Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 42

Chapter 423,789 wordsPublic domain

Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk geschreven, [4] geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken, dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een beetje tact aan het licht kan worden gebracht.

Toen wij op Prinses Juliana's verjaardag des morgens vroeg waren opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken, stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij waren ontevreden over ons zelf!

In Fort de Kock was ter eere van Juliana's geboortedag alles gesloten en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen, waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim 4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis, die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op de meest primitieve wijze moet verplaatsen.

Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon gezicht levert.

De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh, het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en daar hij geen andere vrouwen heeft,--eene tweede vrouw, die hij had, is gestorven--woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt, vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken, het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.

Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken, suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet, het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.

Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk; men ziet ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig en men ziet het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond, die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.

III.

Onze inlandsche geleider bracht ons vervolgens naar een plek, die allermerkwaardigst is en ook in de Padangsche bovenlanden eenig is in haar soort. Het was de plaats, waar de hoofden van het district Matoër alle drie maanden hunne bijeenkomst houden. Het is een groot open terrein, in de rondte afgepaald met honderd en twintig zerken, even zoovele hoofden als er zijn; zerken, die alle zeer verschillen in hoogte en breedte. Tijdens eene vergadering zit elk hoofd voor zijn eigen zerk en naarmate zijn gezag of stand hooger is, naar die mate is ook de afmeting van den steen, waarvoor hij zit. Er is er een van naar gissing twee meter hoog en er zijn er die geen vijf-en-twintig centimeter boven den grond uitsteken.

In de inlandsche school op Matoër, waarvan het hoofd der school uitstekend Hollandsch sprak, konden wij ons, beter dan in eene der voorgaande scholen, die wij bezochten, overtuigen van de bevattelijkheid der inlandsche leerlingen. Hier liet het hoofd der school de kinderen eenige proeven van bekwaamheid afleggen. Het meest verbaasden wij ons over de vlugheid, waarmede de zeven en achtjarige joggies en meisjes, die nog slechts zeven maanden de school hadden bezocht, eenvoudige rekensommen met krijt op het bord uitrekenden. Geene der kinderen, die wij zelf uit de klasse mochten uitpikken, maakte een enkele fout in de eenvoudige vermenigvuldig- en aftreksommetjes, die wij hun opgaven, terwijl zij daarbij zeer duidelijke en gelijkmatige cijfers op het bord schreven. Trouwens over het mooie schrijven der inlandsche schoolkinderen verbazen wij ons steeds, daarmede kunnen de kinderen op onze scholen niet wedijveren. Het hoofd der school had voor eigen rekening de laagste klasse genomen; toen ik hem vroeg, waarom hij zelf de laagste klasse onderrichtte, gaf hij ten antwoord: "dat doe ik om twee redenen: de eerste is, omdat ik de eerste klasse het belangrijkste vind; als de grond eerst goed bereid is, gaat het volgend onderricht veel gemakkelijker; de tweede is, omdat het onderricht in de aanvangklasse het moeilijkst is en ik als hoofd der school het moeilijkst werk voor eigen rekening moet nemen". Worden in Amsterdam niet de onderwijzeressen in de aanvangklassen geplaatst en meent de overheid daar niet, dat dit het minst belangrijke werk van de school is?

Wij bezochten in Fort de Kock o.a. ook de kweekschool voor inlandsche onderwijzers. Deze school, die acht-en-dertig jaar geleden met het oog op vijftig leerlingen was ingericht, bevat nu reeds honderd-en-twintig leerlingen. De jongelui zijn daar allen intern. Zij hebben ieder een eigen frisch en licht kamertje met ledikant, stoel, tafel, waschtafel en kast, dat hun gratis wordt verstrekt, alleen de kamerversiering moet door de jongens zelf worden aangebracht. Boven de zeer goede kost en inwoning, die het gouvernement dezen jongelingen kosteloos verschaft, ontvangen deze toekomstige onderwijzers maandelijks nog eene geldelijke toelage. Op deze school zijn ook enkele inlandsche meisjes, die voor onderwijzeres worden opgeleid. Aan inlandsche onderwijzeressen is zeer groote behoefte; in alle inlandsche scholen in Sumatra, die wij bezochten werd door het hoofd der school geklaagd, dat hij geen vrouwelijke leerkracht had, met een onderwijzeres aan de school zou hij beter de vrouwelijke leerlingen in de klasse kunnen houden, die nu op veel te jongen leeftijd de school verlaten, omdat zij dan niet meer dagelijks alleen met mannen in contact mogen komen. Een gevolg van de Mohammedaansche invloeden. Niettegenstaande de behoefte aan onderwijzeressen worden de meisjes aan de kweekschool toch niet met open armen ontvangen. Zij moeten bijzonder uitmunten, willen zij toegelaten worden, zij moeten zelf voor kost en inwoning zorgen en ontvangen geen maandelijksche toelage en bovendien werden er bij de laatste toelating zes meisjes geweigerd, die een uitstekend examen hadden afgelegd, omdat de klasse te vol zou worden en er voor een gesplitste klasse geen leerkrachten aanwezig zijn. Is dat niet meten met twee maten? Dit is natuurlijk niet aan de directie van de school te wijten, maar wel aan de directie van Onderwijs in Batavia. Hoezeer ook de Minangkabausche vrouwen naar onderricht verlangen, is er toch voor haar nog maar een begin gemaakt om haar te ontwikkelen.

