Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 41

Chapter 413,642 wordsPublic domain

Over de daar wonende Lampongsche bevolking gaf hij ons eenige zeer wetenswaardige bijzonderheden. Er bestaat daar een soort overgangsvorm tusschen het matriarchaat en het patriarchaat. De Lampongsche jonge meisjes worden door de vaders voor een zekere som, soms 2000 à 3000 gulden, aan den toekomstigen echtgenoot verkocht en gaan dan van het ouderlijk huis in het ouderlijk huis van den man over. Zij moeten dan in het nieuwe tehuis 't werk verrichten, dat haar door echtgenoot en schoonmoeder wordt opgedragen. In zekeren zin is zoo'n vrouw dan de slavin van haar schoonmoeder en van haar man. Kan de huwbare man echter de kostende som voor zijne bruid niet bijeenbrengen, dan begeeft hij zich in dienstbaarheid bij haar vader. De dochter en de jonge echtgenoot blijven dan in de woning van de ouders der vrouw en de jonge man wordt de slaaf van zijn schoonvader en misschien ook wel van zijne vrouw. De kinderen uit dat huwelijk dragen in zoo'n geval den familienaam van de moeder en behooren haar toe. Wanneer een vader geen zonen en maar één dochter heeft, dan wil hij alleen onder de laatste voorwaarde zijn dochter uithuwelijken, omdat anders zijn familie uitsterft.

Bijzonder interesseerden mrs. Catt en ik ons nu voor hetgeen wij vernamen, omdat daaruit bleek, dat onder de Lampongsche jonge vrouwen een geest van verzet zich begon te openbaren, nu de zaken niet meer gaan zooals zij dat wenschen. De som van twee à drieduizend gulden, die de vaders tegenwoordig voor hunne dochters eischen, kan n.l. in den regel niet door een jongen man opgebracht worden en om die reden worden de meisjes nu maar al te vaak uitgeleverd aan oudere of oude bokken, die voor een groen spruitje een groote som over hebben. De jonge meisjes van Kotô Agoëng en omstreken zijn nu sedert geruimen tijd een strike begonnen: zij zijn overeengekomen om niet anders dan een huwelijk aan te gaan, waarbij de nieuwe jonge man in dienst treedt van haar vader en zij de rechten behoudt op kinderen en ouderlijk erfdeel. De reden is duidelijk. De jonge vrouwtjes vertikken het langer om uitgehuwelijkt te worden aan oude snoepers; zij geven den jongen, frisschen echtgenoot de voorkeur. Deze strike der jonge dames heeft reeds zoo'n omvang aangenomen, dat de hoofden van Kotô Agoëng met den controleur eene vergadering hebben belegd, om te zien wat er in dezen gedaan moet worden, omdat er in de laatste maanden geen huwelijken meer gesloten worden. De controleur vertelde ons, dat er nog geen oplossing voor dit penible vraagstuk was gevonden.

Wij hadden gaarne nog eens een kijkje genomen in de peperplantages, waaraan dit district zijne beteekenis grootendeels ontleent, maar die plantages zijn ongeveer twee uur ver in het gebergte gelegen en alleen per paard of te voet konden wij er komen. Zoo lang durfden wij echter niet van het schip verwijderd blijven. Na nog een mooie verzameling eigengemaakte fotografieën van het district en zijn bewoners van den controleur Kriebel bewonderd te hebben, namen wij van onzen vriendelijken gastheer afscheid, die daar wel eenzaam leeft, doch zijne eenzaamheid met opgewektheid draagt en er al het interessante van gevoelt. Even voorkomend als wij aan land gebracht waren, werden wij ook weder naar het schip teruggevoerd.

Midden in den nacht kwamen wij in Kroë aan en vertrokken van daar ook weder nog vóór de dag was aangebroken. Van aan wal gaan dus geen sprake. Grooter was evenwel de teleurstelling, toen wij Woensdagavond ook eerst Benkoelen bereikten, nadat het nachtelijk duister reeds lang was ingetreden. In Benkoelen waren wij zoo gaarne aan wal gegaan en wij hadden daarop vrij zeker gerekend. Er was echter geen sprake van, want het aan wal gaan geschiedt, door de groote deining, die er bestaat, niet zonder gevaar en de afstand van het schip naar den wal is minstens een half uur roeien in een primitieve prauw. Aan boord blijven was dus de boodschap. Wij konden niets anders doen dan den volgenden morgen vroeg opstaan, om vóór wij Benkoelen verlieten, van het dek van het schip met een goeden scheepskijker een kijkje te nemen van het voor ons onbereikbare stadje.

Vrijdagmorgen, om zes uur, landden wij in Padang. Van het mooie binnenkomen konden wij ook al weder, doordat het daglicht nog niet was doorgebroken, weinig genieten. Alleen even vóór wij vastgemeerd lagen was het daglicht helder genoeg om ons een kijkje te gunnen en een vermoeden te geven van wat wij gemist hadden.

