Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 47

Chapter 473,992 wordsPublic domain

Na een half uur rijden arriveerden wij in Poerwodadi, alwaar nog twee dito paardjes voor de beide andere gespannen en onze begeleiders met 6 mannen vermeerderd werden. De twee vóórpaarden toch luisterden niet erg naar de wenschen van onzen koetsier, zoodat twee mannen elk een bij den kop pakten en ze in de goede richting trokken. Twee andere mannen hielpen de kar van achteren opduwen en twee kwamen op een gezadeld paard achteraan, misschien met het doel om de een of ander onzer paarden te vervangen, als die er bij mochten neervallen, of wel om ons als rijpaard te dienen als onze équipage op den tocht mocht bezwijken. Het was zoo'n mooie optocht, dat mijn reisgezellin meende, dat alleen de gouden pajong nog maar ontbrak om den indruk te verwekken, dat de Soesoehoenan in hoogst eigen persoon kwam aanrijden. Tot tien uur voelden wij ons trotsch op onze hooge zetels en met onze schare volgelingen, doch toen kwamen wij in een dorpje waar halt werd gehouden en onze vier paarden, die niettegenstaande de pogingen van de drie mannen om ze op het rechte pad te houden, toch telkens probeerden ons op zijwegen te brengen, vervangen werden door twee.... zegge twee, koeien. Het waren geen ossen of bullen, lezers, maar twee melkgevende koeien, waarvan de een nog niet zoo heel lang geleden gekalfd had. Op onze vraag, wat dat te beteekenen had, vernamen wij, dat de weg nu zóó steil en slecht werd, dat de paarden ons niet meer naar boven konden trekken en daarom door koeien vervangen moesten worden. Mijn trots zonk beneden peil, maar toen ik mijn metgezellin aanzag, zag ik, dat zij haar gezicht een nog voldaner plooi had gegeven en stralend merkte zij op: "of course, two females can do better than four males", en op mijn vraag, of zij zeker was, dat onze vier paarden tot het sterke geslacht behooren, antwoordde zij: "yes, females would never have given up their task"; voor deze heerlijke feministische ontboezeming, die ook mij weder in goede stemming bracht, beloonde ik haar met een Haagsch hopje.

Toen wij eindelijk om één uur in het hotel aangeland waren, konden wij ons niet voorstellen, dat wij vijf uren achtereen in dat onmogelijke wagentje gereden hadden. De weg was zóó mooi en zóó vol afwisseling, dat de tijd was omgevlogen. Toen Wij eerst door suikerplantages en rijstvelden, daarna door een dicht bosch en door verschillende dessa's eindelijk aan de koffieplantages geland waren, zagen wij voor het eerst deze mooie boomen, met hunne mooi gevormde en als gepolijste bladeren, in volle bloei en in het begin van vruchtzetting. De witte bloemen en de roode besjes vormden met het donkergroen der bladeren een prachtig geheel. Zóó hadden wij dit nog niet gezien. Verder werd de weg zeer verlevendigd door tal van apen, die in de boomen speelden. Het waren thans in hoofdzaak groote zwarte apen met lange staarten, slechts enkele kaneelkleurige waren er onder.

Wij hadden den 12 mijlen langen afstand in vijf uren afgelegd; geraced hebben wij dus niet. Aan het hotel werden wij door den vriendelijken eigenaar opgewacht, die ons onmiddellijk naar onze kamers bracht, alwaar wij ons eerst wat konden verfrisschen, alvorens aan de lunchtafel te verschijnen. Een groote vaas heerlijke frissche, prachtige rozen stond in elk onzer kamers en van de veranda's hadden wij zoo'n prachtig uitzicht op het Tenggergebergte, dat wij eerst eenigen tijd noodig hadden om van onze bewondering te bekomen. Dit geheele hotel is zoo schilderachtig mooi gelegen, dat ik er geen weerga nog van heb aangetroffen. Het bestaat uit tal van op zich zelf staande gebouwtjes, paviljoens, die op verschillende punten van den bergrug zijn gelegen en allen door overdekte wegen met het hoofdgebouw zijn verbonden. De groote tuin bevat een schat van bloemen, die het geheele jaar bloeien en waarvan enkele zeer zeldzame exemplaren zijn.

Behalve dit mooie hotel en een paar andere gebouwen waar Europeanen wonen, is Nongko Djadjar, een koffie-dessa met alleen inboorlingen. Tal van mooie wandelingen en grootere uitstapjes kan men van daar doen.