Het had mijne reisgezellin en mij reeds lang gehinderd, dat wij er niet achter konden komen wat toch de naam Minang Kabau te beteekenen heeft, maar eindelijk gelukte het ons toch van een der inlandsche onderwijzers eene uitlegging te verkrijgen. Deze uitlegging, die ons door andere inlanders bevestigd werd, is te merkwaardig om haar niet hier mede te deelen. Zij luidt aldus: De Maleiers van de Padangsche bovenlanden lagen onophoudelijk in twist en tweedracht met een naburige groep Maleiers. Deze onophoudelijke twisten kostten beide partijen steeds menschenlevens, have en goed en daarom kwam men overeen door één flinken strijd de veete uit den weg te ruimen. De overwinnende partij zou werkelijk daarna de overmacht krijgen. Wat deden nu deze primitieve menschen? Zij lieten niet hunne flinke, gezonde, krachtige jonge mannen een strijd op leven en dood aangaan en zoodoende de beide partijen berooven van de beste elementen uit hunne samenleving, maar zij kozen beiden hun sterksten os en lieten die twee samen de zaak uitvechten. De os van de Padangsche bovenlanders overwon en sedert dien tijd noemen zij zich Minang, in het Maleisch overwinnaar, en Kabau, wat os beteekent. Ook de boogvormige daken ontleenen daaraan hun oorsprong. De middelste groote boog heeft den vorm van de beide hoorns van een kabau en de kleinere uitbouwsels stellen elk één hoorn, de helft van de twee, voor.

Wat mij in dezen oorlog zoo bijzonder trekt, is het feit, dat de Maleiers, die in dien tijd nog allen in matriarchaat leefden, vorstinnen bezaten, die het oppergezag uitoefenden, al werd zoo'n vorstin naar buiten uit toen reeds vertegenwoordigd door Radjas. Deze vrouwen moeten het dus geweest zijn, die het oorlogvoeren toen reeds in de ware beteekenis hebben opgevat, als een strijd om wie de physiek sterkste is, een strijd, die evengoed door een paar ossen als door gehuurde soldaten kan worden uitgevochten. Zouden wij alle Europeesche landen niet er toe kunnen brengen hunne veeten ook op die wijze te bevechten, het zou jaarlijks honderden millioenen aan leger- en vlootuitgaven sparen; gelden, die in alle landen zooveel beter dienst kunnen doen, en onze jonge mannen, die nu als kanonnenvleesch gebruikt worden, zouden dan voor nuttiger doeleinden kunnen strekken.

Fort de Kock is een heel mooi plaatsje met een heerlijk koel klimaat, maar bezit ongelukkig geen goede hotelgelegenheid, zoodat wij ons verblijf er zeer kort maakten en naar Padang Pandjang terugkeerden. Het eerste wat wij daar vernamen, was dat de Merapi dien morgen opnieuw eene uitbarsting had gehad, zoo mooi als slechts zelden gezien werd. Dat hadden wij dus weder gemist en ik vrees, dat wij er nu wel geene meer zien zullen.

Wij zagen in dat lieve, vriendelijke stadje allerlei andere dingen. Den geheelen dag stootte de Merapi nog mooie gele vlokkige wolken uit, die zich langzaam in het heelal oplosten. Nu en dan werd eens een klein pufje vernomen, dat aantoonde, dat de kolossus een beetje buikpijn had, maar tot eene regelrechte uitbarsting kwam het toch niet meer.

