Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 39

Chapter 393,814 wordsPublic domain

In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan, nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds op onzen reis aandeden, gewerd. "O, kijk eens, hoe heerlijk frisch en vriendelijk de haven er uit ziet," riep ik mijn reisgezellin, die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot haar morgenslaap niet te vroeg had onderbroken, door het hutvenster toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was, die wij tot nog toe aandeden.

Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste- en tweede-klasse passagiers voorzien waren van "een toelatingskaart in Java". Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo'n bewijs voor niets, alle anderen hebben voor dat papiertje f 25 te betalen. Dit geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden Java verlaten.

Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord, "om minder gewenschte elementen te weren". Maar dat kan toch onmogelijk de reden zijn, want "minder gewenschte elementen", die eerste en tweede klasse reizen, kunnen immers voor f 25 een toelatingsbewijs koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent, maar om een sommetje van f 25 te vragen van elken niet-Nederlander, die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont, "dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn." Bovendien veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo'n toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig gulden niet te betalen zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is, dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip, hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!

Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten, vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel, was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles, maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon, naar Batavia te sporen.

Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden, een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in Java het nadere te hooren. Maar 't was gelukkig de eerste Paaschdag en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel te doen. Om half zes 's avonds kwam mijne zuster, de apothekeres Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 jaren in Batavia woont, ons afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij vertoefden er van 's morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.

Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken, doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst, dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in zijn veel omvattend werk een groote steun.

Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo'n vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen kasinhoud eener particuliere vereeniging?

Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.

Batavia, 9 April 1912.

OP JAVA.

I.

Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein scheidt, defileert Batavia's bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden, moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.

Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie lanen, hoe vele verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet, men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.

Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.

De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht, deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu gelukkig goed en wel achter ons.

Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten, zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs, werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen tusschen de verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen 8 en 9 uur 's avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.

Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders, die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk niet meer gezegd te worden.

Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van overtuiging, dat het moet, om na zoo'n spreekster te durven opstaan en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan, dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, voor hen, die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.

Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.

Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij, waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in zoo'n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden, "maar", zoo zeide de heer Steijn, "toen eenmaal onzen vrouwen de handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder strijden nutteloos en noodeloos." Dat vrouwen strijden kunnen en als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan, en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.

Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden, waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.

Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is, dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu "het alles overheerschende vraagstuk" is geworden. Door haar gewelddadig optreden hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk, meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering, waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.

Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt ingezien, dat de grieven der vrouwen gegrond zijn en er in den loop van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.

"Geduld" werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft, hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in Holland en hoore naar de weerlegging er van.

De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en sympathiek karakter.

Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen; wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal, ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.

De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede week. Wel vragen wij ons telkens af, "hoe lang zullen wij dit drukke leven in zulk een heet klimaat volhouden" en gevoelen wij, dat wij tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik heb dan ook reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.

Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, 'n andere kaart te halen. Heeft men ooit van zoo'n onbesuisden maatregel meer gehoord? En is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte en beschaafde Nederland zijn aangekomen?

Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij beiden daarvoor, of voor wat anders, f 1.50 hebben moeten betalen. In welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog, ontvangt vreemdelingen gastvrijer.

Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een credietbrief, die over ettelijke duizenden guldens liep, kon men de vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte door een mede-passagier geholpen worden.