Wij begonnen direct Maandagmorgen met een tocht naar den Ramboetmajo waterval. Per rijtuig kan men daar niet komen, alleen te paard of per tandoe moet men gaan. Voor een rit te paard hadden wij nog niet genoeg moed verzameld, vooral niet nadat wij aan tafel te Lawang hadden gehoord dat een Zondagsruiter op een kleinen tocht driemaal onder zijn viervoeter was geraakt en zich erg gelukkig noemde zich als een gaaf mensch aan tafel te kunnen presenteeren. De draagstoelen moesten dus weder dienst doen. Om 7 uur vertrokken wij Maandagmorgen van het hotel. Elke draagstoel werd door 6 man gedragen, twee voor, twee in het midden en twee van achter. Het was moeilijk deze 6 man zoo te laten loopen dat wij niet onmenschelijk heen en weder en door elkaar werden geschud, elke verandering in hun gewonen pas verergerde het. Wij probeerden daarom maar spoedig ons te gewennen aan deze schommelingen, want het was een lange tocht dien wij voor ons hadden. Bijna onophoudelijk gingen wij door een dicht bosch vol groote zwarte apen, vogels en een soort eekhorens, die men hier boomratten noemt en tal van ander gedierte. Nu en dan piepten de Inlandsche huisjes door het dichte geboomte door. Het was een zeer mooie tocht. Zooals in den regel in zulke gevallen was ook hier de 300 voet hooge waterval op zich zelf de moeite van den tocht niet waard, maar de schilderachtige omgeving waarin hij zich bevindt en de weg daarheen loonde des te meer alles wat wij er voor gedaan en geleden hadden.

Het was reeds over één, toen onze dozijn dragers ons veilig, weder afleverden. Eerst nadat wij de lunch gebruikt en gezamenlijk in een onzer veranda's zaten om van de vermoeienis te bekomen en van het prachtig uitzicht te genieten, kwam de vraag over mijn lippen: in welk land ter wereld is het mogelijk, dat twee dames, geheel ongewapend, met een dozijn mannen uit het volk, zes uren lang door een dicht bosch durven trekken, zonder een oogenblik vrees te gevoelen, dat haar iets onaangenaams wedervaren zal? Deze twaalf mannen wisten, dat wij geld en andere waarde in onze kleine taschjes bij ons hadden, dat wij hunne gesprekken niet konden volgen, dat wij slechts enkele inboorlingen, en dan nog meest kinderen op onzen weg zouden ontmoeten, en toch kwam geen enkel woord over hun lippen, deden zij geen enkele beweging, die ook maar voor een oogenblik eenige vrees bij ons deed opkomen.

Twee keer op dien heelen langen tocht zetten zij de tandoes neder; een keer vroegen zij om "persen" (fooi, drinkgeld) om koffie te koopen bij 'n uitstallinkje en den tweeden keer, op den terugweg, om djeroek van een voorbijtrekkenden jongen met een mand sinaasappelen te koopen. Beide keeren willigden wij hun verzoek in met hen voor het beoogde doel 50 cts. te geven, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonden. Onze dragers waren gedurende den geheelen tocht vroolijk en levendig, zóó zelfs, dat wij de opmerking maakten, dat zij in dit opzicht meer op Hindu's geleken dan op de tot dusver ontmoete Javanen, maar geen onbescheiden woord merkten wij op en zeer zeker was de decente wijze, waarop zij zich onder het loopen van een deel hunner kleeding ontdeden en waarop zij, toen wij nabij een riviertje een oogenblik pauseerden, daar allen een bad namen, opvallend. Van een volk dat uit zich zelf zoo beschaafd is, moreel en hoog staat, kan met goede leiding wat goeds groeien. Op die leiding komt 't echter aan. Van wat zoogenaamde kenners van Java en de Javanen ons hier soms willen wijs maken, dat de Javaan zoo te zeggen, alle denkbare ondeugden zou bezitten, is niets waar, kan niets waar zijn, want waar wij telkens en telkens weder met die menschen in aanraking komen, ontdekken wij deugden en bijna uitsluitend deugden in hen.

IX.