Niettegenstaande het zeer vroege ochtenduur, stonden er op den wal toch reeds drie dames op ons te wachten, die ons het welkom in Padang brachten, de zorg voor onze bagage namen en ons per auto langs den mooien weg van de Emmahaven naar de stad en in het gastvrije huis van den heer en mevrouw Kamerling afleverden. In dat vriendelijke, oude echtpaar, mevrouw vierde dien dag haar 72en geboortedag, vonden wij een paar warme voorstanders van Vrouwenkiesrecht, die daar in Padang de voorbereiding voor onze komst geheel geleid en met behulp van eenige andere dames ook verricht hebben. Een hartelijker ontvangst is niet denkbaar. Voor alles was gezorgd. Omdat wij kwamen op een oogenblik, dat de Juliana-feesten in volle voorbereiding waren, was het beter de vergadering voor vrouwenkiesrecht uit te stellen totdat wij het bezoek aan de Padangsche bovenlanden hadden gebracht en voor dit bezoek waren alle stappen gedaan, om het voor ons zoo gemakkelijk, aangenaam en vruchtdragend mogelijk te maken. Aan alle assistent-residenten en hotels in de verschillende plaatsjes was onze komst aangekondigd en gevraagd om ons het verblijf te vergemakkelijken. Wij besloten daarom, om maar direct Zaterdagmorgen naar boven te gaan, omdat wij vóór alles Zondag in Pajacombo, het eindpunt van de reis, wilden zijn.

Vrijdagavond hadden echter mijnheer en mevrouw Kamerling tal van Padangsche heeren en dames uitgenoodigd, om kennis met ons te maken en ons met dezen in kennis te brengen, van welke uitnoodiging een ruim gebruik was gemaakt. Wij kwamen hierdoor ook in de gelegenheid tal van bijzonderheden te vernemen aangaande den tocht, dien wij den volgenden morgen vroeg zouden aanvangen. Omdat twee logé's voor onze lieve oudjes wat veel was, maakte mrs. Catt gaarne gebruik van de vriendelijke uitnoodiging van de buren der familie Kamerling, den heer en mevrouw de Keth, om daar te gaan logeeren.

Toen mr. De Keth ons den volgenden morgen vroeg naar het station bracht, bleek ook daar, hoe voorkomend de oude heer Kamerling alles voor ons had voorbereid. De stationschef was van onze komst verwittigd; hij had op verzoek een 1e klasse waggon met balcon vóór aan den trein gehaakt, (de locomotief staat achter den trein en duwt hem naar boven) en daarop een paar bankjes geplaatst, zoodat wij een onbelemmerd uitzicht genoten van den prachtigen weg, dien wij aflegden.

Eerst ging het eenige uren lang links, langs tuinen met klapperboomen, pisangpalmen, mangoboomen en zoovele andere tropische boomen waarvan wij den naam niet weten en hier zagen wij ook in groote verscheidenheid den varenboom, dien wij op Ceylon hadden leeren kennen, terwijl rechts reeds heel spoedig eene reeks van bergtoppen, het Barisangebergte, tot aan den top met palmen begroeid, zich aan ons oog vertoonde. Schilderachtig lagen tusschen dat veelkleurige groen de houten woninkjes met hunne donkerbruine, rieten daken, daken, die alle gracieus, boogvormig zijn, eene eigenaardigheid waardoor Sumatra'sche, inlandsche woningen zich kenmerken. Wat verder op kregen wij ook aan den linkerkant eene bergreeks, het Danaugebergte, totdat wij eindelijk de kloof van Anek naderden, en de trein tusschen eene nauwe bergengte met watervallen, gorges en snel vlietende stroompjes, zich naar boven werkte.

Als men den tropischen plantengroei, de donkerkleurige bevolking en de Sumatra'sche huisjes wegdacht, zou men zich in een van de mooie gedeelten van Zwitserland in den zomer verplaatst kunnen gevoelen, maar juist deze drie zaken maken dezen weg tot eene nog schilderachtiger.

De bruine, rieten daken der woningen waren langzamerhand verdwenen en in de plaats daarvan zagen wij nu wit geschilderde, houten huisjes, met zinken daken, die in de zon hel schitterden.