Hadden wij op Ceylon de kaneeltuinen gezien, hier konden wij ons verrijken met de kennis van het verder proces, dat de kaneelpijp ondergaat, alvorens het in Holland voor vijf cents een heele zakvol in de winkels verkocht wordt. Omdat die onschuldige kaneelstokjes, die in gemalen vorm meestal zoo--ongekookt en ongewasschen--genuttigd worden, een bron van ziekte kunnen opleveren, wil ik er op wijzen. Van dat de takken de rose-getinte boompjes verlaten hebben, totdat zij buiten in de zon gedroogd, gesorteerd en in bundels bijeengebracht zijn, gaan zij door tal van inlandershanden. Dan staan die bundels kaneelstokken open en bloot uren, soms dagen, voor een station opgestapeld en worden zoo naar de markt afgeleverd. Hoe gemakkelijk kunnen zij niet de overbrengers zijn van tal van besmettelijke ziekten, die min of meer onder de inlanders voorkomen. Ik weet wel, dat ditzelfde geldt voor vele andere specerijen, die in menig gezin ongewasschen gebruikt worden, maar ik wilde op dit eene voorbeeld wijzen, misschien zal dan wel de gevolgtrekking gemaakt worden, beter te doen, met al de specerijen wat zindelijker te werk te gaan.

Van Padang Pandjang uit zijn vele interessante uitstapjes te maken, die ons dubbel belang inboezemden, omdat overal de sawahs geel stonden, zoodat de vrouwen allen druk op het veld bezig waren om de paddi binnen te halen. Dit was bijna uitsluitend vrouwenwerk, slechts in enkele gevallen hielpen daarbij mannenhanden. Het schilderachtige, het poëtische van dit werk is reeds zoo dikwijls door daarvoor beter in staat zijnde pennen, dan de mijne beschreven, dat ik mij gerust ontheven kan achten voor Hollandsche lezers daarop te wijzen. Voor ons was het gezicht op die drukwerkende vrouwen daarom zoo vol interesse, omdat deze opgewekte, gelukkig uitziende menschen zoo'n heerlijk contrast vormden met de zwaarmoedige, met haar lot ontevreden uitziende vrouwen in Egypte en Britsch-Indië. Wil men zich overtuigen dat de vrouw slechts gelukkig kan zijn, als verantwoordelijke arbeid op hare schouders rust, dat de aard van de vrouw medebrengt, dat zij nuttig bezig is en dat zij zich alleen onder zulke omstandigheden tevreden kan gevoelen, men begeve zich naar de Padangsche bovenlanden en vergelijke deze werkzame vrouwen met die in de landen, waar de ontwikkeling der nijverheid of de heerschende zeden en gewoonten, haar alle nuttige werkzaamheden gaandeweg uit de handen hebben genomen. De geheele vrouwenbeweging, overal in de beschaafde wereld, die zich oogenschijnlijk beweegt op verschillende paden, heeft toch feitelijk geen andere oorzaak en geen ander doel, dan het willen terugwinnen van de beteekenis, die de vrouw in de oorspronkelijke wereld voor het ras bezat, het weder willen deelnemen aan het werk voor het algemeen, weder verantwoordelijk gesteld worden voor de helft van den arbeid, die gedaan moet worden tot instandhouding van het ras en den vooruitgang der menschheid.

Maandag 6 Mei, verlieten wij reeds vroeg Padang Pandjang, omdat wij nog dienzelfden dag in Padang moesten spreken in eene vergadering door warme voorstanders van vrouwenkiesrecht aldaar voor ons belegd. Was het niet, dat wij om die reden beneden moesten zijn, dan hadden wij ons verblijf in de bovenlanden nog wat gerekt, waar wij zulke heerlijke dagen hadden doorgebracht. Dat ons kort verblijf aldaar zoo vol afwisseling was, dat wij in dien korten tijd, om zoo te zeggen, alles zagen, wat er voor ons bezienswaardig en van belang was, danken wij grootendeels aan de niet genoeg te waardeeren vriendelijkheid van den gouverneur van Sumatra's Westkust, die te voren de assistent-residenten en de controleurs der verschillende plaatsen, die wij gingen bezoeken, schriftelijk had verzocht, ons bij ons bezoek in elk opzicht van dienst te willen zijn. Aan dit schriftelijk verzoek hadden wij het te danken, dat deze heeren, die zich allen op de meest voorkomende wijze van deze taak hebben gekweten, van onze komst op de hoogte waren en ons daardoor zoo goed hebben kunnen helpen.

In Padang werden wij met de grootste hartelijkheid bij onze beide gastvrouwen en gastheeren ontvangen. De vergadering was tegen 7 uur uitgeschreven en toen wij op dien tijd in het logegebouw aankwamen, was de vergaderzaal reeds geheel gevuld met een belangstellend publiek, zoowel heeren als dames. Ook hier bleek, dat het vrouwenkiesrechtvraagstuk thans aller aandacht trekt, en dat men het slechts heeft te bespreken om uit de belangstellenden voorstanders te maken. Wel werd er na afloop der voordrachten van mrs. Catt en mij gebruik gemaakt van de gelegenheid om bezwaren te opperen of vragen te stellen, maar geen der aanwezigen scheen eenig bezwaar te hebben, wel wenschte men op enkele punten nadere inlichtingen. Van een kant werd de vraag geopperd, of niet de vrouwen het kiesrecht zouden deelachtig worden, ook zonder dat er voor gestreden werd, of wel de tijd rijp was voor de invoering ervan en of de mannen 't ons niet zouden geven, ook wanneer wij er niet om vragen, doch deze illusie kon gemakkelijk en met succes bestreden worden. Het gevolg van deze vergadering was, dat er ook in Padang eene afdeeling tot stand kwam.