Dinsdagmorgen schraapten wij al onzen moed bijeen en bestelden twee rijpaarden, om een rit over de dorpjes Bodo en Toetoer te maken. Dit is een twee uur lange rit te paard, de weg heeft hier en daar een paar steile hellingen en is vrij wel te beschouwen als een proefrit. Zouden wij dien tocht goed volbrengen, dan bestond er ook geen bezwaar, om ons bezoek aan de Bromo, met een omweg over de "de Veths' hoogte" en terug naar Tosari, te paard te doen. Wij hadden zoo genoeg van de tandoe's, dat wij besloten, dien grooten tocht alleen te doen, als wij 't te paard aandurfden.

Onze gastheer en gastvrouw, de heer en mevrouw Teves, hadden voor een paar makke beestjes en een paar goede geleiders gezorgd en alles verliep naar wensch. Het was een prachtige landweg, dien wij aflegden, langs groote groenten-, vruchten- en bloemkweekerijen, (hier groeien Europeesche vruchten en groenten uitstekend) door koffietuinen en maïsvelden, met steeds het uitzicht op 't mooie gebergte. Het Tenggergebergte wint het in schoonheid van de Preanger Regentschappen, maar deze laatste zijn uitgebreider. Onze twee geleiders hadden goede instructies medegekregen, bij elke groote kromming of steile helling grepen zij het paard bij de teugels en geleiden het op het rechte pad. Verder holden zij naast de paardjes voort, die meer naar hunne uitroepen dan naar onze leiding luisterden. Wij kwamen zóó weinig vermoeid tehuis, dat wij onmiddellijk paarden bestelden voor den volgenden dag. Vóór wij echter 's avonds naar bed gingen, begon mrs. Catt bang te worden en bestelde een tandoe in plaats van een paard voor de reis naar de Bromo.

Ongeveer half zes, het morgenlicht was nog niet doorgebroken, begonnen wij Woensdagmorgen onzen tocht. Ik voorop op een schimmel met een jongen achter het paard. Mrs. Catt in een tandoe, door 6 mannen gedragen, achter mij aan en gevolgd door twee koelies, die onze bagage aan een langen bamboestok droegen. De hotelier en zijne lieve vrouw hadden er voor gezorgd, dat wij vóór wij vertrokken toch nog een eenvoudig ontbijt kregen en verder hadden zij ons zooveel sandwiches en vruchten ingepakt voor een tweede ontbijt onderweg, dat wij er gemakkelijk een heelen dag op hadden kunnen teren, 't Was jammer, dat het nog te donker was, want toen wij uittrokken was het de moeite waard geweest er een kiekje van te nemen. Spoedig daarna liet mijn paard de achterhoede in den steek en het kostte mij een uur studie, om uit te vinden, hoe ik zoo'n Javaansch paard aan het verstand kon brengen, dat het wat langzamer had te gaan, of dat het een oogenblikje moest wachten, om de anderen ons te laten inhalen. Mijn jongen vond het veel gezelliger met de tandoedragers te converseeren en onderweg wat kattekwaad uit te halen dan achter mijn paard te hollen en zoo was ik geheel aan de braafheid van het goede dier overgeleverd. Van angst kon geen sprake zijn, want mijn geheele aandacht werd in beslag genomen door het prachtige landschap, aan weerszijden van den weg. De Kletakpas, die ik overtrok, te beschrijven, is niet mijn bedoeling, ik wil alleen constateeren, dat ik nog nimmer zoo'n prachtige natuur gezien heb. Het was in dat vroege morgenuur, onder het opkomende daglicht, een onvergelijkelijk schoon gezicht. Om 7 uur arriveerde ik in het dorpje Kletak, waar het paard uit zich zelf, of op mijn verzoek, stilhield en ik kon afstijgen om op mijn achterhoede te wachten. Na meer dan een half uur kwam die aan en de jongens maakten ons duidelijk, dat zij nu eerst geld voor makan moesten hebben. Wij gaven het heele troepje elk een dubbeltje, en daarvoor zaten zij weldra allen met een verrukkelijk ontbijt voor zich. Heete koffie en een stuk van een pisangblad vol rijst met warm gebakken pisangs en allerlei andere lekkernijen die zoo'n restaurant aan den weg, kan opdisschen. Toen de heeren verzadigd waren mochten wij verder gaan. Nu was het landschap geheel veranderd; het mooie, dichte geboomte had plaats gemaakt voor, tot aan den top van den vrij steilen bergrug aangelegde kool-, aardappel-, uien- en maïsakkers, waartusschen een rijkdom van bloeiende, wilde kruid- en heestergewassen. In dit gebergte hebben de Tenggereezen bijna alle geboomte omgehakt en er moestuinen met Europeesche groenten voor in de plaats gebracht. Ook dit leverde een mooi gezicht, doch de Moengalpas haalt het in schoonheid niet bij de Kletakpas.

