssalon en nog zoo veel meer, zijn allen gelijkvloers. Met twee groote liften, aan elke zijde van het gebouw een, gaan de gasten naar de kamers, die allen op een der vier étages gelegen zijn. Daar boven--op het platte dak--zijn twee groote daktuinen. In de een speelt elken middag een klein orkest, wanneer men door de in 't groen verscholen gemakkelijke stoeltjes en tafeltjes, als 't ware wordt uitgenoodigd om zich daar neder te vleien en daar de thee te gebruiken. De andere is twee keer in de week 's avonds van 9-12 in een balzaal herschapen, waar de jonge--en soms ook wel eens een oude--Amerikaansche officiertjes met de Amerikaansche mevrouwtjes onafgebroken two-steps uitvoeren. De hitte in de tropen schijnt toch nergens de danslustigen af te schrikken, want nergens op aarde wordt zooveel gedanst als overal in Azië.
's Middags om 3 uur kwam een heer ons per rijtuig afhalen om een paar uur in en rondom de stad te toeren, om zoo een algemeenen indruk van Manilla te krijgen. Wonderlijk zoo gauw als de Amerikanen deze Spaansche koloniale stad in een Westersche Amerikaansche stad hebben omgetooverd. Uitstekende electrische trams snorren onophoudelijk door de nauwe straten in de stad en door de ruime, breede buitenwijken, waar de Amerikanen wonen. Café's met de onmisbare ice-creams, zitten van 's morgens tot 's avonds vol, groote magazijnen, waar men van alles kan koopen voor even hooge prijzen als in New-York zelf, staan aan alle hoeken der straten, automobielen dreigen je overal van de been te rijden, groote inrichtingen en allerlei soort kantoren zijn er in reuzengebouwen ondergebracht, alles ademt er leven en vertier. Als men zou moeten opgeven waardoor Manilla zich bijzonder kenmerkt, dan zou het zijn door zijne vele kerken. Evenals Caïro door zijne moskeeën, menige Britsch-Indische stad door zijne tempels zich onderscheidt, zoo Manilla door zijne katholieke kerken en kerkinstellingen. Vijf verschillende katholieke orden hebben hier elk hunne kerken, kloosters, scholen, hospitalen enz. De Augustiner orde is de oudste, die waren hier reeds in de vijftiende eeuw.
Toen wij om vijf uur tehuis kwamen wachtten ons weder verschillende heeren en dames om ons te verwelkomen. Mrs. Catt heeft hier tal van oude bekenden en ook menigeen die zij niet kent, maar die in Amerika toch dikwijls bij hare talrijke lezingen onder haar gehoor waren. Onder al die heeren en dames was ook onze hoffelijke Spaansche vriend, mr. del Pan, die wij in Java ontmoet hadden. Hij bood zich aan om den volgenden dag met ons eenige bijzonderheden van de stad te gaan zien, doch daar wij reeds met een paar dames hadden afgesproken om 's morgens vroeg met hen naar eene der vier openbare markten te gaan, waar vooral des Zaterdags veel vertier is, zouden wij hem telefoneeren, zoodra wij van daar teruggekeerd waren. Nadat al onze bezoekers vertrokken waren, bleven wij met een heele lijst van invitaties voor tea's, garden-parties, dinners, autotochten, bals etc. achter. Men had ook een victoria met twee paarden en een auto ter onzer dispositie gesteld. Wij zagen direkt in dat het onmogelijk was aan al die uitnoodigingen gevolg te geven, die ons onophoudelijk in het gezelschap der aldaar wonende Amerikanen zou brengen, terwijl wij met de inboorlingen in contact wilden komen, zoodat wij na rijp overleg besloten voor vele van deze beleefdheden te bedanken en alleen de voor ons interessante te accepteeren.
Zaterdagmorgen om 8 uur waren de beide dames, met wie wij naar de markt zouden gaan, ieder in haar eigen rijtuigje, reeds voor het hotel om ons af te halen. Wij stapten ieder in een er van en waren weldra ter bestemder plaatse. Wat een gewoel en gekrioel van kleurige inlanders! Vrouwen waren er in overgroote meerderheid, zoowel bij de verkoopers als inkoopers.