Opmerkelijk is overal de kalmte van onzen inlander, hetzij hij Javaan of Maleier is. Hoe sterk steekt die af bij de rumoerigheid van den Britsch-Indiër. Als in Britsch-Indië een trein aan een station stilhoudt, dan kan men van de drukte, het door elkaar geschreeuw, het lawaaiig doen van den inlander, niets hooren of zien van 'tgeen een doortrekkende reiziger soms gaarne hooren of zien wil en des nachts is die drukte aan de stations even groot als bij dag, zoodat de nachtrust, die men in de Britsch-Indische treinen zou kunnen genieten, daarbij zeer veel inboet. Als drie of vier Britsen-Indiërs bij elkaar staan, dan converseeren zij met elkaar op een wijze, die elkeen moet doen vermoeden, dat het onmiddellijk op een hevige kloppartij zal uitloopen, terwijl het toch niets anders dan een vriendelijk praatje geldt.

Hoe voornaam, stil, kalm haast, doet daarentegen onze inlander. In lange rijen staan zij achter elkander aan het loketje, om een plaatskaartje te nemen; geen luid woord wordt vernomen, ieder wacht kalm zijn beurt af. Als de trein stilstaat, stappen zij haast geruischloos in; wanneer men niet vooraf gezien had, dat er zoovele passagiers op het perron stonden te wachten, zou men zich niet kunnen verbeelden, dat er menschen uit of in den trein gestapt waren.

Toen wij te ruim twaalf uur in Padang Pandjang aankwamen, stond de hotelier van het hotel Merapi zelf op het perron, om de noodige hulp te bieden, terwijl de assistent-resident zijn rijtuig had gezonden, om daarvan gebruik te maken. Hij zelf was voor dienstzaken elders, doch mevrouw Tubergen, de vrouw van den assistent-resident, had er voor gezorgd, dat een vaas met geurige en wondermooie bloemen in onze kamer in het hotel ons een vriendelijke welkomstgroet in Padang-Pandjang bracht.

Ofschoon wij in het midden van den dag, waarop het dus het heetst is, aankwamen, was de temperatuur toch niet hooger dan op een matig warmen zomerdag in Holland. Na al die heete dagen, die wij in den laatsten tijd hadden doorgemaakt, leefden wij in Padang-Pandjang weer eens heelemaal op, tegen den avond moesten zelfs de doekjes voor den dag komen. Van het bordes van het hotel genoten wij 't gezicht op den altijd rookenden Merapi. Er lag echter 's middags zoo'n vlokkige witte wolk op den top van den vulkaan, als ware de kop met een groote slaapmuts overtrokken, zoodat wij van het al of niet rooken niet veel bespeuren konden. Tegen den avond herinnerde de zwaveldamp, die de atmosfeer had doortrokken, ons echter aan het bestaan en de nabijheid van dezen vuurspuwenden berg.

Het één bataillon groote garnizoen geeft vrij wat levendigheid aan het interessante plaatsje. Voor de kinderen van deze militaire ambtenaren is natuurlijk een Europeesche school met Europeesche onderwijzers noodig, het spoorwezen heeft er eenige ambtenaren, zoo ook het kantoor van den assistent-resident en door al deze Europeeërs ademt er een geest van civilisatie, waardoor het voor toeristen doenlijk is, er eenige dagen te vertoeven. Daardoor is het ook mogelijk, dat een tamelijk goed hotelletje zich er staande kan houden, en dat niet alleen toeristen, maar ook herstelde zieken, die een tijdlang een koeler klimaat en een mooie omgeving noodig hebben, om verloren krachten te herwinnen, zich daar kunnen ophouden. Maar over Padang-Pandjang ga ik later schrijven, want het diende ons alleen om er te overnachten, om den volgenden ochtend vroeg van daar naar Pajacombo te kunnen vertrekken, waar des Zondags de groote Passar gehouden wordt, waaraan deze plaats haar vermaardheid voornamelijk dankt. Wij zullen eerst Pajacombo en Fort de Kock bezoeken om daarna terug te keeren naar Padang-Pandjang en van daaruit eenige uitstapjes te maken en 't merkwaardige van 't stadje te zien.

II.

Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, 't matriarchaat, hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd, bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt, dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter; de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo'n uitbouwsel en zoo gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten, de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.

In zoo'n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder, dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al het geld en goed dat zoo'n familie bezit, behoort den vrouwen toe en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets, wat de vrouwen toebehoort.

Al het werk in zoo'n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken, moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en verkoopen het daar.

Waar blijven de mannen uit zoo'n gezin?

Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost [3], al naar gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje, zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft, een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja's, suikerriet, kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: "Natuurlijk heb ik vier vrouwen en reeds acht kinderen". En toen vernam ik, dat die vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast zijne woning en 't paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een of twee dagen een leven als "heer der schepping" te hebben laten welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.

Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.

Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo'n gezin helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat zoo'n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn, wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het werk op de vrouwen neer.

Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig 'n strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms een soort hanengevecht te laten houden.

Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk, vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.

De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven voor, dat men zoo'n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren, met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend, Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder die attributen.

De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje, van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven, dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. 't Jonge vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone, waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en altijd bij mij wilde blijven.

Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn, die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn, vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.