Toen wij ongeveer half tien op een punt gekomen waren van waar de weg zich in tweeën verdeelt en linksaf naar Tosari voert, het einddoel van onzen tocht, wilden de jongens ons met geweld dien weg opdrijven, in plaats van door te gaan tot de Bromo. Het kostte ons alle moeite om hen te dwingen, met ons door te gaan. Ik ging eenvoudig met mijn paard recht door, maar het duurde vrij lang eer de tandoedragers met hun kostbaren last en mijn jongen mij volgden. Om tien uur hield ik halt en wachtte hen op en toen zij aangekomen waren, maakten wij kennis met een echt staaltje van inlandsche nukken. Nauwelijks was de tandoe neergezet, of een der jongens gooide zich in het gras, trok heele leelijke gezichten en uitte allerlei rare geluiden. Ajoe, ajoe, ajoe; hij had overal pijn. De anderen zeiden, dat zij niet verder wilden gaan, den zieken broeder konden zij niet alleen laten, wel wilden zij ons terugbrengen naar Tosari. Ik zag heel gauw, dat de man kunstjes maakte, vertelde de mannen zoo goed mij mogelijk was, dat zij ons naar de Bromo moesten brengen en steeg te paard met het vaste idee, dat zij dan wel zouden volgen. Toen ik een kwartier op weg was en niets zag of hoorde naderen en ook op mijn geroep geen antwoord kreeg, bleef ik wachten, en toen zag ik na eenigen tijd mrs. Catt met mijn jongen te voet den steilen bergpas opklauteren. De koelies hadden haar aan het verstand gebracht, dat zij niet verder wilden gaan, doch dat de weg niet ver meer was. Door om beurten toen van het paard gebruik te maken, bereikten wij om elf uur de zandzee, waarin de Bromo zich bevindt.

Welk een schouwspel! Het is heel natuurlijk dat de Inlanders hier aan bovenmenschelijke invloeden gelooven en deze plek niet durven naderen, zonder offeranden te brengen aan de geesten die in de kraters huizen. De dikke, grijze, wittige rook, die onophoudelijk uit de Bromo opstijgt, verdicht zich onmiddellijk tot wollige wolken die slechts langzaam stijgen en boven den krater een dikke wolkenlaag vormen.

Gaat men naar boven, naar den top van den Moengalpas, dan krijgt men eerst een goed overzicht over het geheel. Het is een volstrekt eenig met niets te vergelijken natuurtafereel, dat men dan voor zich ziet. In die enorme, grijs-grauwe zandvlakte, die men de zandzee noemt, stijgen drie vulkanen op, waarvan twee, de Batok en Widodaren reeds uitgewoed hebben, maar daarom niet minder indrukwekkend zijn, terwijl de Bromo door zijn uitstootende rookwolken toont, dat het nog altijd laait in zijn binnenste. En daar achter, ver weg doch bedriegelijk dichtbij, steekt boven alles de Sméroe uit, die telkens met eenige tusschenpoozen eveneens doet zien, dat in zijn binnenste het vuur steeds woedt.

Hoewel het er niets op lijkt, in geen enkel opzicht er mede te vergelijken is, bracht toch dit schouwspel op den Moengalpas dezelfde, droomerige stemming bij mij teweeg, die ook de woestijn in Egypte, met zijn raadselachtige pyramiden en sphynx op mij uitoefende. Dit komt waarschijnlijk, door die indrukwekkende stilte, die veelzeggender is dan de grootste drukte.

Aan de zandzee hadden wij twee heeren te paard ontmoet, die uit Tosari kwamen en daar ook weder heengingen. Wij vertelden hun ons wedervaren en vroegen hun als zij aankwamen, onmiddellijk voor ons een tweede rijpaard te willen zenden, of een paar mannen voor de tandoe. Zij beloofden ons, onmiddellijk onze eigen tandoe op te zenden. Mocht het inderdaad waar zijn, dat de eene jongen ziek was, dan kon een van hunne jongens hem vervangen en zij zouden zoolang voor den zieken man zorgdragen. Zij geloofden echter, even als ik, dat de heele ziekte een voorwendsel was. Na ruim een uur kwam inderdaad den tandoe met alle zes jonge mannen aanzetten, de zieke man was heelemaal beter en op den geheelen terugweg hebben wij van ziek-zijn niets meer gemerkt. Zouden kinderen niet evenzoo handelen om te probeeren verlost te worden van een taak, die hen niet bevalt?