Welk een vreemde, onhygiënische en ongemakkelijke kleederdracht hebben die vrouwen. Hunne wijd uitstaande lange rokken, alsof er een wijde crinoline onder gedragen wordt, zijn allen van onder van een breede wijde strook voorzien en zouden rondom op den grond slieren en van achter in een lange sleep uitloopen, als de vrouwen ze niet rondom in de hoogte getild, met beide handen vasthielden, of door een elastieken band om het middel opschorten. Worden de rokjes hoog genoeg opgetild, dan ziet men er onder uit bloote beenen komen, waaraan bloote voeten die in gekleurde muiltjes steken. Een loshangend jakje, met zeer wijd-uitstaande mouwen, daarover een in 6 diepe plooien gevouwen en wijd van de hals afstaande doek, maken de bekleeding van het bovenlijf uit. In het prachtig gitzwarte glimmende haar stak altijd een bloem of gekleurd lint. Het geheel maakt een indruk alsof de kleeding dezer inboorlingen sterk door Spaansche smaak beïnvloed is geworden.
De markt, zooals er vier op verschillende punten van de stad gehouden worden, is een toonbeeld van zindelijkheid en ordelijkheid. Wat zou ik graag onze Koloniale autoriteiten hier een lesje zien nemen! Hoe gunstig steekt deze markt bij de passars op Java af! Alles wat eetbaar is moet hier onder ijzergaas staan. Door opzichters en opzichteressen wordt nauwkeurig nagegaan of al het verkochte of ten verkoop aangeboden, van onbedorven kwaliteit is. Op verschillende punten in de overdekte markthal zijn waterkranen, waar handen, schalen, bakken enz., telkens weder gereinigd kunnen worden. Eene scrupuleuze zindelijkheid heerschte overal.
Vreemd keken wij op in den hoek waar de eierverkoop plaats vond. Daar werden door de koopsters ook de eieren op de hand gewogen en tegen het licht bezien, zooals men dat ook wel eens bij ons doet, maar hier geschiedde dat met een ander doel. Terwijl wij een ei met een kuikentje er in zouden afkeuren, worden die hier gezocht en veel hooger betaald. Een ei dat 18 dagen onder de kip heeft gelegen is onbetaalbaar. Dat is een lekkernij! Hoe ouder het kuikentje is dat in het ei zit, tot aan den 18en dag, des te meer brengt het ei op. Een andere lekkernij zijn eieren die een jaar of langer in een zoute kleimassa zijn bewaard gebleven, die worden zoo rauw uitgezogen alsof het de grootste delicatesse is.
Om elf uur waren wij van de markt in het hotel terug, waar mr. Del Pan ons met zijn auto wachtte. Het eerst gingen wij met hem naar het gerechtshof, waar nog tot één uur zitting was. Er waren slechts kleine misgrijpen aan de orde. Alles werd nog in de Spaansche taal verhandeld, doch over een jaar moet in alle openbare lichamen de Engelsche taal--en deze uitsluitend--gebruikt worden. De heeren zullen zich dus nog in het Engelsch moeten oefenen.
Van het gerechtsgebouw gingen wij eerst eenige kerken en kloosters zien. Er is een kerk met een daaraan verbonden klooster die meer dan 300 jaren oud is, en alle in dien tijd hevige aardbevingen weerstand heeft geboden. De geschiedenis van deze merkwaardige kerk is te lang om die hier te vermelden.
Daarna bracht de heer Del Pan ons naar de plaatsen waaraan geschiedkundige bijzonderheden verbonden zijn. Daar zijne voorouders in de geschiedenis van Manilla een groote rol hebben gespeeld, zijn vader en grootvader waren langen tijd Gouverneur-generaal onder het Spaansche bewind, wist hij ons menige merkwaardige bijzonderheid te vertellen.
Om één uur ging hij met ons in het hotel lunchen ten daarna bracht hij ons in aanraking met vele Philippinoosche dames en heeren.