Van de vier dagen, die wij nog in Padang moesten vertoeven, alvorens de boot ons weder naar Batavia zal terugvoeren, maakten eenige goede vrienden gebruik, om diners, een gardenpartij, een automobieltocht enz., te arrangeeren, en stelden ons daardoor in de gelegenheid niet alleen met de ingezetenen van het schilderachtige stadje, maar ook met zijne mooie omgeving kennis te doen maken.

Maar van die gardenpartij moet ik iets meer zeggen. De heer en mevrouw Schlüter hadden die voor ons belegd. Hun prachtige tuin, die met lampions en lichtpotjes feeëriek geïllumineerd was, leende zich bij uitstek voor zulk een feest. Wat echter voor ons het bijzonder aantrekkelijke was en ons dien dag nooit zal doen vergeten, dat waren de Indische muziek en de Indische amusementen, waarmede wij voor het eerst kennis maakten. Midden op een groot groen grasveld, fantastisch beschenen door het licht uit de ontelbare lichtpotjes rondom geplaatst, speelde de gamelan en werd er door eene Javaansche schoone, in hofgewaad, getandakt, nu en dan in hare mooie, gracieuze bewegingen bijgestaan door een mannelijken tandakker. En was het fijne, Javaansche poppetje--'t was alsof zij van porselein was--moe dan zweeg de gamelan en dan keerden wij onze stoelen om en verlustigden ons in het gezicht van een groote groep mannen, die mêmantjakten, dat is krijgsdansen en schermutselingen uitvoerden, waarbij hun eigen opgewekt, melodieus gezang de maat aangaf. Wat steekt dat dansen van deze inlanders, dat eigenlijk niets anders dan elegante, rhytmische bewegingen is, toch hemelsbreed gunstig af bij onze danspartijen! Wat staan hunne amusementen toch veel hooger dan de onze!

De Indische bevolking, die op de muziek van de gamelan van heinde en ver was toegestroomd en in honderden zich driestweg in den tuin had gewaagd, schaarde zich zittende en staande rondom de gamelan en de dansende Maleiers en vormde in hare schilderachtige bonte kleeding een achtergrond, die niet mooier kon worden uitgedacht. Ook bij deze gelegenheid toonde de bevolking weder haar hoog peil van beschaving; uit deze tallooze menigte werd geen luide stem vernomen; stil, bijna geruischloos, waren zij binnengekomen en stonden daar even bewonderend als wij naar het tandakken en mêmantjakken te zien. Alleen als wij de uitvoerders door handgeklap toejuichten, waren het in hoofdzaak de inlandsche kinderen, die ons in dit tevredenheidsbewijs steunden. Onder deze vertooningen, waarbij ook nog de muziek van een Chineesch orkest gevoegd moet worden, werden de gasten onophoudelijk van spijzen en verfrisschende dranken voorzien, en ook daarbij werd van de aanwezigheid van zooveel inlanders, waaronder toch ook vele kinderen, niet de minste overlast ondervonden. Vergelijk met dit alles eens iets dergelijks in ons land!

Padang en de Padangsche bovenlanden hebben op ons beiden een diepen, blijvenden indruk gemaakt. Noch de prachtige natuur, noch de buitengewone omstandigheden, waaronder de bevolking daar leeft, noch de vele hartelijke menschen, die wij er hebben ontmoet, die ons vriendschappelijk tegemoet zijn getreden en ons bezoek zoo vruchtdragend hebben gemaakt, zullen ooit uit onze herinnering verdwijnen. Sumatra's Westkust is alleen een bezoek aan onze koloniën waard.

Nu wij op het punt staan, Sumatra voorgoed te verlaten, wil ik met een enkel woord den indruk weergeven, dien over het algemeen de Maleier op mij heeft gemaakt, omdat wij dezen nu niet meer zullen ontmoeten en in hoofdzaak met den Javaan kennis maken.

Het is niet gemakkelijk, in een paar woorden te omschrijven, welke die indruk is en daarom neem ik mijn toevlucht tot eene vergelijking van de Maleiers, zooals wij die hier op Sumatra's Westkust ontmoet hebben, met de inlanders in andere landen..