Tosari wordt het Darjeeling van Java genoemd. Het heeft met Darjeeling gemeen, dat het ongeveer even hoog ligt, het ligt slechts 1000 voet lager en verder wordt het ook bezocht door personen, die voor de gezondheid eens een koeler klimaat behoeven, of die eens een kouden neus willen halen. Maar overigens lijken die twee niets op elkaar. Ik wil hiermede niet zeggen, dat Darjeeling, in Britsch-Indië, mooier of belangwekkender is, maar het is geheel anders. Als men maar alleen bedenkt, dat men in Darjeeling het gezicht op sneeuwbergen heeft en de bergen er tot aan den top begroeid zijn met boomen en heesters, terwijl in Tosari de bergen bijna geheel van het oorspronkelijke woud ontdaan zijn, en de kale bergranden tot boven toe in goed aangelegde moestuinen zijn herschapen, dan voelt men al wel het verschil in het landschap.

Maar ook de bevolking in beide bergstreken verschilt hemelsbreed. In Darjeeling vijf of zes verschillende stammen, die alle in uiterlijk, kleeding en gewoonten van elkaar verschillen en aan de plaats eene groote levendigheid geven; in Tosari alleen de Tenggereezen, een interessant volkje, doch die stil voor zich leven en zich den toerist niet opdringen. Het verschil in levendigheid der beide plaatsen spreekt ook wel daaruit, dat men in Darjeeling na eene vermoeide wandeling, in welke richting ook, overal jinrickshaw-mannen met hun lichte voertuigjes vindt, die je voor een paar centen weder bergopwaarts voeren, terwijl in Tosari alleen paarden of tandoes bij vooruitbestelling te bekomen zijn.

Ik zou Tosari een rozenoord willen noemen, bij uitstek geschikt om overspannen zenuwen tot kalmte te brengen. Alles ademt er rust en vrede. Vooral de morgens zijn er heerlijk, 's Middags hangt er voor een groot deel van het jaar een dichte mist, die het uitzicht belemmert en nat-koud aandoet. Wel wordt beweerd, dat die mist niet nat zoude zijn, en dat Tosari een droge atmosfeer heeft, maar wie dat gelooft moet wel nimmer de kille koude gevoeld hebben van die alles doordringende wolkenlaag. Toch is, niettegenstaande dien mist, Tosari het drukst bezochte plekje in Java. Er heerscht een mondaine drukte. Men speelt er tennis, men maakt er toilet, er wordt geflirt, er worden gezamenlijke uitstapjes ondernomen en verder alles wat in un monde où l'on s'amuse voorvalt. Tosari heeft eene veel grootere bekendheid dan Nongko Djadjar, alwaar men zich in alle eenvoud amuseert en waar men heengaat om van de prachtige natuur en van de hooge berglucht te genieten.

De Tenggereezen in het Tenggergebergte zijn een merkwaardig volkje. Zij hebben geen tempels, kerken of Moskeeën. Een bepaalden godsdienst bezitten zij niet. Voor een deel zijn zij nog Hindoes. Daaraan doen de gekleurde hoofddoeken der vrouwen en de aschmerken op het voorhoofd van velen hunner ook uiterlijk het meest denken. Zij hebben zich vroeger aan den invloed der Mohammedanen weten te onttrekken door op deze bergtoppen, die bijna ongenaakbaar waren, een schuilplaats te zoeken. Elk dorp heeft een soort priester, die als een soort wonderdokter ziekten bezweert en andere priesterlijke werkzaamheden verricht en eens in het jaar in de voorhoede loopt, als zij gezamenlijk naar de Bromo trekken, om daar aan de in de daarin huizende geesten te offeren. De Tenggereezen zien er uiterlijk veel onbeschaafder uit dan de andere Javanen, hun kleeding is minder proper, en hun geheele voorkomen geeft aan, dat daarboven gebrek aan water bestaat en dat het er, om veel te baden te koud is. Hunne huizen en dorpjes zien er van buiten echter opvallend netjes uit. Nog slechts een jaar verheugen zij zich in het bezit van een school, waarvan onmiddellijk een groot gebruik werd gemaakt, zoodat de opkomende jeugd nu tenminste lezen en schrijven zal leeren. Rijstvelden ziet men in het Tenggergebergte niet, omdat de Tenggereezen gelooven, dat het hun om godsdienstige redenen verboden is rijst te telen. Zij voeden zich veel meer met maïs en groenten, die er op groote schaal verbouwd worden.