In een zuigelingen kliniek, geheel door Philippino-dames op touw gezet en beheerd, waar een Philippino-vrouwelijke arts aan het hoofd staat, hadden wij gelegenheid met vele hoogst beschaafde en ontwikkelde vrouwen van dit eiland kennis te maken. Wij waren verbaasd over alles wat wij hier hooren en zagen. Elk kind dat om de een of andere reden de moedermelk moet ontberen en ziek of gezond is, kan in dit lokaal gebracht en hygiënisch gevoed worden. Hier komen daags 70 zuigelingen en tien zulke lokalen bestaan in Manilla. Deze goutte du lait club van vrouwen heeft buiten de stad zijn eigen farm met een dozijn gezonde melkkoeien, die onder veterinair toezicht staan. Volgens de albums met photographiën van de aldaar gevoede kinderen, werken deze dames met schitterend succes.
Tegen half vijf bracht onze vriendelijke gids ons in het clubgebouw der Philippinoosche heeren en dames. Hier bleven wij theedrinken en maakten met vele vrienden van den heer Del Pan kennis. Men inviteerde ons om den volgenden Zaterdag hun bal te komen bijwonen, doch daar wij dien avond reeds een invitatie hadden aangenomen om in de Elk Club, dat is een club van Amerikaansche heeren, te komen dineeren, meenden wij voor het bal te moeten bedanken. Maar daarvan wilden onze Philippinoosche heeren niets weten, wij konden na het diner komen en zooveel van onze dischgenooten medebrengen als wij verkozen. Zij overhandigden ons voor dat doel eene heele pakket introductiekaarten, waarop wij zelf de namen konden invullen.
Des Zondags' morgens kwam men ons reeds vroeg halen voor een auto-tocht, omdat het weder zoo mooi was en men in dit jaargetijde elken drogen dag moet waarnemen als men groote toeren wil maken. Wij zouden naar Los Banos gaan, ongeveer 50 kilometer van Manilla gelegen. Los Banos is reeds sedert 300 jaren bekend door zijne heete zwavelbronnen. Het water komt in kookhitte van onder den berg Maquiling opbruischen.
Wij hadden nu ook gelegenheid wat meer van het eiland te zien. 't Is opmerkelijk hoeveel Luzon op Java gelijkt, maar toch veel minder mooi, veel minder vruchtbaar, veel minder welvarend, veel slechter onderhouden er uitziet dan ons mooi eiland. Ook de menschen zijn van hetzelfde type als de Javanen en hunne dorpjes en woningen op dezelfde wijze gebouwd. Wij gingen door rijstvelden en suikerplantages, door boomgaarden met mango, kokosnoot, bananen en papajaboomen, over bergen en langs meren met steeds goede harde wegen voor de auto.
In één opzicht was er in de dorpjes hier een groot verschil met die in Java. In elk dorp zagen wij een groote omheinde plek, waarop een groot houten gebouw. Zijn dat scholen, of worden daarbinnen wedrennen gehouden, vroeg ik? Maar, o schande voor het Amerikaansch bestuur, men moest bekennen dat het de arena's waren, waarin geregeld hanengevechten plaats vinden. Toen wij 's middags tusschen 4 en 5 uur op den terugtocht waren, was er in al deze lokalen een druk vertier. Van alle kanten stroomden de mannen van het dorp, velen hunner met een haan onder den arm, de arena binnen. Voor een er van hielden wij halt om een kijkje te nemen. Binnen de omheining, doch buiten het gebouw, zaten tal van vrouwen voor een brandend vuurtje, waarop een pan, waarin vruchten gebraden of ander etenswaar bereid werd, om het aan eetlustigen voor enkele centen te verkoopen. Andere vrouwen verkochten vruchten of snoeperijen. Binnen in het gebouw waren de mannen en opgeschoten knapen van het dorp, die daar de zuur verdiende penningen van moeder of vrouw in een minuut, of soms in een deel er van verloren in weddenschappen. Want dat is het meest immoreele van deze hanengevechten, zij ruïneeren soms eene familie in eene ondeelbare tijdseenheid.