Van Tosari wilden wij per auto naar Passoeroean terug om daar den trein te nemen, die ons naar Soerabaja zou terugvoeren. Maar de auto was voor reparatie afwezig en zoo moesten wij van Tosari naar Poespo per paard of tandoe en van Poespo naar Passoeroean per karretje. De ondervinding, den laatsten keer met de tandoe opgedaan, deed mrs. Catt ook besluiten, ditmaal het rijpaard als vervoermiddel te gebruiken. In allen eenvoud, met slechts één jongen voor beide paarden, verlieten wij 's middags om drie uur Tosari en arriveerden anderhalf uur later behouden in Poespo. Onze paardjes waren zoo tam en kenden zoo goed den weg, dat wij niets anders te doen hadden, dan ons in 't zadel in evenwicht te houden, verder konden wij onze oogen den kost geven en ons aan het mooie landschap rondom ons verlustigen. Nog voor het laatst wilde ik genieten van al het schoone, dat het Tenggergebergte den bezoeker biedt, en er zooveel mogelijk van in mij opnemen, om den indruk een blijvende te doen zijn.

In Poespo bleven wij den avond en nacht doorbrengen in het hotel, dat eene dependance is van het sanatorium in Tosari. Poespo is aanmerkelijk lager gelegen dan Tosari en daardoor minder koud. Ook verkeert het niet een deel van den dag in een nevelmeer. Het wordt als tusschenstation voor zieken en zwakken gebruikt, voor wie een direct opgaan naar het 6000 voet hoog gelegen Tosari, niet raadzaam is. Jammer, dat het hotel aldaar niet comfortabeler is, want het kleine dorpje bevat overigens alle gegevens om er eenigen tijd zeer aangenaam te verblijven. Het is er boschrijk, men heeft er prachtige vergezichten, de temperatuur is een zeer aangename en nog tal van andere gegevens wettigen het stichten van een goed herstellingsoord aldaar, maar dan moet er een modern hotel met moderne geriefelijkheden verrijzen.

Van Poespo over Pasrepan naar Passoeroean in een karretje, was den volgenden morgen een ware marteling. Het ding schudde zoo geweldig, dat wij ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uitgeslingerd te worden. Hoewel de tocht slechts twee-en-een-half uur duurde, kwamen wij toch zoo geradbraakt in Passoeroean aan, dat wij moeite hadden ons staande te houden. Wij moesten er een uur wachten, alvorens de eerstvolgende trein ons naar Soerabaja zou brengen en dien tijd gebruikten wij om op een bank ons uit te strekken om zoo de trillende leden tot rust te brengen.

In Soerabaja viel ons de drukkende warmte weder erg tegen en reeds den volgenden morgen om 6 uur verlieten wij deze stad om naar Semarang terug te keeren, alwaar wij spoedig de boot verwachten die ons van Java voor goed zal wegvoeren.

AAN BOORD VAN DE "TJIMANOEK".

Nu ik Java voor goed heb verlaten wil ik, vóór ik overga mijn verdere reisindrukken neer te schrijven, eerst nog in het kort den algemeenen indruk weergeven, dien Java bij mij verwekte en het verschil, dat ik heb meenen op te merken tusschen dit deel van de koloniën en Britsch-Indië. Dat verschil in een paar regels saam te vatten: In Britsch-Indië welt telkens de gedachte op, en herhaaldelijk heb ik die geuit, dat het land aldaar niet bewoonbaar is voor Europeanen, het is alleen geschikt voor de inboorlingen, die zich aan het klimaat en de daarmede verbonden bezwaren hebben aangepast, die immuun zijn geworden voor de verschillende microben, die er overal welig tieren. Europeanen doen verstandig aldaar zoo kort mogelijk te verblijven. Men gevoelt er zich geen oogenblik veilig, het gevaar van ziek worden dreigt steeds van zoovele verschillende kanten. Java daarentegen is in elk opzicht geschikt gemaakt voor Europeanen en inlanders, om er gezond en veilig te leven. Vele punten van Java zijn ware lustoorden, bij uitstek geschikt, om er den levensavond rustig en aangenaam door te brengen. Nederland heeft van het nog veel warmer Java een land gemaakt, waar men even rustig en veilig kan leven als in elk ander beschaafd land.